HR, 12-11-2021, nr. 20/01981
20/01981
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
12-11-2021
- Zaaknummer
20/01981
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2021:1672, Uitspraak, Hoge Raad, 12‑11‑2021; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2020:4166
Beroepschrift, Hoge Raad, 12‑11‑2021
- Vindplaatsen
V-N 2021/49.13 met annotatie van Redactie
NLF 2021/2218 met annotatie van Sacha Bothof
NTFR 2021/3974 met annotatie van mr. H.A. Elbert
Viditax (FutD) 2021111221
FutD 2021-3469
Uitspraak 12‑11‑2021
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 20/01981
Datum 12 november 2021
ARREST
in de zaak van
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
tegen
[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 26 mei 2020, nr. 18/004721., op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 17/4686) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen.
1. Geding in cassatie
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Beoordeling van het middel
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1
Belanghebbende heeft op 16 oktober 2015 een beschadigde personenauto (hierna: de auto) gekocht bij een autobedrijf in Duitsland. De verkoper heeft op 19 oktober 2015 voor de auto een factuur aan belanghebbende uitgereikt met daarop de vermelding dat de kilometerstand van de auto nul bedraagt.Op 20 oktober 2015 is de auto in Duitsland geregistreerd en voor het eerst toegelaten op de weg.Nadien is de auto op een oplegger vanuit Duitsland naar Nederland overgebracht. Belanghebbende heeft de auto op 4 november 2015 doen registreren in het Nederlandse kentekenregister. De kilometerstand bedroeg op dat moment 217. De auto vertoonde ten tijde van die registratie geen sporen van gebruik.
2.1.2
Bij het op aangifte voldoen van de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) ter zake van de registratie van de auto in het Nederlandse kentekenregister is belanghebbende ervan uitgegaan dat de auto een gebruikte personenauto is als bedoeld in artikel 10, lid 1, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: de Wet) en dat de verschuldigde bpm daarom kan worden berekend met inachtneming van een vermindering.
2.1.3
De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat de auto voor de heffing van bpm moet worden aangemerkt als een nieuwe personenauto en dat de hiervoor in 2.1.2 bedoelde vermindering aan bpm niet terecht is geweest. Op die grond heeft hij de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd.
2.2.1
Voor het Hof was in geschil of de auto ten tijde van de registratie in het Nederlandse kentekenregister als een nieuwe personenauto of als een gebruikte personenauto moet worden aangemerkt.
2.2.2
Het Hof heeft vooropgesteld dat onder een nieuwe personenauto in de zin van de Wet moet worden verstaan een auto die na de vervaardiging ervan niet of nauwelijks in gebruik is geweest.
2.2.3
Vervolgens heeft het Hof geoordeeld dat de auto moet worden aangemerkt als een gebruikte personenauto. Daartoe heeft het Hof in aanmerking genomen dat de auto ten tijde van de registratie in het Nederlandse kentekenregister weliswaar geen gebruikssporen vertoonde, maar wel schade had en die schade er al was ten tijde van de aankoop door belanghebbende.
2.3.1
Het middel richt zich tegen het hiervoor in 2.2.3 weergegeven oordeel met het betoog dat het Hof geen rekening had mogen houden met de schade aan de auto.
2.3.2
Met een gebruikte personenauto in de zin van artikel 10, lid 1, van de Wet is bedoeld de personenauto die in het buitenland geregistreerd is geweest met het oog op toelating op de weg en die ook daadwerkelijk in het buitenland op de weg in gebruik is geweest. Een personenauto die na de vervaardiging ervan niet of nauwelijks op de weg is gebruikt, blijft daarom voor de toepassing van de artikelen 9 en 10 van de Wet een nieuwe personenauto. De omstandigheid dat een personenauto voorafgaande aan de eerste ingebruikneming op de weg schade in welke vorm dan ook heeft opgelopen, kan niet de conclusie rechtvaardigen dat die personenauto daadwerkelijk op de weg in gebruik is geweest.2.Het hiervoor in 2.2.3 weergegeven oordeel van het Hof berust op een onjuiste rechtsopvatting. Het middel slaagt.
2.4
Gelet op hetgeen hiervoor in 2.3.2 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. De stukken van het geding bevatten geen aanwijzingen dat de auto in het buitenland op de weg in gebruik is geweest. De auto moet daarom voor de toepassing van de artikelen 9 en 10 van de Wet worden aangemerkt als een nieuwe personenauto. Dit brengt mee dat de uitspraak van de Rechtbank moet worden bevestigd.
3. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof, en
- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 12 november 2021.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 12‑11‑2021
Zie HR 16 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1528, rechtsoverweging 2.4.2.
Beroepschrift 12‑11‑2021
Den Haag, [_ £ JULI 2020]
Kenmerk: […]
Beroepschrift in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 26 mei 2020, nr. 18/00472, inzake [X] B.V.
(voorheen V.O.F. [A]) te [Z] betreffende de naheffingsaanslag in de belasting van personenauto's en motorrijwielen van
8 januari 2016. Van deze uitspraak is op 26 mei 2020 een afschrift aan de Belastingdienst, kantoor Den Haag/Centraal Serviceteam Beroep toegezonden.
AAN DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Als middel van cassatie draag ik voor:
Schending van het recht, in het bijzonder van artikel 9, vijfde en zesde lid, en artikel 10, eerste lid van de Wet belasting van personenauto's 1992 (tekst 2015; hierna: Wet Bpm) en/of artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht, doordat het Hof van oordeel is dat (herstelde) schade aan een personenauto volstaat om de auto niet als een nieuwe auto aan te merken in de zin van de Wet Bpm, zulks in verband met het hierna volgende ten onrechte dan wel op gronden die de beslissing niet kunnen dragen.
Ter toelichting merk ik het volgende op.
Feiten en het geschil
Op 16 oktober 2015 heeft belanghebbende de Audi Al Sportback 1.6 (hierna: de auto) besteld bij [B] (Duitsland). De auto had schade die bestond in een kras op één van de velgen, hagelschade aan het dak en krassen op de achterbumper. Door de schade aan de auto kon belanghebbende de auto fors goedkoper kopen.
Op 19 oktober 2015 is de auto gefactureerd aan belanghebbende. De auto had op dat moment een kilometerstand van nul.
Belanghebbende heeft de auto vanuit Duitsland met een oplegger laten overbrengen naar Nederland.
Belanghebbende heeft de auto voor het eerst in gebruik genomen.
Belanghebbende heeft op 26 oktober 2015 aangifte voor de Bpm gedaan ter zake van de registratie van de auto. Daarbij is belanghebbende ervan uitgegaan dat de auto als een gebruikte personenauto moet worden aangemerkt.
De auto is op 4 november 2015 in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden kentekenregister geregistreerd op naam van belanghebbende. De kilometerstand van de auto bedroeg op dat moment 217.
De auto vertoonde geen sporen van gebruik.
Voor het Hof was in geschil of de auto voor de toepassing van de Wet Bpm ten tijde van het belastbare feit (de registratie in het Nederlandse kentekenregister) moet worden aangemerkt als een nieuwe auto in de zin van artikel 9, vijfde lid, van de Wet Bpm, in welk geval de heffing van Bpm tegen de catalogusprijs geschiedt of als een gebruikte auto in de zin van artikel 9, zesde lid en artikel 10, van de Wet Bpm, in welk geval een afschrijving in aanmerking wordt genomen.
Nieuwe of gebruikte auto in de zin van de Wet Bpm
Terecht overweegt het Hof dat onder een nieuwe auto in de zin van de Wet Bpm moet worden verstaan een auto die na de vervaardiging ervan niet of nauwelijks in gebruik is geweest. Uit onderdeel 4.4 van de uitspraak begrijp ik het oordeel van het Hof aldus dat het Hof meent dat (herstelde) schade aan een auto volstaat om de auto niet als nieuw — dus als gebruikt — in de zin van de Wet Bpm aan te merken. Kennelijk acht het Hof niet van belang of de schade is ontstaan door het gebruik van de auto. Het Hof heeft hiermee een uitleg gegeven aan het begrip ‘nieuwe personenauto’ in de zin van artikel 9, vijfde lid, van de Wet Bpm, die strijdig is met de jurisprudentie van de Hoge Raad. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat een auto die eerder in het buitenland geregistreerd was (HR 29 mei 2009, nr. 08/00824, ECLI:NL:HR:2009:BI5100), die lang in een showroom heeft gestaan of die een al lopende garantietermijn had (HR 27 januari 2017, nr. 16/02949, ECLI:NL:HR:2017:78) en die daarom als nieuwe auto al een zekere waardevermindering heeft ondergaan, voor de toepassing van de Wet Bpm nog steeds als nieuwe auto in aanmerking wordt genomen wanneer de auto niet of nauwelijks is gebruikt.
Het Gerechtshof Arnhem oordeelde in de uitspraak van 10 juli 2012, nr. 11/00666, ECLI:NL:GHARN:2012:BX4775, dat een niet of nauwelijks gebruikte auto ondanks het aanwezig zijn van een kras in het lakwerk op de rechterportier, waarvan de herstelkosten € 1.600 bedragen, als nieuw kan worden aangemerkt. De uitspraak is gevolgd door HR 8 maart 2013, nr. 12/03887, ECLI:NL:HR:2013:BZ3605, waarin het cassatieberoep met toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie ongegrond is verklaard.
Het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch oordeelde in de uitspraak van 6 december 2018, nr. 18/00104, ECLI:NL:GHSHE:2018:5167, dat een niet of nauwelijks gebruikte auto met inbraakschade een nieuwe auto is. Deze zaak ligt thans voor bij de Hoge Raad met nummer 19/00245.
De bij de Hoge Raad aanhangige procedure met nummer 19/03875 betreft een geïmporteerde auto die niet of nauwelijks is gebruikt met transportschade. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft in zijn uitspraak van 9 juli 2019, nr. 18/00281, ECLI:NL:GHARL:2019:5721, beslist dat nu de auto geen sporen van gebruik of beschadiging door gebruik van de auto vertoonde — de transportschade vormt geen schade als gevolg van gebruik van de auto als vervoermiddel — de auto na vervaardiging ervan nauwelijks is gebruikt en sprake is van een nieuwe auto. In deze zaak heeft de Advocaat-Generaal (hierna: A-G) Ijzerman op 25 februari 2020, conclusie genomen. Met instemming citeer ik daaruit de volgende overwegingen (met weglating van de voetnoten):
‘5.2
Op basis van het geringe aantal kilometers is sprake van een ‘nieuwe auto’. Daarvan uitgaande biedt de wetgeving niet de mogelijkheid de in aanmerking te nemen catalogusprijs te verminderen, in casu met de herstelkosten.
5.3
Belanghebbende bepleit echter vermindering. Daarin heeft zij de Rechtbank aan haar zijde gevonden. De Rechtbank is namelijk gekomen tot het oordeel dat de auto is aan te merken als een ‘gebruikte auto’, omdat het aannemelijk is dat de auto zich eerder in een concurrentieverhouding bevindt met tweedehands auto's dan met ‘echte’ nieuwe auto's (zonder herstelde schade). Uitgaande van het zijn van ‘gebruikte auto’, is vermindering mogelijk op grond van artikel 10 van de Wet BPM.
5.4
Ik zou de benadering van de Rechtbank willen aanmerken als meer gericht op een economisch reëel eindresultaat. Die benadering is ook te zien in andere lagere jurisprudentie.
5.5
Wat het Hof daarentegen heeft gedaan is mijns inziens te zien als het stapsgewijs volgen van de wet, met inachtneming van bestaande jurisprudentie van de Hoge Raad. Dat leidt ertoe dat de auto, wegens een zeer gering aantal gereden kilometers, als nieuw is aangemerkt. De consequentie hiervan is dat wettelijk niet is voorzien in enige korting op de in aanmerking te nemen catalogusprijs.
5.6
Ik merk op dat het naar mijn mening in lijn is met de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dat van een ‘nieuwe’ auto sprake is indien daarmee niet of nauwelijks gereden is ten tijde van de registratie. Het gaat daarbij om de mate van gebruik van de auto. Een sprekend voorbeeld lijkt mij het arrest van 14 september 2012.37 Daarin ging het om een auto met slechts 174 kilometer op de teller die 4,5 jaar ongebruikt in een showroom had gestaan. Dit had uiteraard — feitelijk en economisch beschouwd — een prijsdrukkend effect. Belanghebbende wilde daarom vermindering verkrijgen op de catalogusprijs. De Hoge Raad heeft echter geoordeeld dat hier sprake was (gebleven) van een nieuwe auto, met als wettelijke consequentie dat moet worden uitgegaan van de toepasselijke catalogusprijs, zonder vermindering.
5.7
In het Kaderbesluit bpm, als gewijzigd bij besluit van 7 april 2017, na het voor deze procedure relevante belastingjaar 2016, is in onderdeel 6.3 een toelichting opgenomen over het begrip ‘nieuw’ motorrijtuig. Daarin worden ook andere factoren genoemd dan het aantal gereden kilometers.
6.3.
(…) Of sprake is van een motorrijtuig welk niet of nauwelijks in gebruik is geweest, is sterk afhankelijk van de omstandigheden. Het gaat er in feite om te bezien of sprake is van een occasion, een tweedehandsauto, dan wel een nieuwe, nog niet daadwerkelijk door een ander in gebruik genomen auto (conclusie A-G, 23 april 2015, ECLI:NL:PHR:2015:608). Verder kan in de totaalbeoordeling nog worden gedacht aan de leeftijd (tijdsverloop tussen datum eerste toelating in het buitenland en datum eerste registratie in Nederland), kilometerstand en gebruikssporen. (…).
5.8
Naast de kilometerstand zijn genoemd de leeftijd en gebruikssporen. Echter, de leeftijd lijkt mij geen punt, gezien het voornoemde showroom arrest. Verder lijkt het mij dat met ‘gebruikssporen’ is bedoeld gebruik op de weg. Dus geen transportschade, zoals in casu.
(…)
5.12
Overigens schijnt het mij toe dat de benadering van het Hof steun kan vinden in een vergelijkbare procedure bij het Gerechtshof Leeuwarden van 3 januari 2012, die door de Hoge Raad is afgedaan met artikel 81 Wet RO. Daar was sprake van een exclusieve auto met een consumentenprijs — zijnde de catalogusprijs inclusief BPM en omzetbelasting — van € 283.373, waarvoor de Nederlandse koper bereid was (zelfs) meer te betalen. De auto had lakschade op de rechterportier, met een schadeherstelbedrag van € 1.600. Dat nam niet weg dat de niet of nauwelijks gebruikte auto is aangemerkt als een ‘nieuwe auto’.
5.13
Er is naar mijn mening onvoldoende reden om af te wijken van de lijnen gekozen in de jurisprudentie van de Hoge Raad, als toegepast door het Hof. Dat betekent dat in casu de auto moet worden aangemerkt als een ‘nieuwe auto’.’
In de voorliggende procedure staat vast dat de kilometerstand van de auto bij registratie in Nederland 217 km bedroeg en dat belanghebbende de eerste gebruiker van de auto was. Hieruit volgt dat de auto ten tijde van de registratie in Nederland niet of nauwelijks was gebruikt. Verder staat vast dat op het moment waarop belanghebbende de auto bestelde, de auto schade had opgelopen die bestond uit een kras op één van de velgen, hagelschade aan het dak en krassen op de achterbumper. Drie dagen later is de auto met een kilometerstand van nul gefactureerd aan belanghebbende, zodat voornoemde schade niet het gevolg kan zijn van het gebruik van de auto als vervoermiddel. De schade is het gevolg van feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan voordat de auto in gebruik is genomen. De (herstelde) schade staat er derhalve niet aan in de weg dat de auto, met een verwaarloosbare kilometerstand, ten tijde van de registratie als een nieuwe auto is aan te merken.
Het Hof heeft bij zijn oordeelsvorming mijns inziens de schade die de auto heeft opgelopen voordat de auto in gebruik is genomen, ten onrechte meegenomen. Bij de beoordeling of de auto een nieuwe auto is in de zin van de Wet Bpm had het Hof enkel moeten onderzoeken of de auto niet of nauwelijks in gebruik is geweest. Daarvan uitgaande en gelet op de feiten en omstandigheden kan niet anders worden geconcludeerd dan dat de auto een nieuwe auto is voor de toepassing van de Wet Bpm.
Op grond van het vorenstaande ben ik van oordeel dat de uitspraak van het Hof niet in stand zal kunnen blijven.
DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN,
namens deze
DE DIRECTEUR-GENERAAL BELASTINGDIENST,
loco