Klachtdelicten
Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/7.3:7.3 Afronding
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/7.3
7.3 Afronding
Documentgegevens:
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946136:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2022-2023, 36 327, nr. 3, p. 94.
Smidt & Smidt 1891 (deel I), p. 493.
Zie in dit verband ook de conclusies in hoofdstuk 4, paragraaf 6.
Zie hierover meer uitgebreid: hoofdstuk 3, paragraaf 2.1.3.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit onderzoek staat de vraag centraal welke plaats de rechtsfiguur van het klachtdelict inneemt in de Nederlandse rechtspleging. Dit hoofdstuk vormt het sluitstuk van dat onderzoek en daarin is – mede aan de hand van de inzichten die de eerdere hoofdstukken bieden – voorzien in een eigen visie voor een eigentijdse invulling van de klassieke rechtsfiguur van het klachtdelict.
Die zienswijze start met de vaststelling dat het behoud van de regeling van klachtdelicten de voorkeur verdient, omdat deze regeling een wezenlijke functie vervult binnen het Nederlandse strafrecht. In hoofdstuk 5 is reeds geconcludeerd dat de rechtsfiguur van het klachtdelict geen anomalie in de strafrechtspleging is en geen afbreuk doet aan het publiekrechtelijke karakter van het strafrecht. De toevoeging van een klachtvereiste laat onverlet dat sprake is van strafbare feiten die de wetgever in het algemeen belang van overheidswege wenst te bestraffen. Ook de centrale rol voor het openbaar ministerie en het daaraan toebedeelde vervolgingsmonopolie worden niet ondergraven door de rechtsfiguur van het klachtdelict, omdat uitsluitend het openbaar ministerie strafmacht kan initiëren en dit slechts behoort te doen indien het algemeen belang daarbij is gebaat. De regeling van klachtdelicten is daarmee vanuit rechtstheoretisch perspectief goed verdedigbaar. Daar komt bij dat het behoud van klachtdelicten uit praktische overwegingen ook de voorkeur verdient. Het draait bij dit vervolgingsbeletsel immers niet om de objectieve vaststelling dat een vervolging negatieve gevolgen voor het slachtoffer met zich kan brengen. Het gaat om een subjectieve, persoonsgebonden beoordeling van het slachtoffer, die moet besluiten of hij bereid is de negatieve gevolgen te dragen die een vervolging mogelijk met zich brengt. Het is daarmee onvermijdelijk dat de wens van het slachtoffer centraal staat bij dit vervolgingsbeletsel. In het verlengde daarvan is het eveneens noodzakelijk om het initiatief aan de getroffen klachtgerechtigde te laten, omdat alleen zo kan worden bereikt dat – bij het ontbreken van dat initiatief – rechtshandhaving in al haar facetten buiten de deur wordt gehouden. Het stelt de getroffene in staat de zaak te laten rusten.
Daarmee biedt de rechtsfiguur van het klachtdelict de wetgever de mogelijkheid om ten aanzien van bepaalde strafbare feiten een drempel op te werpen voor overheidsingrijpen die is geënt op het belang van het slachtoffer ter voorkoming van secundaire victimisatie. In dit licht bezien sluit de regeling van klachtdelicten bijzonder goed aan op de – hiervoor in hoofdstuk 6 beschreven – toenemende aandacht voor de belangen en de positie van het slachtoffer binnen de Nederlandse strafrechtspleging. Zo is in de memorie van toelichting bij het ontwerp van het nieuwe Wetboek van Strafvordering beschreven dat het strafproces zo moet zijn ingericht dat het slachtoffer “niet nog eens slachtoffer wordt, maar ditmaal van het strafproces”. 1Met de klassieke rechtsfiguur van het klachtvereiste kan bij bepaalde strafbare feiten op bijzonder concrete wijze invulling worden gegeven aan deze moderne doelstelling. De regeling van klachtdelicten is mede in dit licht waardevol en dient behouden te blijven.
Dit laat onverlet dat aanleiding bestaat de regeling van klachtdelicten wezenlijk anders wettelijk in te bedden en vorm te geven. Daarbij stel ik voorop dat het klachtvereiste als een strafprocesrechtelijk mechanisme dient te worden beschouwd, hetgeen leidt tot het voorstel om deze rechtsfiguur integraal te regelen in het Wetboek van Strafvordering. Het aanwijzen van klachtdelicten geschiedt op de grondslag dat het delicten betreft waarbij zich de mogelijkheid voordoet dat “het bijzonder belang grooter nadeel lijdt door het instellen dan het openbaar belang door het niet-instellen der strafactie”.2 Dit grondbeginsel wijst er reeds op dat het bij de toevoeging van een klachtvereiste door de wetgever niet primair draait om de strafwaardigheid van de gedraging, maar dat de gevolgen van de vervolging van het strafbare feit bij die afweging centraal staan.
Het rechtstheoretische onderzoek in hoofdstuk 4 biedt vanuit verschillende invalshoeken bevestiging voor de conclusie dat het klachtvereiste een formeelrechtelijk karakter toekomt en regeling in het Wetboek van Strafvordering verdient. 3Zo leidde het onderzoek naar het verband tussen de wederrechtelijkheid en de klacht tot de conclusie dat het klachtvereiste losstaat van de beoordeling van de strafwaardigheid van het gedrag. Dat onderzoek maakte ook inzichtelijk dat en waarom een meer materiële benadering van het klachtvereiste – waarbij de klacht van belang zou zijn voor de vaststelling van de strafwaardigheid van het gedrag – onwenselijk is. Het onderzoek naar het totaal aan Nederlandse vervolgingsbeletselen maakte vervolgens duidelijk dat die beletselen op uiteenlopende wijze en diverse plaatsen in de Nederlandse strafwetgeving te vinden zijn en dat de functie van en ratio achter een vervolgingsbeletsel richtinggevend zijn voor de wijze waarop een beletsel wettelijk moet worden ingekleed. Die laatste conclusie draagt bij aan mijn overtuiging dat het klachtvereiste als strafprocessueel mechanisme regeling in het Wetboek van Strafvordering verdient. Daarmee wordt benadrukt dat het bestempelen van een strafbaar feit tot klachtdelict niet geschiedt vanwege de strafwaardigheid van de gedraging of vanwege de gevolgen van die gedraging voor het slachtoffer, maar dat het primair gaat om de gevolgen die een vervolging ter zake dat delict met zich kan brengen voor het slachtoffer. Het al dan niet indienen van de klacht impliceert geen oordeel over de wenselijkheid van het gedrag of de strafwaardigheid daarvan, maar ziet slechts op de vraag of de laakbaar geachte rechtsschending vervolgd moet kunnen worden. Het is dus een strafprocesrechtelijke drempel die moet worden genomen ter voorkoming van de secundaire victimisatie die ongewenste strafvorderlijke activiteit met zich brengt. Deze functie van de klacht komt beter tot uitdrukking indien de rechtsfiguur integraal in het Wetboek van Strafvordering wordt geregeld. De omstandigheid dat een nieuw Wetboek van Strafvordering in voorbereiding is – waarin het belang van het slachtoffer ook een meer centrale plaats wordt toebedeeld – biedt een uitgelezen mogelijkheid voor de beoogde wetswijziging.
De voorgestelde wetswijziging biedt ook gelegenheid om te voorzien in een overzichtelijkere aanwijzingssystematiek van klachtdelicten. Daartoe bestaat aanleiding, omdat in hoofdstuk 3 werd vastgesteld dat de huidige aanwijzingssystematiek – waarbij veelvuldig gebruik wordt gemaakt van schakelbepalingen – heeft geleid tot verschillende ongerijmdheden in de strafwetgeving. 4Deze problemen kunnen worden opgelost door in het Wetboek van Strafvordering één wetsartikel op te nemen waarin alle absolute en relatieve klachtdelicten worden aangewezen. Daarmee is voor eenieder direct duidelijk welke strafbare feiten slechts op klacht vervolgbaar zijn. Bovendien zal de wetgever steeds welbewust actie moeten ondernemen om een strafbepaling onder het bereik van een absoluut of relatief klachtvereiste te plaatsen. Daarmee wordt voorkomen dat – anders dan tot op heden – via schakelbepalingen een relatief klachtvereiste van toepassing kan zijn op (nieuwe) strafbepalingen terwijl een gedegen afweging van de wetgever ontbreekt en de te beschermen rechtsbelangen daartoe geen aanleiding geven.
Naast het vervangen van de huidige ondoorzichtige aanwijzingssystematiek bestaat aanleiding de regeling van klachtdelicten op een klein aantal punten inhoudelijk aan te passen. Zo bleek het klachtvereiste bij art. 207b Sr oneigenlijk, omdat private belangen daarbij geen rol spelen. Het is louter een gevolg van een onzorgvuldige wetgevingsoperatie dat deze strafbepaling als klachtdelict is aangemerkt. Het verdient dan ook de voorkeur het klachtvereiste bij art. 207b Sr te schrappen. Daarnaast wordt voorgesteld om ter zake de schending van bedrijfsgeheimen niet langer voor te schrijven dat uitsluitend het bestuur van de onderneming klachtgerechtigd is. Dit maakt het mogelijk voor een onderneming om zich in de toekomst – gelijk aan alle overige klachtdelicten – op diverse wijze rechtsgeldig te laten vertegenwoordigen bij het indienen van een klacht. Ten derde wordt ten aanzien van de vermogensdelicten gesuggereerd het onderscheid tussen het absolute (huwelijkse) vervolgingsbeletsel in art. 316 lid 1 Sr en het relatieve klachtvereiste niet te handhaven. De redenen die van oudsher bestaan voor dit onderscheid hebben mettertijd aan belang ingeboet. Mede tegen die achtergrond is het opportuun om het absolute vervolgingsbeletsel in art. 316 lid 1 Sr te laten vervallen en de daarin beschreven relatie ook te beschermen via een relatief klachtvereiste. Vervolging blijft in dit geval onmogelijk indien de getroffen huwelijksgenoot dat onwenselijk acht, maar vervolging wordt mogelijk indien de benadeelde partner via een klacht kenbaar maakt dat daarop prijs wordt gesteld. Dit leidt tot ruimte voor maatwerk, waardoor beter recht kan worden gedaan aan het belang van het slachtoffer. Tot slot is het aangewezen dat het relatieve klachtvereiste niet van toepassing blijft op vermogensdelicten voor zover die feiten zijn gepleegd met een terroristisch oogmerk. 5Deze strafbepalingen dienen primair het algemeen belang dat geen aanslagen worden gepleegd. Desondanks vallen deze delicten – via schakelbepalingen – onder het bereik van een relatieve klachtvereiste. De wetgever lijkt zich daarvan geen rekenschap te hebben gegeven. De achtergrond van de strafbare feiten en de rechtsbelangen die de strafbaarstellingen beschermen maken echter duidelijk dat het persoonlijk belang van de getroffene geenszins aan vervolging van de dader in de weg moet kunnen staan.
Ook is het mijns inziens opportuun om te voorzien in een raadkamerprocedure waarin een klachtgerechtigde kan verzoeken dat verdere opsporing en vervolging achterwege blijft indien daarop geen prijs wordt gesteld. Daarmee heeft de getroffene niet alleen het recht om hetgeen hem is aangedaan te laten rusten, maar kan hij dat recht ook daadwerkelijk te gelde maken.
Daarnaast kan ik mij goed vinden in het voornemen van de wetgever om de klachttermijn te laten vervallen. De argumenten die daarvoor zijn aangevoerd in de memorie van toelichting zijn mijns inziens steekhoudend. De gedachte dat een klachtgerechtigde een wettelijk zwaard wordt geboden waarmee hij gedurende de gehele verjaringstermijn invloed kan uitoefenen op de dader moet namelijk worden genuanceerd. De klacht impliceert immers geenszins vervolging en de officier van justitie zal bij de beoordeling van de opportuniteit van de vervolging terdege meewegen of er goede redenen zijn dat (bijzonder) laat is geklaagd. Het verdwijnen van de klachttermijn past daarnaast – in een breder perspectief bezien – goed bij de tijdsgeest en de toenemende mate waarin binnen de strafrechtspleging rekening wordt gehouden met de positie en het belang van het slachtoffer.
Het vervallen van de klachttermijn heeft mijns inziens echter wel verstrekkende gevolgen voor de wijze waarop in de rechtspraktijk uitvoering moet worden gegeven aan de regeling van klachtdelicten. Het is in dat geval aangewezen dat strakker de hand wordt gehouden aan het uitgangspunt dat de ontvangst van een (rechtsgeldige) klacht het startpunt markeert van rechtmatige opsporing en vervolging. Aan de regeling van klachtdelicten ligt immers de idee ten grondslag dat strafvorderlijk ingrijpen achterwege blijft zolang een klachtgerechtigde niet te kennen geeft daarop prijs te stellen. De volgorde waarin deze zaken dienen plaats te hebben staat tot op heden echter niet centraal in de jurisprudentie die ziet op de toepassing van het klachtvereiste. Bij de beoordeling van de rechtmatigheid van opsporing en vervolging draait het vooralsnog om de vraag óf de klachtgerechtigde binnen de wettelijke termijn een klacht heeft ingediend. Daaropvolgend gaat geen aandacht meer uit naar de vraag wanneer de wens tot vervolging is geuit en wordt hetgeen voordien is verricht niet onrechtmatig geoordeeld. Dat is tot op heden niet bijzonder problematisch vanwege het korte tijdsbestek waarbinnen de wens tot vervolging te kennen moet worden gegeven. Met het verval van de klachttermijn zou de situatie wezenlijk veranderen, omdat een klacht ook jaren na het delict nog rechtsgeldig zal kunnen worden ingediend. Het is echter niet aangewezen dat reeds verrichte opsporings- en vervolgingshandelingen kunnen worden geaccordeerd door een klacht die jaren later wordt ingediend. Daarmee wordt afbreuk gedaan aan de drempelfunctie van het klachtvereiste en worden opsporingsautoriteiten niet ervan doordrongen dat strafvorderlijk handelen ten aanzien van klachtdelicten achterwege moet blijven totdat de klachtgerechtigde te kennen geeft daarop prijs te stellen. Ik zie geen goede redenen om aan dat uitgangspunt te tornen. Er is dus ook geen aanleiding om bij de verdenking van een klachtdelict enig oriënterend onderzoek voorafgaand aan een klacht wel toe te staan. Het strookt evenmin met het gedachtengoed dat ten grondslag ligt aan klachtdelicten om bij een pluraliteit van slachtoffers op basis van één klacht naspeuringen naar andere klachtdelicten en daardoor getroffen klachtgerechtigden toe te staan. Daarmee wordt geen recht gedaan aan het simpele, maar fundamentele recht van een klachtgerechtigde om hetgeen hem is aangedaan te laten rusten.
In het verlengde hiervan moet ook niet te gemakkelijk worden gedacht over het passeren van vormvereisten ten aanzien van de klacht. Het klachtvereiste beschermt immers primair het belang van personen die géén prijs stellen op strafvorderlijk ingrijpen. Het is niettemin begrijpelijk dat rechters in concrete zaken tegemoet willen komen aan het belang van de bij die zaak betrokken klachtgerechtigde die wél vervolging wenst indien die wens (ondanks een gebrekkige klacht) afdoende blijkt. Daartegen bestaat in beginsel ook geen bezwaar. Een (te) coulante beoordeling van vormvereisten omtrent de indiening van een klacht – en het veelvuldig passeren van gebreken op dat vlak – kan er echter toe leiden dat de opsporingsautoriteiten onvoldoende wordt ingescherpt dat zij steeds secuur moeten nagaan of sprake is van een klachtdelict en of in dat geval een rechtsgeldige klacht voorhanden is. Dit draagt bij aan het risico dat vaker wordt gestart met opsporing en vervolging terwijl niet is gebleken dat de klachtgerechtigde dit wil. Bovendien zijn niet alleen klachtgerechtigden die géén prijs stellen op vervolging gebaat bij een secure vastlegging van klachten voordat politie en justitie gaan handelen. Het is ook in het belang van klachtgerechtigden die wel vervolging beogen dat hun klacht secuur wordt vastgelegd. Daarmee wordt voorkomen dat discussie kan ontstaan over de bedoeling van het slachtoffer, is een nader verhoor van de klachtgerechtigde (al dan niet te zitting) overbodig en wordt de kans verkleind dat het openbaar ministerie onverhoopt niet-ontvankelijk wordt verklaard. Dit betekent dat het nauwgezet inwinnen van klachten sowieso bijdraagt aan de voorkoming van secundaire victimisatie, ongeacht het standpunt van de klachtgerechtigde over de wenselijkheid van vervolging. Tegen deze achtergrond verdient het de voorkeur dat het tegemoetkomen aan belangen van klachtgerechtigden wordt gerealiseerd via wetgevings- en beleidsinitiatieven die zien op een betere werking van de rechtsfiguur voorafgaand aan opsporing en vervolging en niet door in de rechtspraak achteraf in concrete gevallen de teugels te laten vieren.