Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/10.2.3
2.3 De deelbaarheid van de (bank)rekening-courant
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS948032:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie F.H.J. Mijnssen & A.I.M. van Mierlo, De rekening-courantverhouding (Mon. Pr. nr. 15) 2019/4.2, onder verwijzing naar J.A. Levy, Rekening-courant 1873, p. 243 e.v.
F.H.J. Mijnssen & A.I.M. van Mierlo, De rekening-courantverhouding (Mon. Pr. nr. 15) 2019/4.2. Vgl. B.A. Schuijling, Verrekening (Mon. BW nr. B40) 2019/28; Faber, Verrekening (O&R nr. 33) 2005/185 en W.A.K. Rank, Geld, geldschuld en betaling (R&P nr. 94) 1996, p. 226.
Zie Parl. Gesch. Boek 6 BW (TM), p. 518.
Zie F.H.J. Mijnssen & A.I.M. van Mierlo, De rekening-courantverhouding (Mon. Pr. nr. 15) 2019/4.2. Zie tevens Asser/Sieburgh II 2021/252; Faber, Verrekening (O&R nr. 33) 2005/185 en. B. Bierens, Geld in het vermogensrecht (Mon. BW nr. A17) 2020/21.4.
Zie F.H.J. Mijnssen & A.I.M. van Mierlo, De rekening-courantverhouding (Mon. Pr. nr. 15) 2019/4.2 en 14.1; B. Bierens, Geld in het vermogensrecht (Mon. BW nr. A17) 2020/21.4; Spath, Zaaksvervanging (O&R nr. 55) 2010/212, alsmede Faber, Verrekening (O&R nr. 33) 2005/185 en 187.
Zie B. Bierens, Geld in het vermogensrecht (Mon. BW nr. A17) 2020/21.4, onder verwijzing naar W. Snijders, ‘Betaling per giro’, in: Van Opstall-bundel 1972), p. 175-176. Zie voorts W.A.K. Rank. Geld, geldschuld en betaling (R&P nr. 94) 1996, p. 193-194; F.H.J. Mijnssen & A.I.M. van Mierlo, De rekening-courantverhouding (Mon. Pr. nr. 15) 2019/14; R.E van Esch, Giraal betalingsverkeer (R&P nr. FR7) 2019, p. 279-280. Zie tevens HR 3 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR1943, NJ 2005/200 (Mendel q.q./ABN AMRO) en HR 23 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2189 (Curatoren Eurocommerce/Rabobank).
Zie over de bevoegdheid van partijen om de inhoud van een vordering vrij vorm te geven paragraaf 4.2 van hoofdstuk 2.
Vgl. R.E. Van Esch, Giraal betalingsverkeer (R&P nr. FR7) 2019, p. 231.
Vgl. F.H.J. Mijnssen & A.I.M. van Mierlo, De rekening-courantverhouding (Mon. Pr. nr. 15) 2019/4.2 en 14.1; B. Bierens, Geld in het vermogensrecht (Mon. BW nr. A17) 2020/21.4; Spath, Zaaksvervanging (O&R nr. 55) 2010/212, alsmede Faber, Verrekening (O&R nr. 33) 2005/185 en 187.
605. In paragraaf 2.1 is reeds gebleken dat de bankrekening als een rekening-courant in de zin van artikel 6:140 BW kwalificeert. Door het girale betalingsverkeer ontstaan er tussen de bank en de rekeninghouder constant vorderingen en schulden, die in de rekening-courant van de betreffende bankrekening worden verwerkt. Het gevolg daarvan is dat deze vorderingen en schulden doorlopend worden verrekend, en dat de bank op ieder moment slechts het saldo is verschuldigd. Dat de bank alleen het saldo is verschuldigd, zou de gedachte kunnen doen postvatten dat de vorderingen die de bank aan de rekeninghouder door creditering verschaft door opneming in die rekening-courant tenietgaan. De rekening-courant is in die opvatting ondeelbaar. Een vordering die in de rekening-courant is opgenomen is in die opvatting tenietgegaan, en maakt deel uit van de saldovordering.1 Deze opvatting wordt in Nederland niet gevolgd.2 Dit blijkt uit de parlementaire toelichting bij artikel 6:140 BW. Daar wordt – onder verwijzing naar het Belgische en Franse recht waar dit niet geldt – het volgende opgemerkt:3
“De in het saldo begrepen, nog niet verrekende vorderingen blijven voortbestaan. Behoudens andersluidende afspraak worden zij niet genoveerd, noch door de opneming in de rekening, noch door de erkenning van het saldo. De voor elke post bestaande zekerheden blijven daaraan verbonden; voor het saldo gelden zij slechts, voor zover dit de betrokken vordering representeert.”
Weliswaar kan op grond van artikel 6:140 lid 1 BW dus géén nakoming worden gevorderd van een afzonderlijke in de rekening-courant opgenomen post, maar het op ieder tijdstip verschuldigde saldo is samengesteld uit de in de rekening opgenomen en nog niet verrekende posten.4 Dit geldt óók voor de bankrekening-courant.5 Daarbij geldt dan wel als bijzonderheid dat de vorderingen die in de bankrekening-courant worden opgenomen nieuwe vorderingen zijn (zie paragraaf 2.2.1 hiervóór). Zij zijn niet reeds op grond van een andere rechtsverhouding verkregen, en vervolgens in rekening-courant opgenomen, maar vinden hun grondslag in de raam- en rekening-courantovereenkomst zélf.6 Volgens mij moet dit alles zo worden begrepen dat de bank en de rekeninghouder – via de raam- en bankrekening-courantovereenkomst – met elkaar een nadere inhoud geven aan de afzonderlijke vorderingen die op grond van die overeenkomst ontstaan.7 De afzonderlijke vorderingen zijn daarbij aldus gevormd (hebben als ‘inhoud’) dat de prestatie die daarin besloten ligt jegens de bank niet individueel opeisbaar is; de rekeninghouder kan op grond van de raamovereenkomst betalingsopdrachten aan de bank geven, maar kan daarbij niet bepalen dat de betaalopdracht ten laste wordt gebracht van één of meer specifieke vorderingen die in het saldo van die bankrekening besloten liggen.8 In de inhoud van deze vorderingen ligt dus besloten dat zij niet individueel opeisbaar zijn. Aldus bestaan de afzonderlijke vorderingen wel, maar kan de prestatie die daarin besloten ligt niet individueel worden ‘geïnd’. Daarmee is het dus niet zo dat de vorderingen die in het creditsaldo van een bankrekening-courant zijn opgenomen (en die niet door verrekening teniet zijn gegaan) als afzonderlijke vorderingen teniet zijn gegaan en zijn vermengd tot één vordering van de rekeninghouder op de bank. Tot het vermogen van de rekeninghouder behoren de afzonderlijke vorderingen op de bank, zij het dat deze op grond van de bankrekening-courantovereenkomst niet individueel ‘geïnd’ kunnen worden (i.e. in contanten geld opnemen of opdracht geven tot een girale overboeking).9