Einde inhoudsopgave
Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht (FM nr. 151) 2018/4.1
4.1 Inleiding
mr. I.J. Krukkert, datum 01-02-2018
- Datum
01-02-2018
- Auteur
mr. I.J. Krukkert
- JCDI
JCDI:ADS465699:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Fiscaal strafrecht
Fiscaal bestuursrecht / Boete
Voetnoten
Voetnoten
Waar in dit hoofdstuk gesproken wordt over ‘de inspecteur’, wordt daarmee bedoeld de belastingambtenaar die gemandateerd is de bevoegdheden van inspecteur uit te oefenen.
Resolutie van 4 mei 1953, onderdeel 11 (V-N 1953, blz. 291-292).
Van Oosterom, WFR 1962/250.
Gezien de reikwijdte van dit onderzoek ga ik niet in op straf- en bestuursrechtelijke wet- en regelgeving omtrent het klachtrecht van betrokkenen ten aanzien van gedragingen van rechters en belastinginspecteurs die kunnen wijzen op een vooringenomen houding.
Vandaag de dag wordt in het fiscale boeterecht zowel het constateren van overtredingen als het ter zake opleggen van een bestuurlijke boete vaak door één en dezelfde persoon uitgevoerd: de inspecteur.1 Dit is niet altijd zo geweest. In de vorige eeuw bepaalde het fiscale boetebeleid decennialang dat de bevoegdheid voor het afwijken van de standaardboeten door een ander dan de inspecteur moest worden uitgeoefend. In de resolutie van 4 mei 1953 werden de directeuren hiermee belast, zodat een ‘grotere eenheid van beleid’ werd verkregen.2 Van Oosterom, die het LAB 1961 becommentarieerde waarin de lijn van de resolutie van 4 mei 1953 werd doorgezet, merkte hierover het volgende op:
“De beoordeling van verzachtende omstandigheden, die tot matiging van de verhoging aanleiding kunnen geven, is aan de directeurs voorbehouden. Voor de rechtsgelijkheid tussen de contribuabelen lijkt mij dit een zeer nuttige maatregel. De aanslagregelaar, die zelf ten nauwste bij een zaak betrokken is, zal vaak een subjectief oordeel hebben, vertroebeld door voor een juiste straftoemeting niet terzake doende bijkomstigheden zoals bijvoorbeeld […] een gebrek aan medewerking van de zijde van de contribuabele bij het tot klaarheid brengen van de fraude. De directeur staat wat verder van de zaak af en zal een bezonkener oordeel kunnen vellen.”3
Volgens Van Oosterom wordt het gelijkheidsbeginsel onder meer gevoed door de mate waarin het bestuursorgaan dat de finale boetebeslissing neemt onpartijdig is. Dit betekent dat een bestuursorgaan dat te weinig waarborgen biedt voor het eigen onpartijdig en objectief handelen, daardoor mogelijk het gelijkheidsbeginsel schendt. Het risico bestaat bijvoorbeeld dat gelijke gevallen ongerechtvaardigd ongelijk worden behandeld. Daar komt bij dat het gelijkheidsbeginsel ziet op een gelijke behandeling. Het heeft dus betrekking op het gehele proces van boeteoplegging en niet slechts op een beperkt onderdeel of een bepaalde fase. Een vooringenomen houding (zie ook onderdeel 3.4.3) brengt dus ook een zorgvuldige onderzoek (hoofdstuk 5), een evenredige belangenafweging (hoofdstuk 6) en het uiteindelijk uitvaardigen van een goed gemotiveerde beslissing (hoofdstuk 7) in gevaar. Dat maakt het onpartijdigheidsbeginsel van cruciaal belang voor het gehele proces van beboeting in het algemeen en voor het op maat maken van de individuele boete in het bijzonder.
In dit hoofdstuk zal ik een vergelijking maken tussen de neerslag van het onpartijdigheidsbeginsel in het strafrecht en fiscale bestuurlijke boeterecht. Eerst wordt in onderdeel 4.2 de uitwerking van het onafhankelijkheidsbeginsel in beide rechtsgebieden vergeleken. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen de externe onafhankelijkheid (onderdeel 4.2.1) en de interne onafhankelijkheid (onderdeel 4.2.2). Daarna wordt in onderdeel 4.3 ingezoomd op het onpartijdigheidsbeginsel (ook wel het verbod op vooringenomenheid genoemd). In onderdeel 4.4 zal een aantal strafrechtelijke en fiscale bestuursrechtelijke ‘reparatiemechanismen’ worden besproken, waarna in onderdeel 4.5 dit hoofdstuk wordt afgesloten met enkele beschouwingen.4