Pb EU C83/47 van 30 maart 2010
HR, 21-04-2017, nr. 14/01880
ECLI:NL:HR:2017:729
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
21-04-2017
- Zaaknummer
14/01880
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2017:729, Uitspraak, Hoge Raad, 21‑04‑2017; (Cassatie, Uitspraak na prejudiciële beslissing)
Prejudiciële vraag aan: ECLI:EU:C:2016:937
ECLI:NL:HR:2015:3221, Uitspraak, Hoge Raad, 06‑11‑2015; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:20
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2014:839
Beroepschrift, Hoge Raad, 30‑01‑2015
ECLI:NL:PHR:2015:20, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 13‑01‑2015
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:3221
Beroepschrift, Hoge Raad, 09‑04‑2014
- Vindplaatsen
NLF 2017/0976 met annotatie van Martijn Schippers
Douanerechtspraak 2017/50
NTFR 2017/1044 met annotatie van mr. G. van Dam
FutD 2017-0972
Viditax (FutD) 2017042124
BNB 2016/151 met annotatie van G.J. van Slooten
Douanerechtspraak 2016/12
NTFR 2015/2961 met annotatie van mr. A.A. Feenstra
DouaneUpdate 2015-0548
FutD 2015-2702
Viditax (FutD) 2015110609
NTFR 2015/922 met annotatie van mr. A.A. Feenstra
DouaneUpdate 2015-0075
FutD 2015-0253
Viditax (FutD) 2015013013
Uitspraak 21‑04‑2017
Inhoudsindicatie
Douanerechten; post 8543 van de GN; tariefindeling van led-lampen; eindbeslissing in de zaak BNB 2016/151, na HvJ van 8 december 2016, Lemnis Lighting B.V., C-600/15.
Partij(en)
21 april 2017
nr. 14/01880bis
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën, alsmede op het incidentele beroep in cassatie van Lemnis Lighting B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 27 februari 2014, nrs. 12/00461, 12/00462 en 12/00463, na beantwoording van de door de Hoge Raad bij een arrest aan het Hof van Justitie van de Europese Unie gestelde vragen.
1. Geding in cassatie
Voor een overzicht van het geding in cassatie tot aan het door de Hoge Raad in dit geding gewezen arrest van 6 november 2015, nr. 14/01880, ECLI:NL:HR:2015:3221, BNB 2016/151, wordt verwezen naar dat arrest, waarbij de Hoge Raad aan het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft verzocht een prejudiciële beslissing te geven over de in dat arrest geformuleerde vragen.
Bij arrest van 8 december 2016, Lemnis Lighting B.V., C-600/15, ECLI:EU:C:2016:937, heeft het Hof van Justitie, uitspraak doende op die vragen, voor recht verklaard:
“De gecombineerde nomenclatuur van bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1214/2007 van de Commissie van 20 september 2007, moet aldus worden uitgelegd dat goederen als de in het hoofdgeding aan de orde zijnde luminescentiediode-lampen, onder voorbehoud van de beoordeling door de verwijzende rechter van alle feitelijke gegevens waarover hij beschikt, onder post 8543 van deze nomenclatuur vallen.”
Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, schriftelijk gereageerd op dit arrest.
2. Nadere beoordeling van de in het principale en in het incidentele beroep voorgestelde middelen
2.1.
Uit het hiervoor in onderdeel 1 vermelde arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat de led-lampen moeten worden ingedeeld in post 8543 van de Gecombineerde Nomenclatuur (hierna: de GN). Het oordeel van het Hof dat de led-lampen met toepassing van algemene indelingsregel 4 van de GN moeten worden ingedeeld in post 8539 van de GN geeft derhalve blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het in het principale beroep voorgestelde middel slaagt en de in het incidentele beroep voorgestelde middelen 4 en 5 falen.
2.2.
Gelet op hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 4.2 van het hiervoor in onderdeel 1 vermelde arrest van de Hoge Raad, falen ook de in het incidentele beroep voorgestelde middelen 1, 2 en 3.
2.3.
Gelet op hetgeen hiervoor in 2.1 is overwogen, kan ’s Hof uitspraak niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
3. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het incidentele beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond,
verklaart het principale beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, en
bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, P.M.F. van Loon, M.A. Fierstra en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2017.
Uitspraak 06‑11‑2015
Inhoudsindicatie
Douanerechten; art. 5 VEU en art. 31 en 32 VWEU; Gemeenschappelijk douanetarief; aantekening 8 op hoofdstuk 85, posten 8539, 8541, 8543, 8548 en 9405 van de Gecombineerde Nomenclatuur; indeling in de GN van led-lampen als gloeilampen, als lichtgevende dioden, als toestellen met een eigen functie, als elders niet genoemde delen of als delen van verlichtingstoestellen? Prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie. Het heffen van douanerechten voor goederen die niet in de Unie worden geproduceerd is niet in strijd met het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel.
Partij(en)
Hoge Raad der Nederlanden
Derde Kamer
Nr. 14/01880
6 november 2015
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën, alsmede op het incidentele beroep in cassatie van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 27 februari 2014, nrs. 12/00461, 12/00462 en 12/00463, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Haarlem (nrs. AWB 11/4612, AWB 11/4613 en AWB 12/1098) betreffende aan belanghebbende uitgereikte uitnodigingen tot betaling van douanerechten. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1. Geding in cassatie
De Staatssecretaris heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. Zij heeft tevens incidenteel beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
De Staatssecretaris heeft een conclusie van repliek ingediend en voorts schriftelijk zijn zienswijze omtrent het incidentele beroep naar voren gebracht.
Belanghebbende heeft in het principale beroep een conclusie van dupliek ingediend en in het incidentele beroep een conclusie van repliek.
De Advocaat-Generaal M.E. van Hilten heeft op 13 januari 2015 geconcludeerd tot het gegrond verklaren van het principale beroep in cassatie en tot het gedeeltelijk gegrond verklaren van het incidentele beroep in cassatie. De conclusie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
De Hoge Raad heeft partijen in kennis gesteld van zijn voornemen het Hof van Justitie van de Europese Unie te verzoeken een prejudiciële beslissing te geven. Belanghebbende heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, gereageerd op de aan partijen in concept voorgelegde vraagstelling.
2. Uitgangspunten in cassatie
2.1.
Belanghebbende heeft tijdens de periode mei 2008 tot en met maart 2011 aangiften gedaan voor het in het vrije verkeer brengen van zogenoemde light emitting diode lampen (ook aangeduid als ‘led-lampen’) van verschillende typen (hierna: de led-lampen). In de aangiften is post 8541 van de Gecombineerde Nomenclatuur (hierna: de GN), welke post onder meer op ‘luminescentiedioden’ betrekking heeft, als van toepassing zijnde tariefpost opgegeven, onderverdeling 8541 40 10. Het tarief van de douanerechten bij die postonderverdeling was in de hiervoor vermelde periode nihil.
2.2.
De led-lampen zijn samengesteld uit verschillende elektronische componenten, een omhulsel van glas en een metalen fitting. Zij zijn bestemd te worden aangebracht in een armatuur en dienen ter verlichting van ruimten.
Een van de elektronische componenten is een gedrukte schakeling (printed circuit board of pcb; hierna: de pcb) van 14 mm x 14 mm, waarop 6 luminescentiedioden (‘light emitting diodes’; deze zes dioden samen hierna: de luminescentiedioden) zijn aangebracht. De luminescentiedioden zetten elektrische energie, afkomstig van het elektriciteitsnet, om in zichtbaar licht zodra een elektrische stroom in de doorlaatrichting door de diode gaat. Twee van de luminescentiedioden stralen rood licht uit, de overige vier blauw licht. Op de twee rood licht uitstralende luminescentiedioden is een transparant siliconenlaagje aangebracht, op de andere vier luminescentiedioden een siliconenlaagje waarin fosforen zijn verwerkt. Door deze fosforen kleurt het blauwe licht van de vier luminescentiedioden naar de kleuren blauw, geel en groen. Hiermee kan de zogenoemde lichtwarmte van de led-lampen worden afgesteld naar de wens van de afnemer.
De pcb met de luminescentiedioden heeft een glazen bol als omhulsel. Voorts beschikken de led-lampen over een fitting met zogeheten Edison-schroefdraad met een diameter van 27 millimeter (E27-fitting; hierna: de fitting). Daarmee kunnen de led-lampen in een armatuur (de draagconstructie voor een lichtbron) worden aangebracht.
De luminescentiedioden vereisen een constante stroomtoevoer. Daarom is tussen de fitting en de pcb een elektronisch component (hierna: de component) geplaatst die als functie heeft de stroomwisselingen op te vangen die zich in het elektriciteitsnet voordoen. Deze component behelst onder meer dioden, transistors, weerstanden, condensatoren en spoelen, alsmede geïntegreerde schakelingen.
2.3.
De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat de led-lampen moeten worden ingedeeld in postonderverdeling 8543 70 90 van de GN als ‘toestellen met een eigen functie’, en op grond daarvan de onderwerpelijke uitnodigingen tot betaling vastgesteld. Het tarief van de douanerechten bij deze post was gedurende de hiervoor in 2.1 vermelde periode 3,7 percent.
2.4.1.
Het Hof heeft op de grond dat de led-lampen niet slechts bestaan uit luminescentiedioden, maar ook uit tal van andere, voor de werking onontbeerlijke componenten geoordeeld dat de led-lampen niet met toepassing van algemene indelingsregel 1 van de GN als dioden dan wel als luminescentiedioden onder post 8541 van de GN kunnen worden ingedeeld. Voorts is naar het oordeel van het Hof indeling onder post 8539 van de GN met toepassing van algemene indelingsregel 1 van de GN niet mogelijk, aangezien deze post elektrische gloeilampen en –buizen betreft. Indeling onder post 8543 van de GN is naar ’s Hofs oordeel evenmin met toepassing van algemene indelingsregel 1 van de GN mogelijk, omdat de led-lampen geen elektrische machines, apparaten of toestellen zijn met een eigen functie in de zin van deze post. Nadat het Hof heeft vastgesteld dat de led-lampen ook niet met toepassing van algemene indelingsregel 1 van de GN onder enige andere post van de GN kunnen worden ingedeeld, heeft het Hof voorts geoordeeld dat de algemene indelingsregels 2 en 3 van de GN evenmin soelaas bieden, omdat de in die regels beschreven situaties zich niet voordoen. Naar ’s Hofs oordeel dient indeling van de led-lampen plaats te vinden met toepassing van algemene indelingsregel 4 van de GN. De led-lampen vertonen, aldus het Hof, de meeste overeenkomst met gloeilampen, bedoeld in post 8539 van de GN, zodat deze onder die post moeten worden ingedeeld. In ’s Hofs uitspraak ligt besloten dat het Hof postonderverdeling 8539 22 90 van de GN van toepassing heeft geacht, waarvoor gedurende de hiervoor in 2.1 vermelde periode een douanerechtentarief gold van 2,7 percent.
2.4.2.
Het Hof heeft ten slotte verworpen de stelling van belanghebbende dat heffing van douanerechten achterwege moet blijven omdat deze in strijd zou zijn met het algemene binnen de Europese Unie geldende evenredigheidsbeginsel aangezien, aldus belanghebbende, binnen de Europese Unie geen led-lampen worden geproduceerd. Naar het oordeel van het Hof vindt deze stelling geen steun in het recht. Daarbij komt, aldus het Hof, dat de Inspecteur onweersproken heeft gesteld dat binnen de Europese Unie wel degelijk led-lampen worden geproduceerd.
3. Beoordeling van de in het principale en in het incidentele beroep voorgestelde middelen met betrekking tot de tariefindeling
3.1.
Het in het principale beroep in cassatie voorgestelde middel verzet zich tegen het oordeel van het Hof dat de led-lampen niet met toepassing van algemene indelingsregel 1 van de GN onder post 8543 van de GN kunnen worden ingedeeld. Het middel betoogt dat de led-lampen een eigen functie hebben in de zin van deze post, die zich onderscheidt van de functie van de armatuur waarin de lampen worden aangebracht. Het Hof heeft de led-lampen, aldus het middel, ten onrechte met toepassing van algemene indelingsregel 4 van de GN ingedeeld onder post 8539 van de GN.
Het in het incidentele beroep in cassatie voorgestelde middel 4 betoogt dat de led-lampen met toepassing van algemene indelingsregel 1 van de GN moeten worden ingedeeld onder post 8541 van de GN. Volgens het middel zijn de led-lampen in wezen luminescentiedioden als bedoeld in post 8541 van de GN. De glazen omhulling doet hieraan, naar het middel betoogt, niet af, evenmin als de overige componenten dat doen.
Het in het incidentele beroep in cassatie voorgestelde middel 5 betoogt dat, zo indeling niettemin moet plaatsvinden met toepassing van algemene indelingsregel 4, ook dan de conclusie moet zijn dat de led-lampen moeten worden ingedeeld onder post 8541 van de GN. Deze vertonen, aldus het middel, wat betreft werking en functie de meeste overeenkomsten met de in post 8541 van de GN bedoelde luminescentiedioden.
3.2.
De middelen doen vragen rijzen van uitlegging van de GN, in het bijzonder met betrekking tot aantekening 8 bij hoofdstuk 85 van de GN alsmede de posten 8539, 8541, 8543 en 8548 van de GN.
3.3.
De led-lampen zijn elektrisch werkende voorwerpen, bestemd om te worden gebruikt in combinatie met verlichtingstoestellen (armaturen). Deze laatste worden ingedeeld onder post 9405 van de GN, evenals “delen daarvan, elders genoemd noch elders onder begrepen”. Dat laatste betekent, aldus de toelichtingen van de Werelddouaneorganisatie (hierna: de WDO) bij post 9405 van het Geharmoniseerd Systeem voor de indeling van goederen (hierna: het GS), dat afzonderlijk aangeboden elektrische delen van verlichtingstoestellen niet onder deze post, maar onder een van de posten van hoofdstuk 85 van het GS worden ingedeeld.
Aangezien de led-lampen elektrisch werken, moeten deze daarom in hoofdstuk 85 van de GN worden ingedeeld, ongeacht of deze wel of niet ‘delen’ zijn van verlichtingstoestellen in de zin van post 9405 van de GN.
3.3.1.
Indien ervan wordt uitgegaan dat de led-lampen geen ‘delen’ zijn, moeten deze gelet op aantekening 5 op afdeling XVI van de GN worden aangemerkt als “machines” in de zin van de overige aantekeningen op afdeling XVI van de GN.
3.3.2.
Voor de indeling van de led-lampen zijn dan de navolgende aantekeningen, posten en toelichtingen van belang.
3.3.3.
Aantekening 4 op afdeling XVI van de GN luidt voor zover van belang:
“4. Indien een machine of een combinatie van machines uit individuele elementen bestaat (…), bestemd om gezamenlijk een welbepaalde functie te verrichten, zoals bedoeld bij een der posten van hoofdstuk 84 of 85, wordt het geheel ingedeeld onder de post die in verband met die functie van toepassing is.”
3.3.4.
Aantekening 8 op hoofdstuk 85 van de GN luidt voor zover van belang:
“Voor de toepassing van de posten 8541 en 8542 wordt verstaan onder:
a. “dioden, transistors en dergelijke halfgeleiderelementen”, elementen waarvan de werking afhankelijk is van variaties in de soortelijke weerstand onder de invloed van een elektrisch veld;
(…).
Voor de indeling van de in deze aantekening omschreven goederen hebben de posten 8541 en 8542 voorrang boven alle andere posten van de nomenclatuur, met uitzondering van post 8523, waaronder die goederen, bijvoorbeeld in verband met hun functie, eventueel zouden kunnen worden ingedeeld.”
3.3.5.
Post 8539 van de GN betreft:
“Elektrische gloeilampen en -buizen en elektrische gasontladingslampen en -buizen, “sealed beam”-lampen en lampen en buizen voor ultraviolette of voor infrarode stralen daaronder begrepen; booglampen.”
3.3.6.
Post 8541 van de GN betreft:
“Dioden, transistors en dergelijke halfgeleiderelementen; lichtgevoelige halfgeleiderelementen (daaronder begrepen fotovoltaïsche cellen, ook indien samengevoegd tot modules of tot panelen); luminescentiedioden; gemonteerde piëzo-elektrische kristallen”.
In de toelichtingen van de WDO op deze tariefpost is onder meer het volgende opgenomen:
“(A) DIODES, TRANSISTORS AND SIMILAR SEMICONDUCTOR DEVICES
(…)
They include:
(I) Diodes which are two-terminal devices with a single p n junction; they allow current to pass in one direction (forward) but offer a very high resistance in the other (reverse). They are used for detection, rectification, switching, etc.
The main types of diodes are signal diodes, power rectifier diodes, voltage regulator diodes, voltage reference diodes.
(II) Transistors (…)
(III) Similar semiconductor devices (…)
The devices described above fall in this heading whether presented mounted, that is to say with their terminals or leads or packaged (components), unmounted (elements) or even in the form of undiced discs (wafers).
(…)
(B) PHOTOSENSITIVE SEMICONDUCTOR DEVICES
(…)
(C) LIGHT EMITTING DIODES
Light emitting diodes, or electroluminescent diodes, (based, inter alia, on gallium arsenide or gallium phosphide) are devices which convert electric energy into visible, infra-red or ultra-violet rays. They are used, e.g., for displaying or transmitting data in control systems.
(…)”
3.3.7.
Post 8543 van de GN betreft:
“Elektrische machines, apparaten en toestellen, met een eigen functie, niet genoemd of niet begrepen onder andere posten van dit hoofdstuk”.
In de toelichtingen van de WDO op deze post wordt onder meer vermeld:
“The electrical appliances and apparatus of this heading must have individual functions. The introductory provisions of Explanatory Note to heading 84.79 concerning machines and mechanical appliances having individual functions apply, mutatis mutandis, to the appliances and apparatus of this heading.”
De toelichtingen van de WDO op post 8479 van het GS houden in dit verband voor zover van belang in:
“The machinery of this heading is distinguished from the parts of machinery, etc., that fall to be classified in accordance with the general provisions concerning parts, by the fact that it has individual functions.
For this purpose the following are to be regarded as having “individual functions”:
(A) Mechanical devices (…) whose function can be performed distinctly from and independently of any other machine or appliance. (..)
(B) Mechanical devices which cannot perform their function unless they are mounted on another machine or appliance, or are incorporated in a more complex entity, provided that this function:
(i) is distinct from that which is performed by the machine or appliance whereon they are to be mounted, or by the entity wherein they are to be incorporated, and
(ii) does not play an integral and inseparable part in the operation of such machine, appliance or entity.
(…)”
3.3.8.
Post 9405 van de GN betreft:
“Verlichtingstoestellen (zoeklichten en schijnwerpers daaronder begrepen) en delen daarvan, elders genoemd noch elders onder begrepen; lichtreclames, verlichte aanwijzingsborden en dergelijke artikelen, voorzien van een vast aangebrachte lichtbron, alsmede elders genoemde noch elders onder begrepen delen daarvan”
In de toelichtingen van de WDO op deze post wordt onder meer vermeld:
“The heading also covers identifiable parts of lamps and lighting fittings, illuminated signs, illuminated name‑plates and the like, not more specifically covered elsewhere (…)
Separately presented electrical fittings (e.g., switches, lamp holders, flex, plugs, transformers, starters, ballasts) are excluded (Chapter 85).
(…)
This heading also excludes:
(…)
(h) Electric filament lamps, discharge lamps (including tubes in various complex forms such as scrolls, letters, figures, stars, etc.) and arc lamps (heading 85.39).
(…)”
3.4.1.
Onder post 8541 van de GN worden onder meer luminescentiedioden ingedeeld. Hoewel de werking en de functie van de led-lampen worden bepaald door dergelijke dioden, bestaan deze lampen niet alleen uit zulke dioden. Voor de werking en de functie van de led-lampen dienen tevens de pcb als drager van de luminescentiedioden, de component en de fitting.
Gesteld kan worden dat de led-lamp een machine is of een combinatie van machines, bestaande uit verschillende elementen in de zin van aantekening 4 op afdeling XVI van de GN. De led-lamp vervult een welbepaalde functie, te weten het verspreiden van licht. Dit licht is afkomstig van de luminescentiedioden die worden bedoeld in post 8541 van de GN. Dit zou de conclusie kunnen rechtvaardigen dat de led-lampen moeten worden ingedeeld onder post 8541 van de GN. Dit lijkt bevestigd te worden door de laatste alinea van aantekening 8 op hoofdstuk 85, volgens welke indeling onder post 8541 van de GN voorgaat boven indeling onder andere posten, aangezien de werking en de functie van de led-lampen worden bepaald door de luminescentiedioden. Op grond van dit een en ander zouden de led-lampen ingedeeld moeten worden onder post 8541 van de GN.
Niettemin is deze indeling niet zeker. Gezegd zou ook kunnen worden dat post 8541 van de GN, gelet op de tekst van de post en de toelichtingen van de WDO daarop, enkel ziet op lichtgevende dioden zelf en niet op samengestelde producten als de led-lampen, hoezeer ook luminescentiedioden daarvan een essentieel deel zijn. Zo bezien zou post 8541 van de GN niet in aanmerking kunnen komen, ook niet met toepassing van aantekening 4 op afdeling XVI van de GN en aantekening 8, laatste alinea, op hoofdstuk 85 van de GN.
3.4.2.
Post 8539 van de GN lijkt niet zo uitgelegd te kunnen worden dat de led-lampen, gelet op hun objectieve kenmerken en eigenschappen, daaronder kunnen worden ingedeeld. Die post betreft immers wel lampen, maar enkel lampen met een bepaalde techniek (gloeidraad, gasontlading) waaronder niet die welke licht geven door middel van luminescentiedioden.
3.4.3.
Indien de posten 8539 en 8541 van de GN niet zo kunnen worden uitgelegd dat de led-lampen onder een van deze posten moeten worden ingedeeld, moet worden beoordeeld of post 8543 van de GN in aanmerking komt. Voor deze indeling is nodig vast te stellen wat in dit verband moet worden verstaan onder “een eigen functie” in de zin van de post. De vraag rijst of de omstandigheid dat de led-lampen in combinatie met een armatuur worden gebruikt, uitsluit dat de led-lampen een eigen functie in de zin van de post hebben. De hiervoor in 3.3.7 weergegeven toelichtingen op de posten 8543 en 8479 van de GN lijken te moeten leiden tot een bevestigend antwoord op deze vraag. Daartegenover staat dat volgens de tekst van post 9405 van de GN en de toelichtingen daarop van de WDO, elektrische bestanddelen die afzonderlijk worden ingevoerd naar hun eigen aard moeten worden ingedeeld. Dat lijkt erop te duiden dat deze ook naar hun eigen functie moeten worden beoordeeld, waardoor die functie een eigen functie is in de zin van post 8543 van de GN. In dit verband kan ten slotte worden gewezen op het in 2014 gepubliceerde indelingsadvies van het GS-comité van de WDO waarin een “Light-emitting diode (LED) “bulb lamp” in the standard shape of an incandescent bulb, composed of several light emitting diodes inside of an envelope of plastics, circuitry to rectify AC power and to convert voltage to a level useable by the LEDs, a heat sink and an Edison screw base” met toepassing van indelingsregels 1 en 6 wordt ingedeeld in post 8543 70 van de GS (zie http://www.wcoomd.org).
3.4.4.
Indien geen van de posten 8539, 8541 en 8543 van de GN met toepassing van algemene indelingsregel 1 in aanmerking komt, rijst de vraag of indeling met behulp van algemene indelingsregels 2 en 3 van de GN mogelijk is. Algemene indelingsregel 2b van de GN bepaalt dat onder een in een post vermelde stof niet alleen wordt verstaan die stof in zuivere staat, doch ook vermengd of verbonden met andere stoffen. Evenzo worden onder werken van een genoemde stof niet alleen verstaan die werken die geheel uit die stof bestaan, doch ook werken die gedeeltelijk uit die stof bestaan. Van een vorenbedoeld mengsel of samengesteld werk, dat alsdan moet worden ingedeeld met inachtneming van algemene indelingsregel 3, lijkt wat betreft de led-lampen geen sprake te zijn. Aangezien de goederen noch met toepassing van het bepaalde in algemene indelingsregel 2b, of om enige andere reden vatbaar zijn voor indeling onder twee of meer posten, zou algemene indelingsregel 3 buiten beschouwing kunnen blijven.
3.4.5.
Indien geen van de posten 8539, 8541 en 8543 van de GN met toepassing van algemene indelingsregel 1 in aanmerking komt, en ook indeling met behulp van de algemene indelingsregels 2 en 3 van de GN niet mogelijk is, rijst de vraag of indeling moet plaatsvinden met toepassing van algemene indelingsregel 4 van de GN. Zo deze vraag bevestigend wordt beantwoord, komt de vraag aan de orde met welke goederen de led-lampen de meeste overeenkomst vertonen in de zin van deze algemene indelingsregel. Dat zouden lichtgevende dioden kunnen zijn, die worden ingedeeld onder post 8541 van de GN, omdat deze de werking en de functie van de led-lampen (het geven van licht) bepalen. Niettemin bestaan de led-lampen uit meer van belang zijnde elementen dan alleen of hoofdzakelijk de luminescentiedioden.
Anderzijds zijn de led-lampen, zoals het Hof heeft geoordeeld, vergelijkbaar met de in post 8539 van de GN welomschreven lichtbronnen. Het is echter de vraag of de afwijkende techniek van de led-lampen indeling in post 8539 van de GN toelaat.
3.5.
Enkele passages in de toelichtingen van de WDO lijken erop te duiden dat producten als de led-lampen moeten worden aangemerkt als delen van de artikelen waarin zij voor hun werking worden aangebracht. Gewezen kan worden op de toelichtingen van de WDO op post 9405 van het GS, waarin gloeilampen en gloeibuizen van indeling onder deze post worden uitgezonderd. De reden voor deze uitzondering zou kunnen zijn dat zij als delen elders in de GS worden genoemd, te weten in post 8539 van het GS. Hetzelfde geldt voor de toelichtingen van de WDO op aantekening 2 van afdeling XVI van de GS (weergegeven in onderdeel 6.7.5 van de conclusie van de Advocaat-Generaal), waarin lampen van post 8539 van het GS worden uitgezonderd van indeling als delen.
Indien de led-lampen inderdaad als delen zouden moeten worden aangemerkt, rijst de vraag onder welke post van de GN deze moeten worden ingedeeld. Hierbij zou ook nog gedacht kunnen worden aan postonderverdeling 8548 90 90 van de GN als “elektrische delen van machines, van apparaten of van toestellen, niet genoemd of niet begrepen onder andere posten van dit hoofdstuk” (tarief 2,7%).
4. Beoordeling van de in het incidentele beroep voorgestelde middelen met betrekking tot het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel
4.1.
De middelen 1, 2 en 3 van het incidentele beroep in cassatie worden voorgesteld voor het geval de led-lampen zo moeten worden ingedeeld dat douanerechten verschuldigd zouden zijn. De middelen verzetten zich tegen ’s Hofs hiervoor in 2.4.2 weergegeven oordelen. Volgens de middelen heeft het Hof ten onrechte en onvoldoende gemotiveerd geoordeeld dat het evenredigheidsbeginsel niet wordt geschonden door heffing van douanerechten ter zake van het in het vrije verkeer brengen van de led-lampen, op de grond dat daarvoor geen steun is te vinden in het recht. Volgens de middelen is heffing van douanerechten in strijd met het evenredigheidsbeginsel, aangezien de heffing van deze rechten dient ter bescherming van de interne markt en in de Europese Unie geen led-lampen worden geproduceerd. De middelen wijzen in dit verband op artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (hierna: VEU) en artikel 31 en artikel 32, letter b, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU).
Voorts voeren de middelen aan dat onbegrijpelijk is ’s Hofs oordeel dat belanghebbende niet heeft weersproken de stelling van de Inspecteur dat in de Europese Unie led-lampen worden geproduceerd, aangezien het beroep van belanghebbende op het evenredigheidsbeginsel voor het Hof juist erop was gegrond dat in de Europese Unie geen productie van led-lampen plaatsvindt.
4.2.
De douanerechten behoren tot de in artikel 311 VWEU bedoelde eigen middelen van de Unie (zie artikel 2, lid 1, aanhef en letter a, van het Besluit nr. 2007/436/EG, Euratom, van de Raad van 7 juni 2007 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen, Pb L 2007, nr. 163). In zoverre zijn de douanerechten aan te merken als belastingen van de Europese Unie, die, onder democratische controle, vrijelijk kunnen worden vastgesteld, buiten redelijke twijfel ook voor soorten goederen die niet binnen het douanegebied van de Europese Unie worden geproduceerd. Daarbij komt dat de Europese markt ook door het heffen van douanerechten beschermd wordt indien de desbetreffende goederen niet binnen de Unie worden voortgebracht. Daardoor wordt immers het in de toekomst gaan produceren van deze goederen binnen de Europese Unie bevorderd.
5. Slotsom
Gelet op het hiervoor onder 3 overwogene zal de Hoge Raad op de voet van artikel 267 VWEU vragen voorleggen aan het Hof van Justitie met betrekking tot de uitlegging van het recht van de Unie.
6. Beslissing
De Hoge Raad verzoekt het Hof van Justitie van de Europese Unie uitspraak te doen over de volgende vragen:
Dienen de posten 8539, 8541, 8543, 8548 en 9405 van de GN aldus te worden uitgelegd dat producten als de led-lampen, die zijn samengesteld uit lichtgevende dioden en andere elektrische componenten, alsmede een glazen omhulsel en een Edison-fitting, en die dienen tot verlichting na te zijn aangebracht in een verlichtingstoestel, onder een van deze posten moeten worden ingedeeld? Zo ja, onder welke van deze posten dienen de producten dan te worden ingedeeld? Zo nee, onder welke andere post dient indeling dan plaats te vinden?
De Hoge Raad houdt iedere verdere beslissing aan en schorst het geding totdat het Hof van Justitie naar aanleiding van vorenstaand verzoek uitspraak heeft gedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet, P. Lourens, E.N. Punt en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 6 november 2015.
Beroepschrift 30‑01‑2015
Datum : […]
Onze referentie : […]
Betreft : [X]B.V., uw zaaknummer F 14/01880; incidenteel beroepschrift
Edelhoogachtbaar College,
Op 29 april 2014 zond u ons een afschrift van het door de Staatssecretaris van Financiën (hierna: de Staatssecretaris) ingestelde beroep in cassatie van 9 april 2014. Het beroep in cassatie richt zich tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam (hierna: Hof) van 27 februari 2014, nr. 12/00461 tot en met 12/00463 inzake [X] B.V. te [Z](hierna: belanghebbende).
Gelijktijdig met de indiening van dit incidenteel beroepschrift wordt met een separate brief namens belanghebbende een verweerschrift ingediend. In dat verweerschrift komt uitsluitend de indeling in de Gecombineerde Nomenclatuur (hierna: GN) van de ingevoerde LED-lampen aan de orde. In dit incidenteel beroep komt, naast de indeling in de GN, ook 's Hofs oordeel omtrent de toepassing van het evenredigheidsbeginsel aan de orde.
Alvorens de middelen aan te dragen van dit beroep, achten wij het zinvol zeer kort stil te staan bij de procedure voorafgaand aan de cassatiefase.
In haar uitspraak heeft het Hof vastgesteld dat de ingevoerde LED-lampen bestaan uit elektronische schakelingen waarvan, naast luminescentiedioden, deel uit maken dioden, transistors, weerstanden, condensatoren en spoelen, alsmede geïntegreerde schakelingen. Deze elektronische schakelingen zijn bevestigd op een ‘printed circuit board’. Dit geheel wordt omsloten door een glazen bol en beschikt over een metalen lampvoet met schroefdraad (E27).
Het Hof heeft allereerst onderzocht of indeling onder post 8541, post 8539 en/of post 8543 met toepassing van indelingsregel 1 mogelijk is. In rechtsoverweging 6.8 van de uitspraak heeft het Hof overwogen dat de ingevoerde LED-lampen niet met indelingsregel 1 onder die posten ingedeeld kunnen worden. Het Hof ziet evenmin enige andere post waaronder de producten, met toepassing van indelingsregel 1, kunnen worden ingedeeld. Het Hof constateert in dezelfde rechtsoverweging dat indelingsregel 2 en 3 geen soelaas bieden omdat de aldaar beschreven situaties zich niet voordoen en daarom onderzocht moet worden, gelet op indelingsregel 4, met welke goederen de ingevoerde LED-lampen de meeste overeenkomst vertonen.
Het Hof is van oordeel dat de LED-lampen de meeste overeenkomst vertonen met de lampen genoemd in post 8539 van de GN (rechtsoverweging 6.9). De ingevoerde LED-lampen moeten om die reden, naar het oordeel van het Hof, met toepassing van indelingsregel 4 ingedeeld worden onder post 8539 van de GN.
Met betrekking tot het evenredigheidsbeginsel heeft het Hof in overweging 6.10 geoordeeld dat belanghebbende heeft aangevoerd dat de heffing van douanerechten de bescherming van Europese productie beoogt. In casu draagt de heffing van douanerechten niet bij aan de bescherming van de Europese producenten van LED-lampen omdat, aldus begrijpt het Hof, er geen sprake is van Europese producenten van LED-lampen. De inspecteur dient daarom af te zien van heffing, aldus belanghebbende. Naar 's Hofs oordeel dient deze stelling te worden verworpen nu zij geen steun vindt in het recht, nog daargelaten dat de inspecteur ter zitting onweersproken heeft gesteld dat in de Europese Unie wel degelijk productie van LED-lampen plaatsvindt.
Dit incidenteel beroep in cassatie richt zich tegen bovengenoemde oordelen van het Hof. Wij motiveren dit met de volgende middelen.
1. Schending van artikel 8:77, AWB, dan wel verzuim van vormen doordat het Hof heeft geoordeeld dat de heffing van douanerechten ter zake van de invoer van LED-lampen niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel met de enkele stelling dat het Hof daarvoor geen steun in het recht vindt zonder daarvoor een verdere motivering te geven.
Toelichting
In het zogenoemde 10-dagenstuk van 10 januari 2014 hebben wij namens belanghebbende gemotiveerd betoogd dat de heffing van douanerechten op de ingevoerde LED-lampen niet bijdraagt aan de bescherming van de Europese productie van LED-lampen. De heffing gaat daarmee verder dan nodig is en is zodoende in strijd met het evenredigheidsbeginsel zoals opgenomen in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie.
Voor de leesbaarheid citeren wij hier hetgeen in onze brief van 10 januari 2014 is opgenomen.
‘ De heffing is in strijd met het evenredigheidsbeginsel
De rechten van het gemeenschappelijk douanetarief worden op basis van artikel 31 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie1. (hierna het Verdrag), door de Raad vastgesteld op voorstel van de Commissie. Blijkend uit artikel 32, onderdeel b, van het Verdrag, dient de vaststelling van deze rechten het doel dat het concurrerend vermogen van Europese ondernemingen zal toenemen.
In dit verband verwijzen wij ook naar Michael Lux2.:
‘Duties are no longer fixed according to the requirements of the State's budget but according to the needs of protection of the bussiness in the territory against foreign competition.’
In dezelfde zin verwijzen wij ook naar E.N. Punt en D.G. van Vliet3.:
‘Wat is nu het rechtskarakter van het douanerecht (in enge zin)? Duidelijk zal zijn dat uitgegaan zal kunnen worden van een economische benadering. De nadruk wordt dan niet gelegd op het heffen van belasting, maar op het reguleren van de goederenstroom. De protectie van de eigen markt staat voorop.’
Er beslaat derhalve geen enkele twijfel dat met de vaststelling van een heffing van douanerechten bij de invoer van goederen in de Europese Unie, wordt beoogd de productie van Europese ondernemers te beschermen.
Niet iedere productiesector binnen de Europese Unie behoeft dezelfde mate van bescherming. Dat is ook de reden dat het douanerecht geen algemeen tarief kent maar een groot aantal verschillende tarieven voor verschillende goederen. Voor goederen waarvan de Europese productie onvoldoende of geheel afwezig is, zal de Europese Unie, conform de zojuist genoemde bepaling van het Verdrag, een lager tarief willen vaststellen dan voor goederen waarvan de Europese producenten juist bescherming tegen de fabrikanten in derde landen behoeven.
Om deze verschillende tarieven te realiseren wordt binnen de Europese Unie gebruik gemaakt van de Gecombineerde Nomenclatuur (hierna: GN) waarin, kort gezegd, goederen worden gekoppeld aan een goederencode en deze code vervolgens op haar beurt wordt gekoppeld aan een douanetarief. Voor alle goederen die ingedeeld worden binnen dezelfde goederencode geldt op deze wijze hetzelfde tarief. Echter, doordat binnen een bepaalde goederencode verschillende goederen worden ingedeeld kan hel voorkomen dat een douanetarief voor een product wordt vastgesteld terwijl de Europese Unie niet heeft beoogd om een protectionistische maatregel in te stellen. Dit kan zich met name voordoen bij zogenoemde restposten. Dit zijn posten waarbij de Europese regelgever geen specifieke goederen op het oog heeft.
In het onderhavige geschil is sprake van led-lampen die naar de mening van de inspecteur ingedeeld dienen te worden onder post 8543 van de GN (quod non). De tekst van deze post luidt: ‘Elektrische machines, apparaten en toestellen, met een eigen functie, niet genoemd of niet begrepen onder andere posten van dit hoofdstuk’ Een restpost derhalve. Voor deze post is, als beschermende maatregel voor de Europese productie, een douanetarief van 3,7% vastgesteld.
Belanghebbende gold en geldt als een pionier op het gebied van energiebesparende, duurzame en milieuvriendelijke producten. Zij was binnen Europa dan ook de eerste onderneming die ledlampen liet produceren en op de markt bracht. Van Europese producenten van led-lampen was geen sprake. Er waren logischerwijs dus ook geen Europese ondernemers die bescherming behoefden legen de invoer van deze producten vanuit derde landen.
Zoals hiervoor opgemerkt beoogt de vaststelling van douanerechten de bescherming van de Europese productie. Is geen sprake van Europese productie dan kan de heffing van deze rechten niet realiseren wat met de vaststelling van het betreffende douanetarief werd beoogd.
Krachtens het evenredigheidsbeginsel gaan de inhoud en de vorm van het optreden van de douaneautoriteiten niet verder dan datgene wat nodig is om de doelstellingen van de Verdragen te bevorderen (zie onder meer artikel 5 van het Verdrag — lees: Het Verdrag betreffende de Europese Unie, toevoeging van dit beroep). Zoals hiervoor beschreven draagt de heffing van douanerechten op de onderhavige ingevoerde led-lampen niet bij aan de bescherming van de Europese productie van led-lampen. De heffing gaal daarmee verder dan nodig is en is zodoende in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Dat heeft hier tot gevolg dat toepassing van de regelgeving voor deze producten, in casu toepassing van een douanetarief van 3,7%, achterwege moet blijven. Derhalve kan — ook al zou indeling onder post 8543 van de GN juist zijn (quod non) — geen heffing van douanerechten plaatsvinden en dient de navordering vernietigd te worden.’
Naar onze mening dient op basis van het evenredigheidsbeginsel geen heffing op de invoer van LED-lampen plaats te vinden. Het Hof heeft geoordeeld dat deze stelling moet worden verworpen omdat zij geen steun vindt in het recht. Het Hof heeft daarbij nagelaten waarom de stelling, in weerwil van de door ons gegeven onderbouwing, geen steun vindt in het recht. Dit verzuim leidt tot nietigheid.
2. Schending van het recht en/of artikel 8:77, AWB, dan wel verzuim van vormen doordat het Hof heeft geoordeeld dat de inspecteur ter zitting onweersproken heeft gesteld dat in de Europese Unie productie van LED-lampen plaatsvond.
Toelichting
In het onder het eerste middel geciteerde deel van het 10-dagenstuk is gesteld dat van Europese producenten van LED-lampen geen sprake was. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de inspecteur, zonder nadere onderbouwing, gesteld dat wel sprake is van productie van LED-lampen in de EU plaatsvindt.
Wij hebben deze opmerking van de inspecteur tijdens de mondelinge behandeling niet bevestigd. In het proces-verbaal is een dergelijke bevestiging dan ook niet te vinden. Wij hebben dan ook vastgehouden aan onze stelling zoals opgenomen in het 10-dagenstuk. Het oordeel van het Hof is derhalve, gelet op de processtukken onbegrijpelijk, en leidt tot nietigheid.
3. Schending van het recht omdat het Hof heeft geoordeeld dat de heffing van douanerechten bij de invoer van LED-lampen niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel.
Toelichting
Hierboven hebben wij onder het eerste middel geciteerd uit ons 10-dagenstuk. Uit het citaat blijkt dat de heffing van douanerechten bij de invoer van LED-lampen in strijd is met het evenredigheidsbeginsel zoals opgenomen in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie. Met haar oordeel heeft het Hof daarmee het recht geschonden.
4. Schending van het recht, met name indelingsregel 1 en post 8541 van de Gecombineerde Nomenclatuur, doordat het Hof van oordeel is dat de LED-lampen met toepassing van indelingsregel 1 niet onder post 8541 ingedeeld moeten worden.
Toelichting
Wij zijn van mening dat indeling van de ingevoerde LED-lampen op basis van indelingsregel 1 dient plaats te vinden onder post 8541 van de GN.
Hierna nemen wij, voorde leesbaarheid, onze argumentatie voor de indeling in post 8541 zoals door ons naar voren gebracht bij het Hof, nogmaals op. Het betreft deel 1 van punt 4.1.1. van ons beroepschrift van 22 juni 2012 alsmede punt 4.1.2. (vanaf de zevende alinea) van dat zelfde beroepschrift.
(begin citaat deel 1 van punt 4.1.1. van het beroepschrift van 22 juni 2012)
‘Deel 1 Light emitting diode lampen dienen ingedeeld te worden onder post 8541 van de GN
Zoals hiervoor in de feiten is aangegeven is bij de onderhavige light emitting diode lamp sprake van een lichtbron bestaande uit 6 lichtgevende dioden die worden omhuld door een glazen bol, een fitting die voor de aansluiting op het elektriciteitsnetwerk zorg draagt en een elektronische component tussen fitting en dioden.
In aantekening 8 op hoofdstuk 85 is — onder meer — het volgende opgenomen:
- ‘8.
Voor de toepassing van de posten 85.41 en 85.42 wordt verstaan onder:
- a.
‘dioden, transistors en dergelijke halfgeleiderelementen’, elementen waarvan de werking afhankelijk is van variaties in de soortelijke weerstand onder invloed van een elektrisch veld;
(…)’.
Naar onze mening voldoen de onderhavige 6 lichtgevende dioden aan vorenstaande definitie. Onder invloed van een elektrisch veld varieert hun soortelijke weerstand immers voortdurend als gevolg waarvan zij — zoals elke diode — elektrische stroom slechts in één richting doorlaten en weerstand bieden in de andere richting.
Zoals hierboven aangegeven bestaat de light emitting diode lamp uit meer onderdelen dan alleen de dioden. De vraag komt dan ook op of de glazen bol, de hiervoor bedoelde elektronische component en de fitting waarmee de dioden verbonden zijn, indeling onder post 8541 van de GN in de weg staan. Om de volgende redenen meent belanghebbende van niet.
Zojuist is vastgesteld dat de 6 lichtgevende diodes, op grond van aantekening 8 IDR op Hoofdstuk 85 van de GN, kwalificeren als ‘dioden, transistors en dergelijke halfgeleiderelementen’. In de toelichting IDR op post 8541 van de GN staal — onder meer — het volgende vermeld:
- ‘A.
Dioden, transistors en dergelijke halfgeleiderelementen
(…)
De hiervoor omschreven elementen blijven onder deze post ingedeeld, ongeacht of zij gemonteerd zijn (voorzien van aansluitingen of geborgen in omhulling of niet gemonteerd zijn (…)’
Met betrekking tot de glazen bol zijn wij van mening dal deze kwalificeert als een omhulling waarin de lichtgevende dioden zijn geborgen. De fitting en de elektronische component zorgen voor de stroomaansluiting van de lichtgevende dioden. Ook deze componenten staan volgens de toelichting IDR de indeling in post 8541 van de GN niet in de weg.
Wij concluderen dan ook dat de light emitting diode lamp ingedeeld kan worden onder de post 8541 van de GN.
Nu op vier cijfer niveau de indeling onder post 8541 van de GN is bepaald, dient verdere indeling binnen deze post plaats te vinden.
Binnen post 8541 van de GN zijn — op vijf en zes cijferniveau — de volgende onderverdelingen te onderscheiden:
- —
Dioden, andere dan fotodioden en luminescentiedioden
- —
Transistors, andere dan fototransistors:
- —
Thyristors, diacs en triacs, andere dan lichtgevoelige
- —
Lichtgevoelige halfgeleiderelementen (daaronder begrepen fotovoltaïsche cellen, ook indien samengevoegd tot modules of tot panelen);
- —
luminescentiedioden:
- —
Andere halfgeleiderelementen
- —
Gemonteerde piëzo-elektrische kristallen
- —
Delen
Bij de eerste onderverdeling zijn luminescentiedioden uitgezonderd. Omdat de lichtgevende dioden van de onderhavige ingevoerde light emitting diode lampen kwalificeren als luminescentiedioden, blijft de eerste onderverdeling verder buiten beschouwing. De lichtgevende dioden zijn ook geen transistors. De tweede onderverdeling blijft dus eveneens verder buiten beschouwing. Dat geldt eveneens voor de derde onderverdeling nu geen sprake is van thyristors, diacs of triacs. Luminescentiedioden worden genoemd in de vierde onderverdeling. Deze onderverdeling is dus de juiste. Dit leidt tot indeling op vijf en zes cijferniveau onder postonderverdeling 8541 40 van de GN.
Op zeven en acht cijfer niveau zijn twee onderverdelingen te onderscheiden:
- —
Luminescentiedioden, laserdioden daaronder begrepen; en
- —
Andere.
Nu sprake is van de met naam genoemde luminescentiediode in de eerste onderverdeling op zeven en acht cijfer niveau, is indeling onder postonderverdeling 8541 4010 van de GN de juiste. Beschouwing van andere posten van de GN is niet meer noodzakelijk. Immers, aantekening 8 IDR op Hoofdstuk 85 van de GN, laatste alinea bepaalt het volgende:
‘Voor de indeling van de in deze aantekening omschreven goederen hebben de posten 85.41 en 85.42 voorrang boven alle andere posten van de nomenclatuur (…), waaronder die goederen, bijvoorbeeld in verband met hun functie, eventueel zouden kunnen worden ingedeeld.’
Ter zake van de door de inspecteur voorgestane post 8543 van de GN wijzen wij specifiek op zaak C-411/07 van het Hof van Justitie van 2 oktober 2008. In overweging 27 stelt het Hof dat indeling in post 8543 van de GN slechts van toepassing is wanneer de andere posten van hoofdstuk 85 van de GN niet kunnen worden toegepast. De juiste indeling van de light emitting diode lampen is dus post(onderverdeling) 8541 4010 van de GN.’
(einde citaat deel 1 van punt 4.1.1. van het beroepschrift van 22 juni 2012)
(begin citaat punt 4.1.2. (vanaf de zevende alinea) van het beroepschrift van 22 juni 2012)
‘In overweging 5.3.2. van de uitspraak stelt de rechtbank dat een LED-lamp een samengesteld product is dat voor de indeling in de GN niet zonder meer kan worden vereenzelvigd met de daarin verwerkte onderdelen. Wij begrijpen hieruit dat de rechtbank van mening is dat de LED-lampen voor de indeling niet op een lijn kunnen worden gesteld met de zich daarin bevindende lichtgevende dioden.
Wij menen dat deze redenering onjuist is. Wij hebben betoogd dat op grond van de toelichting IDR op post 8541 onder ‘A’ wordt vermeld dat dioden onder deze post blijven ingedeeld, ongeacht of de dioden zijn voorzien van aansluitingen en voorzien zijn van een omhulling. De fitting van de LED-lamp kwalificeert als aansluiting en de glazen bol als omhulling. Indien deze toelichting van toepassing is op de lichtgevende dioden dan volgt daar dus uit dat voor de indeling in de GN de LED-lamp wel degelijk op een lijn moet worden gesteld met de zich daarin bevindende lichtgevende dioden.
De kernvraag is dus of hetgeen in de toelichting onder ‘A’ wordt beschreven van toepassing is op lichtgevende dioden. De rechtbank meent van niet omdat de toelichting onder ‘C’ expliciet ‘luminescentiedioden’ vermeldt. Belanghebbende is van mening dat de inhoud van de toelichting onder ‘A’ van toepassing is op alle dioden, derhalve ook op luminescentiedioden. Voor luminescentiedioden is aanvullend ook hetgeen in de toelichting onder ‘C’ wordt vermeld van toepassing. Wij willen hiervoor het volgende naar voren brengen.
Zoals ook al bij de rechtbank naar voren is gebracht voldoen de luminescentiedioden aan de definitie van het begrip ‘diode’ genoemd in aantekening 8 op hoofdstuk 85. Omdat in de toelichting IDR op post 8541 onder ‘A’ het begrip ‘dioden’ wordt genoemd kan het naar onze mening niet anders worden begrepen dan dat de tekst van onderdeel ‘A’ van toepassing is op luminescentiedioden. Derhalve staan een omhulling (de glazen bol) en de aansluiting (de fitting) indeling onder post 8541 van de GN niet in de weg.
Tot slot willen wij reageren op overweging 5.3.4. van de uitspraak.
De rechtbank stelt dat de voorbeelden genoemd in onderdeel ‘c’ van de toelichting IDR op post 8541 van de GN er op zouden duiden dat de post enkel ziet op ‘losse’ lichtgevende dioden. Wij kunnen de rechtbank hier niet volgen. In onderdeel ‘A’ worden ook voorbeelden genoemd die veeleer duiden op losse dioden. Genoemd worden onder meer ‘signaaldioden’, ‘dioden voor het regelen van elektrische spanningen’ en ‘spanningsreferentiedioden’. Vast staat dal deze ‘losse’ dioden gemonteerd, voorzien van een aansluiting en omhuld tot post 8541 van de GN behoren. Voor de luminescentiedioden geldt evenzeer dal het noemen van voorbeelden van losse luminescentiedioden, net als bij andere dioden, geen enkele aanduiding geeft dat een omhulde (glazen bol) en van een aansluiting voorziene (de fitting) luminescentiediode niet tot genoemde post zou behoren. ’
(einde citaat punt 3.1.2. (vanaf de zevende alinea) van het beroepschrift van 22 juni 2012)
Wij zijn na het opstellen van het beroepschrift voor het Hof ter zake van de indeling van de LED-lamp onder post 8541 van de GN niet van mening gewijzigd. Wij zullen dan ook in dit incidenteel beroepschrift in cassatie geen aanvullende standpunten naar voren brengen over deze indeling.
5. Schending van het recht, met name indelingsregel 4 en de posten 8539 en 8541 van de Gecombineerde Nomenclatuur, doordat het Hof van oordeel is dat met toepassing van indelingsregel 4 ingedeeld moeten worden onder post 8539. De LED-lampen vertonen de meeste overeenkomst met de luminescentiedioden genoemd in de bewoording van post 8541, zodat indeling onder die post moet plaatsvinden.
Toelichting
Wij zijn van mening dat de ingevoerde LED-lampen de meeste overeenkomst vertonen met de luminescentiedioden genoemd in GN onderverdeling 8541 3000. Weliswaar vertonen de LED-lampen qua uiterlijk de meeste overeenkomst met de lampen genoemd in post 8539 van de GN, maar de technische werking is exact gelijk aan die van luminescentiedioden. De LED-lamp en de luminescentiediode zetten op gelijke wijze elektrische energie om in zichtbare stralen (zie toelichting IDR bij post 8541 van de GN). Daarmee zijn zowel functie als werking gelijk.
Wij achten, anders dan het Hof onder rechtsoverweging 6.9., de metalen lampvoet met schroefdraad, welke voldoet aan de E27-standaard niet beslissend voor de vraag met welk product de LED-lamp de meeste overeenkomst vertoont. Zowel de LED-lamp als de luminescentiediode vallende onder post 8541, kunnen direct aangesloten worden op een armatuur. Hiermee is de inherente bestemming — zijnde de bevestiging in een armatuur — van de LED-lamp en de luminescentiediode dezelfde. Dat sprake is van een ander soort aansluiting, de luminescentiediode maakt geen gebruik van de aansluiting van het soort metalen lampvoet met schroefdraad, doet niets aan deze inherente bestemming af.
De technische werking, de functie en de inherente bestemming van de ingevoerde LED-lampen komen het meest overeen met de goederen genoemd onder onderverdeling 8541 3000 ván de GN, zodat op basis daarvan de ingevoerde LED-lampen met toepassing van indelingsregel 4 onder genoemde onderverdeling worden ingedeeld.
Conclusie 13‑01‑2015
Inhoudsindicatie
In deze procedure moet de vraag worden beantwoord onder welke tariefpost de door belanghebbende ingevoerde light emitting diode lampen (hierna: de led-lampen) moeten worden ingedeeld. In de visie van de staatssecretaris van Financiën (hierna: Staatssecretaris) moeten de led-lampen worden ingedeeld in tariefpost 8543 van de GN (elektrische apparaten met een eigen functie, 3,7% douanerechten). Belanghebbende meent dat de led-lampen moeten worden ingedeeld onder tariefpost 8541 van de GN (luminescentiedioden, 0% douanerechten). Daarnaast is heffing van rechten volgens belanghebbende in strijd met het evenredigheidsbeginsel aangezien in de Europese Unie geen led-lampen worden geproduceerd. Bijzonder aan deze zaak is dat Hof Amsterdam (hierna: het Hof) de zelden in de rechtspraak toegepaste indelingsregel 4 heeft gebruikt en de led-lampen met toepassing van die regel heeft ingedeeld onder tariefpost 8539 (gloeilampen). Voordat A-G Van Hilten in gaat op de indeling van de led-lampen, bespreekt zij eerst het Unierechtrechtelijke evenredigheidsbeginsel; immers bij honorering van belanghebbendes beroep op het evenredigheidsbeginsel wordt niet aan de indelingskwestie toegekomen. Zij bespreekt hiertoe de in de Verdragen neergelegde doelstelling van de douane–unie en het gemeenschappelijk douanetarief. Zij komt tot de slotsom dat de Unie bij het – bij verordening – vaststellen van een douanetarief voor goederen van tariefposten 8539 en 8543 van de GN, niet verder is gegaan dan noodzakelijk om de doelstellingen van de artikelen 28 tot en met 32 van het VWEU te realiseren. Ook niet indien er veronderstellenderwijs van uit wordt gegaan dat in de jaren waarin de onderhavige led-lampen in het vrije verkeer werden gebracht, binnen de Unie geen productie van dergelijke lampen plaatsvond. Na de bespreking van het evenredigheidsbeginsel komt A-G Van Hilten toe aan de vraag of het Hof terecht – uitgaande van een juiste rechtsopvatting – heeft geoordeeld dat de led-lampen met toepassing van algemene indelingsregel 4 moeten worden ingedeeld als ‘gloeilampen’ van tariefpost 8539 van de GN. Aangezien aan indelingsregel 4 pas wordt toegekomen als de overige indelingsregels geen soelaas bieden, dient bij de beantwoording van deze vraag eerst te worden uitgesloten dat indeling van led-lampen met toepassing van algemene indelingsregels 1 (en 6) mogelijk is. Bij de beantwoording van de vraag of een goed onder de bewoordingen van een tariefpost valt, zijn doorslaggevend de ‘objectieve kenmerken en eigenschappen’ van dat goed, ‘zoals die in de tekst van de post is omschreven’. A-G Van Hilten bespreekt eerst tariefpost 8541 van de GN (luminescentiedioden) met de bijbehorende GS-toelichting en komt tot de tussenconclusie dat, nu de led-lampen aanzienlijk meer ‘om het lijf hebben’ dan enkel de luminescentiedioden, en alle componenten van de lamp noodzakelijk zijn om deze te maken wat hij is en te doen werken waarvoor hij gemaakt is, indeling onder tariefpost 8541 van de GN niet mogelijk is. De led-lampen hebben haars inziens niet de objectieve eigenschappen en kenmerken van een goed als omschreven in post 8541 van de GN en kunnen daarom niet met toepassing van indelingsregels 1 en 6 onder die post worden gebracht. Op grond van indelingsregels 1 en 6 lijkt indeling van de led-lampen onder tariefpost 8539 volgens A-G Van Hilten evenmin aan de orde. De bewoordingen van deze tariefpost en die van de relevante onderverdelingen daarvan omvatten naar het haar toeschijnt niet led-lampen als de onderhavige. De A-G komt toe aan de laatste post die in deze procedure is genoemd als mogelijke post waaronder de led-lampen kunnen worden ingedeeld: tariefpost 8543 van de GN. Deze restpost heeft betrekking op elektrische machines, apparaten of toestellen met een eigen functie. A-G Van Hilten komt tot de conclusie dat de led-lampen niet een eigen functie hebben in bovenbedoelde zin. Dan resteert volgens haar nog de mogelijkheid dat de led-lampen als (onder)deel onder een van voormelde posten – of een andere post – worden ingedeeld. Met het oog op de door het HvJ in zijn rechtspraak gegeven omschrijving van ‘delen’, meent A-G Van Hilten dat de led-lampen zijn aan te merken als ‘delen’. Steun daarvoor vind zij onder meer in de GS-toelichting op aantekening 2 op afdeling XVI, waarin gloeilampen – toch een product waarmee de onderhavige led-lampen op zijn minst overeenkomsten vertonen– als ‘deel’ worden aangemerkt. Zij komt tot de slotsom dat de led-lampen (net als gloeilampen) delen zijn van machines. Anders dan voor gloeilampen, is er echter voor de led-lampen (nog) geen tariefpost. In feitelijke instanties is niet vastgesteld in welke apparaten en toestellen de led-lampen als onderdeel geplaatst (zouden kunnen) worden, en is onderbelicht gebleven waarom de led-lampen niet als onderdeel van een machine (kunnen) worden aangemerkt. Over de mogelijke indeling in tariefpost 8543, 8548 of wellicht nog een andere post, kunnen haars inziens derhalve zonder nader feitelijk onderzoek, waarvoor in cassatie geen plaats is, geen uitspraken worden gedaan. A-G Van Hilten komt tot de conclusie dat niet kan worden uitgesloten dat de led-lampen met toepassing van indelingsregels 1 en 6 onder de bewoordingen van tariefpost 8543 dan wel onder de bewoordingen van een andere tariefpost kunnen worden gebracht, en dat het Hof te snel – uitgaande van de onjuiste rechtsopvatting dat geen enkele post in aanmerking kwam – heeft geoordeeld dat de led-lampen met toepassing van algemene indelingsregels 4 moeten worden ingedeeld. Mocht de Hoge Raad van oordeel zijn dat het Hof de led-lampen terecht met toepassing van indelingsregel 4 heeft ingedeeld, dan meent de A-G dat het Hof feitelijk en niet onbegrijpelijk heeft vastgesteld dat de led-lampen de meeste overeenkomsten vertonen met gloeilampen. De conclusie strekt ertoe dat het principale beroep in cassatie van de Staatssecretaris gegrond dient te worden verklaard en dat het incidenteel beroep in cassatie van belanghebbende deels gegrond dient te worden verklaard. De conclusie strekt tot verwijzing van de zaak voor nader feitelijk onderzoek.
Partij(en)
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
mr. M.E. van Hilten
Advocaat-Generaal
Conclusie van 13 januari 2015 inzake:
HR nr. 14/01880 | staatssecretaris van Financiën |
Hof nrs. 12/00461, 12/00462 en 12/00463 Rb nrs. AWB 11/4612, 11/4613 en 12/1098 | |
Derde Kamer A | tegen |
Douanerechten 2008 - 2011 | [X] B.V. |
1. Inleiding
1.1
Onder welke tariefpost moeten de door belanghebbende ingevoerde light emitting diode lampen (hierna: de led-lampen) worden ingedeeld? Dit is de vraag die in deze procedure beantwoord moet worden. Bijzonder aan deze zaak is dat Hof Amsterdam (hierna: het Hof) de zelden toegepaste indelingsregel 4 van stal heeft gehaald.
1.2
Belanghebbende heeft het standpunt betrokken dat de led-lampen met toepassing van indelingsregels 1 en 6 als luminescentiedioden moeten worden ingedeeld onder tariefpost 8541 van de Gecombineerde Nomenclatuur (hierna: GN), waarvoor een tarief van 0% aan douanerechten geldt. De Inspecteur1.daarentegen meent dat de led-lampen ‘elektrische apparaten met een eigen functie’ zijn en als zodanig moeten worden ingedeeld in tariefpost 8543 van de GN (3,7% douanerechten).
1.3
Rechtbank Haarlem (hierna: de Rechtbank) heeft de Inspecteur in het gelijk gesteld. Het Hof heeft een salomonsoordeel geveld en heeft beslist dat er geen enkele post is waaronder de led-lampen kunnen vallen en dat zij daarom met toepassing van algemene indelingsregel 4 moeten worden ingedeeld als gloeilampen (post 8539 van de GN, 2,7% douanerechten), met welk product de led-lampen naar het oordeel van het Hof de meeste gelijkenis vertonen.
1.4
Tegen dit oordeel komen de staatssecretaris van Financiën (hierna: Staatssecretaris) (principaal beroep in cassatie) én belanghebbende (incidenteel beroep in cassatie) op. Daarnaast voert belanghebbende in haar incidenteel beroep in cassatie aan dat het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel is geschonden door de heffing van douanerechten ter zake van de led-lampen.
1.5
Na te zijn ingegaan op het evenredigheidsbeginsel, bespreek ik in deze conclusie de vraag of het Hof terecht algemene indelingsregel 4 van toepassing heeft geacht. Omdat deze regel pas aan de orde komt wanneer een product niet onder de bewoordingen van een tariefpost(onderverdeling) kan worden gebracht (indelingsregel 1 en 6), passeren daarbij verschillende tariefposten de revue.
2. De feiten
2.1
In de periode mei 2008 tot en met maart 2011 is door dan wel namens2.belanghebbende een achttal aangiften gedaan voor het in het vrije verkeer brengen van led-lampen met oorsprong China.
2.2
De led-lampen bestaan uit een gedrukte schakeling – ook wel ‘printed circuit board’ (hierna: PCB) genoemd – van 14 x 14 mm waarop 6 luminescentiedioden (lichtgevende dioden) zijn aangebracht. Deze luminescentiedioden zetten elektrische stroom om in zichtbaar licht zodra er een elektrische stroom doorheen wordt gestuurd. Twee van de zes dioden stralen rood licht uit, de overige vier blauw licht. Elke diode is afgedekt met een siliconenlaagje. Op de twee rood licht uitstralende dioden is een transparant siliconenlaagje aangebracht; de dioden die blauw licht uitstralen zijn afgedekt met een siliconenlaagje waarin fosforen zijn verwerkt. Door middel van deze fosforen kleurt het blauwe licht naar de kleuren blauw3., geel en groen. Hiermee kan de zogenoemde lichtwarmte worden afgesteld naar de wens van de afnemer. De PCB en de dioden worden omhuld door een glazen bolletje en hebben een Edison (E27) fitting voor aansluiting op de stroomvoorziening. De luminescentiedioden hebben een constante stroomtoevoer nodig. Daarom is tussen de fitting en de PCB-met-dioden een elektronische schakeling aangebracht, die tot doel heeft de 230V wisselspanning van het lichtnet gelijk te richten en naar een lagere spanning te transformeren. Deze gelijkspanning wordt door de elektronische schakeling tevens gestabiliseerd. De elektronische schakeling omvat onder meer dioden, transistors, weerstanden, condensatoren en spoelen, alsmede geïntegreerde schakelingen.
2.3
De led-lampen zijn in drie van de acht aangiften aangegeven onder tariefpostonderverdeling4.8541 40 10 00 (luminescentiedioden). In de overige vijf aangiften is tariefpostonderverdeling 8543 70 90 99 (‘andere’ elektrische apparaten met een eigen functie) toegepast.
2.4
De Inspecteur heeft drie aangiften gecorrigeerd naar tariefpostonderverdeling 8543 70 90 99 (‘andere’ elektrische apparaten met een eigen functie). In verband hiermee zijn aan belanghebbende in totaal 8 uitnodigingen tot betaling uitgereikt (hierna: de utb’s) tot een totaalbedrag van € 438.375.5.
2.5
Bij drie afzonderlijke uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur de utb’s gehandhaafd.
3. Het geding in feitelijke instanties
3.1
De Rechtbank
3.1.1
Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Voor de Rechtbank was in geschil of de utb’s terecht zijn uitgereikt.6.Het geschil spitste zich toe op de indeling van de led-lampen. De Rechtbank heeft geoordeeld dat de led-lampen moeten worden ingedeeld in tariefpost 8543 van de GN en dat de door de Inspecteur voorgestane taric-code 8543 70 90 99 juist is.
3.1.2
De Rechtbank overwoog daartoe allereerst dat de led-lampen niet onder tariefpost 8541 van de GN kunnen worden ingedeeld:
“5.3.1 (….). Post 8541 ziet volgens de tekst op dioden, transistors en dergelijke halfgeleiderelementen. (…) De glazen bol en de fitting waarmee de dioden verbonden zijn staan indeling in GN-post 8541 volgens eiseres [MvH: belanghebbende] niet in de weg omdat de GS-toelichting op post 8541 onder “A” vermeldt dat de elementen onder deze post blijven ingedeeld, ongeacht of zij voorzien [zijn] van een aansluiting en/of omhulling. De fitting, zo stelt eiseres, is een toegestane aansluiting en de glazen bol een toegestane omhulling.
5.3.2.
De rechtbank verwerpt deze stelling en motiveert dit oordeel als volgt. (...) Uit deze productbeschrijving volgt dat sprake is van een samengesteld product. Een samengesteld product kan voor de indeling in de GN niet zonder meer worden vereenzelvigd met daarin verwerkte onderdelen, ook niet indien die onderdelen essentieel zijn voor de werking van het product. De onderhavige producten, die beschikken over een glazen bol en fitting, waardoor zij kunnen dienen als lichtbron in een armatuur voor een verlichtingstoestel, kunnen voor de indeling niet op één lijn worden gesteld met de zich daarin bevindende lichtgevende dioden.
(…)”
3.1.3
Ten aanzien van de indeling in GN-post 8543 overwoog de Rechtbank (cursivering origineel):
“5.4.1. (…) GN-post 8543 ziet volgens de tekst op ‘elektrische machines, apparaten en toestellen (I), met een eigen functie (II), niet genoemd of niet begrepen onder andere posten van dit hoofdstuk (III)’.
I. Elektrische machines, apparaten en toestellen
5.4.2.
De rechtbank zal allereerst vaststellen of de producten kunnen worden aangemerkt als ‘elektrische machines, apparaten en toestellen’. De GS-toelichting op post 8543, een belangrijk hulpmiddel bij de indeling, vermeldt dat als machines, apparaten en toestellen in de zin van deze post worden aangemerkt elektrische inrichtingen die een eigen functie hebben. Volgens de toelichting betreft het hier in het merendeel samenstellingen van elementaire elektrotechnische artikelen (lampen, transformatoren, condensatoren, smoorspoelen, weerstanden), die uitsluitend elektrisch werken. De vraag rijst of de producten aan die omschrijving voldoen. De rechtbank is van oordeel dat die vraag bevestigend kan worden beantwoord nu de producten, zoals hiervoor overwogen, zijn samengesteld uit (onder meer) zes luminescentiedioden die uitsluitend elektronisch werken. Aan deze luminescentiedioden ontlenen de producten hun lichtgevende werking. Bovendien is tussen de fitting en de PCB (met dioden) een elektronische component geplaatst die als functie heeft de stroomwisselingen op te vangen die zich in het elektriciteitsnetwerk voordoen. Deze vaststellingen zijn voldoende om de producten aan te merken als een samenstel van elementaire elektrotechnische artikelen en dus als elektrische apparaten.
II. Eigen functie
5.4.3.
Vervolgens rijst de vraag of de producten een eigen functie hebben. De GS-toelichting op post 8543 verwijst op dat punt naar hetgeen in dat verband met betrekking tot machines, toestellen en werktuigen in de toelichting op post 8479 is vermeld. Deze toelichting vermeldt (onder meer) dat een product geacht wordt een eigen functie te hebben als het slechts kan functioneren indien het op een ander toestel is aangebracht mits de functie van het product zich onderscheidt van die van het toestel waarop het is aangebracht en het geen integrerend en onscheidbaar deel vormt van de functie van dat toestel. De onderhavige LED-lampen dienen, ten einde licht te kunnen geven, te worden aangebracht in een armatuur (een verlichtingstoestel). Een verlichtingstoestel vormt naar het oordeel van de rechtbank een toestel als bedoeld in de toelichting voormeld. Voorts onderscheidt de functie van de LED-lamp zich van de functie van de armatuur. De functie van een LED-lamp is immers gelegen in het geven van licht en de functie van een armatuur is die van houder van een (LED)lamp en het - op specifieke wijze of voor een specifiek doel - verspreiden van het door die lamp gegenereerde licht. De LED-lamp vormt naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen integrerend en onscheidbaar deel van de functie van de armatuur. Gelet op het vorenoverwoge heeft het product een eigen functie in de zin van de GS-toelichting op post 8543.
III. Indeling onder een andere post van hoofdstuk 85
5.4.4.
De rechtbank is tot slot van oordeel de producten niet onder een andere post van hoofdstuk 85 kunnen worden ingedeeld.”
3.1.4
Bij in één geschrift vervatte uitspraken (hierna: de uitspraak) van 11 mei 2012, nrs. 11/4612, 11/4613, 12/1098, ECLI:NL:RBHAA:2012:BW5847, heeft de Rechtbank de beroepen van belanghebbende ongegrond verklaard.
3.2
Het Hof
3.2.1
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Evenals bij de Rechtbank was voor het Hof in geschil of de utb’s, waarbij de led-lampen zijn ingedeeld onder tariefpostonderverdeling 8543 70 90 van de GN, terecht zijn vastgesteld. Met betrekking tot de indeling van de led-lampen heeft het Hof het geschil nader omschreven als:
“6.1. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het product moet worden ingedeeld onder:
a. post 8541 (primaire stelling belanghebbende); of
b. post 8539 (subsidiaire stelling belanghebbende); of
c. post 8543 (stelling inspecteur).
(…)”
3.2.2
Subsidiair – namelijk indien de utb’s op grond van de indeling niet worden vernietigd, maar (gedeeltelijk) in stand blijven – is in geschil of heffing van douanerechten in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, zodat om die reden de utb’s moeten worden vernietigd.
3.2.3
Ten aanzien van de indeling oordeelt het Hof dat de led-lampen niet met toepassing van indelingsregel 1 kunnen worden ingedeeld onder de door (een van de) partijen voorgestane tariefposten. Het Hof overweegt:
“6.2. Post 8541 betreft, voor zover hier van belang, dioden en luminescentiedioden. De onderhavige producten bestaan uit elektronische schakelingen waarvan, naast luminescentiedioden, deel uit maken dioden, transistors, weerstanden, condensatoren en spoelen, alsmede geïntegreerde schakelingen. Deze elektronische schakelingen zijn bevestigd op een “printed circuit board”. Dit geheel wordt omsloten door een glazen bol en beschikt over een metalen lampvoet met schroefdraad (E27).
6.3.
Omdat de producten uit tal van componenten bestaan, die alle onontbeerlijk zijn voor de werking daarvan, kunnen zij niet met toepassing van indelingsregel 1 als dioden casu quo luminescentiedioden worden ingedeeld onder post 8541.
6.4.
De GS-toelichting leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat deze, voor zover hier van belang, slechts betreft dioden in een omhulling. Onder de talrijke omhulde componenten bevinden zich weliswaar dioden, maar dit brengt niet mee dat bij alle schakelingen waarin zich dioden bevinden, die zijn omhuld, sprake is van producten in de zin van post 8541.
6.5.
Indien en voor zover belanghebbende bedoelt te stellen dat sprake is van luminescentiedioden die zijn omhuld, geldt dat de desbetreffende GS-toelichting slechts ziet op, voor zover hier van belang, dioden, en niet op luminescentiedioden, zodat ook deze stelling, wat er verder ook van zij, faalt. Het Hof sluit in dit kader aan bij het oordeel van de rechtbank en maakt de overwegingen van de rechtbank ter zake tot de zijne.
(…)
6.6.
Post 8539 betreft elektrische gloeilampen en buizen. In aanmerking nemend de objectieve kenmerken en eigenschappen van de producten, is indeling onder deze post met toepassing van indelingsregel 1 niet mogelijk.
(…)
6.7.
Post 8543 betreft elektrische machines, apparaten en toestellen, met een eigen functie, niet genoemd of begrepen onder andere posten van dit hoofdstuk. Omdat de producten geen eigen functie hebben maar slechts normaal kunnen functioneren indien zij zijn bevestigd in een armatuur, te weten een draagconstructie voor een lichtbron, kunnen de producten niet, met toepassing van indelingsregel 1 worden ingedeeld in post 8543. De functie van de producten (het geven van licht) is in wezen niet te scheiden van die van het geheel. Het Hof vindt steun voor dit oordeel in de toelichting IDR bij deze post.”
3.2.4
Ook algemene indelingsregels 2 en 3 bieden naar het oordeel van het Hof geen oplossing:
“6.8. (…) Indelingsregel 2 en 3 bieden evenmin soelaas, nu de aldaar beschreven situaties zich niet voordoen. (…)”
3.2.5
Omdat de led-lampen naar het (kennelijke) oordeel van het Hof evenmin onder de bewoordingen van een andere tariefpost kunnen worden gebracht, komt het Hof toe aan toepassing van algemene indelingsregel 4. Met toepassing van deze algemene indelingsregel komt het Hof tot indeling van de led-lampen onder post 8539 van de GN:
“6.8. (…) Alsdan dient, gelet op indelingsregel 4, te worden onderzocht met welke goederen de onderhavige producten de meeste overeenkomst vertonen.
6.9.
Dienaangaande is het Hof met belanghebbende van oordeel dat dit de goederen vermeld onder post 8539 betreft. Het Hof acht daartoe van belang dat de onderwerpelijke producten zijn voorzien van een metalen lampvoet met schroefdraad, welke voldoet aan de E27-standaard. Gelet op dit objectieve kenmerk is de inherente bestemming van de producten de bevestiging in een armatuur, voorzien van een E27-fitting, in plaats van – bijvoorbeeld – een gloeilamp. Post 8539 betreft, voor zover hier van belang, elektrische gloeilampen en -buizen en elektrische gasontladingslampen en -buizen. Dit betekent dat de UTB’s moeten worden verminderd tot de bedragen die hiervoor onder de geschilomschrijving zijn vermeld.”
3.2.6
Van schending van het evenredigheidsbeginsel is naar het oordeel van het Hof geen sprake:
“6.10. Nu de UTB’s op grond van het vorenoverwogene worden verminderd en niet geheel worden vernietigd, is tussen partijen in geschil of de heffing van de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief als bedoeld in artikel 31 VWEU in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Belanghebbende voert in dit verband aan dat de vaststelling van douanerechten de bescherming van de Europese productie beoogt. In casu draagt de heffing van douanerechten niet bij aan de bescherming van de Europese productie van led-lampen omdat, aldus begrijpt het Hof, er geen sprake is van Europese producenten van led-lampen. De inspecteur dient daarom af te zien van heffing, aldus belanghebbende. Naar ’s Hofs oordeel dient deze stelling te worden verworpen nu zij geen steun vindt in het recht, nog daargelaten dat de inspecteur ter zitting onweersproken heeft gesteld dat in de Europese Unie wel degelijk productie van led-lampen plaatsvindt.”
3.2.7
Het Hof heeft belanghebbendes hoger beroep bij in één geschrift vervatte uitspraken van 27 februari 2014, nrs. 12/00461, 12/00462 en 12/00463, ECLI:NL:GHAMS:2014:839, gegrond verklaard, de uitspraak van de Rechtbank alsmede de uitspraken op bezwaar vernietigd en de utb’s verminderd tot in totaal € 312.478,20.
4. Het geding in cassatie
4.1
De Staatssecretaris heeft tijdig en ook overigens op regelmatige wijze beroep in cassatie ingesteld.
4.2
Principaal cassatieberoep Staatssecretaris
4.2.1
De Staatssecretaris draagt één cassatiemiddel voor, waarin hij met rechtsklachten opkomt tegen het oordeel van het Hof dat indeling van de led-lampen op basis van indelingsregels 1 onmogelijk is, en dat zij met toepassing van indelingsregel 4 moeten worden ingedeeld onder post 8539 van de GN.
4.2.2
In de toelichting op het middel verdedigt de Staatssecretaris dat de led-lampen moeten worden aangemerkt als een samenstel van elementaire elektrotechnische artikelen en derhalve als elektrische apparaten. Aangezien de led-lampen in de visie van de Staatssecretaris een eigen functie hebben, die zich onderscheidt van de functie van de armatuur, moeten zij, aldus de Staatssecretaris met toepassing van algemene indelingsregels 1 en 6 worden ingedeeld in tariefpost 8543 van de GN.
4.3
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. Bij het verweerschrift heeft belanghebbende incidenteel beroep in cassatie ingesteld.
4.4
Incidenteel beroep in cassatie
4.4.1
In haar incidentele cassatieberoepschrift voert belanghebbende vijf cassatiemiddelen aan. De eerste drie middelen keren zich met rechts- en motiveringsklachten tegen het oordeel van het Hof dat heffing van douanerechten ter zake van de invoer7.van de led-lampen niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel; de andere twee middelen bestrijden ’s Hofs oordeel dat de led-lampen met toepassing van indelingsregel 4 moeten worden ingedeeld.
4.4.2
In haar toelichting op de eerste drie middelen voert belanghebbende aan dat het Hof ten onrechte – en ongemotiveerd – heeft geoordeeld dat het evenredigheidsbeginsel niet wordt geschonden door de heffing van douanerechten ter zake van het in het vrije verkeer brengen van de led-lampen. Volgens belanghebbende is heffing van rechten wel degelijk in strijd met het evenredigheidsbeginsel aangezien in de Europese Unie geen led-lampen worden geproduceerd, zodat heffing van rechten – welke dient ter protectie van de intracommunautaire markt – onevenredig is. Belanghebbende wijst in dit verband op artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (hierna: VEU) en de artikelen 31 en 32, onderdeel b, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU). Voorts betoogt belanghebbende dat zij – anders dan het Hof heeft geoordeeld – wel degelijk heeft weersproken dat in de Europese Unie productie van led-lampen plaatsvindt; in dat licht is het oordeel van het Hof dat de Inspecteur onweersproken heeft gesteld dat in de EU wel productie van led-lampen plaatsvond, onbegrijpelijk.
4.4.3
In haar toelichting op de middelen 4 en 5 van het incidenteel beroep in cassatie betoogt belanghebbende dat zowel indelingsregels 1 en 6 als indelingsregel 4 leiden tot indeling van de led-lampen onder tariefpostonderverdeling 8541 40 10 van de GN (luminescentiedioden). In dit verband voert belanghebbende aan dat de led-lampen wel degelijk gelijk zijn aan luminescentiedioden. Belanghebbende betoogt dat de omhulling van een diode de indeling niet wijzigt en dat dit evenzeer geldt voor luminescentiedioden. Indien indelingsregel 4 moet worden toegepast, ligt – aldus belanghebbende – indeling onder tariefpostonderverdeling 8541 40 10 van de GN (luminescentiedioden) meer voor de hand dan indeling onder tariefpostonderverdeling 8539 22 90 van de GN (elektrische gloeilampen) omdat de led-lampen qua werking en functie de meeste overeenkomsten vertonen met luminescentiedioden.
4.5
De Staatssecretaris heeft gerepliceerd op het verweerschrift en heeft het incidentele cassatieberoep van belanghebbende beantwoord.
4.6
Belanghebbende heeft een conclusie van dupliek ingediend met betrekking tot het principale cassatieberoep van de Staatssecretaris en heeft gerepliceerd op de beantwoording van het incidentele beroep in cassatie.
4.7
De Staatssecretaris heeft afgezien van het indienen van een conclusie van dupliek in het incidentele beroep in cassatie (bij brief van 12 september 2014).
5 Het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel (middelen 1 tot en met 3 van het incidentele beroep in cassatie)
5.1
Omdat bij honorering van belanghebbendes beroep op het evenredigheidsbeginsel niet aan de indelingskwestie wordt toegekomen, bespreek ik in deze conclusie eerst dit punt uit het incidentele beroep in cassatie.
5.2
In artikel 5, lid 4, van het VEU is, voor zover hier van belang, neergelegd dat:
“Krachtens het evenredigheidsbeginsel (…) de inhoud en de vorm van het optreden van de Unie niet verder [gaan] dan wat nodig is om de doelstellingen van de Verdragen te verwezenlijken. (…)”
5.3
Uit de literatuur meen ik te mogen afleiden dat met deze bepaling voornamelijk gedoeld is op de mate van interventie door de (instellingen van de) Unie in de nationale rechtsorde en de middelen waarmee doelstellingen van de Verdragen worden gerealiseerd (de cursiveringen in het navolgende citaat zijn uit het origineel overgenomen):
“According to its text, the principle of proportionality contained in the third paragraph of article 5 EC [MvH: vgl. het huidige artikel 5, lid 4 van het VEU] primarily relates to the degree of intervention in national legislation. In addition, though, (…) it also concerns the legal nature of the means used to achieve the general or particular objectives of the Treaty. (…)”8.
5.4
Tot de in de Verdragen neergelegde doelstellingen behoort de instelling van een douane-unie, op welk terrein exclusieve bevoegdheid aan de Unie toekomt.9.Deze douane-unie is uitgewerkt in de artikelen 28 en verder van het VWEU. Op grond van artikel 28, lid 1, van het VWEU omvat de Unie (cursivering MvH):
“(…) een douane-unie welke zich uitstrekt over het gehele goederenverkeer en welke zowel het verbod medebrengt van in- en uitvoerrechten en van alle heffingen van gelijke werking in het verkeer tussen de lidstaten onderling als de invoering van een gemeenschappelijk douanetarief voor hun betrekkingen met derde landen.”
5.5
Doel van dit gemeenschappelijke douanetarief is, aldus het Hof van Justitie (hierna: HvJ):
“51 (…) de douanerechten die aan de buitengrenzen van de Gemeenschap op uit derde landen ingevoerde producten drukken, (…) gelijk te maken, teneinde verleggingen van het handelsverkeer met deze landen en distorsies van het vrije verkeer van producten tussen de lidstaten of van de mededingingsvoorwaarden tussen de marktdeelnemers te voorkomen (…).”10.
5.6
De rechten van het gemeenschappelijk douanetarief worden, zo bepaalt artikel 31 van het VWEU, op voorstel van de Commissie vastgesteld door de Raad. Hierbij11.moet de Commissie zich – voor zover hier van belang – op grond van het bepaalde in artikel 32 van het VWEU laten leiden door:
“a. (…)
b. de ontwikkeling van de mededingingsvoorwaarden binnen de Unie in de mate waarin deze ontwikkeling het vermogen van de ondernemingen zal doen toenemen;
c. (…)
d. de noodzaak om ernstige verstoringen van het economisch leven der lidstaten te vermijden en een rationale ontwikkeling van de productie alsook een verruiming van het verbruik in de Unie te waarborgen.”
5.7
Hiermee is nog niet verklaard waarom de Unie überhaupt douanerechten heft op goederen van buiten de Unie. Ongetwijfeld is een van de aspecten van die heffing de wens de ‘eigen markt’ te beschermen. Daarnaast mag evenwel niet uit het oog worden verloren dat douanerechten een belangrijk onderdeel vormen van de eigen middelen van de Unie. In zoverre lijkt mij bij de heffing van douanerechten in de Unie het EU-budgettaire-aspect een in aanmerking te nemen factor,12.naast het aspect van de bescherming van de binnenmarkt tegen concurrentie ‘van buiten’. In dit verband zij overigens opgemerkt dat de Europese Unie niet (helemaal) vrij is bij de vaststelling van het gemeenschappelijke douanetarief. Rekening zal moeten worden gehouden met eisen en (handels)afspraken in GATT- respectievelijk WTO-verband.13.Hoe interessant ook, het voert in het kader van deze conclusie te ver om hierop nader in te gaan.
5.8
Gezien de doelstellingen van de heffing van douanerechten als in punt 5.7 vermeld en de algemeen getinte omschrijving van economische aspecten14.van de Unie waar de Commissie ingevolge artikel 32 van het VWEU op moet letten bij het bepalen van het douanerecht, komt het mij voor dat de Commissie met het vaststellen van douanerechten voor goederen als de onderhavige niet verder is gegaan dan het boekje voorschrijft. Dat is mijns inziens niet anders indien ervan uit wordt gegaan dat producten als de in geding zijnde led-lampen in de periode waarin belanghebbende deze in het vrije verkeer bracht c.q. liet brengen, (nog) niet in de Unie werden geproduceerd. Nog afgezien van het feit dat het mij ondoenlijk lijkt om bij het vaststellen van het douanerecht rekening te houden met een gegeven dat bepaalde producten mogelijk (nog) niet in de Unie worden geproduceerd, meen ik dat heffing van douanerechten ter zake van het in het vrije verkeer brengen van goederen die niet in de Unie worden geproduceerd, ook vanuit protectionistisch oogpunt zijn nut zal hebben. Bedacht moet worden dat het niet-heffen van rechten potentiële producenten in de Unie zou kunnen belemmeren om zelf de productie van een dergelijk product te entameren, terwijl producenten van gelijksoortige (‘concurrerende’) producten ook economische last kunnen hebben van niet-heffing. Toegespitst op de onderhavige goederen: indien er geen led-lampen binnen de Unie geproduceerd worden, kan de heffing van douanerechten de toekomstige productie binnen de EU van dergelijke lampen (mogelijk) stimuleren. Daarbij beschermen de douanerechten de communautaire productie van andersoortige lampen die concurreren met de led-lampen. De heffing van douanerechten heeft, met andere woorden, een functie bij het vergroten van de concurrentiekracht van EU ondernemingen.
5.9
Ik kom dan ook tot de slotsom dat de Unie bij het – bij verordening – vaststellen van een douanetarief voor goederen van tariefposten 8539 en 8543 van de GN15., niet verder is gegaan dan noodzakelijk om de doelstellingen van de artikelen 28 tot en met 32 van het VWEU te realiseren. Ook niet indien er veronderstellenderwijs van uit wordt gegaan dat in de jaren waarin de onderhavige led-lampen in het vrije verkeer werden gebracht, binnen de Unie geen productie van dergelijke lampen plaatsvond.
5.10
Met deze slotsom sneuvelt het derde middel van belanghebbendes incidentele beroep in cassatie. Dat lot treft ook het eerste middel van het incidentele cassatieberoep. Het Hof is mijns inziens van een juiste rechtsopvatting uitgegaan bij zijn oordeel dat het evenredigheidsbeginsel niet is geschonden en dat de andersluidende opvatting van belanghebbende geen steun vindt in het recht. Het (rechts)oordeel van het Hof, dat de stelling dat het evenredigheidsbeginsel niet is geschonden geen steun vindt in het recht, kan niet met motiveringsklachten worden bestreden.
5.11
In het tweede middel van het incidentele beroep in cassatie voert belanghebbende aan dat het Hof onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat de Inspecteur onweersproken heeft gesteld dat binnen de Unie geen productie van led-lampen als de onderhavige plaatsvond. Ik meen dat dit middel slaagt. Belanghebbende heeft voor het Hof uitdrukkelijk gesteld dat ‘van Europese producenten van led-lampen (…) geen sprake [was]’ in de jaren waarin de onderhavige lampen werden geïmporteerd,16.zij het dat zij dit niet nader heeft gespecificeerd, in die zin dat niet duidelijk is waarop zij die stelling baseert (uit de stukken blijkt bijvoorbeeld niet dat onderzoek is gedaan). De Inspecteur heeft, eveneens zonder nadere onderbouwing, daartegenover gesteld dat binnen de Unie wel led-lampen worden geproduceerd. Dáár heeft belanghebbende niets tegenover gesteld.17.Mijns inziens kan onder deze omstandigheden niet worden gezegd dat de Inspecteur onweersproken heeft gesteld dat in de Europese Unie led-lampen werden geproduceerd: de Inspecteur reageerde immers op hetgeen belanghebbende – overigens ook ongemotiveerd – stelde. In zoverre acht ik de uitspraak van het Hof niet juist.
5.12
Tot cassatie leidt het slagen van het tweede middel van het incidentele beroep in cassatie echter niet. Nu de gewraakte overweging van het Hof het karakter van een ten overvloede gegeven overweging heeft (‘nog daargelaten dat’) en niet dragend is voor het oordeel, kan het tegen deze overweging gerichte middel niet tot cassatie leiden, dit nog ervan afgezien dat de omstandigheid dat geen led-lampen in de Europese Unie werden geproduceerd ten tijde van de invoer van de onderhavige led-lampen – indien juist – de heffing van douanerechten op ingevoerde led-lampen mijns inziens niet belet. Ik verwijs naar hetgeen ik in de punten 5.2 tot en met 5.9 heb betoogd.
6 De indeling van de led-lampen (principaal beroep in cassatie en middelen 4 en 5 van het incidentele beroep in cassatie)
6.1
Ik kom dan toe aan de bespreking van de vraag of het Hof terecht – uitgaande van een juiste rechtsopvatting – heeft geoordeeld dat de led-lampen met toepassing van algemene indelingsregel 4 moeten worden ingedeeld als ‘gloeilampen’ van tariefpost 8539 van de GN. Dit oordeel is in zoverre bijzonder, dat algemene indelingsregel 4 (althans in de rechtspraak) hoogst zelden wordt toegepast.
6.2
Algemene indelingsregels
6.2.1
Bij de indeling van goederen in de nomenclatuur moeten de zogeheten ‘Algemene regels voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur’18.– meestal aangeduid als ‘algemene indelingsregels’ of ‘indelingsregels’ – in acht worden genomen. Deze (zes) regels bevatten de beginselen aan de hand waarvan goederen in de GN moeten worden ingedeeld.
6.2.2
De ‘hoofdregel’ voor de indeling van goederen is gegeven in algemene indelingsregel 1, te weten:
“De tekst van de opschriften van de afdelingen, van de hoofdstukken en van de onderdelen van hoofdstukken wordt geacht slechts als aanwijzing te gelden; voor de indeling zijn wettelijk bepalend de bewoordingen van de posten en de aantekeningen op de afdelingen of op de hoofdstukken en - voorzover dit niet in strijd is met de bewoordingen van bedoelde posten en aantekeningen - de navolgende regels.”
6.2.3
Uit de tekst van indelingsregel 1 blijkt dat voor de indeling van goederen de bewoordingen van de posten en van de aantekeningen op de afdelingen of de hoofdstukken19.bepalend zijn, alsmede de overige indelingsregels (d.w.z. indelingsregels 2 tot en met 6), althans voor zover geen strijd optreedt met de bewoordingen van de posten en de aantekeningen. In zoverre hebben de indelingsregels 2 tot en met 620.derhalve een aanvullend karakter.
6.2.4
Ook volgt uit de bewoordingen van algemene indelingsregel 1 dat de tekst van de opschriften van de afdelingen, van de hoofdstukken en van de onderdelen daarvan, niet meer dan indicatief zijn bij de indeling van goederen (zij gelden ‘als aanwijzing’). Dat geldt ook voor de toelichtingen, zowel die van de Werelddouaneorganisatie (op het GS)21.als die van de Commissie (op de GN)22.. Deze toelichtingen zijn, naar vaste rechtspraak van het van het HvJ:
“(…) hoewel rechtens niet bindend, belangrijke hulpmiddelen (…)bij de uitlegging van de draagwijdte van de verschillende tariefposten.”23.
6.2.5
Bij de beantwoording van de vraag of een goed onder de bewoordingen van een tariefpost valt, zijn doorslaggevend de ‘objectieve kenmerken en eigenschappen’ van dat goed, ‘zoals die in de tekst van de post is omschreven’. Bewoordingen van deze strekking vinden we in verreweg de meeste arresten van het HvJ over de indeling van goederen. Ik zie ervan af om een uitputtende lijst te geven, maar noem bij wijze van voorbeeld de (recente) arresten van 6 september 2012, Lowlands Design Holding B.V., C-524/11, ECLI:EU:C:2012:558, van 17 juli 2014, Sysmex Europe, C-480/13, punt 29 en van 20 november 2014, Rohm Semiconductor, C-666/13, ECLI:EU:C:2014:2388, punt 24.
6.2.6
De hier bedoelde objectieve eigenschappen van goederen kunnen ook de ‘inherente’ bestemming van het goed omvatten. Zo overwoog het HvJ in het arrest van 1 juni 1995, Thyssen, C-459/93, ECLI:EU:C:1995:160, over de indeling van een infuusoplossing (de cursivering is van mijn hand):
“13 Dienaangaande moet worden opgemerkt, dat de bestemming van het produkt een objectief indelingscriterium kan zijn wanneer die bestemming inherent is aan het produkt; de inherentie moet kunnen worden beoordeeld aan de hand van de objectieve kenmerken en eigenschappen van het produkt (…).”24.
6.2.7
Ondanks, of misschien wel dankzij het toch wel ruime bereik van algemene indelingsregel 1, komt het voor dat een product toch niet kan worden ingedeeld aan de hand van deze indelingsregel. Dat kan zijn omdat het goed onder de bewoordingen van diverse tariefposten valt, of omdat geen enkele post in aanmerking komt. Voor deze gevallen bieden de indelingsregels 3 en 4 een indelingsantwoord. De in drie onderdelen uiteenvallende indelingsregel 3 biedt indelingscriteria voor gevallen waarin een goed onder de bewoordingen van verschillende posten kan worden gebracht, terwijl algemene indelingsregel 4 schijnbaar postloze goederen betreft.
6.2.8
Laatstgenoemde indelingsregel luidt:
“4. Goederen die niet kunnen worden ingedeeld overeenkomstig vorenstaande regels, worden ingedeeld onder de post die van toepassing is op de goederen waarmee zij de meeste overeenkomst vertonen.”
6.2.9
In de rechtspraak is indeling met toepassing van algemene indelingsregel 4 een zeldzaamheid, om niet te zeggen nagenoeg non-existent.25.Punt en Van Vliet26.merken met betrekking tot de toepassing van indelingsregel 4 op:
“(…) kan het voorkomen dat geen enkele post in aanmerking komt. Het zal dan vaak gaan om nieuwe vindingen waarmee bij het samenstellen van het GS nog geen rekening was gehouden. (…) De regel wordt zelden toegepast, aangezien meestal indeling wel kan plaatsvinden onder een zogenoemde restpost (…).”
6.2.10
Aangezien aan indelingsregel 4 pas wordt toegekomen als de overige indelingsregels geen soelaas bieden, dient bij de beantwoording van de vraag of het Hof terecht indelingsregel 4 heeft toegepast, eerst te worden uitgesloten dat indeling van led-lampen met toepassing van algemene indelingsregels 1 (en 6) mogelijk is.27.Dat betekent dat moet worden onderzocht of het Hof terecht heeft geoordeeld dat de led-lampen niet onder de bewoordingen van een andere tariefpost kunnen worden gebracht. In het navolgende beperk ik mij in dit verband tot de posten van (de in casu relevante) afdeling XVI28.kunnen worden gebracht. Daarbij merk ik volledigheidshalve op dat de in het incidentele beroep in cassatie gestelde (vervolg)vraag of het Hof terecht heeft geoordeeld dat de led-lampen het meest overeenkomen met gloeilampen van post 8539 van de GN, eerst aan de orde kan komen nadat is vastgesteld dát indelingsregel 4 van toepassing is. Quod erat demonstrandum.
6.3
De voor indeling van de led-lampen in aanmerking genomen posten
6.3.1
De procespartijen hebben zich in deze procedure sterk gemaakt voor indeling van de led-lampen onder één van de volgende tariefposten: 8539 (gloeilampen), 8541 (luminescentiedioden) en 8543 (machines met een eigen functie) van de GN. In de hierna volgende citaten van deze posten en postonderverdelingen, ben ik uitgegaan van de tekst van de (nomenclatuur)verordening29.die gold in 2011, het laatste jaar waarin (in deze procedure in geding zijnde) aangiften voor het vrije verkeer van led-lampen zijn gedaan.
6.3.2
Op grond van aantekening 8 op Hoofdstuk 85 heeft – voor zover van belang – tariefpost 8541 voorrang bij de indeling van onder meer dioden. Daarom kies ik ervoor deze tariefpost als eerste aan de orde te stellen, maar niet dan nadat ik aantekening 8 op hoofdstuk 85 van de GN heb geciteerd en voorzien van cursiveringen:
“Voor de toepassing van de posten 8541 en 854230.wordt verstaan onder:
a) “dioden, transistors en dergelijke halfgeleiderelementen”, elementen waarvan de werking afhankelijk is van variaties in de soortelijke weerstand onder de invloed van een elektrisch veld;
b) “elektronische geïntegreerde schakelingen”:
(...)
Voor de indeling van de in deze aantekening omschreven goederen hebben de posten 8541 en 8542 voorrang boven alle andere posten van de nomenclatuur,31. (…) waaronder die goederen, bijvoorbeeld in verband met hun functie, eventueel zouden kunnen worden ingedeeld.”
6.4
Tariefpost 8541 van de GN (luminescentiedioden)32.
6.4.1
De bewoordingen van tariefpost 8541 van de GN en de voor deze zaak relevante onderverdelingen daarvan luiden:
“8541 | Dioden, transistors en dergelijke halfgeleiderelementen; lichtgevoelige halfgeleiderelementen (daaronder begrepen fotovoltaïsche cellen, ook indien samengevoegd tot modules of tot panelen); luminescentiedioden; gemonteerde piëzo-elektrische kristallen’ |
(…) | |
8541 40 | – lichtgevoelige halfgeleiderelementen (daaronder begrepen fotovoltaïsche cellen, ook indien samengevoegd tot modules of tot panelen); luminescentiedioden: |
8541 40 10 | – – luminescentiedioden, laserdioden daaronder begrepen |
8541 40 90 | – – andere” |
6.4.2
In de GS toelichting op deze tariefpost is het volgende opgenomen (vetgedrukte tekst conform origineel, cursivering MvH):33.
“(A) DIODES, TRANSISTORS AND SIMILAR SEMICONDUCTOR DEVICES
(…)
They include:
(I) Diodes which are two-terminal devices with a single p n junction; they allow current to pass in one direction (forward) but offer a very high resistance in the other (reverse). They are used for detection, rectification, switching, etc.
The main types of diodes are signal diodes, power rectifier diodes, voltage regulator diodes, voltage reference diodes.
(II) Transistors (…)
(III) Similar semiconductor devices (…)
The devices described above fall in this heading whether presented mounted, that is to say with their terminals or leads or packaged (components), unmounted (elements) or even in the form of undiced discs (wafers).
(…)
(B) PHOTOSENSITIVE SEMICONDUCTOR DEVICES
(…)
(C) LIGHT EMITTING DIODES
Light emitting diodes, or electroluminescent diodes, (based, inter alia, on gallium arsenide or gallium phosphide) are devices which convert electric energy into visible, infra-red or ultra-violet rays. They are used, e.g., for displaying or transmitting data in control systems.
(…)”
6.4.3
Ik lees deze toelichting aldus dat voor dioden (niet zijnde luminescentiedioden), transistors en halfgeleiderelementen geldt, dat zij onder post 8541 blijven ingedeeld ongeacht of zij al dan niet gemonteerd zijn (d.w.z. voorzien van aansluitingen of geborgen in een omhulling)34.. Dit lijkt mij echter niet te gelden voor luminescentiedioden, die niet onder kopje A van de toelichting vallen, maar onder kopje C.
6.4.4
Maar zelfs als dat anders zou zijn, en de hiervoor bedoelde ‘aansluiting en omhullings-exceptie’ ook zou gelden voor luminescentiedioden, meen ik dat de led-lampen met toepassing van de – als belangrijk hulpmiddel geldende, maar wettelijk niet bindende – GS-toelichting niet kunnen worden aangemerkt als slechts dioden met een aansluiting en geborgen in een omhulling.
6.4.5
Naar volgt uit de vastgestelde feiten zijn de led-lampen méér dan omhulde luminescentiedioden: het met het glazen bolletje en de fitting ‘omhulde’ product bestaat immers uit elektronische schakelingen waarvan – behalve de luminescentiedioden – onder meer elektronische schakelingen, weerstanden, transistors (vgl. punt 2.2 van deze conclusie), die alle voor de werking van het product noodzakelijk zijn.
6.4.6
Naar het mij voorkomt heeft het Hof dan ook terecht en niet onbegrijpelijk - en in navolging van de Rechtbank - geoordeeld dat de led-lampen méér zijn dan omhulde dioden. In ’s Hofs oordeel ligt besloten dat het glazen bolletje en de elektronische componenten meeromvattend zijn dan enkel de in onderdeel A van de GS-toelichting op de post – zo deze al van toepassing is (zie punt 6.4.4) – toegestane omhulling en aansluiting vanwege hun extra functionaliteiten.
6.4.7
Ik kom tot de tussenconclusie dat, nu de led-lampen aanzienlijk meer om het lijf hebben dan enkel de luminescentiedioden, en alle componenten van de lamp noodzakelijk zijn om deze te maken wat hij is en te doen werken waarvoor hij is gemaakt, indeling van de led-lampen onder tariefpost 8541 van de GN niet mogelijk is.35.Daaraan doet niet af de slotalinea van aantekening 8 op hoofdstuk 85, aangehaald in punt 6.3.2 van deze conclusie. Het daarin voorgeschreven geven van voorrang aan post 8541, veronderstelt immers dat meer posten in aanmerking komen voor de indeling van een product en niet dat ieder samengesteld product dat luminescentiedioden bevat, onder post 8541 van de GN moet worden ingedeeld. Als een product – zoals mijns inziens de led-lampen – niet onder deze post kan worden gebracht, wordt aan ‘voorrang’ niet toegekomen.
6.4.8
Het voorgaande brengt met zich dat het vierde middel van het incidentele cassatieberoep van belanghebbende geen doel treft.
6.5
Tariefpost 8539 van de GN (gloeilampen)36.
6.5.1
Aangezien de led-lampen mijns inziens niet de objectieve eigenschappen en kenmerken hebben van een goed als omschreven in post 8541 van de GN (en daarom niet met toepassing van indelingsregels 1 en 6 onder die post kunnen worden gebracht), kom ik toe aan bespreking van de in de procedure ook genoemde tariefpost 8539 van de GN. Deze tariefpost betreft:
“8539 (…) | Elektrische gloeilampen en -buizen en elektrische gasontladingslampen en -buizen, “sealed beam”-lampen en lampen en buizen voor ultraviolette of voor infrarode stralen daaronder begrepen; booglampen: |
- andere gloeilampen en -buizen, met uitzondering van lampen en buizen voor ultra- violette of voor infrarode stralen: | |
8539 21 (…) | - - halogeenlampen met gloeidraad van wolfraam |
8539 22 | - - andere, met een vermogen van niet meer dan 200 W en voor een spanning van meer dan 100 V: |
(…) | |
8539 22 90 | - - - andere |
8539 29 (…)” | - - andere: |
6.5.2
De bewoordingen van tariefpost 8539 – en die van de relevante onderverdelingen daarvan – zien op gloeilampen, inclusief halogeenlampen, maar omvatten naar het mij toeschijnt niet led-lampen als de onderhavige. Op grond van indelingsregels 1 en 6 lijkt mij derhalve indeling van de led-lampen onder deze tariefpost niet aan de orde, waarbij zij opgemerkt dat dit ook niet is wat het Hof heeft gedaan (het Hof kwam op grond van indelingsregel 4 tot indeling in deze tariefpost37.).
6.6
Tariefpost 8543 van de GN (machines met een eigen functie) 38.
6.6.1
Ik kom derhalve tot de laatste post die in deze procedure is genoemd als mogelijke post waaronder de led-lampen kunnen worden ingedeeld: tariefpost 8543 van de GN. Deze post heeft betrekking op elektrische machines, apparaten of toestellen met een eigen functie. Daarbij zij opgemerkt dat uit aantekening 5 op afdeling XVI valt af te leiden dat de term ‘machine’ in de context van de aantekeningen op deze afdeling niet te nauw worden moet worden opgevat:
“5. Voor de toepassing van vorenstaande aantekeningen heeft het woord “machines” zowel betrekking op machines als op de verschillende toestellen, apparaten, uitrustingen en werktuigen, bedoeld bij hoofdstuk 84 of 85.”
6.6.2
Met deze wetenschap keer ik terug naar tariefpost 8543 van de GN en haar onderverdelingen. Zij luidt, voor zover relevant (met mijn cursiveringen):
“8543 | Elektrische machines, apparaten en toestellen, met een eigen functie, niet genoemd of niet begrepen onder andere posten van dit hoofdstuk: |
(…) | |
8543 70 | - andere machines, apparaten en toestellen: |
(…) | |
8543 70 90 | - - andere |
8543 90 00 | - delen” |
6.6.3
Tariefpost 8543 is een restpost, zo valt af te leiden uit de postomschrijving (‘niet genoemd of niet begrepen onder andere posten van dit hoofdstuk’). Nu led-lampen als de onderhavige als zodanig niet in hoofdstuk 85 worden genoemd, en mijns inziens evenmin onder de bewoordingen van de posten 8539 en 8541 van de GN vallen, is denkbaar dat ‘onze’ led-lampen onder tariefpost 8543 vallen. Daartoe is dan wel vereist dat de led-lampen zijn aan te merken als ‘machines (c.q. apparaten, toestellen) met een eigen functie. Ik citeer dienaangaande uit het arrest van het HvJ van 2 oktober 2008, X, C-411/07, ECLI:EU:C:2008:535, over de indeling van zogeheten optocouplers – dat zijn schakelelementen die worden gebruikt om een galvanische scheiding te realiseren tussen twee stroomvoerende elektrische circuits – (hierna: het optocoupler-arrest). De cursiveringen in navolgend citaat uit dit arrest zijn van mijn hand:
“28 In elk geval zouden optocouplers slechts in post 8543 van de GN kunnen worden ingedeeld wanneer zij een eigen functie hadden. Zij moeten echter worden beschouwd als delen van machines, in plaats van als “elektrische machines, apparaten en toestellen, met een eigen functie” in de zin van post 8543 van de GN. Zoals de verwijzende rechter heeft uiteengezet en X heeft benadrukt, hebben optocouplers immers als zodanig geen nuttige functie, onafhankelijk van het elektrische apparaat waarvoor ze bestemd zijn.
6.6.4
De kwestie is of de led-lampen zijn aan te merken als machines met een eigen functie. Wanneer daarvan sprake kan zijn, valt af te leiden uit de GS-toelichting op tariefpost 8543, althans in deze toelichting wordt voor de invulling van dat begrip verwezen naar hetgeen in de GS-toelichting op tariefpost 8479 over de ‘eigen functie’, is vermeld (cursivering origineel):
“The electrical appliances and apparatus of this heading must have individual functions. The introductory provisions of Explanatory Note to heading 84.79 concerning machines and mechanical appliances having individual functions apply, mutatis mutandis, to the appliances and apparatus of this heading.”
6.6.5
De GS-toelichting op post 8479 (Machines en mechanische toestellen met een eigen functie) luidt, met mijn cursiveringen (vetgedrukt origineel):
“The machinery of this heading is distinguished from the parts of machinery, etc., that fall to be classified in accordance with the general provisions concerning parts, by the fact that it has individual functions.
For this purpose the following are to be regarded as having “individual functions”:
(A) Mechanical devices (…) whose function can be performed distinctly from and independently of any other machine or appliance. (..)
(B) Mechanical devices which cannot perform their function unless they are mounted on another machine or appliance, or are incorporated in a more complex entity, provided that this function :
(i) is distinct from that which is performed by the machine or appliance whereon they are to be mounted, or by the entity wherein they are to be incorporated, and
(ii) does not play an integral and inseparable part in the operation of such machine, appliance or entity.39.
(…)”
Uit deze toelichting leid ik af dat – ook voor de toepassing van tariefpost 8543 van de GN – geldt dat een product geacht wordt een eigen functie te hebben als het slechts kan functioneren indien het op een ander toestel is aangebracht, mits de functie van het product zich onderscheidt van die van het toestel waarop het is aangebracht en het geen integrerend en onscheidbaar deel vormt van de functie van dat toestel.
6.6.6
Het begrip ‘eigen functie’ is in de rechtspraak van het HvJ enige malen aan de orde geweest. Zo oordeelde het HvJ in zijn arrest van 18 juli 2007, Olicom, C-142/06, ECLI:EU:C:2007:44940.dat netwerkkaarten voor draagbare computers geen ‘eigen functie’ hebben die anders is dan de gegevensverwerkende machines (computers) waarop zij moeten worden aangesloten om te kunnen werken.41.In een tweetal andere arresten hoefde het HvJ zich niet over de ‘eigen functie’ uit te laten. In het hiervóór al genoemde optocoupler-arrest had de verwijzende rechter (de Hoge Raad) vastgesteld dat de betreffende producten géén eigen functie hadden, onafhankelijk van het apparaat waarvoor het bestemd is.42.En in het recente arrest Rohm Semiconductors (HvJ 20 november 2014, C-666/13, ECLI:EU:C:2014:2388, hierna kortweg: arrest Rohm) had de verwijzende rechter (het Finanzgericht Düsseldorf) juist vastgesteld dat de in dat arrest centraal staande modules om door middel van infrarood licht op korte afstand gegevens over te dragen en te ontvangen en die zijn bestemd om in mobiele telefoons of laptops te worden ingebouwd, wél een eigen functie hadden.43.In beide gevallen volgde het HvJ de verwijzende rechter in deze vaststelling.
6.6.7
Het voorgaande brengt mij tot de conclusie – net als het Hof (en anders dan de Rechtbank) – dat de led-lampen niet een eigen functie hebben in bovenbedoelde zin. Anders dan de modules uit het arrest Rohm onderscheidt de functie van de lamp zich niet van het apparaat waarin het wordt aangebracht: samen en in letterlijke vereniging met een armatuur c.q. lamphouder die kan worden aangesloten op het elektriciteitsnet, vervult de led-lamp de functie van verlichten (in de zin van licht verspreiden). Zonder armatuur geeft de led-lamp geen licht en zonder (led-)lamp doet ook de armatuur niets. Dat betekent dat de led-lamp als zodanig niet een machine met een eigen functie als bedoeld in tariefpost 8543 van de GN is.
6.7
Onderdelen
6.7.1
Dan resteert volgens mij nog de mogelijkheid dat de led-lampen als (onder)deel onder een van voormelde posten – of een andere post – worden ingedeeld. Partijen hebben hieromtrent niets aangevoerd en ook het Hof neemt deze (on)mogelijkheid niet op in zijn overwegingen. Dat betekent mijns inziens evenwel niet dat de mogelijkheid niet onderzocht moet worden44..
6.7.2
Omtrent de indeling van delen van machines in de zin van onder meer hoofdstuk 85 van de GN schrijft aantekening 2 op afdeling XVI, voor zover hier van belang, het volgende voor (cursivering MvH):
“2. (…) delen van machines (andere dan delen van artikelen bedoeld bij post (…) 8544, 8545, 8546 of 8547) [worden] ingedeeld met inachtneming van de volgende regels:
a) delen die als zodanig onder een van de posten van hoofdstuk (…) 85 (andere dan de posten (…) 8503, 8522, 8529, 8538 en 8548) kunnen worden ingedeeld, blijven onder die posten ingedeeld, ongeacht de machine waarvoor zij bestemd zijn;
b) delen, andere dan die bedoeld onder a) hiervoor, waarvan kan worden onderkend dat zij uitsluitend of hoofdzakelijk bestemd zijn voor een bepaalde machine of voor verschillende onder eenzelfde post vallende machines (met inbegrip van die bedoeld bij post 8479 of 8543), worden ingedeeld onder de post waaronder die machine valt of die machines vallen of onder een der posten (…) 8503, 8522, 8529 of 8538, naar gelang van het geval; (…)
c) andere delen worden ingedeeld onder post (…) 8503, 8522, 8529 of 8538, naar gelang van het geval, of, indien dit niet mogelijk is, onder post (…) 8548.”
6.7.3
Het valt op dat in aantekening 2 wel is aangegeven hoe ‘delen’ moeten worden ingedeeld, maar niet wat ‘delen’ zijn. Een definitie van het begrip ‘deel’ is ook in toelichtingen niet gegeven. Het HvJ heeft zich daarentegen over het begrip ‘deel’ wel diverse malen uitgelaten. Het uitgangspunt van het HvJ daarbij is dat ‘in het belang van een coherente en uniforme toepassing van het gemeenschappelijk douanetarief’ dit begrip één definitie heeft, die voor alle hoofdstukken van de GN geldt.45.Deze definitie, die het HvJ in verschillende arresten hanteert,46.houdt in:
“45 (…) dat het begrip “delen” de aanwezigheid van een geheel impliceert, voor de werking waarvan deze delen noodzakelijk zijn. (…)
46 Voor de kwalificatie van een goed als ‘deel’ volstaat het niet, aan te tonen dat de machine zonder dit goed niet de functie kan vervullen waarvoor zij is bestemd. Ook moet worden aangetoond dat de mechanische of elektrische werking van de betrokken machine afhankelijk is van dit goed (…)”.
6.7.4
In de toepassing van deze definitie is het HvJ overigens niet altijd even helder. Ik wijs in dit verband op de (in voetnoot 46 vermelde) arresten Turbon I en Turbon II over de indeling van een inktcartridge voor een bepaald type printer. In zijn arrest van 7 februari 2002, Turbon I, C-276/00 ECLI:EU:C:2002:88, oordeelde het HvJ dat de desbetreffende inktcartridge geen deel van de printer was omdat de mechanische en elektronische werking van de printer niet afhing van de inktcartridge. Anders gezegd: de printer werkte (daar ging het HvJ althans van uit) prima zonder cartridge, ondanks dat er (uiteraard) geen letter op papier kwam bij gebreke aan inkt. De aanname dat de printer ook zonder cartridge mechanisch werkte, bleek echter niet juist. In het arrest van 26 oktober 2006, Turbon II, C-250/05, ECLI:EU:C:2006:681, over dezelfde cartridge van dezelfde printer kwam dit aan de orde. Deze keer overwoog het HvJ – zonder aandacht te besteden aan de vraag of de cartridge een deel is van de printer – dat de inktcartridge voor indeling onder meer posten in aanmerking kwam en dat van deze elementen de inkt het wezenlijke karakter aan de inktcartridge gaf, zodat deze met toepassing van indelingsregel 3b als ‘inkt’ van tariefpost 3215 van de GN moest worden ingedeeld.
6.7.5
Met het oog op de door het HvJ gegeven omschrijving van ‘delen’, en niettegenstaande de uitlegging daarvan in de Turbon-kwestie, meen ik dat de led-lampen zijn aan te merken als ‘delen’. Steun daarvoor vind ik ook in de GS-toelichting op aantekening 2 bij afdeling XVI, waarin gloeilampen – toch een product waarmee de onderhavige led-lampen op zijn minst overeenkomsten vertonen (vgl. punt 6.9 van de uitspraak van het Hof) – als ‘deel’ worden aangemerkt (vetgedrukt origineel en cursivering van mij):
“(II) PARTS
(Section Note 2)
In general, parts which are suitable for use solely or principally with particular machines or apparatus (including those of heading 84.79 or heading 85.43), or with a group of machines or apparatus falling in the same heading, are classified in the same heading as those machines or apparatus subject, of course, to the exclusions mentioned in Part (I) above. (…)
The above rules do not apply to parts which in themselves constitute an article covered by a heading of this Section (other than headings 84.87 and 85.48); these are in all cases classified in their own appropriate heading even if specially designed to work as part of a specific machine. This applies in particular to:
(…)
(15) Lamps of heading 85.39.47.
(…)
Other parts which are recognisable as such, but are not suitable for use solely or principally with a particular machine or class of machine (i.e., which may be common to a number of machines falling in different headings), are classified in heading 84.87 (if not electrical) or in heading 85.48 (if electrical), unless they are excluded by the provisions set out above.”
6.8
Onderdelen waarvan?
6.8.1
Ik kom derhalve tot de slotsom dat de led-lampen (net als gloeilampen) delen zijn van machines. Anders dan voor gloeilampen, is er echter voor de led-lampen (nog) geen tariefpost. Dat betekent dat bezien moet worden of zij met toepassing van de – wettelijk bepalende – aantekening 2 op afdeling XVI van de GS in te delen zijn.
6.8.2
Voor de beantwoording van die vraag is essentieel van welke soort(en) machines de led-lampen onderdeel zijn? Bedacht moet worden dat indeling in tariefpost 8543 (als deel) alleen mogelijk is wanneer moet worden aangenomen dat de led-lampen deel zijn van een ‘machine met een eigen functie, niet genoemd of niet begrepen onder andere posten van dit hoofdstuk’.
6.8.3
Niet is feitelijk vastgesteld dat (of) dit het geval is. Ook uit het dossier valt dit niet zonder meer af te leiden. Niet is duidelijk waar de led-lampen voor worden gebruikt.48.Dat betekent dat op basis van de beschikbare (vastgestelde) feiten niet kan worden vastgesteld of de led-lampen (alleen) deel kunnen uitmaken van een machine die niet begrepen is onder een andere post van hoofdstuk 8549.. Ik acht dit geen gegeven. Denkbaar is dat de led-lampen deel (kunnen) zijn van lamphouders die als machine of toestel genoemd worden in post 8536 van de GN50., maar ook indeling als deel van een (verlichtings)toestel als bedoeld in post 8512 van de GN51.komt mogelijk in aanmerking. Zouden de led-lampen onder (een van) deze posten kunnen worden ingedeeld, dan is indeling in post 8543 van de GN niet aan de orde. Mogelijk zouden in dat geval de led-lampen kunnen worden gebracht onder de bewoordingen van de ‘ultieme sluitpost’ van hoofdstuk 85: tariefpost 8548 van de GN.52.
6.8.4
In feitelijke instanties is echter niet vastgesteld in welke apparaten en toestellen de led‑lampen als onderdeel geplaatst (zouden kunnen) worden, en is onderbelicht gebleven waarom de led-lampen niet als onderdeel van een machine (kunnen) worden aangemerkt. Over de mogelijke indeling in tariefpost 8543, 8548 of wellicht nog een andere post, kunnen mijns inziens derhalve zonder nader feitelijk onderzoek, waarvoor in cassatie geen plaats is, geen uitspraken worden gedaan.
6.9
Indelingsregel 4?
6.9.1
Ik kom tot de conclusie dat niet kan worden uitgesloten dat de led-lampen met toepassing van indelingsregels 1 en 6 onder de bewoordingen van tariefpost 8543 dan wel onder de bewoordingen van een andere tariefpost kunnen worden gebracht, en dat het Hof te snel – uitgaande van de onjuiste rechtsopvatting dat geen enkele post in aanmerking kwam – heeft geoordeeld dat de led-lampen met toepassing van algemene indelingsregels 4 moeten worden ingedeeld. Daaraan doet niet af dat de Inspecteur blijkens het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting van het Hof op 21 januari 2014 (blz. 2) heeft verklaard dat het product de opvolger is van de gloeilamp en naar verwachting in de toekomst, door een wijziging van de nomenclatuur, onder deze post moet worden ingedeeld.53.
6.9.2
Nu in feitelijke instanties niet is vastgesteld in welke apparaten en toestellen de led‑lampen als onderdeel geplaatst (zouden kunnen) worden, dient nader feitenonderzoek te volgen. Daarvoor is in cassatie geen plaats. Dat betekent dat de zaak verwezen moet worden.
6.9.3
Mocht de Hoge Raad van oordeel zijn dat het Hof de led-lampen terecht met toepassing van indelingsregel 4 heeft ingedeeld, dan meen ik dat het Hof feitelijk en niet onbegrijpelijk heeft vastgesteld dat de led-lampen de meeste overeenkomsten vertonen met gloeilampen. Dat betekent dat het vijfde middel van het incidentele beroep in cassatie faalt.
7. Conclusie
De conclusie strekt ertoe dat het principale beroep in cassatie van de Staatssecretaris gegrond dient te worden verklaard en dat het incidenteel beroep in cassatie van belanghebbende deels gegrond dient te worden verklaard. De conclusie strekt tot verwijzing van de zaak voor nader feitelijk onderzoek.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
Advocaat-Generaal
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 13‑01‑2015
De inspecteur van de Belastingdienst/[P].
Met toepassing van de figuur van directe vertegenwoordiging als bedoeld in artikel 5, lid 2, eerste gedachtestreepje van het Communautair douanewetboek (CDW).
Ik heb dit overgenomen uit punt 2.2 van de uitspraak van het Hof. Het verwondert mij enigszins dat blauw licht naar blauw licht verkleurt. Mogelijk is ‘een andere schakering blauw’ bedoeld.
De aangegeven tarief postonderverdeling (tiencijferig) is de zogenoemde taric-code van luminescentiedioden.
Dit totaal is berekend als de (afgeronde) som van de bedragen van elk van de utb’s, te weten: € 568,62 + € 5.960,29 + € 1.763,12 + € 213,42 + € 334,55 + € 205,13 + € 1.119,18 + € 428.210,86.
Voor goederen van de door belanghebbende voorgestane tariefpost 8541 40 van de GN geldt een tarief van 0%; goederen van de tariefpost waaronder de Inspecteur de led-lampen heeft ingedeeld zijn belast naar een tarief van 3,7%.
Strikt genomen: het in het vrije verkeer brengen.
C.W.A. Timmermans, in Kapteyn, VerLoren van Themaat, The law of the European Union and the European Communities, Kluwer International, 2008, blz.145.
Citaat afkomstig uit HvJ 23 sept. 2003, Commissie/Verenigd Koninkrijk, 30/01. Zie ook HvJ 5 oktober 1995, Aprile, C-125/94, punt 32.
In artikel 31 VWEU is dit als volgt verwoord: “bij de uitvoering van de taken die haar krachtens de bepalingen van dit hoofdstuk [MvH de artikelen 30-32] zijn toevertrouwd”.
Michael Lux, Guide to community customs legislation, Bruylant, Brussel, 2002, blz. 2 lijkt, hierover wat anders te denken, waar hij stelt dat “duties are no longer fixed according to the requirements of the State’s budget.”. Deze opmerking moet evenwel geplaatst worden in de context van de vergelijking die Lux maakt tussen de basisprincipes van ‘duty collection’ in voorbije eeuwen en die in moderne tijden.
Te denken valt bijvoorbeeld aan de ITA-overeenkomst (Information Technology Agreement) die op 13 december 1996 op de eerste conferentie van de WTO werd gesloten en waarbij de overeenkomstsluitende partijen (waaronder de EU en haar lidstaten) zich verbonden om de douanerechten, en andere rechten en heffingen op informatietechnologieproducten tegen het jaar 2000 af te schaffen.
Mededingingsvoorwaarden, verstoring van het economische leven van de lidstaten: vgl. punt 5.6 van deze conclusie.
Volledigheidshalve: goederen van post 8541 zijn niet aan rechten onderworpen.
Ik verwijs naar het door belanghebbende in haar cassatiegeschrift als ’10-dagen-stuk’ aangeduide geschrift van 10 januari 2014.
Zie blz. 2 van het proces-verbaal van de hofzitting van 21 januari 2014.
Opgenomen in Deel I van de bijlage bij de verordening van de Raad (EEG) nr. 2658/87 van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief, en in de jaarlijkse ‘updates’ daarvan van de Commissie.
Het valt op dat het HvJ dat niet altijd goed voor ogen heeft. Zo overweegt hij in punt 11 van zijn arrest van 20 november 1997, Wiener, C-338/95, ECLI:EU:C:1997:552, dat ‘zowel de aantekeningen bij de hoofdstukken als de toelichtingen bij de nomenclatuur van de IDR (…) [als] waardevolle hulpmiddelen bij de uitlegging (…) [van het Gemeenschappelijk douanetarief] kunnen worden beschouwd’. Eenzelfde overweging vinden we in punt 29 van het arrest van 29 april 2010, Roeckl, C-123/09, ECLI:EU:C:2010:237. Dat kan niet kloppen: op grond van algemene indelingsregel 1 zijn immers (ook) de aantekeningen op hoofdstukken wettelijk bepalend.
Indelingsregel 6 bepaalt in wezen op onderverdelingsniveau wat indelingsregel 1 op postniveau bepaalt. Deze indelingsregel luidt: “Voor de indeling van goederen onder de onderverdelingen van een post zijn wettelijk bepalend de bewoordingen van die onderverdelingen en de aanvullende aantekeningen, alsmede “mutatis mutandis” de vorenstaande regels, met dien verstande dat uitsluitend onderverdelingen van gelijke rangorde met elkaar kunnen worden vergeleken. Voor de toepassing van deze regel en voor zover niet anders is bepaald, zijn de aantekeningen op de afdelingen en op de hoofdstukken eveneens van toepassing.”.
Op mondiaal niveau (GS staat voor Geharmoniseerd Systeem).
Op Europees niveau.
Zoals bijvoorbeeld HvJ 4 maart 2004, Krings, C-130/02, ECLI:EU:C:2004:122, punt 28, HvJ 17 maart 2005, Ikegami, C-467/03, ECLI:EU:C:2005:182, punt 17, HvJ 13 juli 2006, Anagram, C-14/05, ECLI:EU:C:2006:465, punt 20, HvJ 5 juni 2008, JVC France SAS, C-312/07, ECLI:EU:C:2008:324, punt 34, HvJ 18 juni 2009, Kloosterboer, C-173/08, ECLI:EU:C:2009:382, punt 25, HvJ 18 juli 2007, Olicom, C-142/06 ECLI:EU:C:2007:449, punt 17, HvJ 11 december 2008, Kip Europe e.a., gevoegde zaken C-362/07 en C-363/07 ECLI:EU:C:2008:710, punt 27, HvJ 7 mei 2009, C-150/08, Siebrand, ECLI:EU:C:2009:294, punt 25, en HvJ 14 april 2011, British Sky Broadcasting Group en Pace, gevoegde zaken C-288/09 en C-289/09 ECLI:EU:C:2011:248, punt 63.
Zie voor vergelijkbare overwegingen onder meer (en zeker niet uitputtend) HvJ 18 juni 2009, Kloosterboer,C-173/08, ECLI:EU:C:2009:382, punt 26, HvJ 15 februari 2007, RUMA, C-183/06, ECLI:EU:C:2007:110, punt 36, HvJ 27 september 2007, Medion en Canon, gevoegde zaken C-208/06 en C-209/06, ECLI:EU:C:2007:553, punt 37 en HvJ 5 april 2001, Deutsche Nichimen, C-201/99, ECLI:EU:C:2001:199, punt 20.
Het enige arrest van het HvJ, dat ik heb kunnen vinden waarin een indelingsregel die thans als indelingsregel 4 te boek staat, is toegepast is HvJ 18 februari 1969, Bollman, nr. 40/69 (indeling van kalkoenstaarten).
E.N. Punt en D.G van Vliet, Douanerechten, Kluwer, Deventer, 2000, blz. 143-144. De bij het citaat behorende voetnoot heb ik niet overgenomen.
Partijen zijn niet opgekomen tegen het oordeel van het Hof dat indelingsregels 2 en 3 geen soelaas bieden. Ik laat deze indelingsregels hier dan ook voor wat zij zijn.
Het opschrift van deze afdeling – die de hoofdstukken 84 tot en met 89 omvat – luidt: “Machines, toestellen en elektrotechnisch materieel, alsmede delen daarvan; toestellen voor het opnemen of het weergeven van geluid, voor het opnemen of het weergeven van beelden en geluid voor televisie, alsmede delen of toebehoren van deze toestellen.”.
Verordening (EU) van 5 oktober 2010, nr. 861/2010 van de Commissie tot wijziging van bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief. De tekst van de hierna genoemde post(onderverdeling)en in de andere jaren waarin door of namens belanghebbende aangiften voor het vrije verkeer van led-lampen zijn gedaan, wijkt niet af van die welke voor 2011 geldt.
MvH: tariefpost 8542 betreft ‘elektronische geïntegreerde schakelingen’.
Met uitzondering van tariefpost 8523 van de GN. Deze post omvat dragers voor het opnemen van geluid of dergelijke doeleinden.
Goederen die onder deze tariefpost vallen zijn vrij van douanerechten.
Bron: World Customs Organization, Harmonized Commodity, Explanatory Notes, Fourth edition (2007).
MvH: Ik heb hier de vertaling overgenomen die het Hof heeft gehanteerd van het ‘whether presented mounted, that is to say with their terminals or leads or packaged (components), unmounted (elements) or even in de form of undiced discs (wafers)’ uit de GS-toelichting.
Een vergelijkbare redenering lijkt ten grondslag te liggen aan het oordeel van het HvJ in het arrest van 20 november 2014, Rohm Semiconductors, C-666/13, dat de daarin aan de orde zijnde modulen (met een schakeling met daarop gemonteerde fotodioden en lichtdioden) niet onder post 8541 van de GN viel, maar – vanwege de eigen functie – in beginsel onder post 8543. Zie met name punten 31 en 34 van het arrest.
Voor alle genoemde tariefpostonderverdelingen is het douanetarief 2,7%.
Ik sluit niet uit dat hierbij de verklaring van de Inspecteur ter zitting van het Hof op 21 januari 2014 dat het product de opvolger is van de gloeilamp en naar verwachting in de toekomst, door een wijziging van de nomenclatuur, onder deze post moet worden ingedeeld een rol heeft gespeeld (zie het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting, blz. 2).
Voor de genoemde tariefpostonderverdelingen is het douanetarief 3,7%.
In de GS-toelichting worden vervolgens de volgende voorbeelden genoemd: “Example: A chain cutter is a device which is mounted on an industrial sewing machine and which automatically cuts the thread so that the machine can run without interruption. This device performs an individual function because it plays no part in the “ sewing ” function of the machine; as there is no other more specific heading, the chain cutter falls to be classified here. On the other hand, the function of a carburettor for an internal combustion engine is distinct from that of the engine but it is not an “ individual function ” as defined above because the operation of the carburettor is inseparable from that of the engine. Separately presented carburettors are therefore to be classified as parts of engines in heading 84.09. Similarly, mechanical or hydraulic shock absorbers form an integral part of the machine or appliance in which they are to be incorporated. Separately presented shock absorbers therefore fall to be classified as parts of the machines or appliances on which they are to be mounted. (Shock absorbers for vehicles or aircraft fall in Section XVII)”.
Het ging in dit arrest om het begrip ‘eigen functie’ dat (ook) wordt gehanteerd in aantekening 5E op hoofdstuk 84. Deze aantekening luidt: “Machines die een automatische gegevensverwerkende machine bevatten of daarmede in samenhang worden gebruikt en die een eigen functie, andere dan automatische gegevensverwerking, vervullen, worden ingedeeld onder de post die overeenkomstig hun functie in aanmerking komt of, bij ontbreken daarvan, onder een sluitpost.”.
Recent oordeelde de Hoge Raad dat een toestel (PS2) dat als ‘spelcomputer’ op de markt is gebracht en hoofdzakelijk word verkocht via speelgoedwinkels maar dat ook een automatische gegevensverwerkende machine bevat, een eigen functie vervult in de zin van aantekening 5E op hoofdstuk 84 van de GN, zodat deze niet met toepassing van algemene indelingsregel 1 kan worden ingedeeld onder post 8471 van de GN. Zie arrest van 9 januari 2015, nr. 13/01870, ECLI:NL:HR:2015:30.
Vgl. punt 28 van het optocoupler arrest, waarin overigens opvalt dat het HvJ de ‘eigen functie’ herformuleert als ‘nuttige functie’. In punt 3.5.1 van zijn verwijzingsarrest van 10 augustus 2007, nr. 43002, ECLI:NL:HR:2007:AY5995, had de Hoge Raad alleen vastgesteld dat de optocouplers niet onafhankelijk van de machine waarin zijn geplaatst zijn, kunnen worden gebruikt.
De eerste prejudiciële vraag is wat dat betreft heel duidelijk: “Leidt de omstandigheid dat een goed een eigen functie heeft in de zin van post 8543 van de [GN] ertoe dat dit goed ondanks de samenstelling ervan niet meer in post 8541 kan worden ingedeeld?”.
Vgl. het arrest Rohm, punt 44 en de daarin aangehaalde rechtspraak.
Het citaat is ontleend aan het arrest Rohm. Andere recente arresten waarin overwegingen van dezelfde strekking voorkomen, zijn HvJ 15 mei 2014, Data I/O, C-297/13, ECLI:EU:C:2014:331, punt 35, HvJ 12 december 2013, Hark, C‑450/12, ECLI:EU:C:2013:824. punt 36. Zie ook de arresten van 26 oktober 2006, Turbon II, C-250/05, ECLI:EU:C:2006:681, punt 17 en dat van 7 februari 2002, Turbon I, C-276/00, ECLI:EU:C:2002:88, punt 30.
Gloeilampen. Omdat voor gloeilampen een ‘eigen’ tariefpost bestaat, worden zij onder die post gebracht, en niet onder de post van de machines waarvoor zij bestemd zijn, dan wel onder de ‘ultieme’ restpost 8548 van de GN (vgl. aantekening 2b en 2c op hoofdstuk XVI). Volledigheidshalve merk ik hier nog op in de GS-toelichting op post 9405 (verlichtingstoestellen) elektrische gloeilampen uitdrukkelijk zijn uitgesloten van indeling in die post.
Zij het dat belanghebbende in haar beroepschrift in eerste instantie aanvoert (blz. 9) dat een led-lamp “uitsluitend kan functioneren indien het wordt bevestigd in een verlichtingstoestel in de zin van post 9405 van de GN”. De Rechtbank lijkt dit over te nemen waar zij overweegt (punt 5.4.3) dat “de onderhavige Led-lampen dienen te worden aangebracht in een verlichtingstoestel.” Zij stelt daarbij evenwel niet vast dat zij doelt op een verlichtingstoestel van tariefpost 9405 van de GN. Voor verlichtingstoestellen van deze tariefpost geldt, afhankelijk van de onderverdeling, een tarief tussen de 2,7% en de 4,7%. In aantekening 1f op Hoofdstuk 94 worden ‘verlichtingstoestellen bedoeld bij hoofdstuk 85’ uitgezonderd van indeling in Hoofdstuk 94.
Zoals post 9405.
“Toestellen voor het inschakelen, uitschakelen, omschakelen, aansluiten of verdelen van of voor het beveiligen tegen elektrische stroom (bijvoorbeeld schakelaars, relais, zekeringen, golfafvlakkers, contactdozen en contactstoppen (stekkers), lamp- en buishouders en andere verbindingsstukken, aansluitdozen en -kasten), voor een spanning van niet meer dan 1 000 V; verbindingsstukken voor optische vezels, optischevezelbundels of optischevezelkabels”.
“Elektrische verlichtingstoestellen en elektrische signaal- en waarschuwingstoestellen (andere dan de artikelen bedoeld bij post 8539”.
‘Resten en afval, van elektrische elementen, (…) elektrische delen van machines, van apparaten of van toestellen, niet genoemd of niet begrepen onder ander posten van dit hoofdstuk’ (tarief 2,7%).
Ik merk op dat deze (voorziene) wijziging nog niet heeft plaatsgevonden. Mogelijk dat de eerstvolgende ‘update’ van het GS – te verwachten in 2017 – hierin verandering brengt.
Beroepschrift 09‑04‑2014
Den Haag, [— 9 APR 2014]
Kenmerk: DGB 2014-1649
Beroepschrift in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 27 februari 2014, nr. 12/00461 tot en met 12/00463, inzake [X] B.V. te [Z] betreffende diverse uitnodigingen tot betaling van douanerechten. Van deze uitspraak is op 3 maart 2014 een afschrift aan de Belastingdienst/[P] toegezonden.
AAN DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Als middel van cassatie draag ik voor:
Schending van het Nederlandse recht, met name van indelingsregel 1 en 4 in combinatie met post 8543 van de Gecombineerde Nomenclatuur, doordat het Hof van oordeel is dat de ledlampen niet met toepassing van indelingsregel 1 onder post 8541, post 8539 of post 8543 kunnen worden ingedeeld en dat de producten met toepassing van indelingsregel 4 dienen te worden ingedeeld onder post 8539, zulks ten onrechte.
Ter toelichting merk ik het volgende op.
Over de periode mei 2008 tot en met maart 2011 is door (of namens) belanghebbende een achttal aangiften gedaan voor het in het vrije verkeer brengen van light emitting diode lampen (hierna: ledlampen of producten) van het merk [A] met oorsprong China. De producten hebben een glazen bol als omhulsel en beschikken over een Edison (E27) fitting die de aansluiting op de stroomvoorziening mogelijk maakt. De luminescentiediodes in het product zijn aangesloten op een elektronische schakeling, die tot doel heeft de 230V wisselspanning van het lichtnet gelijk te richten en naar een lagere spanning te transformeren. Deze gelijkspanning wordt tevens gestabiliseerd. De elektronische schakeling omvat onder meer dioden, transistors, weerstanden, condensatoren en spoelen, alsmede geïntegreerde schakelingen.
In geschil is of de onderhavige uitnodigingen tot betaling, waarbij de producten zijn ingedeeld onder onderverdeling 8543 70 90 van de Gecombineerde Nomenclatuur (hierna: GN), terecht zijn opgelegd. Belanghebbende stelt primair dat de producten dienen te worden ingedeeld onder GN-onderverdeling 8541 40 10 en subsidiair dat de producten dienen te worden ingedeeld onder 8539 22 90.
De Inspecteur meent dat de producten dienen te worden ingedeeld onder GN-onderverdeling 8543 70 90.
Het Hof heeft in onderdeel 5 van zijn uitspraak de relevante teksten en toelichtingen van de GN opgenomen. Omdat de producten uit tal van componenten bestaan, die alle onontbeerlijk zijn voor de werking daarvan, kunnen zij volgens het Hof niet met toepassing van indelingsregel 1 als dioden casu quo luminescentiedioden worden ingedeeld onder post 8541. De GS-toelichting leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat deze, voor zover hier van belang, slechts betreft dioden in een omhulling. De desbetreffende GS-toelichting ziet slechts op dioden en niet op luminescentiedioden, aldus het Hof.
Resteert indeling onder post 8539 of 8543.
Het Hof is van oordeel dat de producten niet met toepassing van indelingsregel 1 onder post 8541, post 8539 of post 8543 kunnen worden ingedeeld. Het Hof ziet evenmin enige andere post waaronder de producten, met toepassing van indelingsregel 1, kunnen worden ingedeeld. Indelingsregel 2 en 3 bieden evenmin soelaas, nu de aldaar beschreven situaties zich niet voordoen. Alsdan dient, gelet op indelingsregel 4, te worden onderzocht met welke goederen de onderhavige producten de meeste overeenkomst vertonen. Dienaangaande is het Hof van oordeel dat dit de goederen vermeld onder post 8539 betreft. Met deze opvatting, met name de toepassing van indelingsregel 4, kan ik mij niet verenigen.
Aan indelingsregel 4 wordt niet toegekomen in het geval indelingsregel 1 en 6 kunnen worden toegepast. Naar mijn mening dienen de producten ingedeeld te worden onder post 8543. Deze post ziet op elektrische machines, apparaten en toestellen, met een eigen functie, niet genoemd of niet begrepen onder andere posten van dit hoofdstuk. Onderverdeling 8543 70 ziet op andere machines, apparaten en toestellen en onderverdeling 8543 70 90 op andere.
De GS-toelichting op post 8543 vermeldt dat als machines, apparaten en toestellen worden aangemerkt elektrische inrichtingen die een eigen functie hebben. Het gaat hier in het merendeel om samenstellingen van elementaire elektrotechnische artikelen (lampen, transformatoren, condensatoren, smoorspoelen, weerstanden), die uitsluitend elektrisch werken. De onderhavige producten zijn samengesteld uit onder meer zes luminescentiedioden die uitsluitend elektronisch werken. Aan deze huninescentiedioden ontlenen de producten hun lichtgevende werking. Bovendien is tussen de fitting en het Printed Circuit Board (met dioden) een elektronische component geplaatst die als functie heeft de stroomwisselingen op te vangen die zich in het elektriciteitsnetwerk voordoen. De producten kunnen dan ook aangemerkt worden als een samenstel van elementaire elektrotechnische artikelen en derhalve als elektrische apparaten. De vraag is vervolgens of sprake is van een eigen functie.
De GS-toelichting op post 8543 verwijst naar hetgeen in dat verband met betrekking tot machines, toestellen en werktuigen in de toelichting op post 8479 is vermeld. Deze toelichting vermeldt onder meer dat een product geacht wordt een eigen functie te hebben als het slechts kan functioneren indien het op een ander toestel is aangebracht mits de functie van het product zich onderscheidt van die van het toestel waarop het is aangebracht en het geen integrerend en onscheidbaar deel vormt van de functie van dat toestel. De onderhavige ledlampen dienen, ten einde licht te kunnen geven, te worden aangebracht in een armatuur (een verlichtingstoestel). Een verlichtingstoestel is een toestel als bedoeld in de toelichting voormeld. De functie van de ledlamp onderscheidt zich van de functie van de armatuur. De functie van een ledlamp is gelegen in het geven van licht en de functie van een armatuur is die van houder van een (led)lamp en het verspreiden van het door die lamp gegenereerde licht. De ledlamp onderscheidt zich en is geen integrerend en onscheidbaar deel van de armatuur. Het product heeft een eigen functie als bedoeld in de GS-toelichting op post 8479, die ook van toepassing is op post 8543. Overigens heeft ook de gloeilamp een eigen functie. Het onderhavige product is niet een onderdeel van de armatuur, hetgeen al volgt uit de omstandigheid dat in een armatuur verschillende lampen kunnen worden gebruikt. De producten kunnen worden aangemerkt als elektrische machines, apparaten en toestellen, met een eigen functie, niet genoemd of niet begrepen onder andere posten van dit hoofdstuk. Indeling dient dan plaats te vinden onder post 8543. Overigens wordt door het Harmonized System Committee een soortgelijk product met toepassing van indelingsregel 1 en 6 ingedeeld onder postonderverdeling 8543.70.
Op grond van het vorenstaande ben ik van oordeel dat de uitspraak van het Hof niet in stand zal kunnen blijven.
Hoogachtend,
DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN,
namens deze
DE DIRECTEUR-GENERAAL BELASTINGDIENST,
loco