Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/6.2.3.1
6.2.3.1 Geen bijzondere erfrechtelijke positie
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232282:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Deze bepaling is afgeschaft in het kader van de crisiswetgeving uit de jaren dertig van de vorige eeuw, Wet van 29 november 1935, Stb. 685. Bij deze wet werd ook artikel 1717 (oud) BW afgeschaft, dat handelende over de machtiging door de Koning voor het aannemen van schenkingen aan ‘openbare of godsdienstige gestichten gedaan’. Helaas ontbreekt het in de Memorie van Toelichting aan een motivering voor de afschaffing.
Zie over artikel 2:5 BW, Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/55.
HR 11 maart 1932, NJ 1932/p. 698, m.nt. E.M.Meijers (Paul Tétar van Elvenfonds).
Voor een uitgebreide verhandeling over de saisine zie Handboek Erfrecht, M.J.A. van Mourik 2015/IV.6. Voor de gevolgen van de saisine, de overgang onder algemene titel, zie L.C.A. Verstappen, Rechtsopvolging onder algemene titel (diss. Nijmegen, Ars Notariatus LXXII), Deventer: Kluwer 1996, in het bijzonder hoofdstuk 4 Erfopvolging en bijzondere rechtsfiguren.
In Duitsland bestaan geen formele beperkingen aan erfrechtelijke begunstigingen ten behoeve van een bij dode opgerichte stichting, maar het stichtingenrecht kan tot gevolg hebben dat een bepaalde wijze van begunstiging ertoe leidt dat de stichting nimmer zal ontstaan. Anders is het in België. Daar bestaan sinds 2017 geen beperkingen meer ten aanzien van erfrechtelijke verkrijgingen door stichtingen. Na bestudering van de situatie in Duitsland en België, is het thans tijd voor de situatie in Nederland ten aanzien van verkrijgingen door een bij dode opgerichte stichting.
Sinds de afschaffing van artikel 947 (oud) BW in 1935, bestaan in Nederland geen beperkingen voor erfrechtelijke verkrijgingen door stichtingen.1 Dat een stichting een positie kan hebben in het erfrecht is dan ook onomstreden en wordt bevestigd in artikel 2:5 BW (zie 1.5.1).2 Het is daarom ook juist dat, zo bleek in hoofdstuk 3, afstand is genomen van de leer uit het Tétar van Elvenfonds-arrest, waarin de Hoge Raad vasthield aan de bijzondere wijze van rechtsopvolging onder algemene titel door een stichting die bij uiterste wilsbeschikking was opgericht.3 Ten aanzien van de erflater en diens nalatenschap neemt de bij dode opgerichte stichting sindsdien dezelfde positie in als elke andere erfgenaam, natuurlijk persoon of rechtspersoon. Ook artikel 4:182 BW, handelende over de saisine,4 kent geen onderscheiden soorten erfgenamen. Dit kan ook worden gezegd van de bij dode opgerichte stichting als legataris of lastbevoordeelde; ook daarin onderscheidt de bij dode opgerichte stichting zich niet van andere verkrijgers.
Toch geldt op één punt dat een stichting (als rechtspersoon) in het erfrecht anders wordt behandeld dan een natuurlijk persoon. Dit is in het geval sprake is van een erfstelling die (mede) afhankelijk is van het leven.