RBP 2025/37
Collectieve actie. Collectieve vordering die deels tegen andere rechtspersonen wordt ingesteld ten behoeve van een (gedeeltelijk) andere achterban dan de eerdere collectieve vordering, kan zien op ‘dezelfde gebeurtenis of gebeurtenissen’ en ‘gelijksoortige feitelijke en rechtsvragen’ in de zin van art. 1018d lid 1 Rv.
HR 14-03-2025, ECLI:NL:HR:2025:388
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
14 maart 2025
- Magistraten
Mrs. M.J. Kroeze, T.H. Tanja-van den Broek, C.E. du Perron, H.M. Wattendorff, S.J. Schaafsma
- Zaaknummer
23/04444
- Conclusie
plv. P-G mr. M.H. Wissink
- JCDI
JCDI:BSD13570:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Vermogensrecht / Rechtsvorderingen
Burgerlijk procesrecht / Rechtspleging van onderscheiden aard
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2025:388, Uitspraak, Hoge Raad, 14‑03‑2025
ECLI:NL:PHR:2024:1190, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 08‑11‑2024
Beroepschrift, Hoge Raad, 21‑12‑2023
- Wetingang
Essentie
Collectieve actie. Ontvankelijkheidseisen. Proceskostenveroordeling.
Collectieve vordering die deels tegen andere rechtspersonen wordt ingesteld ten behoeve van een (gedeeltelijk) andere achterban dan de eerdere collectieve vordering, kan zien op ‘dezelfde gebeurtenis of gebeurtenissen’ en ‘gelijksoortige feitelijke en rechtsvragen’ in de zin van art. 1018d lid 1 Rv. De termijnverlenging op grond van art. 1018d lid 2 Rv heeft geen algemene werking. Andere 3:305a-rechtspersonen zijn aan te merken als mede-eisers en niet als wederpartijen wat betreft de kostenveroordeling, ook niet als die mede-eisers zich wat betreft de ontvankelijkheid van eiser scharen bij de wederpartij.