Einde inhoudsopgave
Retentierecht en uitwinning (O&R nr. 110) 2019/6.1.2
6.1.2 Afbakening ten opzichte van derdenbeslag
mr. M.A. Heilbron, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. M.A. Heilbron
- JCDI
JCDI:ADS589922:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Oudelaar 1995, p. 81-82. Zie over derdenbeslag uitgebreid Broekveldt 2003.
Oudelaar 1995, p. 81.
Broekveldt 2003/322.
Zie over het executoriaal beslag onder en bij een derde en de bezwaren tegen eerstgenoemde variant: Van Marsbergen & Blox 2018, p. 519-524.
In het Wetsvoorstel tot herziening van het beslag- en executierecht wordt een wijziging van art. 461d Rv voorgesteld. De wijziging brengt mee dat het moment waarop de termijn voor het betekenen van het formulier voor de derdenverklaring pas gaat lopen op het moment dat de derde zich erop heeft beroepen dat hij het beslag niet hoeft te dulden (en niet – zoals in het huidige recht – reeds op het moment van de beslaglegging overeenkomstig art. 440 Rv). Op het moment van de beslaglegging is immers nog mogelijk dat de derde zich niet verzet en dan zou verval van het beslag vanwege ongebruikt verloop van de drie dagen-termijn geheel niet nodig zijn. Zie de memorie van toelichting bij het concept-wetsvoorstel, onderdeel H, p. 35-36. Het wetsvoorstel is in internetconsultatie gegeven, welke op 20 juli 2018 is gesloten, zie https://www.internetconsultatie.nl/herzieningbeslagenexecutierecht.
237. De onderwerpen die in dit hoofdstuk worden behandeld, staan los van derdenbeslag.1 Men zou deze twee vormen van beslag met elkaar in verband kunnen brengen, omdat dit hoofdstuk ook gaat over het betrekken van een derde in de verhouding schuldeiser (of beslaglegger) en schuldenaar (of beslagdebiteur). Derdenbeslag moet echter worden onderscheiden van beslag op goederen van derden. Bij derdenbeslag gaat het om het beslag dat de beslaglegger legt onder een derde-beslagene op hetgeen die derde aan de beslagene verschuldigd is. Derdenbeslag betekent beslag op een goed van de schuldenaar zelf, op grond van de hoofdregel van art. 3:276 BW. Beslag op het goed van een derde vormt juist een uitzondering op die hoofdregel.2 Ingevolge art. 475 Rv kan derdenbeslag worden gelegd op (al of niet toekomstige) vorderingen die de schuldenaar op derden heeft of zal verkrijgen en op de aan de schuldenaar toebehorende roerende zaken (niet-registergoederen) die zich bij derden bevinden. Beslag op de vordering tot afgifte die de schuldenaar op de retentor heeft – en ter zake waarvan de retentor opschort – is niet mogelijk, omdat een vordering tot afgifte van een zaak een rechtsvordering is. Daarop kan vanwege art. 3:304 BW geen beslag worden gelegd. De combinatie derdenbeslag en retentierecht doet zich dus alleen voor, als een andere schuldeiser dan de retentor beslag legt op de roerende zaken die de retentor op het moment van beslaglegging onder zich heeft.3 De retentor is de derde-beslagene en zijn wederpartij is de beslagdebiteur. Als een andere schuldeiser executoriaal beslag legt op de zaak die zich onder de retentor bevindt, is de retentor op grond van art. 476a verplicht om binnen vier weken na het leggen van het beslag verklaring te doen van de zaak of zaken die door het beslag zijn getroffen. Hij mag de zaken niet afgeven aan de schuldenaar en is verplicht deze ter beschikking van de deurwaarder te stellen (art. 476b Rv). Wanneer de beslagene zelf toegang tot de zaak heeft – bijvoorbeeld wanneer het gaat om inboedel die is opgeslagen bij Shurgard – is geen sprake van derdenbeslag. Dit is gewoon beslag op roerende zaken onder de schuldenaar zelf.4
Naast derdenbeslag (onder de retentor), kan de mede-schuldeiser ook beslag leggen bij de retentor op grond van art. 461d Rv.5 Deze tweede variant geldt als beslag op de roerende zaak zelf en heeft het voordeel dat de retentor geen verklaring derdenbeslag hoeft af te leggen (art. 475 lid 2 jo. 476b Rv). Deze variant is echter alleen beschikbaar wanneer de retentor geen bezwaar zou maken tegen het beslag.6
238. In paragraaf 5.2.6 is behandeld dat beslag door de retentor op zaken van de schuldenaar ook kan plaatsvinden door middel van beslag onder zichzelf in de zin van art. 479h e.v. Rv. Verhaal op de zaak van een derde kan daarentegen niet worden gekwalificeerd als eigenbeslag. Volgens art. 479h Rv kan de schuldeiser beslag leggen op vorderingen die de schuldenaar op hem heeft (of uit een bestaande rechtsverhouding rechtstreeks zal verkrijgen) en op “aan de schuldenaar toebehorende roerende zaken die hij voor deze onder zich houdt en die geen registergoederen zijn”. De retentor houdt geen zaken ‘die aan zijn schuldenaar toebehoren’; de zaken behoren immers toe aan de derde. Deze conclusie brengt mee dat de voorschriften uit Rv en uit de Beslagsyllabus, die zien op ‘eigenbeslag’ niet relevant zijn voor verhaal op zaken van derden door de retentor.