ECLI:NL:GHAMS:2016:2317. Ter terechtzitting in hoger beroep is door de raadsman gewezen op het op deze zaak betrekking hebbende bericht van [...], ‘Slachtoffer schietpartij Noord blijkt lid van Amsterdamse rapformatie THC’, Het Parool 6 mei 2014.
HR, 28-11-2017, nr. 16/05926
ECLI:NL:HR:2017:3031
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
28-11-2017
- Zaaknummer
16/05926
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2017:3031, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 28‑11‑2017; (Cassatie, Artikel 80a RO-zaken)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:1296, Gevolgd
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2016:2317, Niet ontvankelijk
ECLI:NL:PHR:2017:1296, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 31‑10‑2017
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:3031, Gevolgd
- Vindplaatsen
Uitspraak 28‑11‑2017
Inhoudsindicatie
Doodslag, poging tot doodslag en vernieling auto door in Amsterdam met een vuurwapen kogels in de richting van A en B af te vuren. Beroep op noodweer(exces). Hof: Niet aannemelijk dat A was gewapend. HR: art. 80a RO.
Partij(en)
28 november 2017
Strafkamer
nr. S 16/05926
KD
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 16 juni 2016, nummer 23/001729-15, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft C.F. Korvinus, advocaat te Amsterdam, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd dat het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
3 Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 november 2017.
Conclusie 31‑10‑2017
Inhoudsindicatie
Doodslag, poging tot doodslag en vernieling auto door in Amsterdam met een vuurwapen kogels in de richting van A en B af te vuren. Beroep op noodweer(exces). Hof: Niet aannemelijk dat A was gewapend. HR: art. 80a RO.
Nr. 16/05926 Zitting: 31 oktober 2017 | Mr. D.J.C. Aben Standpunt/conclusie inzake: [verdachte] |
1. De verdachte is bij arrest van 16 juni 2016, door het gerechtshof Amsterdam wegens onder 1 impliciet subsidiair “doodslag”, onder 2 impliciet subsidiair “poging tot doodslag” en onder 3 “opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien jaren.1.Tevens heeft het hof de vordering van drie benadeelde partijen toegewezen, allereerst [betrokkene 1] voor een bedrag van € 11.707,27 ter zake van materiële schade, in combinatie met de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr te vervangen door 93 dagen hechtenis. Het hof heeft de verdachte verwezen in de door deze benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van het arrest begroot op € 2.895,-. De vordering van de benadeelde partij [betrokkene 2] is toegewezen tot het bedrag van € 2.786,- bestaande uit € 786,- materiële schade en € 2.000,- immateriële schade in combinatie met de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr te vervangen door 37 dagen hechtenis. De vordering van de benadeelde partij U. [...] heeft het hof toegewezen tot een bedrag van € 544,50 als vergoeding voor materiële schade in combinatie met de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr te vervangen door 10 dagen hechtenis. Voorts heeft het hof beslissingen genomen inzake inbeslaggenomen voorwerpen.
2. De verdachte heeft beroep in cassatie doen instellen. Het door het Openbaar Ministerie ingestelde cassatieberoep is tijdig ingetrokken.Namens de verdachte heeft mr. C.F. Korvinus, advocaat te Amsterdam, een schriftuur houdende tweede middelen van cassatie ingediend.
3. De middelen richten zich tegen de verwerping door het hof van het beroep op noodweer(exces). Het hof heeft het beroep op noodweer verworpen, onder meer op de grond dat niet aannemelijk was geworden dat [betrokkene 3] , het slachtoffer van de onder 1 bewezenverklaarde doodslag, gewapend was toen hij door de verdachte de betreffende nacht werd doodgeschoten. In cassatie wordt dit oordeel onbegrijpelijk genoemd vanwege verklaringen van de verdachte en van getuigen die erop neerkomen dat het slachtoffer wel degelijk gewapend was.
4. Het oordeel van het hof dat het slachtoffer niet gewapend was, betreft een feitelijk oordeel dat door de cassatierechter slechts op zijn begrijpelijkheid kan worden getoetst. Het hof heeft ten aanzien van elke (getuigen)verklaring waarop een beroep is gedaan teneinde te onderbouwen dat het slachtoffer gewapend was, te kennen gegeven dat en waarom hij die verklaring niet aannemelijk acht. In cassatie wordt aangevoerd dat die overwegingen van het hof onbegrijpelijk zijn. Daarbij worden argumenten aangevoerd die ook in feitelijke aanleg reeds naar voren zijn gebracht. Al die argumenten waren het hof dus bekend en het hof heeft mede op basis daarvan een afweging gemaakt. Dat de afweging anders is uitgevallen dan door de verdediging bepleit, maakt het oordeel van het hof nog niet onbegrijpelijk.
5. Ten overvloede merk ik op dat in de toelichting wordt gewezen op verklaringen van een “getuige [betrokkene 4]”. Over verklaringen van getuige [betrokkene 4] heeft het hof zich niet uitgelaten; wel over verklaringen van een getuige genaamd [betrokkene 5]. Processen-verbaal met daarin verklaringen van een getuige [betrokkene 5] heb ik bij de stukken aangetroffen.
6. De klachten tegen de verwerping van het beroep op noodweer zijn uitsluitend gericht tegen het oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat [betrokkene 3] gewapend was. Nu ‘s hofs oordeel ter zake niet onbegrijpelijk is, falen de klachten tegen de verwerping van het beroep op noodweer.
7. Nu het hof heeft aangenomen dat zich geen noodweersituatie heeft voorgedaan, volgt daaruit dat ook het tweede middel, dat klaagt over de verwerping door het hof van het beroep op noodweerexces, faalt.2.
8. De middelen kunnen klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden.
9. Mijn standpunt houdt in dat de verdachte op de voet van artikel 80a RO niet-ontvankelijk is in het cassatieberoep omdat de middelen klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 31‑10‑2017
HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456, NJ 2016/316 m.nt. N. Rozemond, r.o. 3.6.1.