Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/IV.3.2.3
IV.3.2.3 Grondslag II: bescherming van de overige functies van de strafprocedure
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS599795:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. aldus Lippke 2016: “The nonpresumption of guilt [...] counsels [...] to avoid presuming that the individuals suspected of or accused of crimes are guilty or will be found guilty – the former because the criminal justice process is fallible and we know this, or ought to by now; the latter because it is unpredictable.” Vgl. ook Packer 1968.
Zie daarvoor onder andere Trechsel 1997; Hildebrandt 2002; Fedorova 2012, p. 70-92.
Trechsel 1997, p. 100; Luban 2007, p. 68-69: “A procedural system that simply gagged a litigant and refused even to consider her version of the case would be in effect treating her story as if it didn’t exist, her point of view as if it were literally beneath contempt. […] So, in this context, having human dignity means, roughly, having a story of one’s own.” Stewart 2014, p. 408-409: “[T]he procedures adopted by [a] system of dispute resolution must, whatever else they do, respect the status of the persons, as persons, whose rights are at issue. That is, the procedures used to settle disputes about rights, just like the rights themselves, must be consistent with the freedom of the persons whose conduct is in issue. So the treatment of a person suspected or accused of a crime must be consistent with his or her status as a person.” Zie ook Van Toor (2017, p. 131 e.v., p. 196-197) die van een menswaardig strafproces verlangt dat daarin de verdachte zijn persoonlijke verhaal vertellen kan. Vgl. tevens Corstens/Borgers 2014, p. 11-12; Keulen & Knigge 2016, p. 87-88.
De ‘eerlijkheid’ van een procedure hangt dan ook niet alleen af van de uitkomst van die procedure. Zie over de relatie tussen procedural justice en menselijke waardigheid met verdere verwijzingen Solum 2004, p. 262 e.v.
Zie bijv. ook Stewart 2014: “In a liberal legal order, the presumption of innocence is [...] a right that everyone has simply in virtue of being a person. No-one does wrong merely by existing. So no-one can be punished for anything unless and until the fact of wrongdoing has been established through the process designed for that purpose”; en De Jong & Van Lent 2016: “Under the aegis of the presumption of innocence, the defendant is promoted to the rank of a full and autonomous agent in the proceedings against him, and is enabled to insert his own views and narrative into the criminal law system [...].” Zie ook Ashworth & Zedner 2014, p. 53.
Zie Montesquieu (1748) 1956, deel 1, boek 12, hfdst. 2, p. 196-197 en daarover uitgebreider Hildebrandt 2002, p. 440-441.
Ook voor de moderne, geciviliseerde democratieën is het mogelijke ‘chilling effect’ dat uitgaat van strafbaarstelling, vervolging en bestraffing daarom steeds een wezenlijk punt van aandacht. Zie daarover vooral de EHRM-rechtspraak inzake de vrijheid van meningsuiting, o.a. EHRM (GK) 17 december 2004, nr. 33348/96, par. 114 (Cumpana & Mazare/Roemenië); EHRM (GK) 12 februari 2008, nr. 14277/04, par. 95 (Muja/Moldavië).
Quintard-Morénas 2010, p. 109.
Zie daarover Hildebrandt 2002, i.h.b. p. 387. Tegenspraak en ‘equality of arms’, die ten overstaan van de onafhankelijke en onpartijdige rechter in openbaarheid vorm krijgen, belichamen dat normatieve karakter. Vgl. ook Campbell 2013, p. 690.
In beginsel komt het recht niet voortijdig als schuldige te worden behandeld aan iedere verdachte toe. Daar waar de schuld van de verdachte evident is – en dergelijke zaken zijn in de strafrechtspleging aan de orde van de dag – lijkt het gevaar dat onschuldigen als schuldige worden behandeld, echter gering. De eerste grondslag voor de behandelingsdimensie gaat dan niet op. Aan die redenering kan worden tegengeworpen dat nauwelijks criteria voor ‘evidente schuld’ zijn aan te leggen. Schijn bedriegt soms en nieuwe informatie kan een verrassend ander licht op de zaak werpen.1 Deze tegenwerping zou er echter niet aan in de weg staan een schending van de onschuldpresumptie door een latere veroordeling gerepareerd te achten en verklaart dus maar ten dele waarom ook in ‘evidente’ gevallen de behandelingsdimensie van de presumptie van onschuld in acht moet worden genomen.
Dat het vermoeden van onschuld zich zelfs verzet tegen een bejegening als schuldige wanneer deze bejegening met een nadien gewezen veroordelend vonnis overeenstemt, heeft onder meer ermee te maken dat adequate waarheidsvinding niet het enige belang is dat door middel van de exclusiviteit van de procedure wordt beschermd. Andere functies van het strafproces komen eveneens minder tot hun recht, wanneer de procedure niet als scherprechter tussen schuld en (nog-)niet-schuld fungeert. Het gaat dit boek te buiten om al die functies te behandelen.2 Hier volstaan enkele illustraties die aantonen waarom anticipatie op schuld die achteraf of evident juist is, aan verwezenlijking van met de procedure gediende belangen wezenlijk afbreuk doet.
Zouden autoriteiten ervoor kunnen kiezen voorafgaand aan of gedurende de procedure, de verdachte te tuchtigen of te beschimpen, dan doet dat niet alleen tekort aan de belangen van de feitelijk onschuldige verdachte. Het strafproces beschermt niet alleen de onschuldige, maar doet tevens recht aan de waardigheid en menselijkheid van iedere verdachte.3 Daar waar de vaststelling van zijn rechten en plichten in het geding is, moet eenieder met een zekere vrijheid en autonomie over die rechten en plichten kunnen procederen, zo is de gedachte.4 Kan buiten die procedure om de schuld van de betrokkene als een gegeven worden beschouwd, dan maakt dat het met de procedure betrachte respect in belangrijke mate ongedaan en de met die procedure gepaard gaande rechten illusoir.5
Ook vanuit een meer constitutioneel perspectief is de exclusiviteit van de procedure cruciaal. Over de legitimiteit van bejegening als schuldige heeft de onafhankelijke rechter het laatste woord. Montesquieu waarschuwde al dat de angst te worden gestraft de politieke vrijheid onderdrukt.6 Is de vorst – of thans: de regering – tot punitieve bejegening bevoegd, dan zal hij de door hem gewenste rechtsorde door middel van terreur kunnen afdwingen.7 De politieke potentie van de straf en die van stigmatisering als ‘crimineel’ of ‘terrorist’ is nog altijd in vele landen zichtbaar. De onschuldpresumptie beteugelt die potentie. Quintard-Morénas noemt het beginsel daarom “the very foundation of a social contract in which society, by prohibiting private vengeance and guaranteeing the right to be tried by an impartial [...] [tribunal], acknowledges that there is a time for innocence and a time for guilt”.8
Mijns inziens is zelfs de vergelding zoekende en met het slachtoffer begane samenleving er uiteindelijk bij gebaat dat de procedure de enige schuldvaststellingsroute vormt. Door in het openbaar en op tegenspraak over het delict te procederen, wordt het bestaan van een samenleving met gezamenlijke normen bevestigd en het gezag van die normen versterkt.9 De veroordeling spreekt de rechter niet alleen namens zichzelf of de overheid uit, maar ook namens de samenleving als zodanig. Zij die de verdachte wat hij heeft gedaan vroegtijdig geheel of gedeeltelijk ‘betaald zetten’, doen daarmee tekort aan het belang van de samenleving om als geheel en in het openbaar eensgezind afkeuring voor het gedrag uit te spreken en daaraan een sanctie te verbinden.
Kortom, niet alleen de waarheidsfunctie van het strafproces wordt met de onschuldpresumptie gewaarborgd. Indien over de schuld van de verdachte nauwelijks te twijfelen valt, zijn nog altijd verschillende functies van de procedure bij het exclusieve karakter daarvan gebaat. Die functies beschermen niet alleen de belangen van de verdachte, maar vertegenwoordigen ook meerdere algemene belangen.