Procestaal: Spaans.
HvJ EU, 09-07-2020, nr. C-86/19
ECLI:EU:C:2020:538
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
09-07-2020
- Magistraten
M. Vilaras, S. Rodin, D. Šváby, K. Jürimäe, N. Piçarra
- Zaaknummer
C-86/19
- Conclusie
G. Pitruzzella
- Roepnaam
Vueling Airlines
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2020:538, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 09‑07‑2020
ECLI:EU:C:2020:195, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 11‑03‑2020
Uitspraak 09‑07‑2020
Inhoudsindicatie
‘Prejudiciële verwijzing — Luchtvervoer — Verdrag van Montreal — Artikel 17, lid 2 — Aansprakelijkheid van luchtvervoerders inzake bagage — Erkend verlies van aangegeven bagage — Recht op schadevergoeding — Artikel 22, lid 2 — Aansprakelijkheidsgrenzen in geval van vernieling, verlies, beschadiging of vertraging van bagage — Ontbreken van informatie over de verloren bagage — Bewijslast — Procedurele autonomie van de lidstaten — Gelijkwaardigheidsbeginsel en doeltreffendheidsbeginsel’
M. Vilaras, S. Rodin, D. Šváby, K. Jürimäe, N. Piçarra
Partij(en)
In zaak C-86/19*,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Juzgado de lo Mercantil n° 9 de Barcelona (handelsrechtbank nr. 9 Barcelona, Spanje) bij beslissing van 3 december 2018, ingekomen bij het Hof op 6 februari 2019, in de procedure
SL
tegen
Vueling Airlines, S.A.,
wijst
HET HOF (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: M. Vilaras, kamerpresident, S. Rodin, D. Šváby, K. Jürimäe en N. Piçarra (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: G. Pitruzzella,
griffier: M. Ferreira, hoofdadministrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 15 januari 2020,
gelet op de opmerkingen van:
- —
SL, vertegenwoordigd door A. Azcárraga Gonzalo, A. Velázquez Cobos en J. C. Siqueira Viana, abogados,
- —
Vueling Airlines, S.A., vertegenwoordigd door J. Fillat Boneta, abogado,
- —
de Duitse regering, vertegenwoordigd door J. Möller, M. Hellmann, U. Bartl en A. Berg als gemachtigden,
- —
de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. K. Bulterman en M. A. M. de Ree als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door J. Rius en N. Yerrell als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 11 maart 2020,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 17, lid 2, en artikel 22, lid 2, van het op 28 mei 1999 te Montreal gesloten Verdrag tot het brengen van eenheid in enige bepalingen inzake het internationale luchtvervoer, dat op 9 december 1999 door de Europese Gemeenschap is ondertekend en namens haar is goedgekeurd bij besluit 2001/539/EG van de Raad van 5 april 2001 (PB 2001, L 194, blz. 38) (hierna: ‘verdrag van Montreal’) en dat voor de Europese Unie in werking is getreden op 28 juni 2004.
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen SL en Vueling Airlines, S.A., een luchtvaartmaatschappij, over een vordering tot vergoeding van de materiële en immateriële schade als gevolg van het verlies van de door SL aangegeven bagage tijdens een door deze luchtvaartmaatschappij uitgevoerde vlucht.
Toepasselijke bepalingen
Internationaal recht
3
In de derde alinea van de preambule van het verdrag van Montreal heet het dat de staten die partij zijn bij dit verdrag ‘het belang van het waarborgen van bescherming van de belangen van consumenten in het internationale luchtvervoer en de noodzaak van billijke schadevergoeding gegrond op het beginsel van restitutie [erkennen]’.
4
De vijfde alinea van deze preambule bepaalt dat ‘een gezamenlijk optreden van de staten ter verdere harmonisatie en codificatie van enige bepalingen tot regeling van het internationale luchtvervoer door middel van een nieuw verdrag het beste middel is om een billijk evenwicht van de belangen te bereiken’.
5
Artikel 3, lid 3, van het verdrag van Montreal bepaalt:
‘De vervoerder verstrekt aan de passagier een identificatielabel voor elk stuk aangegeven bagage.’
6
Artikel 17 van dit verdrag, met als opschrift ‘Dood of letsel geleden door de passagier — Schade toegebracht aan de bagage’, luidt als volgt:
‘[…]
- 2.
De vervoerder is aansprakelijk voor schade die wordt geleden in geval van vernieling, verlies of beschadiging van aangegeven bagage, op grond van het enkele feit dat de gebeurtenis die de vernieling, het verlies of de beschadiging heeft veroorzaakt, plaats heeft gehad aan boord van het luchtvaartuig of gedurende enig tijdvak waarin de vervoerder de aangegeven bagage onder zijn hoede had. […]
- 3.
Indien de vervoerder het verlies van aangegeven bagage erkent of indien de aangegeven bagage niet op de bestemming is aangekomen binnen eenentwintig dagen volgend op de datum waarop zij had moeten aankomen, is de passagier gerechtigd tegen de vervoerder de rechten te doen gelden die voortvloeien uit de vervoerovereenkomst.
- 4.
Behoudens andersluidende bepalingen wordt in dit verdrag onder ‘bagage’ zowel aangegeven als niet aangegeven bagage verstaan.’
7
Artikel 22 van dit verdrag, met als opschrift ‘Aansprakelijkheidsgrenzen met betrekking tot vertraging, bagage en goederen’, bepaalt in lid 2:
‘Bij het vervoer van bagage is de aansprakelijkheid van de vervoerder in geval van vernieling, verlies, beschadiging of vertraging beperkt tot het bedrag van 1 000 bijzondere trekkingsrechten per passagier, behoudens bijzondere verklaring omtrent belang bij de aflevering, gedaan door de passagier bij de afgifte van de aangegeven bagage aan de vervoerder en tegen betaling van een eventueel verhoogd tarief. In dat geval is de vervoerder verplicht te betalen tot het bedrag van de opgegeven som, tenzij hij bewijst dat deze het werkelijke belang van de passagier bij de aflevering te boven gaat.’
8
Overeenkomstig de procedure van artikel 24 van het verdrag van Montreal is de in artikel 22, lid 2, van dit verdrag bepaalde aansprakelijkheidsgrens met ingang van 30 december 2009 verhoogd tot 1 131 bijzondere trekkingsrechten (hierna: ‘BTR’) per passagier voor schade toegebracht aan de bagage. Dit bedrag is met ingang van 28 december 2019 verhoogd tot 1 288 BTR.
Unierecht
9
Naar aanleiding van de ondertekening van het verdrag van Montreal is verordening (EG) nr. 2027/97 van de Raad van 9 oktober 1997 betreffende de aansprakelijkheid van luchtvervoerders met betrekking tot het luchtvervoer van passagiers en hun bagage (PB 1997, L 285, blz. 1) gewijzigd bij verordening (EG) nr. 889/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 13 mei 2002 (PB 2002, L 140, blz. 2) (hierna: ‘verordening nr. 2027/97’).
10
In de overwegingen 12 en 18 van verordening nr. 889/2002 staat te lezen:
- ‘(12)
Uniforme aansprakelijkheidsgrenzen bij verlies, beschadiging of vernietiging van bagage en bij door vertraging veroorzaakte schade die van toepassing zijn op alle door luchtvervoerders van de [Unie] verzorgde vervoer, zullen leiden tot eenvoudige en duidelijke regels voor zowel passagiers als luchtvaartmaatschappijen, zodat passagiers zelf kunnen bepalen wanneer een bijkomende verzekering noodzakelijk is.
[…]
- (18)
De lidstaten zijn verantwoordelijk voor het vaststellen van de eventuele bepalingen die nog nodig zijn om het verdrag van Montreal uit te voeren op punten die niet onder verordening (EG) nr. 2027/97 vallen’.
11
Artikel 1 van verordening nr. 2027/97 bepaalt:
‘Deze verordening geeft uitvoering aan de bepalingen van het verdrag van Montreal over het luchtvervoer van passagiers en hun bagage en bevat een aantal aanvullende bepalingen. Tevens breidt zij de toepassing van de bepalingen in kwestie uit tot het luchtvervoer binnen de grenzen van één en dezelfde lidstaat.’
12
Artikel 3, lid 1, van deze verordening luidt als volgt:
‘De aansprakelijkheid van een luchtvervoerder van de [Unie] met betrekking tot de passagiers en hun bagage is onderworpen aan alle bepalingen van het verdrag van Montreal die op die aansprakelijkheid betrekking hebben.’
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
13
Op 18 september 2017 is SL van Ibiza (Spanje) via Barcelona (Spanje) naar Fuerteventura (Spanje) gereisd met een vlucht van Vueling Airlines. Zij heeft haar bagage bij deze luchtvervoerder aangegeven.
14
Bij aankomst, na een vlucht die normaal verliep, constateerde SL dat haar bagage niet op haar bestemming was aangekomen. Zij heeft bijgevolg een klacht ingediend bij die luchtvervoerder.
15
Op 11 december 2017 heeft SL bij de verwijzende rechter, de Juzgado de lo Mercantil n° 9 de Barcelona (handelsrechtbank nr. 9 Barcelona, Spanje), tegen Vueling Airlines een vordering ingesteld tot verkrijging van het in artikel 22, lid 2, van het verdrag van Montreal vastgestelde maximale bedrag van 1 131 BTR, en dit ter vergoeding van de materiële en immateriële schade die zij door het verlies van haar bagage heeft geleden. Ter ondersteuning van haar vordering voert SL aan dat het verlies van bagage de meest ernstige vorm van schade aan bagage als bedoeld in deze bepaling is.
16
Vueling Airlines erkent dat haar bagage niet is teruggevonden. Deze onderneming verzet zich evenwel tegen de betaling van het in artikel 22, lid 2, van het verdrag van Montreal vastgestelde maximale bedrag en biedt slechts een bedrag van 250 EUR aan ter vergoeding van de materiële en immateriële schade die het gevolg is van het verlies van de bagage. Zij betoogt dat SL geen informatie heeft verstrekt over de inhoud, de waarde en het gewicht van die bagage, en ook geen bewijs heeft overgelegd van de aankopen die zijn gedaan ter vervanging van de voorwerpen die zich in de bagage bevonden. Vueling Airlines is van mening dat dit noodzakelijk is opdat passagiers kunnen bewijzen dat zij recht hebben op het in artikel 22, lid 2, van het verdrag van Montreal vastgestelde maximale bedrag aan schadevergoeding.
17
De verwijzende rechter wijst op verschillen in de nationale rechtspraak over de uitlegging van artikel 17, lid 2, en artikel 22, lid 2, van het verdrag van Montreal. Wanneer het verlies van bagage erkend is, kennen sommige rechterlijke instanties het in laatstgenoemde bepaling vastgestelde maximale bedrag aan schadevergoeding toe omdat het gaat om de meest ernstige vorm van schade aan bagage onder de in artikel 22, lid 2, van het verdrag van Montreal bedoelde gevallen, zonder dat de passagier verplicht is om aanvullende bewijzen aan te voeren of te leveren. Andere rechterlijke instanties zijn daarentegen van oordeel dat het bedrag van de aan de passagier toe te kennen schadevergoeding in geval van verlies van bagage door de rechter moet worden bepaald aan de hand van het aangedragen bewijs, waarbij de benadeelde passagier de geleden schade met alle naar recht toegestane middelen moet aantonen.
18
Daarop heeft de Juzgado de lo Mercantil n° 9 de Barcelona de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
‘Dient de luchtvaartmaatschappij, indien het verlies van de koffer is erkend, de passagier altijd en in alle gevallen de maximale schadevergoeding van 1 131 BTR te betalen, aangezien het de meest ernstige van de in artikel 17, lid 2, en artikel 22, lid 2, van het [verdrag van Montreal] vermelde situaties betreft, of gaat het hier om een maximale aansprakelijkheidsgrens, die gelet op de omstandigheden door de rechter kan worden gematigd, ook wanneer het gaat om het verlies van de koffer, waardoor de 1 131 BTR alleen worden toegekend indien de passagier met de naar recht toegestane middelen aantoont dat de waarde van de persoonlijke bezittingen en goederen in de aangegeven bagage en van de voorwerpen die hij heeft moeten aankopen om ze te vervangen die maximale aansprakelijkheidsgrens bereikt, of kan de rechter, indien dat niet mogelijk is, ook andere criteria in overweging nemen, zoals het aantal kilo bagage of het feit dat het verlies van de bagage zich tijdens de heenvlucht of tijdens de terugvlucht heeft voorgedaan, om het bedrag vast te stellen van de immateriële schade die is geleden door het ongemak dat voortvloeit uit het verlies van de bagage?’
Beantwoording van de prejudiciële vraag
Ontvankelijkheid
19
Vueling Airlines acht het verzoek om een prejudiciële beslissing niet-ontvankelijk daar het antwoord op de vraag over de uitlegging van artikel 17, lid 2, en artikel 22, lid 2, van het verdrag van Montreal duidelijk kan worden afgeleid uit de rechtspraak van het Hof, met name uit het arrest van 6 mei 2010, Walz (C-63/09, EU:C:2010:251), en dus geen aanleiding geeft tot redelijke twijfel.
20
Volgens vaste rechtspraak van het Hof is het in het kader van de in artikel 267 VWEU geregelde samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties uitsluitend een zaak van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing om, rekening houdend met de bijzonderheden van het hoofdgeding, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt, te beoordelen. Aangezien de gestelde vragen betrekking hebben op de uitlegging van het Unierecht, waarvan het verdrag van Montreal een integrerend bestanddeel vormt (zie in die zin arresten van 6 mei 2010, Walz, C-63/09, EU:C:2010:251, punten 19 en 20, en 12 april 2018, Finnair, C-258/16, EU:C:2018:252, punten 19 en 20), is het Hof derhalve in beginsel verplicht daarop te antwoorden [zie met name arresten van 19 november 2019, A. K. e.a. (Onafhankelijkheid van de tuchtkamer van de Sąd Najwyższy), C-585/18, C-624/18 en C-625/18, EU:C:2019:982, punt 97, en 19 december 2019, Junqueras Vies, C-502/19, EU:C:2019:1115, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
21
Hieruit vloeit voort dat er een vermoeden van relevantie rust op de vragen betreffende de uitlegging van het Unierecht die de nationale rechter heeft gesteld binnen het onder zijn eigen verantwoordelijkheid geschetste feitelijke en wettelijke kader, ten aanzien waarvan het niet aan het Hof is de juistheid te onderzoeken. Het Hof kan slechts weigeren uitspraak te doen op een verzoek om een prejudiciële beslissing van een nationale rechter wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, of wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen (zie in die zin arresten van 7 maart 2018, flightright e.a., C-274/16, C-447/16 en C-448/16, EU:C:2018:160, punt 46, en 24 oktober 2018, XC e.a., C-234/17, EU:C:2018:853, punt 16 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
22
Het is een nationale rechterlijke instantie geenszins verboden het Hof een prejudiciële vraag te stellen waarvan de beantwoording in de opvatting van een van de partijen in het hoofdgeding geen ruimte laat voor redelijke twijfel. Gesteld al dat dit het geval zou zijn, is die vraag dus nog niet niet-ontvankelijk (arrest van 1 december 2011, Painer, C-145/10, EU:C:2011:798, punten 64 en 65).
23
Hieruit volgt dat het betoog van Vueling Airlines dat ertoe strekt aan te tonen dat het verzoek om een prejudiciële beslissing niet-ontvankelijk is, moet worden afgewezen en dat de vraag van de verwijzende rechter moet worden beantwoord.
Ten gronde
Voorafgaande opmerkingen
24
Vooraf moet worden opgemerkt dat de vraag van de verwijzende rechter in essentie twee vragen betreft. De eerste vraag betreft het al dan niet forfaitaire karakter van de schadevergoeding die op grond van artikel 17, lid 2, gelezen in samenhang met artikel 22, lid 2, van het verdrag van Montreal moet worden betaald aan een passagier van wie aangegeven bagage waarvoor geen bijzondere verklaring omtrent belang bij de aflevering is gedaan, verloren is gegaan gedurende enig tijdvak waarin een luchtvervoerder de aangegeven bagage onder zijn hoede had. De tweede vraag heeft betrekking op de wijze waarop het bedrag van deze schadevergoeding wordt vastgesteld, ingeval het in artikel 22, lid 2, van het verdrag van Montreal genoemde bedrag geen van rechtswege forfaitair verschuldigd bedrag is.
25
Bijgevolg moeten die twee vragen achtereenvolgens worden onderzocht.
26
In dit verband dient in herinnering te worden gebracht dat overeenkomstig artikel 3, lid 1, van verordening nr. 2027/97 de aansprakelijkheid van luchtvervoerders uit de Unie ten aanzien van passagiers en hun bagage onderworpen is aan alle bepalingen van het verdrag van Montreal die betrekking hebben op die aansprakelijkheid (arresten van 6 mei 2010, Walz, C-63/09, EU:C:2010:251, punt 18, en 19 december 2019, Niki Luftfahrt, C-532/18, EU:C:2019:1127, punt 29).
27
Voort is het vaste rechtspraak dat de bepalingen van een internationaal verdrag, zoals het verdrag van Montreal, krachtens het algemene volkenrecht, dat bindend is voor de Unie, en de codificatie daarvan in artikel 31 van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht van 23 mei 1969 (United Nations Treaty Series, deel 1155, blz. 331), te goeder trouw moeten worden uitgelegd overeenkomstig de gewone betekenis van de termen van het verdrag in hun context en in het licht van het voorwerp en het doel van dat verdrag (zie in die zin arresten van 6 mei 2010, Walz, C-63/09, EU:C:2010:251, punt 23; 22 november 2012, Espada Sánchez e.a., C-410/11, EU:C:2012:747, punten 20–22, en 19 december 2019, Niki Luftfahrt, C-532/18, EU:C:2019:1127, punt 31).
Eerste vraag
28
Met de eerste vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 17, lid 2, gelezen in samenhang met artikel 22, lid 2, van het verdrag van Montreal aldus moet worden uitgelegd dat het bedrag dat in laatstgenoemde bepaling is vastgesteld als de aansprakelijkheidsgrens van de luchtvervoerder in geval van vernieling, verlies, beschadiging of vertraging van aangegeven bagage waarvoor geen bijzondere verklaring omtrent belang bij de aflevering is gedaan, een vergoedingslimiet vormt dan wel een forfaitair bedrag dat van rechtswege aan de passagier moet worden betaald.
29
Krachtens artikel 17, lid 2, van het verdrag van Montreal is de luchtvervoerder aansprakelijk voor schade die wordt geleden in geval van vernieling, verlies of beschadiging van aangegeven bagage ‘op grond van het enkele feit dat de gebeurtenis die de vernieling, het verlies of de beschadiging heeft veroorzaakt, heeft plaatsgehad aan boord van het luchtvaartuig of gedurende enig tijdvak waarin de vervoerder de […] bagage onder zijn hoede had’ (zie in die zin arresten van 6 mei 2010, Walz, C-63/09, EU:C:2010:251, punt 32, en 22 november 2012, Espada Sánchez e.a., C-410/11, EU:C:2012:747, punten 25 en 26). Deze bepaling stelt dus enkel vast onder welke voorwaarden luchtreizigers recht hebben op schadevergoeding in geval van vernieling, verlies of beschadiging van aangegeven bagage.
30
Met betrekking tot artikel 22, lid 2, van het verdrag van Montreal heeft het Hof niet alleen geoordeeld dat bij het vervoer van bagage de aansprakelijkheid van de luchtvervoerder in geval van vernieling, verlies, beschadiging of vertraging met ingang van 30 december 2009 en tot en met 28 december 2019 ‘beperkt [is]’ tot het bedrag van 1 131 BTR per passagier, maar ook dat de in die bepaling vastgestelde limiet een maximale vergoeding vormt die niet van rechtswege forfaitair aan elke passagier wordt toegekend, ook niet bij verlies van zijn bagage (zie in die zin arrest van 22 november 2012, Espada Sánchez e.a., C-410/11, EU:C:2012:747, punt 34).
31
Het Hof heeft tevens voor recht verklaard dat de in artikel 22, lid 2, van het verdrag van Montreal vastgestelde maximale vergoeding geldt voor de totale toegebrachte schade, ongeacht of deze schade van materiële dan wel immateriële aard is. In dit verband heeft het Hof gepreciseerd dat de mogelijkheid voor de passagier om op grond van het tweede deel van deze bepaling een bijzondere verklaring omtrent belang te doen bij de afgifte van de aangegeven bagage aan de vervoerder, bevestigt dat de begrenzing van de aansprakelijkheid van de luchtvervoerder voor schade ten gevolge van het verlies van bagage, bij het ontbreken van enige verklaring, een absolute begrenzing is die zowel de materiële als de immateriële schade omvat (zie in die zin arrest van 6 mei 2010, Walz, C-63/09, EU:C:2010:251, punten 37 en 38).
32
Bovendien blijkt uit de voorbereidende werkzaamheden van het verdrag van Montreal dat de bedragen in de bepaling van de ontwerptekst die later artikel 22 van dit verdrag is geworden, bedoeld waren als maximumbedragen en niet als forfaitaire vergoedingsbedragen die automatisch aan benadeelde passagiers moesten worden toegekend. Hoewel deze uitlegging nauwkeuriger zou kunnen worden weergegeven door een uitdrukking als ‘niet mag overschrijden’ te gebruiken, werd besloten de uitdrukking ‘[is] beperkt’ te hanteren, aangezien deze uitdrukking courant werd gebruikt in de rechtspraak die betrekking had op het op 12 oktober 1929 te Warschau ondertekende Verdrag van Warschau tot het brengen van eenheid in enige bepalingen inzake het internationale luchtvervoer (League of Nations — Treaty Series, deel CXXXVII, blz. 12), dat is vervangen door het verdrag van Montreal (notulen van de 12e vergadering van de plenaire commissie van 25 mei 1999, Internationale Conferentie over het luchtrecht, Montreal, 10 tot en met 28 mei 1999, deel I, notulen).
33
In dit verband moet er tevens op worden gewezen dat noch uit artikel 17, lid 2, noch uit artikel 22, lid 2, van het verdrag van Montreal volgt dat het verlies van bagage moet worden beschouwd als de meest ernstige vorm van schade aan bagage en dat om die reden aan de benadeelde passagier het in artikel 22, lid 2, genoemde bedrag aan schadevergoeding van rechtswege moet worden betaald op de enkele grond dat een dergelijk verlies erkend is. Deze bepalingen bevatten immers slechts een opsomming van de verschillende situaties waarin de luchtvervoerder binnen de door artikel 22, lid 2, gestelde grenzen aansprakelijk kan worden gesteld voor schade die wordt geleden bij het vervoer van bagage, zonder dat er evenwel sprake is van een hiërarchie tussen deze situaties naargelang van hun ernst.
34
Hieruit volgt dat het bedrag van de schadevergoeding die een luchtvervoerder verschuldigd is aan een passagier van wie aangegeven bagage waarvoor geen bijzondere verklaring omtrent belang bij de aflevering is gedaan, is vernield, verloren is gegaan, beschadigd is of vertraging heeft opgelopen, moet worden bepaald binnen de door artikel 22, lid 2, van het verdrag van Montreal gestelde grenzen, rekening houdend met de omstandigheden van de zaak.
35
Gelet op de voorgaande overwegingen moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 17, lid 2, gelezen in samenhang met artikel 22, lid 2, van het verdrag van Montreal aldus moet worden uitgelegd dat het bedrag dat in laatstgenoemde bepaling is vastgesteld als de aansprakelijkheidsgrens van de luchtvervoerder in geval van vernieling, verlies, beschadiging of vertraging van aangegeven bagage waarvoor geen bijzondere verklaring omtrent belang bij de aflevering is gedaan, een vergoedingslimiet vormt waarop de betrokken passagier niet van rechtswege en op forfaitaire basis recht heeft. Bijgevolg staat het aan de nationale rechter om binnen die grens het bedrag van de aan deze passagier verschuldigde schadevergoeding vast te stellen aan de hand van de omstandigheden van de zaak.
Tweede vraag
36
Met de tweede vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 17, lid 2, gelezen in samenhang met artikel 22, lid 2, van het verdrag van Montreal aldus moet worden uitgelegd dat het voorziet in een methode voor het bepalen van het bedrag van de schadevergoeding die door een luchtvervoerder moet worden betaald aan een passagier van wie aangegeven bagage waarvoor geen bijzondere verklaring omtrent belang bij de aflevering is gedaan, is vernield, verloren is gegaan, beschadigd is of vertraging heeft opgelopen.
37
In herinnering moet worden gebracht dat het Hof voor recht heeft verklaard dat, met het oog op de toekenning van de in artikel 22, lid 2, van het verdrag van Montreal bedoelde schadevergoeding, het aan de betrokken passagiers staat om onder toezicht van de nationale rechter rechtens genoegzaam het bewijs te leveren van de inhoud van de verloren bagage (zie in die zin arrest van 22 november 2012, Espada Sánchez e.a., C-410/11, EU:C:2012:747, punt 35).
38
Aangezien echter, zoals de advocaat-generaal in punt 32 van zijn conclusie heeft opgemerkt, noch het verdrag van Montreal, noch verordening nr. 2027/97 — die uitvoering geeft aan de relevante bepalingen van dit verdrag over het luchtvervoer van passagiers en hun bagage — specifieke bepalingen vaststelt inzake het bewijs van de in dat verdrag bedoelde schade, moeten overeenkomstig het beginsel van procedurele autonomie de relevante regels van het nationale recht worden toegepast, hetgeen overigens blijkt uit overweging 18 van verordening nr. 889/2002, op grond waarvan de lidstaten verantwoordelijk zijn voor het vaststellen van de eventuele bepalingen die nog nodig zijn om het verdrag van Montreal uit te voeren op punten die niet onder verordening nr. 2027/97 vallen.
39
Volgens vaste rechtspraak is het bij gebreke van een Unieregeling ter zake immers een aangelegenheid van de interne rechtsorde van elke lidstaat om de bevoegde rechter aan te wijzen en de procedureregels vast te stellen voor rechtsvorderingen die ertoe strekken de rechten die de justitiabelen aan het Unierecht ontlenen, te beschermen. Deze regels mogen echter niet ongunstiger zijn dan die welke voor soortgelijke nationale vorderingen gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel), en mogen de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel) (zie in die zin met name arresten van 16 december 1976, Rewe-Zentralfinanz en Rewe-Zentral, 33/76, EU:C:1976:188, punt 5; 13 maart 2007, Unibet, C-432/05, EU:C:2007:163, punten 38, 39 en 43, en 11 september 2019, Călin, C-676/17, EU:C:2019:700, punt 30).
40
Bij het onderzoek of deze twee beginselen in acht zijn genomen, moet rekening worden gehouden met de plaats van de betrokken voorschriften in de gehele procedure, met het verloop van deze procedure en met de bijzondere kenmerken van deze voorschriften voor de verschillende nationale instanties (zie in die zin arrest van 11 september 2019, Călin, C-676/17, EU:C:2019:700, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
41
Uit het voorgaande volgt dat, zoals de advocaat-generaal in wezen heeft aangegeven in de punten 35 en 36 van zijn conclusie, het in het kader van op grond van artikel 17, lid 2, en artikel 22, lid 2, van het verdrag van Montreal ingestelde vorderingen aan de betrokken passagiers staat om rechtens genoegzaam, met name door middel van bewijsstukken van de kosten die zijn gemaakt om de inhoud van hun bagage te vervangen, de schade die zij hebben geleden in geval van vernieling, verlies, beschadiging of vertraging van die bagage te bewijzen, en het aan de bevoegde nationale rechterlijke instanties staat om overeenkomstig de in de punten 39 en 40 van dit arrest genoemde rechtspraak na te gaan of de toepasselijke regels van het nationale recht, in het bijzonder op het gebied van bewijsvoering, het de passagiers in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken om het recht op vergoeding dat zij aan die bepalingen ontlenen, uit te oefenen.
42
In het bijzonder in een situatie waarin de benadeelde passagier geen bewijs heeft aangedragen van de schade die is veroorzaakt door de erkende vernieling, het erkende verlies, de erkende beschadiging of de erkende vertraging van de bagage, kunnen de door de verwijzende rechter genoemde factoren, zoals het gewicht van de verloren bagage en de omstandigheid dat het verlies heeft plaatsgevonden op de heenreis of de terugreis, door de nationale rechter in aanmerking worden genomen om de geleden schade te beoordelen en het bedrag van de aan de benadeelde passagier te betalen schadevergoeding vast te stellen. Deze factoren moeten evenwel niet los van elkaar worden gezien, maar als één geheel worden beoordeeld.
43
Wat in het bijzonder het gewicht van de verloren bagage betreft, moet, aangezien in beginsel alleen de vervoerder een dergelijk bewijs kan leveren nadat die bagage is ingecheckt, worden opgemerkt dat de nationale rechter, om de eerbiediging van het doeltreffendheidsbeginsel te verzekeren, moet gebruikmaken van alle procedurele middelen die hem door het nationale recht ter beschikking worden gesteld — waaronder het bevelen van de noodzakelijke maatregelen van instructie, met inbegrip van de overlegging van een akte of een stuk door één der partijen of door een derde — wanneer hij vaststelt dat het feit dat de bewijslast op een partij rust het onmogelijk of uiterst moeilijk kan maken dat bewijs te leveren, met name omdat het betrekking heeft op gegevens waarover die partij niet kan beschikken (zie in die zin arrest van 7 september 2006, Laboratoires Boiron, C-526/04, EU:C:2006:528, punt 55).
44
In het licht van het voorgaande moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 17, lid 2, gelezen in samenhang met artikel 22, lid 2, van het verdrag van Montreal aldus moet worden uitgelegd dat het bedrag van de schadevergoeding die moet worden betaald aan een passagier van wie aangegeven bagage waarvoor geen bijzondere verklaring omtrent belang bij de aflevering is gedaan, is vernield, verloren is gegaan, beschadigd is of vertraging heeft opgelopen, moet worden bepaald door de nationale rechter overeenkomstig de toepasselijke regels van het nationale recht, in het bijzonder op het gebied van bewijsvoering. Die regels mogen echter niet ongunstiger zijn dan die welke voor soortgelijke nationale vorderingen gelden, en mogen de uitoefening van de door het verdrag van Montreal verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken.
Kosten
45
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:
- 1)
Artikel 17, lid 2, gelezen in samenhang met artikel 22, lid 2, van het op 28 mei 1999 te Montreal gesloten Verdrag tot het brengen van eenheid in enige bepalingen inzake het internationale luchtvervoer, dat op 9 december 1999 door de Europese Gemeenschap is ondertekend en namens haar is goedgekeurd bij besluit 2001/539/EG van de Raad van 5 april 2001, moet aldus worden uitgelegd dat het bedrag dat in laatstgenoemde bepaling is vastgesteld als de aansprakelijkheidsgrens van de luchtvervoerder in geval van vernieling, verlies, beschadiging of vertraging van aangegeven bagage waarvoor geen bijzondere verklaring omtrent belang bij de aflevering is gedaan, een vergoedingslimiet vormt waarop de betrokken passagier niet van rechtswege en op forfaitaire basis recht heeft. Bijgevolg staat het aan de nationale rechter om binnen die grens het bedrag van de aan deze passagier verschuldigde schadevergoeding vast te stellen aan de hand van de omstandigheden van de zaak.
- 2)
Artikel 17, lid 2, gelezen in samenhang met artikel 22, lid 2, van het verdrag van Montreal moet aldus worden uitgelegd dat het bedrag van de schadevergoeding die moet worden betaald aan een passagier van wie aangegeven bagage waarvoor geen bijzondere verklaring omtrent belang bij de aflevering is gedaan, is vernield, verloren is gegaan, beschadigd is of vertraging heeft opgelopen, moet worden bepaald door de nationale rechter overeenkomstig de toepasselijke regels van het nationale recht, in het bijzonder op het gebied van bewijsvoering. Die regels mogen echter niet ongunstiger zijn dan die welke voor soortgelijke nationale vorderingen gelden, en mogen de uitoefening van de door het verdrag van Montreal verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 09‑07‑2020
Conclusie 11‑03‑2020
Inhoudsindicatie
‘Prejudiciële verwijzing — Internationaal luchtvervoer — Verdrag van Montreal — Aansprakelijkheid van luchtvervoerders inzake bagage — Erkend verlies van aangegeven bagage — Schadevergoeding — Voorwaarden voor toekenning van het maximale bedrag van de schadevergoeding — Bewijslast — Vereiste bewijsstandaard — Aard van de vereiste bewijzen — Procedurele autonomie van de lidstaten — Gelijkwaardigheidsbeginsel en doeltreffendheidsbeginsel’
G. Pitruzzella
Partij(en)
Zaak C-86/191.
SL
tegen
Vueling Airlines SA
[verzoek van de Juzgado de lo Mercantil (handelsrechter, Spanje) om een prejudiciële beslissing]
1.
Het is niet moeilijk om zich het ongenoegen en — vooral — het ongemak van de passagier voor te stellen wanneer hem door de luchtvaartmaatschappij waarmee hij reisde wordt meegedeeld dat de aangegeven bagage verloren is gegaan. Vormt het verlies van zijn bagage echter noodzakelijkerwijs de meest ernstige vorm van schade aan de bagage die, wanneer dit verlies is erkend, rechtvaardigt dat aan de passagier het maximumbedrag wordt toegekend dat in het op 28 mei 1999 te Montreal gesloten Verdrag tot het brengen van eenheid in enige bepalingen inzake het internationale luchtvervoer2. (hierna: ‘Verdrag van Montreal’) is vastgelegd voor de vergoeding van de geleden schade, en moet de passagier in dat geval worden ontheven van de bewijslast? Dat is in wezen waar het in deze prejudiciële verwijzing om gaat.
I. Toepasselijke bepalingen
A. Verdrag van Montreal
2.
In de derde alinea van de preambule van het Verdrag van Montreal erkennen de staten die partij zijn bij dit verdrag ‘het belang van het waarborgen van bescherming van de belangen van consumenten in het internationale luchtvervoer en de noodzaak van billijke schadevergoeding gegrond op het beginsel van restitutie’.
3.
In de vijfde alinea van deze preambule wordt aangegeven dat ‘een gezamenlijk optreden van de staten ter verdere harmonisatie en codificatie van enige bepalingen tot regeling van het internationale luchtvervoer door middel van een nieuw verdrag het beste middel is om een billijk evenwicht van de belangen te bereiken’.
4.
Artikel 3, lid 3, van het Verdrag van Montreal bepaalt dat ‘[d]e vervoerder […] aan de passagier een identificatielabel [verstrekt] voor elk stuk aangegeven bagage.’
5.
De leden 2 en 3 van artikel 17 van het Verdrag van Montreal luiden:
- ‘2.
De vervoerder is aansprakelijk voor schade die wordt geleden in geval van vernieling, verlies of beschadiging van aangegeven bagage, op grond van het enkele feit dat de gebeurtenis die de vernieling, het verlies of de beschadiging heeft veroorzaakt, plaats heeft gehad aan boord van het luchtvaartuig of gedurende enig tijdvak waarin de vervoerder de aangegeven bagage onder zijn hoede had. Evenwel is de vervoerder niet aansprakelijk indien en voor zover de schade enkel en alleen het gevolg is van de aard of een eigen gebrek van de bagage. In het geval van niet aangegeven bagage, daaronder begrepen persoonlijke bezittingen, is de vervoerder aansprakelijk indien de schade voortvloeit uit zijn schuld of die van zijn hulppersonen.
- 3.
Indien de vervoerder het verlies van aangegeven bagage erkent of indien de aangegeven bagage niet op de bestemming is aangekomen binnen eenentwintig dagen volgend op de datum waarop zij had moeten aankomen, is de passagier gerechtigd tegen de vervoerder de rechten te doen gelden die voortvloeien uit de vervoerovereenkomst.’
6.
Artikel 22 van het Verdrag van Montreal heeft als opschrift ‘Aansprakelijkheidsgrenzen met betrekking tot vertraging, bagage en goederen’. Lid 2 van dat artikel luidt:
‘Bij het vervoer van bagage is de aansprakelijkheid van de vervoerder in geval van vernieling, verlies, beschadiging of vertraging beperkt tot het bedrag van 1000 bijzondere trekkingsrechten [(BTR)] per passagier, behoudens bijzondere verklaring omtrent belang bij de aflevering, gedaan door de passagier bij de afgifte van de aangegeven bagage aan de vervoerder en tegen betaling van een eventueel verhoogd tarief. In dat geval is de vervoerder verplicht te betalen tot het bedrag van de opgegeven som, tenzij hij bewijst dat deze het werkelijke belang van de passagier bij de aflevering te boven gaat’.
7.
Overeenkomstig de procedure van artikel 24 van het Verdrag van Montreal is de in artikel 22, lid 2, van dit verdrag bepaalde aansprakelijkheidsgrens met ingang van 30 december 2009 verhoogd tot 1 131 BTR.
B. Unierecht
8.
Het Verdrag van Montreal is namens de Europese Gemeenschap goedgekeurd bij besluit 2001/539/EG van de Raad van 5 april 2001 betreffende de sluiting door de Europese Gemeenschap van het Verdrag tot het brengen van eenheid in enige bepalingen inzake het internationale luchtvervoer (Verdrag van Montreal)3. en is, wat de Europese Unie betreft, in werking getreden op 28 juni 2004.
9.
Na de inwerkingtreding van het Verdrag van Montreal in de Unie werd bij verordening (EG) nr. 889/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 13 mei 20024.verordening (EG) nr. 2027/97 van de Raad van 9 oktober 1997 betreffende de aansprakelijkheid van luchtvervoerders bij ongevallen5. gewijzigd (hierna: ‘gewijzigde verordening nr. 2027/97’).
10.
Artikel 1 van de gewijzigde verordening nr. 2027/97 bepaalt thans dat ‘[d]eze verordening […] uitvoering [geeft] aan de bepalingen van het Verdrag van Montreal over het luchtvervoer van passagiers en hun bagage en […] een aantal aanvullende bepalingen [bevat]. Tevens breidt zij de toepassing van de bepalingen in kwestie uit tot het luchtvervoer binnen de grenzen van één en dezelfde lidstaat’.
11.
Artikel 3, lid 1, van de gewijzigde verordening nr. 2027/97 bepaalt dat ‘[d]e aansprakelijkheid van een luchtvervoerder van de Gemeenschap met betrekking tot de passagiers en hun bagage is onderworpen aan alle bepalingen van het Verdrag van Montreal die op die aansprakelijkheid betrekking hebben’.
II. Hoofdgeding, prejudiciële vraag en procedure bij het Hof
12.
Op 18 september 2017 vloog SL van Ibiza (Spanje) via Barcelona (Spanje) naar Fuerteventura (Spanje). De vlucht werd uitgevoerd door de maatschappij Vueling Airlines SA. Deze maatschappij erkent het verlies van de door SL naar behoren aangegeven bagage. SL heeft derhalve een vordering ingesteld tot verkrijging van een bedrag van 1 131 BTR (ongeveer 1400 EUR) ter vergoeding van de materiële en immateriële schade als gevolg van het verlies van haar bagage. In haar verzoek verstrekt SL geen enkele aanwijzing over de samenstelling of het gewicht van de verloren bagage, voert zij enkel de noodzaak aan om kleding en basisbenodigdheden aan te kopen en raamt zij de schade op 1 131 BTR, zonder enig bewijs te leveren. Hoewel Vueling Airlines het verlies van de bagage erkent, biedt zij SL slechts 250 EUR aan ter vergoeding van de geleden schade die niet bewezen is.
13.
Uit het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt dat de Spaanse rechterlijke instanties van mening verschillen over de vraag of de maximale schadevergoeding automatisch moet worden toegekend wanneer het verlies van bagage erkend is, ongeacht eventuele bewijzen die zijn verstrekt door de passagier aan wie deze bagage toebehoorde, dan wel of het aan de passagier toegekende bedrag door de rechter zal worden vastgesteld op basis van de door deze passagier geleverde bewijzen.
14.
In die omstandigheden heeft de Juzgado de lo Mercantil (handelsrechter, Spanje) de behandeling van de zaak geschorst en bij beslissing, ingekomen ter griffie van het Hof op 6 februari 2019, het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
‘Dient de luchtvaartmaatschappij, indien het verlies van de koffer is erkend, de passagier altijd en in alle gevallen de maximale schadevergoeding van 1 131 BTR te betalen, aangezien het de meest ernstige van de in artikel 17, lid 2, en artikel 22, lid 2, van het Verdrag van Montreal van 28 mei 1999 vermelde situaties betreft, of gaat het hier om een maximale aansprakelijkheidsgrens, die gelet op de omstandigheden door de rechter kan worden gematigd, ook wanneer het gaat om het verlies van de koffer, waardoor de
1 131 BTR alleen worden toegekend indien de passagier met de naar recht toegestane middelen aantoont dat de waarde van de persoonlijke bezittingen en goederen in de aangegeven bagage en van de voorwerpen die hij heeft moeten aankopen om ze te vervangen die maximale aansprakelijkheidsgrens bereikt, of kan de rechter, indien dat niet mogelijk is, ook andere criteria in overweging nemen, zoals het aantal kilo bagage of het feit dat het verlies van de bagage zich tijdens de heenvlucht of tijdens de terugvlucht heeft voorgedaan, om het bedrag vast te stellen van de immateriële schade die is geleden door het ongemak dat voortvloeit uit het verlies van de bagage?’
15.
Vueling Airlines, de Nederlandse en de Duitse regering en de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend.
16.
SL, Vueling Airlines, de Duitse regering en de Commissie hebben op de terechtzitting bij het Hof van 15 januari 2020 pleidooi gehouden.
III. Analyse
17.
De prejudiciële vraag kan in twee vraagstukken worden opgesplitst. Het eerste vraagstuk betreft de vraag of het in artikel 22, lid 2, van het Verdrag van Montreal genoemde bedrag van 1 131 BTR een maximale schadevergoeding vormt of daarentegen een forfaitair bedrag is dat de rechter automatisch moet toekennen aan de passagier die door het verlies van zijn bagage schade heeft geleden. Het tweede vraagstuk betreft de verdeling van de bewijslast en de bewijsstandaard die de rechter kan toepassen wanneer de passagier de geleden schade als gevolg van het verlies van zijn bagage moet aantonen. Overeenkomstig het verzoek van het Hof richt deze conclusie zich op het tweede vraagstuk.
A. Voorafgaande opmerkingen
18.
Deze voorafgaande opmerkingen zijn tweeledig. Ik wil er eerst op wijzen dat het Hof bevoegd is om het Verdrag van Montreal uit te leggen. Vervolgens zal ik ingaan op de argumenten van Vueling Airlines die ertoe strekken te doen vaststellen dat het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing niet-ontvankelijk is.
19.
Wat in de eerste plaats de bevoegdheid van het Hof betreft, zij er aan herinnerd dat het Verdrag van Montreal op 9 december 1999 door de Europese Gemeenschap is ondertekend en vervolgens op 5 april 2001 door de Raad van de Europese Unie in haar naam is goedgekeurd. Het Verdrag van Montreal is voor de Unie in werking getreden op 28 juni 2004. Volgens vaste rechtspraak vormt het Verdrag van Montreal vanaf deze datum een integrerend bestanddeel van de rechtsorde van de Unie, zodat het Hof bevoegd is om een prejudiciële beslissing over de uitlegging ervan te geven.6. Het Hof dient zich bij deze uitlegging te laten leiden door artikel 31 van het Verdrag van Wenen van 23 mei 1969 inzake het verdragenrecht. Volgens dit artikel moet een verdrag te goeder trouw worden uitgelegd overeenkomstig de gewone betekenis van de bewoordingen van het verdrag in hun context en in het licht van het voorwerp en het doel van dat verdrag.7.
20.
Wat in de tweede plaats de ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft, voert Vueling Airlines in wezen aan dat de bepalingen waarvan om uitlegging wordt verzocht — te weten de artikelen 17, lid 2, en 22, lid 2, van het Verdrag van Montreal — volkomen duidelijk zijn en dat de door de verwijzende rechter gestelde vraag reeds in de bestaande rechtspraak van het Hof is beantwoord. In dit verband moet worden vastgesteld dat het vermeende bestaan van eerdere rechtspraak geen grond is voor niet-ontvankelijkheid van een verzoek om een prejudiciële beslissing. Hoe dan ook werpt de aan het Hof voorgelegde vraag, zoals ik hierboven heb opgemerkt, twee verschillende vraagstukken op en lijkt Vueling Airlines voorbij te gaan aan het feit dat de vraag betreffende de vaststelling van de vereiste bewijsstandaard een volkomen nieuwe vraag is.
21.
Voorts herinner ik eraan dat er een vermoeden van relevantie rust op vragen betreffende de uitlegging van het Unierecht die de nationale rechter stelt binnen het onder zijn verantwoordelijkheid geschetste wettelijke en feitelijke kader. Het Hof kan slechts weigeren uitspraak te doen op een verzoek van een nationale rechter om een prejudiciële beslissing wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of wanneer het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen.8. Dat is in de onderhavige zaak niet het geval.
22.
Om al deze redenen moet het betoog van Vueling Airlines dat het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing niet-ontvankelijk is, worden afgewezen.
A. Vormt de vergoedingslimiet van 1 131 BTR een maximum of een forfaitair bedrag?
23.
SL stelt dat het verlies van haar bagage is erkend en dat dit de meest ernstige vorm van schade aan de bagage is, zodat de verwijzende rechter haar automatisch het bedrag van 1 131 BTR moet toekennen, dat op grond van de artikelen 17, lid 2, en 22, lid 2, van het Verdrag van Montreal, in hun onderlinge samenhang gelezen, als een forfaitair bedrag moet worden opgevat.
24.
Dienaangaande kan worden volstaan met de opmerking dat uit de bewoordingen van het Verdrag van Montreal blijkt dat het beginsel dat de luchtvervoerder aansprakelijk is in geval van vernieling, verlies of beschadiging van aangegeven bagage is vervat in artikel 17, lid 2, van dat Verdrag, maar dat deze aansprakelijkheid wordt uitgeoefend binnen de ‘grenzen’9. die zijn vastgesteld in artikel 22, waarvan lid 2 uitdrukkelijk bepaalt dat ‘de aansprakelijkheid van de vervoerder in geval van vernieling, verlies, beschadiging of vertraging [bij het vervoer van bagage is] beperkt tot [1 131 BTR]’10.. Het Verdrag van Montreal wordt ook zo gelezen door de Uniewetgever, die in overweging 12 van verordening nr. 889/2002 verwijst naar ‘uniforme aansprakelijkheidsgrenzen bij verlies, beschadiging of vernietiging van bagage’11..
25.
Voorts heeft het Hof reeds geoordeeld dat artikel 22, lid 2, van het Verdrag van Montreal tot doel heeft ‘de op de luchtvervoerders rustende schadevergoedingsverplichting te beperken’12. en dat ‘[d]e maximumvergoeding van de schade die daaruit voortvloeit geldt […] per passagier'’13.. Volgens het Hof gaat het om een duidelijke schadevergoedingsbeperking14.. Zo heeft het Hof geoordeeld dat ‘aan de hand van een aldus vormgegeven schadevergoedingsbeperking […] de passagiers […] gemakkelijk en snel schadeloos [kunnen] worden gesteld, zonder dat daarbij op de luchtvervoerders een zeer zware en moeilijk vast te stellen en te berekenen vergoedingsplicht wordt gelegd, waardoor hun economische activiteit zou kunnen worden ontwricht of zelfs geparalyseerd’.15. Verder heeft het Hof verklaard dat ‘de begrenzing van de aansprakelijkheid van de luchtvervoerder voor schade ten gevolge van het verlies van bagage als bedoeld in dit artikel, bij het ontbreken van enige verklaring, een absolute begrenzing is die zowel de materiële als de immateriële schade omvat’.16.
26.
Ten slotte is het eerste vraagstuk dat de verwijzende rechter met de prejudiciële vraag aan het Hof heeft voorgelegd, met name in punt 34 van het arrest Espada Sánchez e.a.17. ondubbelzinnig beantwoord. Daarin heeft het Hof geoordeeld dat ‘de voor bagage vastgestelde limiet […] volgens artikel 22, lid 2, van het verdrag van Montreal een maximale vergoeding [vormt], die dus niet van rechtswege forfaitair aan elke passagier wordt toegekend bij verlies van zijn bagage’.18.
B. Bewijslast en vereiste bewijsstandaard
27.
Nu het beginsel is vastgesteld dat de rechter maximaal een bedrag van 1 131 BTR ter vergoeding van de schade kan toekennen, rijst in het kader van het tweede deel van de prejudiciële vraag de vraag op welke wijze de rechter het bedrag van de schadevergoeding moet vaststellen en welk bewijs hij daarvoor van de passagier moet verlangen.
28.
De verwijzende rechter wijst erop dat er onenigheid bestaat in de Spaanse rechtspraak. Sommige rechters zijn van mening dat, zodra het verlies van de bagage is erkend, het maximumbedrag aan de passagier kan worden toegekend zonder dat het bewijs van de werkelijke inhoud van de verloren bagage dient te worden geleverd. Volgens hen komt de verplichting om een dergelijk bewijs te leveren er immers op neer dat van de passagier een probatio diabolica wordt verlangd. Andere rechters zijn daarentegen van mening dat de situatie van de passagier niet verschilt van de situatie van om het even welke persoon die schadevergoeding eist. Het enkele verlies van bagage volstaat dus niet om het maximumbedrag toe te kennen en het staat aan de passagier om de aard en de waarde van de voorwerpen in de verloren bagage te bewijzen.
29.
Zoals reeds gezegd voert SL in het kader van het hoofdgeding enkel aan dat het verlies van haar bagage erkend is, zonder een beschrijving van de inhoud ervan te geven of bewijsstukken over te leggen om de waarde aan te tonen van de goederen en voorwerpen die zij ter vervanging heeft moeten aankopen. Zij heeft evenmin het gewicht van haar bagage gespecificeerd. In deze omstandigheden biedt Vueling Airlines aan om SL een schadevergoeding van 250 EUR te betalen.
30.
Om te beginnen moet ik toegeven dat ik geneigd ben te erkennen dat geen enkele redelijk consciëntieuze passagier het bewijs van aankoop van elk voorwerp in zijn of haar bagage zal bewaren of foto's zal maken van de inhoud van zijn of haar bagage in de overtuiging dat een dergelijk bewijs nuttig zou kunnen zijn indien er problemen rijzen. Het bewijs kan ontegenzeglijk moeilijk te leveren zijn, zonder diabolisch te zijn. Bovendien kan de toegekende schadevergoeding, zelfs wanneer zij de maximumwaarde bereikt, onvoldoende blijken te zijn om de passagier volledig schadeloos te stellen. Zoals ik hierboven in herinnering heb gebracht, voorziet het Verdrag van Montreal immers in een beperkte aansprakelijkheid van de luchtvervoerders.19. Dit geldt des te meer daar de vergoeding wordt geacht niet alleen de materiële maar ook de immateriële schade te ‘vergoeden’20.. Evenwel moet worden erkend dat de regeling inzake de aansprakelijkheid van luchtvervoerders, zoals die is neergelegd in het Verdrag van Montreal, voortvloeit uit een afweging van de opstellers van het Verdrag die ertoe strekt een ‘billijk evenwicht van de belangen’21. te bewaren, en het is niet aan ons hierop terug te komen. Ook moet worden erkend dat een gulden middenweg moet worden gevonden tussen de verplichting van de passagier om voor elk onderdeel van de verloren bagage bewijs te leveren en de houding van SL, die bij de verwijzende rechter zelfs geen begin van bewijs levert.
31.
Het Verdrag van Montreal bevat weliswaar het beginsel van aansprakelijkheid van luchtvervoerders, met name in geval van verlies van bagage, maar het zegt niets over de voorwaarden waaronder deze aansprakelijkheid kan ontstaan of kan worden aangevoerd. Het Verdrag zegt evenmin iets over het door de passagier te leveren bewijs.
32.
Aangezien het Verdrag van Montreal echter een integrerend bestanddeel van het Unierecht vormt, met name omdat het ten uitvoer is gelegd bij de gewijzigde verordening nr. 2027/97, zijn de lidstaten bij de tenuitvoerlegging van de regels ervan gehouden de andere beginselen van het Unierecht te eerbiedigen. Met andere woorden, aangezien noch het Verdrag van Montreal, noch de gewijzigde verordening nr. 2027/97 de precieze voorwaarden vaststellen waaronder luchtvervoerders aansprakelijk kunnen worden gesteld in geval van verlies van bagage, moeten deze voorwaarden aan het oordeel van de lidstaten worden overgelaten, met inachtneming van hun procedurele autonomie.22. Het is dus aan die staten om de procedurele regels vast te stellen voor een beroep in rechte dat ertoe strekt de rechten geldend te maken die passagiers aan het Verdrag van Montreal ontlenen. Deze regels mogen echter niet ongunstiger zijn dan die welke voor soortgelijke situaties naar nationaal recht gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel), en mogen de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten niet in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel)23.. Bij het onderzoek of deze vereisten in acht zijn genomen, moet rekening worden gehouden met de plaats van de betrokken voorschriften in de gehele procedure, met het verloop van de procedure en met de bijzondere kenmerken van deze regels voor de verschillende nationale instanties.24.
33.
Bij de huidige stand van het Unierecht is het mijns inziens niet mogelijk om de bewijsregeling in procedures waarin passagiers een schadevergoeding willen verkrijgen voor de schade die zij als gevolg van het verlies van hun bagage hebben geleden, concreter af te bakenen. De stelling van SL vindt geen rechtsgrondslag in het Unierecht en het Hof heeft zelf niet geoordeeld dat de passagier moet worden vrijgesteld van elke bewijslast, aangezien het reeds in een zaak — waarin deze vraag weliswaar niet rechtstreeks was voorgelegd — heeft geoordeeld dat uit artikel 22, lid 2, van het Verdrag van Montreal volgt dat het aan de betrokken passagiers staat om onder toezicht van de nationale rechter rechtens genoegzaam het bewijs te leveren van de inhoud van de verloren bagage.25.
34.
Aangezien het dossier geen nadere informatie bevat over de bewijsregels die in het kader van het hoofdgeding van toepassing zijn, staat het aan de verwijzende rechter om de nationale procedureregels te beoordelen in het licht van de hierboven genoemde beginselen van gelijkwaardigheid en — vooral — doeltreffendheid.
35.
Niettemin kan uit de bewoordingen van de prejudiciële vraag worden afgeleid dat de verwijzende rechter van oordeel is dat de passagier de geleden schade met alle naar recht toegestane middelen kan aantonen. Dit kan dus zowel betrekking hebben op bewijsstukken (zoals een foto, kassabonnen of facturen) als op getuigenbewijs, zonder dat hiermee een uitputtende opsomming wordt gegeven. Het staat aan de rechter om de bewijskracht van alle aan hem overgelegde elementen te beoordelen. Hij kan ook het gewicht van de bagage in aanmerking nemen, indien het nationale recht dit toestaat en op voorwaarde dat het gewicht bekend is26.. Wat de beoordeling van de immateriële schade betreft, lijkt de verwijzende rechter ervan uit te gaan dat het verlies van bagage grotere gevolgen heeft indien dit bij de heenvlucht plaatsvindt dan wanneer de bagage bij de terugvlucht verloren gaat. Dit is zeker iets waar rekening mee gehouden kan worden. Op een gebied dat zo casuïstisch is, wil ik echter niet als absolute waarheid stellen dat het ongemak groter is op de heenreis dan op de terugreis. Als bijvoorbeeld persoonlijke eigendommen met een bepaalde sentimentele waarde verloren zijn gegaan, lijkt mij de immateriële schade die daaruit voortvloeit even groot, of het verlies nu op de heen- dan wel op de terugreis heeft plaatsgevonden.
36.
Uit de voorgaande overwegingen blijkt dus duidelijk dat de procedures waarin de passagiers een schadevergoeding willen verkrijgen voor de schade zij hebben geleden als gevolg van het verlies van hun bagage, bij uitstek geval per geval dienen te worden beoordeeld, en dat het heel moeilijk is om de bewijsregel in een vooraf bepaald kader te verankeren, aangezien de gevallen zo uiteenlopend kunnen zijn. Dit moet aan de beoordeling van de nationale rechter worden overgelaten. Hij is het beste in staat om de nationaal vastgestelde bewijsregels toe te passen en ervoor te zorgen dat deze regels de uitoefening van het in de artikelen 17, lid 2, en 22 lid 2, van het Verdrag van Montreal neergelegde recht op schadevergoeding niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken.
37.
Uit het voorgaande volgt dat het aan de nationale rechter staat om, met inachtneming van de maximale schadevergoeding van 1 131 BTR, het bedrag te bepalen dat aan de passagier wordt toegekend ter vergoeding van de materiële en immateriële schade die hij heeft geleden als gevolg van het verlies van zijn aangegeven bagage. Het staat aan de passagier om de voor de vaststelling van zijn schade noodzakelijke bewijzen aan te voeren, terwijl het aan de nationale rechter staat om ervoor te zorgen dat de ter zake toepasselijke nationale regels de uitoefening van het in de artikelen 17, lid 2, en 22, lid 2, van het Verdrag van Montreal neergelegde recht op schadevergoeding niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken.
IV. Conclusie
38.
Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vraag van de Juzgado de lo Mercantil (handelsrechter, Spanje) te beantwoorden als volgt:
- 1)
De artikelen 17, lid 2, en 22, lid 2, van het op 28 mei 1999 te Montreal gesloten Verdrag tot het brengen van eenheid in enige bepalingen inzake het internationale luchtvervoer moeten aldus worden uitgelegd dat de maximale schadevergoeding in geval van vernietiging, verlies of beschadiging van aangegeven bagage een vergoedingslimiet vormt en derhalve niet van rechtswege en op forfaitaire basis kan worden verkregen door een passagier in geval van verlies van zijn aangegeven bagage.
- 2)
Het staat aan de nationale rechter om, met inachtneming van de maximale schadevergoeding van 1 131 BTR, het bedrag te bepalen dat aan de passagier wordt toegekend ter vergoeding van de materiële en immateriële schade die hij heeft geleden als gevolg van het verlies van zijn aangegeven bagage. Het staat aan de passagier om de voor de vaststelling van zijn schade noodzakelijke bewijzen aan te voeren, terwijl het aan de nationale rechter staat om ervoor te zorgen dat de ter zake toepasselijke nationale regels de uitoefening van het in de artikelen 17, lid 2, en 22, lid 2, van het Verdrag van Montreal neergelegde recht op schadevergoeding niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken.
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 11‑03‑2020
Oorspronkelijke taal: Frans.
PB 2001, L 194, blz. 39.
PB 2001, L 194, blz. 38.
PB 2002, L 140, blz. 2.
PB 1997, L 285, blz. 1.
Zie arrest van 12 april 2018, Finnair (C-258/16, EU:C:2018:252, punt 20 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Zie ook arrest van 22 november 2012, Espada Sánchez e.a. (C-410/11, EU:C:2012:747, punt 20 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie arrest van 12 april 2018, Finnair (C-258/16, EU:C:2018:252, punt 21 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Zie ook arrest van 22 november 2012, Espada Sánchez e.a. (C-410/11, EU:C:2012:747, punten 20–22 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie onder meer arrest van 31 januari 2017, Lounani (C-573/14, EU:C:2017:71, punt 56).
Zie het opschrift van artikel 22 van het Verdrag van Montreal. Cursivering van mij.
Cursivering van mij.
Cursivering van mij.
Arrest van 6 mei 2010, Walz (C-63/09, EU:C:2010:251, punt 34). Cursivering van mij.
Arrest van 6 mei 2010, Walz (C-63/09, EU:C:2010:251, punt 34). Cursivering van mij.
Zie arrest van 6 mei 2010, Walz (C-63/09, EU:C:2010:251, punt 35).
Arrest van 6 mei 2010, Walz (C-63/09, EU:C:2010:251, punt 36). Cursivering van mij.
Arrest van 6 mei 2010, Walz (C-63/09, EU:C:2010:251, punt 38). Cursivering van mij.
Arrest van 22 november 2012 (C-410/11, EU:C:2012:747).
Cursivering van mij.
Zie arrest van 6 mei 2010, Walz (C-63/09, EU:C:2010:251, punt 39). Schadevergoeding uit hoofde van het Verdrag van Montreal heeft alleen een herstellende functie, aangezien het Verdrag van Montreal uitdrukkelijk de mogelijkheid uitsluit om ‘schadevergoeding te verkrijgen bij wijze van straf of voorbeeld [of] uit anderen hoofde dan tot herstel van schade’ (artikel 29 van het Verdrag van Montreal. Zie ook de derde alinea van de preambule van dit verdrag).
Vijfde overweging van het Verdrag van Montreal.
Zie naar analogie arrest van 12 december 2019, Aktiva Finants (C-433/18, EU:C:2019:1074, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie naar analogie arrest van 12 december 2019, Aktiva Finants (C-433/18, EU:C:2019:1074, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie naar analogie arrest van 11 september 2019, Călin (C-676/17, EU:C:2019:700, punt 31).
Zie arrest van 22 november 2012, Espada Sánchez e.a. (C-410/11, EU:C:2012:747, punt 35).
Uit de mondelinge behandeling ter terechtzitting is kennelijk naar voren gekomen dat de luchtvaartmaatschappij het individuele gewicht van de aangegeven bagage registreert. Zelfs indien wordt aangenomen dat dit gewicht bekend is bij de luchtvaartmaatschappij of de passagier zelf, hoeft dit echter niet van doorslaggevend belang te zijn, aangezien het gewicht van een kledingstuk uiteindelijk niets zegt over de prijs ervan.