Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/16.8.3
16.8.3 Vertegenwoordigingsbevoegdheid
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS366084:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Art. 2:130/240 lid 3 BW. Zie bijvoorbeeld Asser/Maeijer, Van Solinge en Nieuwe Weme2-II*, nr. 396, Asser/Maeijer en Kroeze 2-I*, nr. 335 en Huizink, Rechtspersonen, aant. 1 bij art. 2:130 BW.
Voluit: Eerste Richtlijn 68/151/EEG van de Raad van 9 maart 1968 strekkende tot het coördineren van de waarborgen, welke in de Lid-Staten worden verlangd van de vennootschappen in de zin van de tweede alinea van artikel 58 van het Verdrag, om de belangen te beschermen zowel van de deelnemers in deze vennootschappen als van derden, zulks ten einde die waarborgen gelijkwaardig te maken.
HR 22 maart 1996, NJ 1996, 568, HvJEG 16 december 1997, C-104/96, HR 11 september 1998, NJ 1999, 171.
Zie art. 9 lid 3, respectievelijk art. 10 lid 3.
Hof Amsterdam (OK) 27 januari 2006, ARO 2006/34 (Begemann), 14 december 2005,JOR 2006/7, m.nt. Van den Ingh. Tegen beide beschikkingen is cassatie ingesteld, maar in cassatie kwam deze kwestie niet aan de orde.
Zie Kamerstukken TK 31 763, nr. 3 (MvT), p. 10 t/m 14.
Zie par. 10.4.3. Vgl. Voorts HR 13 juli 2007, NJ 2007, 434 m.nt. Maeijer, JOR 2007/178 m.nt. Nieuwe Weme (ABN AMRO). In HR 14 september 2007, NJ 2007, 611 m.nt. Maeijer, JOR 2007/238 m.nt. Bartman bij JOR 2007/239 (Versatel II) oordeelde de Hoge Raad slechts over het terzijde stellen van de indertijd dwingendrechtelijke bepaling dat in geval van tegenstrijdig belang de aandeelhoudersvergadering te allen tijde bevoegd is om een bijzondere vertegenwoordiger aan te wijzen.
Hof Amsterdam (OK) 17 december 2015, ARO 2016/7 (4Apps en Yelloobee), 1 februari 2016, ARO 2016, 46 (Delco Participation).
Zie Hof Amsterdam (OK) 4 juli 2012 ARO 2012/109 (Matchez), 24 februari 2015, ARO 2015/73 (Ingenieursbureau-XYZ) en 19 november 2015, ARO 2015/231 (Sovereign Trust).
De bevoegdheid van een (tijdelijke) bestuurder om de vennootschap te vertegenwoordigen is – behoudens wettelijke uitzonderingen – algemeen en kan dus niet worden beperkt tot bepaalde bedragen, beleidsvlakken of transacties.1 Wel kan in de statuten worden vastgelegd dat een tijdelijke bestuurder de vennootschap niet kan vertegenwoordigen of slechts samen met een of meer anderen, al dan niet bestuurders.
Deze regels zijn gebaseerd op Eerste Richtlijn Vennootschapsrecht2 en de opvolger daarvan, Richtlijn 2009/101/EG. Uit de Media-safe-arresten3 blijkt dat desbetreffende richtlijnen niet in de weg staan aan het beperken van de vertegenwoordigingsbevoegdheid van bestuurders in het geval zij een belang hebben dat strijdig is met dat van de vennootschap. De regel dat vertegenwoordigingsbevoegd niet kan worden beperkt tot bepaalde bedragen, beleidsvlakken of transacties stamt wel uit de desbetreffende richtlijnen.4
In de praktijk komt het voor dat de ondernemingskamer tijdelijk een bestuurder (of commissaris) aanstelt en bepaalt dat slechts hij vertegenwoordigingsbevoegd is ten aanzien van bepaalde rechtshandelingen, bijvoorbeeld transacties met aandeelhouders.5 Voor zover dit plaatsvindt in het kader van ‘tegenstrijdig belang’ is dit niet strijdig met het EU-recht. Wel is er sinds de invoering van de Wet Bestuur en Toezicht in 2013 strijd met art. 2:130/240 lid 3 BW. Voordien waren beperkingen van vertegenwoordigingsbevoegdheid van bestuurders toegestaan op grond van art. 2:146/256 (Oud) BW. Met het oog op de in het handelsverkeer gewenste rechtszekerheid is die mogelijkheid echter geschrapt.6 Omdat de regels omtrent vertegenwoordigingsbevoegdheid niet specifiek gelden tussen de vennootschap en de bij haar organisatie betrokkenen, kan hiervan niet worden afgeweken bij het treffen van (onmiddellijke) voorzieningen.7
Boek 2 BW en het EU-recht staan wel toe dat de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de medebestuurders van de tijdelijke bestuurder in algemene zin aan banden worden gelegd. Bij wijze van tijdelijk afwijken van de statuten kan de ondernemingskamer bepalen dat de overige bestuurders de vennootschap niet kunnen vertegenwoordigen zonder de tijdelijke bestuurder.8
Daarnaast kan de ondernemingskamer bepalen dat de tijdelijke bestuurder zelfstandig vertegenwoordigingsbevoegd is, indien de overige bestuurders slechts gezamenlijk bevoegd zijn.9