Het gaat om makelaarskosten, advertentiekosten en fotokosten waarmee in totaal € 221 aan btw is gemoeid. Ik verwijs in dit verband naar rechtsoverweging 4.7 van de hofuitspraak.
HR, 26-06-2020, nr. 18/02841
ECLI:NL:HR:2020:1146
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
26-06-2020
- Zaaknummer
18/02841
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
Beroepschrift, Hoge Raad, 26‑06‑2020
ECLI:NL:HR:2020:1146, Uitspraak, Hoge Raad, 26‑06‑2020; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2018:4483
- Vindplaatsen
NLF 2020/1606
FutD 2020-1920
Viditax (FutD) 2020062610
Beroepschrift 26‑06‑2020
Edelhoogachtbaar college,
Hierbij ontvangt u de motivering van het ingediende beroepschrift in cassatie tegen de uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden van 23 mei 2018, nrs. 16/00895 tot en met 16/00899, inzake [X2] B.V. betreffende de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag en de in rekening gebrachte belastingrente over 2012 en de opgelegde boetes over 2008 tot en met 2011.
1. Cassatiemiddelen
De volgende middelen van cassatie worden voorgedragen:
I.
Schending van het recht, in het bijzonder van artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de AWB), doordat het Hof in rechtsoverweging 4.6 heeft geoordeeld dat onvoldoende zou zijn dat belanghebbende het voornemen heeft om het pand belast of vrijgesteld te gaan verhuren en dat het hiervoor steun vindt in het arrest van de Hoge Raad van 13 juni 2014, nr. 13/00282, ECU:NL:HR:2014:1376, gelet op het hiernavolgende ten onrechte, althans op gronden die dat oordeel niet kunnen dragen.
II.
Schending van het recht, in het bijzonder van artikel 8:77 van de AWB, doordat het Hof in rechtsoverweging 4.9 het standpunt verwerpt dat de boete over 2008 is opgelegd zonder dat belanghebbende voldoende gelegenheid heeft gekregen om haar standpunt hierover kenbaar te maken, gelet op het hiernavolgende ten onrechte, althans op gronden die dat oordeel niet kunnen dragen. l
III.
Schending van het recht, in het bijzonder van artikel 8:77 van de AWB, doordat het Hof in rechtsoverwegingen 4.12 tot en met 4.14 heeft geoordeeld, dat [D] grove schuld kan worden verweten en dat deze grove schuld aan belanghebbende moet worden toegerekend, gelet op het hiernavolgende ten onrechte, althans op gronden die dat oordeel niet kunnen dragen.
2. Motivering cassatiemiddelen
I.
Het Hof heeft in rechtsoverweging 4.6 geoordeeld dat onvoldoende zou zijn dat belanghebbende het voornemen heeft om het pand belast of vrijgesteld te gaan verhuren en dat het hiervoor steun vindt in het arrest van de Hoge Raad van 13 juni 2014, nr. 13/00282, ECLI:NL:HR:2014:1376. Hiermee gaat het Hof uit van een onjuiste rechtsopvatting.
Uit artikel 15, lid 1, van de Wet op de omzetbelasting en artikel 168 van de Btw-richtlijn volgt dat voor de uitoefening van het recht op aftrek van voorbelasting, de prestaties als belastingplichtige moeten zijn afgenomen en moeten zijn bestemd respectievelijk gebruikt voor btw-belaste activiteiten. In casu is aan deze voorwaarden voldaan. Het is immers niet in geschil dat belanghebbende ondernemer is. Bovendien is niet in geschil dat de in het geding zijnde kosten1. betrekking hebben op prestaties die zien op de toekomstige verhuur van het pand en dat dit pand zich naar zijn aard leent voor belaste of vrijgestelde verhuur. Daarmee staat buiten kijf dat belanghebbende voornemens was om het pand voor belaste activiteiten te gaan gebruiken. Steun hiervoor is te ontlenen aan het arrest van het Hof van Justitie van 28 februari 2018, Imofloresmira, C-672/16, ECLI:EU:C:2018:134. Ook in die zaak heeft de vennootschap Imofloresmira reclame gemaakt om ruimte in de gebouwen te kunnen verhuren zonder dat op voorhand duidelijk was of het ging om aftrekgerechtigde huurders of niet, hetgeen blijkt uit onderdeel 23 van het arrest. Vervolgens oordeelt het Hof van Justitie dat Imofloresmira recht heeft op aftrek van voorbelasting, omdat zij tijdens de periode van leegstand steeds het voornemen heeft gehad om de ruimten btw-belast te verhuren. Dit kan niet anders worden uitgelegd dan dat aangezien de ruimten zich lenen voor belaste en vrijgestelde verhuur, de ruimten (mede) zijn bestemd voor belaste verhuur en om die reden recht bestaat op aftrek van voorbelasting.
De steun die het Hof vindt in het voormelde arrest van de Hoge Raad van 13 juni 2014 berust op een onjuiste lezing van dit arrest en mist daarmee feitelijke grondslag. In dit arrest zou de nadruk zijn gelegd op het voornemen van de belastingplichtige om de onroerende zaak voor belaste verhuur te gaan gebruiken.
In het arrest van 13 juni 2014 overweegt de Hoge Raad onder andere (cursief en onderstreept: […]):
‘4.3.
Het middel faalt. Zoals hiervoor in 3.3 is weergegeven is de vrijgestelde verhuur van het pand beëindigd en is het pand niet aansluitend verhuurd noch anderszins voor bedrijfsdoeleinden in gebruik geweest, terwijl het wel bestemd was om voor bedrijfsdoeleinden te worden gebruikt.
Voorts ligt in de hiervoor in 3.3 vermelde feiten besloten dat belanghebbende niet het voornemen had het pand in de toekomst voor niet-belaste handelingen te gebruiken.
Onder deze omstandigheden moet, naar redelijkerwijs niet voor twijfel vatbaar is, — zoals ook het geval is bij niet-gebruik voorafgaande aan de eerste ingebruikneming (vgl. onderdeel 5.4 van de conclusie van de Advocaat-Generaal) — ervan worden uitgegaan dat vanaf het tijdstip van de beëindiging van de verhuur sprake is van (voorgenomen) gebruik voor belaste handelingen. Dit brengt mee dat de onderwerpelijke beëindiging van de vrijgestelde verhuur een omstandigheid is die leidt tot de wijziging van het recht op aftrek in de zin van de artikelen 184 en 187, lid 2, tweede alinea, van BTW-richtlijn 2006 en mitsdien tot herziening van de aftrek bedoeld in artikel 13, lid 2, van de Uitvoeringsbeschikking.’
Uit deze rechtsoverweging volgt dat artikel 15, lid 1 en lid 4, eerste volzin van de Wet op de omzetbelasting 1968 zo moet worden uitgelegd, dat zodra er geen eenduidige bestemming is voor niet-belaste handelingen, recht op aftrek van voorbelasting bestaat.
De vennootschap was in de jaren 2008 tot en met 2012 eigenaar van een pand te [Z]. Het pand is tot 1 oktober 2012 vrijgesteld verhuurd aan een bank. Sinds 1 oktober 2012 staat het pand leeg. Uit de als bijlage 1 bij de motivering van het beroepschrift in hoger beroep bijgevoegde huurovereenkomst volgt, dat het pand pas op 15 september 2013 is opgeleverd aan en vanaf 1 december 2013 is verhuurd aan [C]. Uit de als bijlage 2 bij dat beroepschrift opgenomen e-mailcorrespondentie volgt dat de onderhandelingen met [C] pas in juli 2013 zijn gestart. Uit de huurovereenkomst blijkt dat het pand is bestemd om te worden gebruikt als bedrijfsruimte voor het verrichten van bureauwerkzaamheden. Hiermee staat vast dat het pand in 2011 nog niet was bestemd om te worden verhuurd aan [C]. Belanghebbende was voornemens om het pand te verhuren zonder dat op voorhand duidelijk was of dit een belaste dan wel vrijgestelde huurder betrof. Uit het arrest van de Hoge Raad volgt dan dat belanghebbende recht heeft op aftrek van voorbelasting voor de periode van leegstand, omdat het pand niet eenduidig was bestemd voor niet-belaste handelingen. Een andere uitleg zou met zich brengen dat een verhuurder slechts recht zou hebben op aftrek van voorbelasting, als hij in zijn advertenties zou opnemen dat alleen huurders in aanmerking komen die 90 % of meer aftrekgerechtigde activiteiten verrichten. Een dergelijk voorwendsel in advertenties is niet in overeenstemming met de economische realiteit en een dergelijke uitleg kan daarmee niet de bedoeling zijn. Iedere verhuurder zal namelijk ondanks voormelde advertenties iedere betalende huurder accepteren ongeacht of die huurder voor minimaal 90 % aftrekgerechtigde activiteiten verricht of niet. Als niet kan worden geopteerd voor belaste verhuur, zal een verhuurder de niet aftrekbare btw verdisconteren in de huurprijs.
Het oordeel van het Hof in rechtsoverweging 4.6 is daarmee onjuist.
Gelet op het vorenstaande moet de naheffingsaanslag over 2012 verder worden verminderd met € 221. Dit is het bedrag aan omzetbelasting dat in het vierde kwartaal van 2012 aan de vennootschap in rekening is gebracht aan makelaarskosten, advertentiekosten en fotokosten in verband met de beoogde verhuur van het pand.
Mocht de Hoge Raad niet voornemens zijn om de naheffingsaanslag ondanks het vorenstaande te verminderen met € 221, dan geef ik nadrukkelijk in overweging om de onderhavige rechtsvraag voor te leggen aan het Hof van Justitie. Het is namelijk ook na het Imofloresmira-arrest zeker niet acte clair of acte éclairé dat in de onderhavige situatie geen recht op aftrek van voorbelasting bestaat.
II.
Het Hof heeft in rechtsoverweging 4.9 het standpunt verworpen dat de boete over 2008 is opgelegd zonder dat belanghebbende voldoende gelegenheid heeft gekregen om haar standpunt hierover kenbaar te maken. Hiermee gaat het Hof uit van een onjuiste rechtsopvatting. In de brief van 19 november 2013 met kenmerk […] is vermeld dat belanghebbende twee dagen later(!) op donderdag 21 november 2013 mag reageren op de boete die de inspecteur voornemens is op te leggen. In onderdeel 4 van paragraaf 12 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (hierna: BBBB) staat het volgende:
‘De inspecteur geeft belanghebbende een redelijke termijn waarbinnen hij de aangevoerde gronden kan betwisten. De duur van de termijn voor het betwisten van de inhoud van de kennisgeving is niet voor alle gevallen vooraf vast te stellen. De bedoeling van de verplichte kennisgeving is belanghebbende in staat te stellen gemotiveerde verweren tegen de voorgenomen vergrijpboete aan te voeren. Bij het bepalen van de termijn houdt de inspecteur hiermee rekening. De inspecteur stelt een redelijke termijn voor het betwisten van de gronden in de kennisgeving, rekening houdend met de termijn genoemd in artikel 5:51, eerste lid, van de Awb. In de gevallen waarin dadelijk en ineens invorderbare belastingaanslagen worden opgelegd, kan de termijn, afhankelijk van de feiten en omstandigheden, zeer kort zijn.’
Gelet op deze passage is de termijn van twee dagen niet aan te merken als een redelijke termijn in vorenvermelde zin. Doordat de inspecteur heeft gehandeld in strijd met deze paragraaf van het BBBB moet de boetebeschikking over 2008 alleen al om deze reden worden vernietigd. Dat de boete pas ruim een maand later is opgelegd, doet er niet aan af dat de inspecteur gelet op paragraaf 12 van het BBBB een redelijke termijn had moeten geven, waarbinnen belanghebbende adequaat had kunnen reageren op het voornemen van de inspecteur om een boete op te leggen. Dat reeds voor 19 november 2013 bij belanghebbende kenbaar was of in ieder geval had kunnen zijn dat de inspecteur voornemens was om over 2008 een boete op te leggen, kan daar om dezelfde redenen niet aan afdoen.
Het oordeel van het Hof in rechtsoverweging 4.9 is daarmee onjuist.
III.
Het Hof heeft in rechtsoverwegingen 4.12 tot 4.14 geoordeeld, dat [D] grove schuld kan worden verweten en dat deze grove schuld aan belanghebbende moet worden toegerekend. Gelet op hetgeen in de voorlaatste en laatste alinea op bladzijde 4 van het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting voor het Hof is vermeld en hetgeen in de eerste vier alinea's op bladzijde 5 van het proces-verbaal is vermeld, is dit oordeel van het Hof onjuist. Van [D] zou wellicht een adequater optreden mogen worden verwacht, maar dit kan niet tot de kwalificatie grove schuld leiden. Ik wijs in dit verband op het arrest van de Hoge Raad van 10 juni 2011, nr. 10/04301, ECLI:NL:HR:2011:BQ7628.
Mocht de Hoge Raad van oordeel zijn dat sprake is van grove schuld van [D], dan kan die grove schuld niet aan belanghebbende worden toegerekend. [D] is namelijk niet de bestuurder van belanghebbende, maar van een andere vennootschap die middellijk de aandelen houdt van belanghebbende.2. [D] kan daarmee als een derde worden bestempeld en grove schuld van een derde kan niet aan belanghebbende worden toegerekend. Ik wijs in dit verband op de arresten van de Hoge Raad van 1 december 2006, nr. 40.518, ECLI:NL:HR:2006:AZ3355 en nr. 40.369, ECLI:NL:HR:2006:AU7741.
Het oordeel van het Hof in rechtsoverwegingen 4.12 tot en met 4.14 is daarmee onjuist of in ieder geval onvoldoende gemotiveerd.
3. Slot
Op grond van het vorenstaande kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De naheffingsaanslag over 2012 moet verder worden verminderd met € 221. De belastingrente moet dienovereenkomstig worden verminderd. De boetebeschikkingen over 2008 tot en met 2011 moeten worden vernietigd.
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 26‑06‑2020
In rechtsoverweging 4.14 gaat het Hof daar ook van uit doordat zij [D] bestempeld als indirecte bestuurder van belanghebbende. In onderdeel 2.10 van de hofuitspraak staat echter dat [D] de directeur is van belanghebbende. Dit laatste is feitelijk dus onjuist.
Uitspraak 26‑06‑2020
Inhoudsindicatie
Omzetbelasting; art. 15 Wet OB; leegstand van onroerende zaak; aftrek van omzetbelasting ter zake van instandhoudingskosten onroerende zaak die zich zowel voor belast als voor vrijgesteld gebruik leent.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 18/02841
Datum 26 juni 2020
ARREST
in de zaak van
[X2] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 23 mei 2018, nrs. 16/00895 tot en met 16/00899, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nrs. AWB 15/2712, AWB 15/2713 en AWB 15/2756 tot en met AWB 15/2758) betreffende een aan belanghebbende over het jaar 2012 opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting, de daarbij opgelegde beschikking inzake belastingrente, en de aan belanghebbende bij de naheffingsaanslagen over de jaren 2008 tot en met 2011 gegeven boetebeschikkingen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
2. Beoordeling van de middelen
2.1
Middel I slaagt op de gronden die zijn vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak met nummer 18/02840, ECLI:NL:HR:2020:1045. Hetgeen in dat arrest over de aftrek van omzetbelasting ter zake van de instandhoudingskosten is geoordeeld, geldt evenzeer voor de omzetbelasting ter zake van de kosten van diensten die verband houden met het zoeken naar een nieuwe huurder voor een leegstaand pand.
2.2
De overige middelen kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze middelen is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
2.3.1
Uit hetgeen hiervoor in 2.1 is overwogen, volgt dat de uitspraak van het Hof niet in stand kan blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
2.3.2
De stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat op voorhand in redelijkheid niet kon worden uitgesloten dat, nadat een huurder was gevonden, gekozen zou worden voor belaste verhuur. Dit brengt mee dat belanghebbende recht heeft op aftrek van de omzetbelasting ter zake van de kosten van diensten die verband houden met het zoeken naar een nieuwe huurder. Voor dat geval is tussen partijen niet in geschil dat de naheffingsaanslag over het jaar 2012 moet worden vernietigd.
3. Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaken met nummers 18/02840, 18/02841 en 18/02843 met elkaar samenhangen in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof, de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraken van de Inspecteur maar uitsluitend voor zover deze de naheffingsaanslag over het jaar 2012 en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente betreffen,
- vernietigt de naheffingsaanslag over het jaar 2012 en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente,
- draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 508, en
- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op een derde van € 1.050, derhalve € 350 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer E.N. Punt als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon, L.F. van Kalmthout, M.E. van Hilten en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2020.