Procestaal: Frans.
HvJ EU, 21-06-2017, nr. C-621/15
ECLI:EU:C:2017:484
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
21-06-2017
- Magistraten
M. Ilešič, kamerpresident, A. Prechal, A. Rosas, C. Toader, E. Jarašiūnas
- Zaaknummer
C-621/15
- Conclusie
M. Bobek
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2017:484, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 21‑06‑2017
ECLI:EU:C:2017:176, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 07‑03‑2017
Uitspraak 21‑06‑2017
M. Ilešič, kamerpresident, A. Prechal, A. Rosas, C. Toader, E. Jarašiūnas
Partij(en)
In zaak C-621/15,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Cour de cassation (hoogste rechterlijke instantie, Frankrijk) bij beslissing van 12 november 2015, ingekomen bij het Hof op 23 november 2015, in de procedure
N. W,
L. W,
C. W
tegen
Sanofi Pasteur MSD SNC,
Caisse primaire d'assurance maladie des Hauts-de-Seine,
Carpimko,
wijst
HET HOF (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: M. Ilešič, kamerpresident, A. Prechal (rapporteur), A. Rosas, C. Toader en E. Jarašiūnas, rechters,
advocaat-generaal: M. Bobek,
griffier: V. Giacobbo-Peyronnel, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 23 november 2016,
gelet op de opmerkingen van:
- —
W, vertegenwoordigd door M. Jéhannin, avocate,
- —
Sanofi Pasteur MSD SNC, vertegenwoordigd door J.-P. Chevallier en F. Monteret-Amar, avocats,
- —
de Franse regering, vertegenwoordigd door D. Colas, J. Traband en A. Maitrepierre als gemachtigden,
- —
de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door J. Vláčil en M. Smolek als gemachtigden,
- —
de Duitse regering, vertegenwoordigd door M. Hellmann en T. Henze als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door O. Beynet en G. Braga da Cruz als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 7 maart 2017,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 4 van richtlijn 85/374/EEG van de Raad van 25 juli 1985 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken (PB 1985, L 210, blz. 29).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen enerzijds N., L. en C. W (hierna: ‘W e.a.’), optredend in hun eigen naam en als erfgenamen van J. W, en anderzijds Sanofi Pasteur MSD SNC (hierna: ‘Sanofi Pasteur’), de Caisse primaire d'assurance maladie des Hauts-de-Seine (ziekenfonds van het departement Hauts-de-Seine, Frankrijk) en Carpimko, een zelfstandig pensioen- en voorzorgsfonds, betreffende de eventuele aansprakelijkheid van Sanofi Pasteur wegens een vermeend gebrek van het door haar geproduceerde vaccin.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3
De eerste, de tweede, de zesde, de zevende en de achttiende overweging van richtlijn 85/374 luiden als volgt:
‘Overwegende dat de wetgevingen van de lidstaten inzake de aansprakelijkheid van de producent voor schade die door een gebrek van diens producten is veroorzaakt, onderling moeten worden aangepast; dat namelijk onderlinge verschillen op dat gebied de mededinging kunnen vervalsen, het vrij verkeer van goederen binnen de gemeenschappelijke markt kunnen aantasten en tot verschillen kunnen leiden in het niveau van de bescherming van de consument tegen schade die door een product met gebreken wordt toegebracht aan diens gezondheid en goederen;
Overwegende dat alleen wanneer de producent ook buiten schuld aansprakelijk wordt gesteld, een passende oplossing kan worden gevonden voor het aan onze tijd van voortschrijdende techniek eigen probleem, waarbij het gaat om een rechtvaardige toewijzing van de met de moderne technische productie samenhangende risico's;
[…]
Overwegende dat bij de beantwoording van de vraag of een product een gebrek vertoont, ter bescherming van de fysieke integriteit en de goederen van de consument, niet de ongeschiktheid van het product voor het gebruik maatstaf moet zijn, doch het gebrek aan veiligheid die het grote publiek gerechtigd is te verwachten; bij de beoordeling van deze veiligheid wordt elk in de gegeven omstandigheden onredelijk misbruik van het product uitgesloten;
Overwegende dat een rechtvaardige verdeling van de risico's tussen de gelaedeerde en de producent impliceert dat laatstgenoemde zich moet kunnen bevrijden van de aansprakelijkheid als hij het bestaan van hem ontlastende feiten bewijst;
[…]
Overwegende dat de uit deze richtlijn voortvloeiende harmonisatie in het huidige stadium niet volledig kan zijn, doch wel de weg opent naar verdere harmonisatie; […]’
4
Artikel 1 van richtlijn 85/374 luidt:
‘De producent is aansprakelijk voor de schade, veroorzaakt door een gebrek in zijn product.’
5
In artikel 4 van deze richtlijn wordt bepaald:
‘De gelaedeerde moet de schade, het gebrek en het oorzakelijk verband tussen het gebrek en de schade bewijzen.’
6
Artikel 6, lid 1, van dezelfde richtlijn luidt:
‘Een product is gebrekkig wanneer het niet de veiligheid biedt die men gerechtigd is te verwachten, alle omstandigheden in aanmerking genomen, met name:
- a)
de presentatie van het product;
- b)
het redelijkerwijs te verwachten gebruik van het product;
- c)
het tijdstip waarop het product in het verkeer is gebracht.’
Frans recht
7
Artikel 1386-1 van de code civil (Frans burgerlijk wetboek; hierna: ‘CC’) luidt:
‘De producent is aansprakelijk voor de door een gebrek in zijn product veroorzaakte schade, ongeacht of hij met de gelaedeerde een overeenkomst heeft gesloten.’
8
In artikel 1386-9 CC wordt bepaald:
‘De eiser moet de schade, het gebrek en het oorzakelijke verband tussen het gebrek en de schade bewijzen.’
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
9
Met het oog op de vaccinatie tegen hepatitis B zijn aan W achtereenvolgens op 26 december 1998, 29 januari 1999 en 8 juli 1999 drie injecties toegediend met een door Sanofi Pasteur geproduceerd vaccin. Vanaf augustus 1999 heeft W met verschillende aandoeningen gekampt, die in november 2000 tot de diagnose van multiple sclerose hebben geleid.
10
Op 1 maart 2005 zijn de gerechtsdeskundigen tot de slotsom gekomen dat W sinds 20 januari 2001 geen beroepsactiviteit meer kon uitoefenen wegens de multiple sclerose waaraan hij leed. Nadien is de toestand van W verder verslechterd, waardoor een functiebeperking van 90 % is ontstaan die de voortdurende aanwezigheid van een derde vereiste totdat hij op 30 oktober 2011 is overleden.
11
In 2006 hebben zowel W als W e.a., te weten drie leden van zijn familie, een vordering ingesteld die ertoe strekte dat Sanofi Pasteur op grond van artikel 1386-1 en volgende CC zou worden veroordeeld tot vergoeding van de schade die zij beweerdelijk hebben geleden door de toediening aan W van het vaccin in kwestie. Ter ondersteuning van deze vordering hebben zij aangevoerd dat het feit dat de multiple sclerose onmiddellijk na de vaccinatie is opgetreden, alsmede het ontbreken van persoonlijke en familiale antecedenten van W met betrekking tot deze ziekte, ernstige, precieze en met elkaar overeenstemmende vermoedens doen rijzen dat het vaccin een gebrek vertoonde en er een oorzakelijk verband bestaat tussen de inenting met dat vaccin en het optreden van die ziekte.
12
In dit verband hebben zij zich op de rechtspraak van de Cour de cassation (hoogste rechterlijke instantie, Frankrijk) gebaseerd volgens welke — zoals deze rechterlijke instantie in haar verwijzingsbeslissing uiteenzet — op het gebied van de aansprakelijkheid van farmaceutische laboratoria voor de door hen geproduceerde vaccins, het bewijs dat het vaccin in kwestie een gebrek vertoonde en dat er een oorzakelijk verband bestond tussen dit gebrek en de door de gelaedeerde geleden schade, kan voortvloeien uit ernstige, precieze en met elkaar overeenstemmende vermoedens die autonoom door de feitenrechter worden beoordeeld.
13
Uit deze rechtspraak blijkt met name dat de feitenrechter in het kader van de uitoefening van zijn autonome beoordelingsbevoegdheid kan oordelen dat de feitelijke gegevens waarop een eiser zich beroept — zoals het tijdsverloop tussen de toediening van het vaccin en het optreden van een ziekte alsook het ontbreken van familiale of persoonlijke antecedenten van de patiënt voor de ziekte in kwestie — ernstige, precieze en met elkaar overeenstemmende vermoedens vormen die het gebrek van het vaccin en het oorzakelijke verband tussen dit gebrek en die ziekte kunnen bewijzen, ook al is op basis van medisch onderzoek geen verband tussen de vaccinatie en het optreden van die ziekte vastgesteld.
14
Bij vonnis van 4 september 2009 heeft de tribunal de grande instance de Nanterre (rechter in eerste aanleg Nanterre, Frankrijk) de vordering van W en consorten toegewezen. Die beslissing is vervolgens vernietigd door de cour d'appel de Versailles (rechter in tweede aanleg Versailles, Frankrijk). Deze rechterlijke instantie was in haar arrest van 10 februari 2011 van oordeel dat de door hen aangevoerde elementen weliswaar ernstige, precieze en met elkaar overeenstemmende vermoedens konden doen rijzen dat er een oorzakelijk verband bestond tussen de inenting met het betreffende vaccin en het optreden van de ziekte, maar niet tot het vermoeden konden leiden dat het vaccin een gebrek vertoonde.
15
Tegen dat arrest is hogere voorziening ingesteld bij de Cour de cassation, die het bij arrest van 26 september 2012 heeft vernietigd. In laatstgenoemd arrest heeft deze rechterlijke instantie geoordeeld dat de cour d'appel de Versailles had verzuimd aan te geven op welke rechtsgrondslag haar beslissing was gebaseerd doordat zij — na te hebben erkend dat er, gelet op de uitstekende vroegere gezondheidstoestand van W, het ontbreken van familiale antecedenten en het korte tijdsverloop tussen de vaccinatie en het optreden van de ziekte, ernstige, precieze en met elkaar overeenstemmende vermoedens bestonden om aan te nemen dat het oorzakelijke verband tussen de ziekte en de toediening van het vaccin afdoende was bewezen — uitspraak had gedaan op basis van een algemene overweging over de verhouding tussen nut en risico van de vaccinatie, zonder dat zij had onderzocht of de specifieke omstandigheden die zij aldus in aanmerking had genomen, tevens ernstige, precieze en met elkaar overeenstemmende vermoedens opleverden dat dit vaccin een gebrek vertoonde.
16
Bij arrest van 7 maart 2014 heeft de cour d'appel de Paris (rechter in tweede aanleg Parijs, Frankrijk), uitspraak doende na die vernietiging, het bovengenoemde vonnis van de tribunal de grande instance de Nanterre vernietigd en de vordering van W e.a. afgewezen. In dat arrest heeft deze rechterlijke instantie ten eerste opgemerkt dat er geen wetenschappelijke consensus was over het bestaan van een oorzakelijk verband tussen de vaccinatie tegen hepatitis B en het optreden van multiple sclerose, en dat er volgens alle nationale en internationale gezondheidsinstanties geen verband bestond tussen het risico op een centrale of perifere demyeliniserende aandoening — die kenmerkend is voor multiple sclerose — en een dergelijke vaccinatie. Zij heeft ten tweede geoordeeld dat uit talrijke medische studies blijkt dat de oorzaken van multiple sclerose momenteel onbekend zijn. Ten derde is volgens haar in een recente medische publicatie geconcludeerd dat op het ogenblik waarop de eerste symptomen van multiple sclerose zich voordoen, het fysiopathologische proces waarschijnlijk meerdere maanden of zelfs meerdere jaren voordien is begonnen. Ten vierde — en ten slotte — heeft de cour d'appel de Paris opgemerkt dat uit epidemiologische studies naar voren is gekomen dat er in de families van 92 % tot 95 % van alle multiplesclerosepatiënten geen sprake is van antecedenten van dit type. In het licht van de verschillende bovengenoemde gegevens is zij tot de slotsom gekomen dat de door W e.a. aangevoerde criteria — te weten het korte tijdsverloop tussen de vaccinatie en het optreden van de eerste symptomen alsook het ontbreken van persoonlijke en familiale antecedenten — samen noch afzonderlijk ernstige, precieze en met elkaar overeenstemmende vermoedens konden vormen waaruit kon worden besloten dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen de vaccinatie en ziekte in kwestie.
17
In deze context heeft de Cour de Cassation, nadat W e.a. tegen dat arrest een nieuwe hogere voorziening hadden ingesteld bij deze rechterlijke instantie, de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Staat artikel 4 van richtlijn [85/374] op het vlak van aansprakelijkheid van farmaceutische laboratoria voor de door hen geproduceerde vaccins, in de weg aan een bewijsmiddel volgens hetwelk de feitenrechter bij het uitoefenen van zijn soevereine beoordelingsbevoegdheid kan oordelen dat de feitelijke gegevens waarop verzoeker zich beroept, ernstige, precieze en met elkaar overeenstemmende vermoedens vormen, die het gebrek van het vaccin en het bestaan van een oorzakelijk verband daarvan met de ziekte kunnen bewijzen, ook al is op basis van medisch onderzoek geen verband tussen de vaccinatie en het optreden van de ziekte vastgesteld?
- 2)
Indien vraag 1 ontkennend wordt beantwoord: staat artikel 4 van richtlijn [85/374] in de weg aan een stelsel van vermoedens, volgens hetwelk het bestaan van een oorzakelijk verband tussen het aan een vaccin toegeschreven gebrek en de door de gelaedeerde geleden schade steeds bewezen zou worden geacht wanneer er bepaalde aanwijzingen van causaliteit zijn?
- 3)
Indien vraag 1 bevestigend wordt beantwoord: moet artikel 4 van richtlijn [85/374] aldus worden uitgelegd dat het bewijs — dat de gelaedeerde moet leveren — dat een oorzakelijk verband bestaat tussen het aan het vaccin toegeschreven gebrek en de door hem geleden schade, alleen kan worden geacht te zijn geleverd wanneer dit verband wetenschappelijk is vastgesteld?’
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
18
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 4 van richtlijn 85/374 aldus moet worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale bewijsregeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, op grond waarvan de feitenrechter bij wie een vordering is ingesteld die ertoe strekt de producent van een vaccin aansprakelijk te stellen wegens een gebrek dat dit vaccin beweerdelijk vertoont, in het kader van de uitoefening van de discretionaire bevoegdheid waarover hij in dit verband beschikt, kan oordelen dat bepaalde feitelijke gegevens waarop verzoeker zich beroept, ernstige, precieze en met elkaar overeenstemmende aanwijzingen vormen waaruit kan worden geconcludeerd dat het vaccin een gebrek vertoont en dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen dit gebrek en de ziekte waaraan de gelaedeerde lijdt, ook al wordt het bestaan van een verband tussen de toediening van het vaccin in kwestie en het optreden van die ziekte door medisch onderzoek bevestigd noch ontkend.
19
Vooraf zij eraan herinnerd dat in artikel 1 van richtlijn 85/374 het beginsel is neergelegd dat de producent aansprakelijk is voor de schade die wordt veroorzaakt door een gebrek in zijn product, terwijl in artikel 4 van deze richtlijn wordt gepreciseerd dat de gelaedeerde de schade, het gebrek en het oorzakelijke verband tussen het gebrek en de schade moet bewijzen.
20
Tevens zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak met richtlijn 85/374, op de punten die zij regelt, een volledige harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten wordt nagestreefd (arrest van 20 november 2014, Novo Nordisk Pharma, C-310/13, EU:C:2014:2385, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
21
Daartegenover staat dat dezelfde richtlijn blijkens de achttiende overweging ervan geen uitputtende harmonisatie van de aansprakelijkheid voor producten met gebreken tot stand dient te brengen op andere dan de punten die zij regelt (arrest van 20 november 2014, Novo Nordisk Pharma, C-310/13, EU:C:2014:2385, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
22
In dit verband zij meteen opgemerkt dat richtlijn 85/374 geen definitie bevat van het begrip ‘oorzakelijk verband’ in de zin van de artikelen 1 en 4 van deze richtlijn. Het begrip ‘gebrek’ in de zin van deze artikelen wordt daarentegen gedefinieerd in artikel 6 van de richtlijn.
23
Zoals blijkt uit artikel 6, lid 1, van richtlijn 85/374 is een product gebrekkig wanneer het niet de veiligheid biedt die — gelet op alle omstandigheden, met name de presentatie van dit product, het redelijkerwijs te verwachten gebruik ervan en het tijdstip waarop het in het verkeer is gebracht — mag worden verwacht. Volgens de zesde overweging van deze richtlijn moet bij deze beoordeling worden uitgegaan van de legitieme verwachtingen van het grote publiek (arrest van 5 maart 2015, Boston Scientific Medizintechnik, C-503/13 en C-504/13, EU:C:2015:148, punt 37).
24
Voorts moet met betrekking tot het bewijs worden beklemtoond dat in artikel 4 van richtlijn 85/374 weliswaar wordt bepaald dat de bewijslast bij de gelaedeerde berust — zoals in punt 19 van dit arrest in herinnering is gebracht — maar dat de andere aspecten met betrekking tot de bewijsvoering niet in dit artikel 4 noch in andere bepalingen van die richtlijn worden geregeld (zie in die zin arrest van 20 november 2014, Novo Nordisk Pharma, C-310/13, EU:C:2014:2385, punten 25-29).
25
In deze omstandigheden is het krachtens het beginsel van procedurele autonomie een zaak van de interne rechtsorde van elke lidstaat om — mits de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid worden geëerbiedigd — te bepalen hoe het bewijs moet worden geleverd, welke bewijsmiddelen voor de bevoegde nationale rechter worden aanvaard, welke beginselen deze rechter in acht dient te nemen bij de beoordeling van de bewijskracht van het bewijs dat hem wordt voorgelegd, en wat het vereiste bewijsniveau is (zie naar analogie arrest van 15 oktober 2015, Nike European Operations Netherlands, C-310/14, EU:C:2015:690, punten 27 en 28, en arrest van 21 januari 2016, Eturas e.a., C-74/14, EU:C:2016:42, punten 30 en 32).
26
Wat met name het doeltreffendheidsbeginsel betreft, vereist dit beginsel dat de procedureregels voor vorderingen die worden ingesteld ter bescherming van rechten die de justitiabelen aan het Unierecht ontlenen, de uitoefening van de aldus door de rechtsorde van de Unie toegekende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (zie in die zin met name arrest van 10 april 2003, Steffensen, C-276/01, EU:C:2003:228, punt 60 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
27
Wat meer bepaald richtlijn 85/374 betreft, volgt uit de rechtspraak van het Hof dat de nationale regels met betrekking tot de wijze waarop het bewijs moet worden geleverd en beoordeeld, geen afbreuk mogen doen aan de verdeling van de bewijslast zoals die in artikel 4 van deze richtlijn wordt geregeld, noch — in meer algemene zin — aan de effectiviteit van de aansprakelijkheidsregeling waarin deze richtlijn voorziet, of aan de doelstellingen die de Uniewetgever met deze regeling nastreeft (zie in die zin arrest van 20 november 2014, Novo Nordisk Pharma, C-310/13, EU:C:2014:2385, punten 26 en 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
28
Een nationale bewijsregeling als die waarop de eerste prejudiciële vraag ziet, kan ongetwijfeld de taak van de gelaedeerde vergemakkelijken om de nodige bewijzen te leveren om de producent aansprakelijk te stellen. Uit hetgeen in de verwijzingsbeslissing wordt vermeld, blijkt namelijk in wezen dat in het kader van een dergelijke regeling de gelaedeerde niet in alle omstandigheden zekere en onweerlegbare bewijzen moet aandragen van het feit dat het product een gebrek vertoont en van het oorzakelijke verband tussen dit gebrek en de geleden schade, maar de rechter in voorkomend geval tot het bestaan van het gebrek en het oorzakelijke verband kan besluiten op basis van een samenstel van aanwijzingen die dermate ernstig, precies en met elkaar overeenstemmend zijn dat hij met een voldoende hoge graad van waarschijnlijkheid kan aannemen dat een dergelijke gevolgtrekking met de werkelijkheid strookt.
29
Een dergelijke bewijsregeling kan op zichzelf echter niet tot gevolg hebben dat de op de gelaedeerde rustende bewijslast in de zin van artikel 4 van richtlijn 85/374 wordt omgekeerd, aangezien het volgens deze regeling aan de gelaedeerde staat om de verschillende aanwijzingen te verschaffen die in onderlinge samenhang de rechter voor wie de zaak aanhangig is, in voorkomend geval in staat zullen stellen om zijn mening te vormen over de vraag of het vaccin een gebrek vertoont en of er een oorzakelijk verband bestaat tussen dit gebrek en de geleden schade (zie naar analogie arrest van 20 november 2014, Novo Nordisk Pharma, C-310/13, EU:C:2014:2385, punten 26–28).
30
Bovendien moet — met name gelet op de door de verwijzende rechter vermelde omstandigheid dat het bestaan van een verband tussen de toediening van het vaccin en het optreden van multiple sclerose bevestigd noch ontkend wordt door medisch onderzoek — worden gepreciseerd dat een bewijsregeling waarbij elke toepassing van een op aanwijzingen gebaseerde methode wordt uitgesloten en waarbij de gelaedeerde slechts aan de bewijslast van artikel 4 van richtlijn 85/374 kan voldoen door het op medisch onderzoek gebaseerde onomstotelijke bewijs te leveren dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen het aan het vaccin toegeschreven gebrek en het optreden van de ziekte, niet voldoet aan de uit die richtlijn voortvloeiende vereisten.
31
Een zo verregaand bewijsvereiste, dat neerkomt op de uitsluiting van elk bewijsmiddel dat geen op medisch onderzoek gebaseerd onomstotelijk bewijs is, zou immers — zoals de advocaat-generaal in punt 45 van zijn conclusie heeft opgemerkt — tot gevolg hebben dat het in een groot aantal situaties uiterst moeilijk of, wanneer zoals in casu vaststaat dat het bestaan van een dergelijk oorzakelijk verband niet door medisch onderzoek is kunnen worden bevestigd of ontkend, onmogelijk wordt gemaakt de producent aansprakelijk te stellen, waardoor afbreuk wordt gedaan aan de nuttige werking van artikel 1 van richtlijn 85/374 (zie naar analogie arrest van 9 november 1983, San Giorgio, 199/82, EU:C:1983:318, punt 14).
32
Een dergelijke beperking van de aanvaarde soorten bewijs zou bovendien indruisen tegen bepaalde door richtlijn 85/374 nagestreefde doelstellingen, waaronder met name de blijkens de tweede en de zevende overweging van deze richtlijn nagestreefde doelstelling te zorgen voor een rechtvaardige verdeling van de met de moderne technische productie samenhangende risico's tussen de gelaedeerde en de producent (zie in die zin arrest van 5 maart 2015, Boston Scientific Medizintechnik, C-503/13 en C-504/13, EU:C:2015:148, punt 42), alsook de uit de eerste en de zesde overweging van dezelfde richtlijn voortvloeiende doelstelling de veiligheid en gezondheid van de consumenten te beschermen (zie in die zin arrest van 5 maart 2015, Boston Scientific Medizintechnik, C-503/13 en C-504/13, EU:C:2015:148, punt 47).
33
Uit de punten 28 tot en met 32 van het onderhavige arrest volgt weliswaar dat een nationale bewijsregeling als die welke in punt 28 van dit arrest wordt beschreven, neutraal lijkt te zijn wat de in artikel 4 van richtlijn 85/374 bedoelde bewijslast betreft, en in beginsel geen afbreuk lijkt te doen aan de doeltreffendheid van de door deze richtlijn voorgeschreven aansprakelijkheidsregeling, noch aan de met die richtlijn nagestreefde doelstellingen, maar dit neemt niet weg dat bij de vaststelling van de werkelijke draagwijdte van een dergelijke regeling moet worden uitgegaan van de wijze waarop de nationale rechterlijke instanties deze regeling uitleggen en toepassen (zie naar analogie arrest van 9 december 2003, Commissie/Italië, C-129/00, EU:C:2003:656, punt 31).
34
In dit verband is het van belang dat de nationale rechter de kenmerkende beginselen van die bewijsregeling niet op zodanige wijze toepast dat zij in de praktijk ten nadele van de producent leiden tot ongerechtvaardigde vermoedens die artikel 4 van richtlijn 85/374 zouden kunnen schenden of zelfs afbreuk zouden kunnen doen aan de doeltreffendheid van de materiële regels van deze richtlijn.
35
In de eerste plaats zou dit, zoals de advocaat-generaal heeft opgemerkt in de punten 54, 60 en 75 van zijn conclusie, het geval kunnen zijn indien de nationale rechterlijke instanties bovengenoemde bewijsregeling op een te soepele wijze zouden toepassen door irrelevante of onvoldoende bewijzen te aanvaarden (zie naar analogie arrest van 15 oktober 2015, Nike European Operations Netherlands, C-310/14, EU:C:2015:690, punten 29 en 43). In een dergelijke situatie zou immers niet enkel afbreuk worden gedaan aan de in artikel 4 van richtlijn 85/374 neergelegde regel inzake de bewijslast, maar ook — in meer algemene zin — aan de doeltreffendheid van de aansprakelijkheidsregeling van artikel 1 van deze richtlijn, aangezien voor twee van de drie in die richtlijn gestelde voorwaarden waaronder de producent aansprakelijk is — te weten het bestaan van een gebrek van het product en het bestaan van een oorzakelijk verband tussen dit gebrek en de door de gelaedeerde geleden schade — zou gelden dat de nationale rechter niet in voldoende mate nagaat of aan die voorwaarden is voldaan.
36
In de tweede plaats zouden de regels met betrekking tot de bewijslast eveneens kunnen worden geschonden indien de nationale rechterlijke instanties de in punt 28 van dit arrest beschreven bewijsregeling aldus zouden toepassen dat het bestaan van één of meerdere soorten feitelijke aanwijzingen meteen en automatisch leidt tot het vermoeden dat het product een gebrek vertoont en/of dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen dit gebrek en het optreden van de schade. In dergelijke omstandigheden zou de producent immers genoodzaakt kunnen zijn dit vermoeden te weerleggen om zich met succes tegen de vordering te verweren, nog voordat de feitenrechters kennis hebben genomen van de beoordelingselementen waarover de producent beschikt en van de door hem aangevoerde argumenten (zie naar analogie arresten van 9 november 1983, San Giorgio, 199/82, EU:C:1983:318, punt 14, en 9 februari 1999, Dilexport, C-343/96, EU:C:1999:59, punt 52).
37
Het staat dan ook aan de nationale rechterlijke instanties om na te gaan of de verstrekte aanwijzingen inderdaad zodanig ernstig, precies en met elkaar overeenstemmend zijn dat zij de gevolgtrekking wettigen dat de gebrekkigheid van het product — ondanks de door de producent als verweer overgelegde gegevens en aangevoerde argumenten — de meest aannemelijke verklaring is voor het optreden van de schade, zodat zowel deze gebrekkigheid als het oorzakelijke verband tussen deze gebrekkigheid en het optreden van de schade redelijkerwijze bewezen mogen worden geacht.
38
Daarnaast is het van belang dat de nationale rechterlijke instanties ervoor zorgen dat geen afbreuk wordt gedaan aan het beginsel dat het aan de gelaedeerde staat om aan de hand van alle door het nationale recht algemeen aanvaarde bewijsmiddelen — en, zoals in casu, met name door het verstrekken van ernstige, precieze en met elkaar overeenstemmende aanwijzingen — het bestaan van een gebrek van het vaccin en van een oorzakelijk verband te bewijzen. Daartoe dient de rechter erop toe te zien dat hij zijn eigen beoordelingsvrijheid behoudt met betrekking tot de vraag of dit bewijs rechtens genoegzaam is geleverd, totdat hij zich na kennisneming van alle gegevens die de twee partijen hebben overgelegd en van de door hen over en weer aangevoerde argumenten, in staat acht om in het licht van alle relevante omstandigheden van het door hem te beslechten geval zijn definitieve mening daarover te vormen (zie naar analogie arrest van 9 november 1983, San Giorgio, 199/82, EU:C:1983:318, punt 14).
39
Wat de specifieke kenmerken van de voor de verwijzende rechter aanhangige zaak betreft, zij eraan herinnerd dat artikel 267 VWEU het Hof niet de bevoegdheid verleent om de voorschriften van het Unierecht toe te passen op een concreet geval, maar enkel om uitspraak te doen over de uitlegging van de verdragen en van de handelingen die door de instellingen van de Unie worden vastgesteld.
40
Volgens vaste rechtspraak kan het Hof echter in het kader van de gerechtelijke samenwerking waarin dat artikel voorziet, op grond van de gegevens van het dossier de nationale rechter wel de gegevens met betrekking tot de uitlegging van het Unierecht verschaffen die voor hem dienstig kunnen zijn bij de beoordeling van de effecten van die voorschriften (zie met name arrest van 28 september 2006, Van Straaten, C-150/05, EU:C:2006:614, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
41
In casu lijken gegevens als die welke in het kader van het hoofdgeding zijn aangevoerd en die betrekking hebben op zowel het korte tijdsverloop tussen de toediening van een vaccin en het optreden van een ziekte als het ontbreken van persoonlijke en familiale medische antecedenten in verband met deze ziekte, alsmede het grote aantal geïnventariseerde gevallen waarin die ziekte na dergelijke vaccinaties optrad, a priori aanwijzingen te vormen die — in onderlinge samenhang bezien — een nationale rechter ertoe zouden kunnen brengen in voorkomend geval te oordelen dat een gelaedeerde aan de krachtens artikel 4 van richtlijn 85/374 op hem rustende bewijslast heeft voldaan. Dit zou met name het geval kunnen zijn indien de rechter op grond van die aanwijzingen oordeelt dat de toediening van het vaccin de meest aannemelijke verklaring is voor het optreden van de ziekte, en dat dit vaccin dus niet de in artikel 6 van die richtlijn bedoelde veiligheid biedt die — gelet op alle omstandigheden — mag worden verwacht, aangezien het abnormale en bijzonder ernstige schade berokkent aan de patiënt, die van een dergelijk product — gelet op de functie ervan — inderdaad een hoog veiligheidsniveau mag verwachten (zie in die zin arrest van 5 maart 2015, Boston Scientific Medizintechnik, C-503/13 en C-504/13, EU:C:2015:148, punt 39).
42
Zoals eerder is benadrukt, kan de feitenrechter voor wie een bepaald geding aanhangig is, in elk concreet geval pas weloverwogen tot deze eventuele slotsom komen nadat hij naar behoren rekening heeft gehouden met alle omstandigheden van de aan hem voorgelegde zaak, en inzonderheid met alle andere verklaringen en argumenten van de producent die ertoe strekken de relevantie van de door de gelaedeerde aangedragen bewijzen te betwisten en de in het vorige punt vermelde mate van aannemelijkheid van de verklaring van de gelaedeerde in twijfel te trekken.
43
Gelet op een en ander dient op de eerste prejudiciële vraag te worden geantwoord dat artikel 4 van richtlijn 85/374 aldus moet worden uitgelegd dat het niet in de weg staat aan een nationale bewijsregeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, op grond waarvan de feitenrechter bij wie een vordering is ingesteld die ertoe strekt de producent van een vaccin aansprakelijk te stellen wegens een gebrek dat dit vaccin beweerdelijk vertoont, in het kader van de beoordelingsbevoegdheid waarover hij in dit verband beschikt, kan oordelen dat bepaalde feitelijke gegevens waarop verzoeker zich beroept, ernstige, precieze en met elkaar overeenstemmende aanwijzingen vormen waaruit kan worden geconcludeerd dat het vaccin een gebrek vertoont en dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen dit gebrek en de ziekte waaraan de gelaedeerde lijdt, ook al wordt het bestaan van een verband tussen de toediening van het vaccin in kwestie en het optreden van die ziekte door medisch onderzoek bevestigd noch ontkend. De nationale rechterlijke instanties dienen er echter voor te zorgen dat de concrete wijze waarop zij die bewijsregeling toepassen, niet tot gevolg heeft dat de in artikel 4 van richtlijn 85/374 neergelegde regels inzake de bewijslast worden geschonden of dat afbreuk wordt gedaan aan de doeltreffendheid van de door deze richtlijn ingevoerde aansprakelijkheidsregeling.
Tweede vraag
44
Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of artikel 4 van richtlijn 85/374 aldus moet worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een op vermoedens gebaseerde bewijsregeling volgens welke in het geval waarin het bestaan van een verband tussen de toediening van het vaccin en het optreden van de ziekte waaraan de gelaedeerde lijdt, door medisch onderzoek bevestigd noch ontkend wordt, het bestaan van een oorzakelijk verband tussen het aan een vaccin toegeschreven gebrek en de door de gelaedeerde geleden schade steeds bewezen wordt geacht wanneer bepaalde vooraf vastgestelde aanwijzingen van causaliteit voorhanden zijn.
45
Uit het volledige dossier waarover het Hof beschikt, komt naar voren dat de feitenrechters die zich dienden uit te spreken over geschillen met nochtans zeer vergelijkbare feitelijke omstandigheden, op grond van soortgelijke aanwijzingen herhaaldelijk tot de slotsom zijn gekomen dat deze aanwijzingen zodanig ernstig, precies en met elkaar overeenstemmend waren dat zij het vermoeden wettigen dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen een aan een vaccin tegen hepatitis B toegeschreven gebrek en het optreden van multiple sclerose, terwijl zij in andere gevallen op grond van die aanwijzingen juist tot de slotsom zijn gekomen dat dit niet het geval was. Deze situatie wordt geïllustreerd door de — in de punten 14 tot en met 16 van dit arrest vermelde — tegenstrijdige nationale beslissingen in het hoofdgeding.
46
In zijn eerste vraag vermeldt de verwijzende rechter bovendien de autonome beoordelingsbevoegdheid waarover de feitenrechters bij de beoordeling van de hun verstrekte feitelijke aanwijzingen beschikken.
47
In deze context lijkt de verwijzende rechter zich af te vragen of het hem — of in voorkomend geval de nationale wetgever — is toegestaan bepaalde vooraf vastgestelde soorten feitelijke aanwijzingen op te sommen die gezamenlijk beschouwd automatisch — bij wijze van vermoeden — met zich meebrengen dat een oorzakelijk verband tussen het aan het vaccin toegeschreven gebrek en het optreden van de ziekte wordt vastgesteld.
48
In dit verband dient stellig in herinnering te worden gebracht dat de bescherming van de rechten die particulieren ontlenen aan relevante bepalingen van het Verdrag, in grote mate afhangt van opeenvolgende juridische kwalificaties van de feiten. Tevens zij opgemerkt dat een rechter die, zoals de verwijzende rechter in de onderhavige zaak, uitspraak dient te doen in laatste aanleg, met name is belast met de eenvormige uitlegging van rechtsvoorschriften op nationaal niveau (zie in die zin arrest van 13 juni 2006, Traghetti del Mediterraneo, C-173/03, EU:C:2006:391, punt 36).
49
Dit neemt evenwel niet weg dat het Hof niet bevoegd is het nationale recht uit te leggen, en dat het uitsluitend aan de nationale rechter staat om de juiste strekking van de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen. Dit geldt met name voor de nationale bewijsrechtelijke bepalingen (zie in die zin arrest van 9 februari 1999, Dilexport, C-343/96, EU:C:1999:59, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak), maar ook voor de nationale bepalingen waarbij de respectieve bevoegdheden van de verschillende nationale rechterlijke instanties worden vastgesteld.
50
Wat de nationale bewijsrechtelijke bepalingen betreft, die het voorwerp uitmaken van de eerste vraag, moet echter worden benadrukt dat de nationale rechterlijke instanties die deze bepalingen dienen toe te passen, rekening moeten houden met zowel de in de punten 37 en 38 van het onderhavige arrest vermelde beginselen als het rechtszekerheidsbeginsel — waarvan het vertrouwensbeginsel het rechtstreekse uitvloeisel is — dat volgens vaste rechtspraak met name vereist dat de toepassing van de rechtsregels voor de justitiabelen voorzienbaar is (arrest van 2 december 2009, Aventis Pasteur, C-358/08, EU:C:2009:744, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
51
Wat de regels inzake de rechterlijke bevoegdheid betreft, staat het uitsluitend aan het nationale recht en aan de verwijzende rechter om — in het bijzonder rekening houdend met de in de punten 37, 38 en 50 van het onderhavige arrest vermelde beginselen — te beoordelen in welke mate laatstbedoelde rechter door de hem toekomende bevoegdheden in staat wordt gesteld toezicht uit te oefenen op de beoordelingen door de feitenrechters van de ernst, de precisie en de onderlinge overeenstemming van de aan hen voorgelegde aanwijzingen en aldus de uniforme toepassing van de betreffende Unierechtelijke voorschriften zo goed mogelijk te verzekeren.
52
Indien de nationale wetgever — of in voorkomend geval de hoogste nationale rechter — daarentegen een bewijsmiddel in aanmerking neemt als bedoeld in de tweede vraag, volgens hetwelk het bestaan van een oorzakelijk verband tussen het aan een vaccin toegeschreven gebrek en de door de gelaedeerde geleden schade steeds bewezen wordt geacht wanneer er bepaalde vooraf vastgestelde soorten concrete aanwijzingen van causaliteit voorhanden zijn, zou dit met name tot gevolg hebben dat de in artikel 4 van richtlijn 85/374 neergelegde regels inzake de bewijslast worden geschonden.
53
De verwijzende rechter lijkt immers naar een onweerlegbaar vermoeden te willen verwijzen door in zijn vraag te preciseren dat het bestaan van een dergelijk oorzakelijk verband ‘steeds bewezen zou worden geacht’ wanneer bepaalde vooraf geïdentificeerde feiten zijn vastgesteld. Dit soort vermoeden zou echter tot gevolg hebben dat aan de producent in dat geval elke mogelijkheid wordt onthouden om feitelijke gegevens te verstrekken of — bijvoorbeeld wetenschappelijke — argumenten aan te voeren om te trachten dit vermoeden te weerleggen, ook al kan hypothetisch gesproken op grond van de aldus vooraf geïdentificeerde feiten niet met zekerheid worden vastgesteld dat een dergelijk oorzakelijk verband bestaat. Tevens zou op die manier de rechter elke mogelijkheid worden ontnomen om de feiten in het licht van die gegevens of argumenten te beoordelen. Door dit automatisme zou een dergelijke situatie niet alleen inbreuk maken op het in artikel 4 van richtlijn 85/374 neergelegde beginsel volgens hetwelk de bewijslast met betrekking tot het gebrek en het oorzakelijke verband op de gelaedeerde rust, maar bovendien de doeltreffendheid zelf van de aansprakelijkheidsregeling waarin deze richtlijn voorziet, dreigen aan te tasten. De rechter zou namelijk verplicht zijn om vast te stellen dat voldaan is aan een van de drie voorwaarden waaronder de producent op grond van die richtlijn aansprakelijk is, zonder zelfs te kunnen onderzoeken of de andere beoordelingselementen die hem eventueel zijn voorgelegd in de voor hem aanhangige zaak, niet nopen tot het tegenovergestelde besluit.
54
Daarbij komt dat, zelfs indien het door de verwijzende rechter bedoelde vermoeden weerlegbaar zou zijn, het bestaan van een oorzakelijk verband niettemin nog steeds automatisch zou worden vermoed — aangezien de aldus door de wetgever of door de hoogste nationale rechter vooraf geïdentificeerde feiten zouden zijn vastgesteld — zodat de producent verplicht zou kunnen zijn dat vermoeden te weerleggen om zich met succes tegen de vordering te verzetten, nog voordat de feitenrechter kennis heeft genomen van de beoordelingselementen waarover de producent beschikt of van de door hem aangevoerde argumenten. Zoals reeds in punt 36 van dit arrest is opgemerkt, zou een dergelijke situatie ertoe leiden dat de in artikel 4 van richtlijn 85/374 neergelegde regels inzake de bewijslast worden geschonden.
55
Gelet op een en ander dient op de tweede prejudiciële vraag te worden geantwoord dat artikel 4 van richtlijn 85/374 aldus moet worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een op vermoedens gebaseerde bewijsregeling volgens welke in het geval waarin het bestaan van een verband tussen de toediening van het vaccin en het optreden van de ziekte waaraan de gelaedeerde lijdt, door medisch onderzoek bevestigd noch ontkend wordt, het bestaan van een oorzakelijk verband tussen het aan een vaccin toegeschreven gebrek en de door de gelaedeerde geleden schade steeds bewezen wordt geacht wanneer er bepaalde vooraf vastgestelde feitelijke aanwijzingen van causaliteit voorhanden zijn.
Derde vraag
56
Gelet op het antwoord op de eerste prejudiciële vraag, hoeft de derde prejudiciële vraag niet te worden beantwoord.
Kosten
57
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Tweede kamer) verklaart voor recht:
- 1)
Artikel 4 van richtlijn 85/374/EEG van de Raad van 25 juli 1985 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken moet aldus worden uitgelegd dat het niet in de weg staat aan een nationale bewijsregeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, op grond waarvan de feitenrechter bij wie een vordering is ingesteld die ertoe strekt de producent van een vaccin aansprakelijk te stellen wegens een gebrek dat dit vaccin beweerdelijk vertoont, in het kader van de beoordelingsbevoegdheid waarover hij in dit verband beschikt, kan oordelen dat bepaalde feitelijke gegevens waarop verzoeker zich beroept, ernstige, precieze en met elkaar overeenstemmende aanwijzingen vormen waaruit kan worden geconcludeerd dat het vaccin een gebrek vertoont en dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen dit gebrek en de ziekte waaraan de gelaedeerde lijdt, ook al wordt het bestaan van een verband tussen de toediening van het vaccin in kwestie en het optreden van die ziekte door medisch onderzoek bevestigd noch ontkend. De nationale rechterlijke instanties dienen er echter voor te zorgen dat de concrete wijze waarop zij die bewijsregeling toepassen, niet tot gevolg heeft dat de in artikel 4 van richtlijn 85/374 neergelegde regels inzake de bewijslast worden geschonden of dat afbreuk wordt gedaan aan de doeltreffendheid van de door deze richtlijn ingevoerde aansprakelijkheidsregeling.
- 2)
Artikel 4 van richtlijn 85/374 moet aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een op vermoedens gebaseerde bewijsregeling volgens welke in het geval waarin het bestaan van een verband tussen de toediening van het vaccin en het optreden van de ziekte waaraan de gelaedeerde lijdt, door medisch onderzoek bevestigd noch ontkend wordt, het bestaan van een oorzakelijk verband tussen het aan een vaccin toegeschreven gebrek en de door de gelaedeerde geleden schade steeds bewezen wordt geacht wanneer er bepaalde vooraf vastgestelde feitelijke aanwijzingen van causaliteit voorhanden zijn.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 21‑06‑2017
Conclusie 07‑03‑2017
M. Bobek
Partij(en)
Zaak C-621/151.
W
X
Y
tegen
Sanofi Pasteur MSD SNC
Caisse primaire d'assurance maladie des Hauts-de-Seine
Caisse Carpimko
[Verzoek van de Cour de cassation (hoogste rechterlijke instantie, Frankrijk) om een prejudiciële beslissing]
I — Inleiding
1.
In 1998 en 1999 werd W ingeënt tegen hepatitis B. Kort daarna traden bij hem symptomen van multiple sclerose op. De jaren daarna verslechterde zijn toestand. Hij overleed in 2011.
2.
Familieleden van W (hierna: ‘familie W’ of ‘verzoeksters’) stelden een schadevordering in tegen Sanofi Pasteur MSD SNC, de fabrikant van het vaccin en een van de drie verweersters in deze zaak (hierna: ‘Sanofi’ of ‘eerste verweerster’). Verzoeksters voerden aan dat de multiple sclerose van de overledene te wijten was aan het vaccin. Hun vordering werd echter afgewezen omdat zij niet hadden aangetoond dat er sprake was van een oorzakelijk verband tussen een gebrek van het vaccin en de door W geleden schade. Ter staving van een dergelijk verband beriepen verzoeksters zich op een bepaling van Frans recht volgens welke een oorzakelijk verband kan worden vermoed indien een ziekte zich korte tijd na de toediening van het beweerdelijk gebrekkige geneesmiddel manifesteert en er met betrekking tot de ziekte geen sprake is van persoonlijke of familiale antecedenten.
3.
Verzoeksters hebben de zaak uiteindelijk aanhangig gemaakt bij de Cour de cassation (hoogste rechterlijke instantie, Frankrijk), die het Hof thans om uitlegging verzoekt van de Europese productaansprakelijkheidsrichtlijn (hierna: ‘richtlijn’).2. Specifiek vraagt de verwijzende rechter zich af of:
- i)
de hierboven bedoelde vermoedens verenigbaar zijn met die richtlijn;
- ii)
een systematische toepassing van die vermoedens verenigbaar is met de richtlijn; en
- iii)
de eiser wetenschappelijk bewijs voor een oorzakelijk verband moet aandragen indien die vermoedens onverenigbaar zijn met de richtlijn.
II — Toepasselijke bepalingen
A — Unierecht
1. Richtlijn 85/374
4.
De richtlijn strekt tot harmonisatie van bepaalde voorschriften op het gebied van productaansprakelijkheid door onder meer de volgende bepalingen:
‘Artikel 4
De gelaedeerde moet de schade, het gebrek en het oorzakelijk verband tussen het gebrek en de schade bewijzen.
[…]
Artikel 6
1.
Een product is gebrekkig wanneer het niet de veiligheid biedt die men gerechtigd is te verwachten, alle omstandigheden in aanmerking genomen, met name:
- a)
de presentatie van het product;
- b)
het redelijkerwijs te verwachten gebruik van het product;
- c)
het tijdstip waarop het product in het verkeer is gebracht.
[…]
Artikel 7
De producent is uit hoofde van deze richtlijn aansprakelijk, tenzij hij bewijst:
[…]
- e)
dat het op grond van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis op het tijdstip waarop hij het product in het verkeer bracht, onmogelijk was het bestaan van het gebrek te ontdekken;
[…]’
B — Frans recht
5.
Ten tijde van de feiten bepaalde artikel 1386-1 (thans artikel 1245–8) van het Franse burgerlijk wetboek dat de producent aansprakelijk is voor producten met gebreken, ongeacht of hij een contractuele band heeft met de gelaedeerde. Artikel 1386-9 bepaalt dat de eiser de schade, het gebrek en het oorzakelijk verband tussen het gebrek en de schade moet bewijzen.
6.
Bovendien heeft de Cour de cassation in zijn rechtspraak vastgesteld dat met betrekking tot de niet-contractuele aansprakelijkheid van farmaceutische laboratoria voor de door hen geproduceerde vaccins, het bewijs van het bestaan van een oorzakelijk verband tussen het gebrek van het product en de door de gelaedeerde geleden schade kan worden gebaseerd op ‘ernstige, specifieke en overeenstemmende vermoedens’.3.
7.
Volgens de rechtspraak van de Cour de cassation kan de rechter oordelen dat er in het geval van een korte termijn tussen de injectie van het vaccin tegen hepatitis B en het verschijnen van de eerste symptomen van multiple sclerose, samen met het ontbreken van zowel persoonlijke als familiale antecedenten met betrekking tot die ziekte, sprake is van dergelijke ernstige, specifieke en overeenstemmende vermoedens. Dit kan zelfs het geval zijn wanneer het bestaan van een dergelijk verband in het algemeen niet door medisch onderzoek wordt bevestigd.4.
III — Feiten, procedure en prejudiciële vragen
8.
Tussen december 1998 en juli 1999 kreeg W drie injecties met een vaccin tegen hepatitis B, dat door Sanofi was geproduceerd. Vanaf augustus 1999 kampte W met verschillende aandoeningen. In november 2000 werd bij hem multiple sclerose vastgesteld. De gezondheidstoestand W verslechterde steeds verder. Hij had een functiebeperking van 90 procent en was vóór zijn dood op 30 oktober 2011 gedurende 24 uur per dag aangewezen op hulp.
9.
In 2006 stelden W, zijn echtgenote en hun twee dochters tegen Sanofi een vordering wegens buitencontractuele aansprakelijkheid in voor de door de vaccins geleden schade. Zij betoogden dat de korte termijn tussen de injectie van het vaccin en het verschijnen van de eerste symptomen van multiple sclerose, samen met het ontbreken van zowel persoonlijke als familiale antecedenten met betrekking tot die ziekte, ernstige, specifieke en overeenstemmende vermoedens deed rijzen dat het vaccin een gebrek vertoonde en er een oorzakelijk verband bestond tussen dat gebrek en de ziekte van W.
10.
Deze vordering werd in eerste aanleg toegewezen door het Tribunal de Grande Instance de Nanterre (rechter in eerste aanleg Nanterre, Frankrijk). Die beslissing werd echter in hoger beroep vernietigd door de Cour d'appel de Versailles (rechter in tweede aanleg Versailles, Frankrijk). De Cour d'appel was van oordeel dat de door de familie W aangevoerde elementen weliswaar het vermoeden van een oorzakelijk verband staafden, maar niet toereikend waren om een gebrek van het vaccin aan te tonen. De Cour de cassation vernietigde de uitspraak van de Court d'appel de Versailles op grond dat deze rechter had verzuimd aan te geven op welke rechtsgrondslag hij zijn beslissing dat er geen sprake was van een gebrek van het vaccin had gebaseerd.
11.
De zaak werd verwezen naar de Cour d'appel de Paris (rechter in tweede aanleg Parijs, Frankrijk), die de door het Tribunal de Grande Instance de Nanterre in eerste aanleg genomen beslissing opnieuw vernietigde. De Cour d'appel de Paris was van oordeel dat de korte termijn tussen de injectie van het vaccin en het verschijnen van de eerste symptomen van multiple sclerose, samen met het ontbreken van zowel persoonlijke als familiale antecedenten met betrekking tot die ziekte, geen aanleiding vormde voor ernstige, specifieke en overeenstemmende vermoedens van het bestaan van een oorzakelijk verband tussen het vaccin en de ziekte van W.
12.
In dat verband merkte de Cour d'appel de Paris op dat er geen wetenschappelijke consensus bestond over een mogelijk oorzakelijk verband tussen de vaccinatie tegen hepatitis B en multiple sclerose. Volgens nationale en internationale gezondheidsinstanties bestond er geen verband tussen de kans op een centrale of perifere demyeliniserende aandoening (kenmerkend voor multiple sclerose) en de vaccinatie tegen hepatitis B. De Cour d'appel de Paris merkte tevens op dat de oorzaak van multiple sclerose onbekend is. Tot slot verwees de Cour d'appel naar epidemiologische studies waaruit naar voren kwam dat er bij 92 % tot 95 % van alle multiple sclerose-patiënten geen sprake was van antecedenten in de familie.
13.
Ook de beslissing van de Cour d'appel de Paris werd voorgelegd aan de Cour de cassation, die besloot de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof te verzoeken om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Staat artikel 4 van richtlijn 85/374/EEG van de Raad van 25 juli 1985 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken, op het vlak van aansprakelijkheid van farmaceutische laboratoria voor de door hen geproduceerde vaccins, in de weg aan een bewijsmiddel volgens hetwelk de rechter ten gronde bij het uitoefenen van zijn soevereine beoordelingsbevoegdheid kan oordelen dat de feitelijke elementen waarop verzoeker zich beroept, ernstige, precieze en overeenstemmende vermoedens vormen, die het gebrek van het vaccin en het bestaan van een oorzakelijk verband daarvan met de ziekte kunnen bewijzen, ook al is op basis van medisch onderzoek geen verband tussen de vaccinatie en het optreden van de ziekte vastgesteld?
- 2)
Indien vraag 1 ontkennend wordt beantwoord: staat […] artikel 4 van richtlijn 85/374 in de weg aan een stelsel van vermoedens, volgens hetwelk het bestaan van een oorzakelijk verband tussen het aan een vaccin toegeschreven gebrek en de door de gelaedeerde geleden schade steeds bewezen zou worden geacht wanneer sprake is van bepaalde aanwijzingen van causaliteit?
- 3)
Indien vraag 1 bevestigend wordt beantwoord: moet […] artikel 4 van richtlijn 85/374 aldus worden uitgelegd dat het bewijs — dat de gelaedeerde moet leveren — dat een oorzakelijk verband bestaat tussen het aan het vaccin toegeschreven gebrek en de door hem geleden schade, alleen kan worden geacht te zijn geleverd wanneer dit verband wetenschappelijk is vastgesteld?’
14.
Verzoeksters en eerste verweerster alsook de Tsjechische, de Duitse en de Franse regering en de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. De belanghebbenden die aan de schriftelijke procedure hebben deelgenomen, hebben, met uitzondering van de Duitse regering, hun standpunten ter terechtzitting van 23 november 2016 mondeling toegelicht.
IV — Beoordeling
A — Inleiding
15.
Artikel 4 van de richtlijn bepaalt dat het in productaansprakelijkheidszaken aan de gelaedeerde staat de schade, het gebrek en het oorzakelijk verband tussen het gebrek en de schade te bewijzen. In deze zaak gaat het om de eisen en voorwaarden die in het Unierecht zijn gesteld aan de wijze waarop aan die bewijslast kan worden voldaan.
16.
Om te beginnen zij erop gewezen dat de bewijsstandaard en de criteria om te bepalen welke bewijsstukken volstaan om daaraan te voldoen, niet bij de richtlijn zijn geharmoniseerd. In beginsel moeten deze vragen daarom volgens nationaal recht worden beantwoord, met inachtneming van met name het gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel. Het Hof heeft niet tot taak om uit die algemene beginselen of uit een richtlijn die slechts elementaire bepalingen inzake het vaststellen van aansprakelijkheid bevat, gedetailleerde regels inzake het bewijs af te leiden voor potentieel miljoenen verschillende producten.
17.
Het Unierecht voorziet evenwel in bepaalde beperkingen met betrekking tot het bewijs, die ik hieronder nader zal uitwerken teneinde de nationale rechter bij te staan bij de beslechting van de zaak.
18.
Alvorens nader in te gaan op de vragen van de verwijzende rechter (D), zal ik beginnen met een aantal algemene opmerkingen over de vereisten van de richtlijn inzake het bewijs (B) en een opmerking over terminologie (C).
B — Vereisten van de richtlijn inzake het bewijs
19.
De richtlijn legt de bewijslast voor het bestaan van het gebrek, de schade en het oorzakelijk verband daartussen bij de gelaedeerde.5. De procedurele consequentie van die regel ligt voor de hand: indien de gelaedeerde niet aan de bewijslast voldoet, moet zijn vordering worden afgewezen.(6)
20.
Zoals het Hof reeds eerder heeft vastgesteld, heeft de richtlijn echter niet tot doel een uitputtende harmonisatie van de aansprakelijkheid voor producten met gebreken tot stand te brengen op andere dan de door haar geregelde punten.7. In het bijzonder heeft de harmonisatie van de regels inzake het bewijs door de richtlijn niet tot doel te bepalen op welke wijze de gelaedeerde aan de op hem rustende bewijslast kan voldoen.8. Wat de onderhavige zaak betreft, kan aan de richtlijn geen specifieke lijst van bewijzen worden ontleend die de gelaedeerde aan de nationale rechter dient over te leggen. Evenmin specificeert de richtlijn of de overgelegde bewijsstukken ontvankelijk zijn, welk gewicht eraan moet worden toegekend of welke conclusies eruit kunnen of moeten worden getrokken.9.
21.
Het is daarom aan de lidstaten om in hun nationale rechtsorde overeenkomstig het beginsel van procedurele autonomie nadere voorschriften met betrekking tot het bewijs vast te stellen om praktische uitvoering te geven aan de richtlijn.10.
22.
Gezien de zeer verschillende kenmerken van de onder de richtlijn vallende producten, de uiteenlopende vormen van schade die zij kunnen veroorzaken en de verschillende wijzen waarop dergelijke schade teweeg kan worden gebracht, valt bovendien te verwachten dat die nadere voorschriften niet in alle gevallen identiek zullen zijn. Mijns inziens moeten de lidstaten daarom de mogelijkheid hebben om, binnen de grenzen van artikel 4 van de richtlijn, al naargelang het soort product in kwestie redelijke differentiëringen in te voeren en de toepasselijke bewijsregels aan te passen.
23.
Ook heeft het Hof erkend dat de lidstaten bij de vaststelling van voorschriften inzake het bewijs eventuele onevenwichtigheden tussen de positie van de consument en die van de fabrikant, die bijvoorbeeld het gevolg kunnen zijn van informatieasymmetrie, kunnen wegnemen.11. Die mogelijkheid is ook een voortvloeisel van de algemenere vereisten van het Unierecht met betrekking tot de toegang tot de rechter en consumentenbescherming.12.In verband met het vorige punt is het duidelijk dat er met betrekking tot bijvoorbeeld de aansprakelijkheid van farmaceutische ondernemingen sprake kan zijn van een bijzonder grote informatieasymmetrie.
24.
Bij de vaststelling van voorschriften inzake het bewijs voor gevallen die binnen de werkingssfeer van de richtlijn vallen, beschikken de lidstaten echter niet over een onbegrensde procedurele autonomie. Het uiteindelijke effect van de nationale voorschriften inzake het bewijs moet in overeenstemming zijn met het gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel.13. Met andere woorden: de nationale omzetting van de bepalingen van de richtlijn in het algemeen en van artikel 4 in het bijzonder moet binnen de grenzen van die bepalingen blijven en tegelijkertijd voor een doeltreffende uitvoering ervan in de nationale rechtsorde zorgen.
25.
In het bijzonder zouden nationale voorschriften inzake het bewijs die onnodige beperkingen stellen aan de mogelijkheden van de nationale rechter om relevante bewijzen te beoordelen14., of die te soepel zijn, zodat zij in de praktijk tot een omkering van de bewijslast leiden, niet verenigbaar zijn met het doeltreffendheidsbeginsel15..
26.
In wezen draait deze zaak om de vraag of de toegepaste nationale voorschriften inzake het bewijs tot omzetting van de richtlijn in overeenstemming zijn met dat beginsel.
27.
Alvorens meer algemeen in te gaan op het voorgaande, wil ik een aantal inleidende opmerkingen maken over terminologie en met name het begrip ‘vermoeden’.
C — Vermoeden
28.
De precieze betekenis van het begrip ‘présomption’ (in het Frans, de procestaal), dat van centraal belang is voor de onderhavige zaak, was het voorwerp van uitvoerige discussie tijdens de mondelinge behandeling. Daaruit kwam naar voren dat op het eerste gezicht gelijkluidende (of althans letterlijk vertaalde) begrippen in de verschillende nationale rechtsorden heel andere betekenissen en werkingen hebben. Zoals zo vaak in de veeltalige en multiculturele rechtsorde van de Unie geldt ook hier dat ogenschijnlijk identieke begrippen verschillende betekenissen kunnen hebben.16.
29.
Naar ik heb begrepen kan onder ‘présomption’ in het Franse recht een juridische redeneerwijze worden verstaan waarbij een niet-bewezen feit wordt afgeleid uit een ander, vaststaand feit. Een vermoeden wordt ‘feitelijk’ genoemd, wanneer het de rechter vrijstaat een dergelijke inductieve redeneerwijze in een specifieke zaak toe te passen. Een vermoeden wordt ‘wettelijk’ genoemd als het geacht wordt van algemene toepassing te zijn, namelijk wanneer de wetgever een niet-bewezen feit afleidt uit een ander, vaststaand feit. Een wettelijk vermoeden wordt ‘weerlegbaar’ genoemd wanneer het door bewijs van het tegendeel kan worden ontkracht. Wanneer het vermoeden niet kan worden ontkracht, wordt het als ‘onweerlegbaar’ of ‘absoluut’ aangeduid.17.
30.
Het Duitse recht kent een iets andere, zij het soortgelijke benadering.18. Daarentegen blijkt uit de volgende passage over het gebruik van dat begrip in het Engelse recht dat er duidelijke beperkingen zijn aan de transliteratie van het Franse begrip ‘présomption’ naar de Engelse term ‘presumption’: ‘In bepaalde situaties kan de rechter conclusies trekken uit door partijen aangetoonde feiten. […] het gaat hierbij om gebruikelijke voorbeelden van bewijs door aanwijzingen. Het is daarom een misvatting om dergelijke gevolgtrekkingen op te vatten als vermoedens in strikte zin, aangezien zij de bewijslast in geen geval verleggen naar de partij tegen welke het bewijs wordt ingebracht […]. Vaak worden zij — ten onrechte — aangeduid als ‘vermoedens’’.19.
31.
De verwijzende rechter gebruikt het begrip ‘présomption’ in zijn verzoek om een prejudiciële beslissing. Dat begrip is in de andere taalversies van de prejudiciële vragen, die zijn gepubliceerd in het Publicatieblad, in die zin vertaald, en ook partijen en interveniënten gebruiken het begrip in hun bij het Hof ingediende opmerkingen. Om op deze plaats niet nog meer terminologische verwarring te zaaien, houd ik vast aan dat begrip. Voor alle duidelijkheid zal ik hieronder echter uiteenzetten hoe ik dat begrip gebruik. Dat gebruik sluit aan bij hoe ik de werking van het begrip in het Franse recht begrijp, zoals door partijen ter terechtzitting nuttig toegelicht.
32.
In deze conclusie zal ik het begrip ‘vermoeden’ bijgevolg gebruiken om een situatie aan te duiden waarin een feit of een reeks feiten (A) wordt vastgesteld, waaruit vervolgens de waarschijnlijkheid dat zich een ander feit of een andere reeks feiten voordoet, wordt afgeleid (B). Wat de praktische werking ervan betreft, wordt ‘vermoeden’ hier in wezen gebruikt in de zin van een bewijs door aanwijzingen of indirect bewijs.
33.
‘Vermoedens’ in de zin van dergelijk bewijs door aanwijzingen zijn niet ongewoon. Veelal vormen zij een weerspiegeling van ervaringen uit het verleden met betrekking tot de normale gang van zaken, die hun neerslag hebben gevonden in vuistregels die tot een vergemakkelijking en bespoediging van juridische procedures bijdragen. In zekere zin vormen zij niet meer dan een soort etiket ter beschrijving van een onderdeel van het proces dat erop gericht is de rechter te overtuigen van het gelijk van de ene of de andere procespartij. Eiser legt aan de rechter bewijzen over van bepaalde feiten, waaruit de rechter bepaalde conclusies trekt over de waarschijnlijkheid van andere, daaraan gerelateerde feiten. De positie van eiser kan hierdoor in dit stadium worden versterkt. Vervolgens komt de verwerende partij met solide tegenbewijs, waardoor de balans in haar voordeel lijkt door te slaan.20. In antwoord daarop zal eiser overtuigender argumenten moeten aanvoeren om niet in het ongelijk te worden gesteld.21.
34.
Ten behoeve van mijn latere analyse zal ik hier, opnieuw uitgaand van het Franse recht, een onderscheid maken tussen ‘wettelijke’ en ‘feitelijke’ vermoedens. Met het begrip ‘wettelijk vermoeden’ bedoel ik een vermoeden waarvan de rechter wettelijk gehouden is uit te gaan. Met andere woorden is de rechter in het voorbeeld hierboven verplicht feit B af te leiden uit feit A, zodat hij in zekere zin beperkt is in zijn vrije beoordeling van het bewijsmateriaal. Daarentegen bedoel ik hier met het begrip ‘feitelijk vermoeden’ een situatie waarin de mogelijkheid bestaat dat de rechter, in het genoemde voorbeeld, B afleidt uit A, maar dit in het kader van zijn vrijheid om het bewijs te beoordelen.
35.
Voor die analyse is nog een tweede onderscheid van belang, namelijk dat tussen weerlegbare en onweerlegbare vermoedens. Om hetzelfde voorbeeld als daarnet te gebruiken: ik beschouw een vermoeden als onweerlegbaar indien het door de tegenpartij niet kan worden ontkracht, ongeacht de bewijzen die zij aan de rechter overlegt. Daarentegen is er sprake van een weerlegbaar vermoeden indien de tegenpartij verdere bewijzen kan overleggen op grond waarvan de rechter in zijn beoordeling tot de slotsom komt dat dat vermoeden niet houdbaar is.
36.
Na deze terminologische verduidelijking zal ik hieronder ingaan op de specifieke vragen van de nationale rechter.
D — Vragen van de nationale rechter
37.
Staat artikel 4 van de richtlijn in de weg aan een middel waarbij bepaalde feiten aanleiding kunnen geven tot een feitelijk vermoeden dat een vaccin gebreken vertoont en een ziekte heeft veroorzaakt, zelfs al is het bestaan van een oorzakelijk verband in het algemeen niet door medisch onderzoek aangetoond? Luidt het antwoord op deze vraag anders wanneer er sprake is van een wettelijk in plaats van een feitelijk vermoeden? Moet het oorzakelijke verband tussen het vaccin en de ziekte met behulp van wetenschappelijke bewijzen worden aangetoond? Dit zijn in wezen de drie vragen van de verwijzende rechter.
38.
Volgens de hierboven (onder C) ontwikkelde terminologie heeft de eerste vraag mijns inziens betrekking op een ‘weerlegbaar feitelijk vermoeden’. De behandelende rechter is daarom niet verplicht van dit vermoeden uit te gaan, en ook al doet hij dit, het vermoeden vormt slechts een aspect van zijn algehele beoordeling van de feiten. Het staat de verwerende partij dan ook vrij verdere bewijzen ter weerlegging van dat vermoeden over te leggen. Dergelijke bewijzen kunnen de vorm aannemen van elementen die rechtstreeks in tegenspraak zijn met de feitelijke basis van dat vermoeden, of van andere elementen die de rechter ervan overtuigen dat de vordering moet worden afgewezen.22.
39.
Mijns inziens staat de richtlijn in beginsel niet in de weg aan dergelijke feitelijke vermoedens. Evenmin schrijft de richtlijn voor dat specifiek belang moet worden toegekend aan medisch onderzoek of wetenschappelijk onderzoek in het algemeen.
40.
Zoals ik hierboven in punt 20 heb toegelicht, regelt artikel 4 van de richtlijn de bewijslast, maar bevat het geen regeling inzake bewijzen, bewijsmiddelen of bewijsstandaard. In het bijzonder schrijft die bepaling in het algemeen niet voor welk gewicht aan specifieke bewijsstukken moet worden toegekend of hoe het gebruik van vermoedens moet worden geregeld.
41.
Voor de analyse lijkt het mij zinvol om drie aspecten van de eerste vraag te onderscheiden: 1) de rol van medisch onderzoek, 2) het gebruik van vermoedens, en 3) bewijs van een oorzakelijk verband versus bewijs van een gebrek.
1. Medisch onderzoek
42.
Volgens de richtlijn moet een oorzakelijk verband worden aangetoond tussen het gebrek en de geleden schade. De richtlijn vereist echter niet dat het oorzakelijk verband door middel van bewijzen van specifieke — medische of andere — aard wordt aangetoond. Evenmin schrijft de richtlijn voor dat het ontbreken van medisch bewijs voor een oorzakelijk verband afdoende bewijst dat er geen sprake is van een gebrek of een oorzakelijk verband. Gezien de algemene aard van de richtlijn, die van toepassing is op productaansprakelijkheid in een groot aantal sectoren23., is dit niet verrassend, omdat medisch onderzoek voor vele daarvan eenvoudigweg niet relevant zal zijn.
43.
Toch kan een aantal algemene opmerkingen worden gemaakt over voorschriften waarbij eisers gehouden zijn om bewijs over te leggen in de specifieke vorm van medische onderzoeksresultaten, alsook over de rol van dergelijk bewijs. Hieronder zal ik onder a) nagaan of medisch onderzoek kan worden verlangd als voorwaarde voor de toewijzing van een vordering. Onder b) zal ik nagaan of medisch onderzoek kan worden verlangd om van een feitelijk vermoeden uit te gaan.
a) Medisch onderzoek als voorwaarde voor de toewijzing van een vordering
44.
Een bepaling volgens welke alleen aan artikel 4 van de richtlijn wordt voldaan wanneer een oorzakelijk verband specifiek op basis van medisch onderzoek wordt aangetoond, zou mijns inziens onverenigbaar zijn met dat artikel en met het doeltreffendheidsbeginsel, en wel om de hieronder uiteengezette redenen.
45.
Ten eerste zou een dergelijk specifiek bewijsvereiste het vaststellen van aansprakelijkheid praktisch onmogelijk maken in gevallen waarin medisch onderzoek ontbreekt, ongeacht de aard en de kwaliteit van andere bewijzen. In dat geval zou de richtlijn geen uitwerking hebben en zou de vrijheid van de nationale rechter om bewijzen te beoordelen op onredelijke wijze worden ingeperkt.
46.
Ten tweede moet de juridische beoordeling van het oorzakelijk verband in een specifieke situatie worden onderscheiden van een wetenschappelijke beoordeling van een (mogelijk) oorzakelijk verband in het algemeen. De laatstgenoemde beoordeling kan weliswaar relevant zijn voor de eerstgenoemde en omgekeerd, maar beide mogen niet met elkaar worden verward.24. Volgens artikel 4 van de richtlijn rust de bewijslast voor het feit dat de geleden schade in zijn individuele geval door de hem toegediende stof is veroorzaakt, op de eiser. Maar volgens dat artikel is hij niet verplicht aan te tonen dat algemeen medisch onderzoek het potentieel schadelijke karakter van die stof meer in het algemeen heeft aangetoond. De systematische toepassing van een dergelijk aanvullend vereiste zou daarom veel verder gaan dan de vereisten van artikel 4 van de richtlijn.25.
47.
Ten derde zou een bepaling volgens welke een producent niet aansprakelijk kan worden gesteld indien er geen oorzakelijk verband is aangetoond door medisch onderzoek, eveneens in strijd zijn met artikel 4 van de richtlijn, aangezien de in artikel 7 van de richtlijn opgenomen lijst van uitzonderingen op aansprakelijkheid daardoor de facto zou worden uitgebreid. Artikel 7, onder e), bepaalt uitdrukkelijk en specifiek dat de aansprakelijkheid van de producent kan worden uitgesloten indien hij bewijst dat het op het tijdstip waarop het product op de markt werd gebracht, onmogelijk was het bestaan van een gebrek wetenschappelijk aan te tonen.(26) Indien de wetgever in de richtlijn verdere voorbeelden had willen opnemen van situaties waarin de aansprakelijkheid van de producent op grond van (het ontbreken van) medisch onderzoek moet worden uitgesloten, zou hij dit niet hebben nagelaten.
48.
Om bovengenoemde redenen ben ik van mening dat het met de richtlijn en het doeltreffendheidsbeginsel zou botsen indien het ontbreken van algemeen medisch onderzoek een systematische en toereikende grond zou vormen om de argumentatie van de eiser te verwerpen.
49.
Vanzelfsprekend betekent dit niet dat medisch onderzoek in een context als de onderhavige niet relevant zou zijn. Integendeel. Zelfs al is door medisch onderzoek aangetoond dat van een product in het algemeen een gevaar kan uitgaan, hiermee is, zoals ik hierboven reeds heb opgemerkt, nog niet aangetoond dat het in een individueel geval schade heeft berokkend.
50.
Vanuit het oogpunt van bewijsvoering zou het echter verkeerd zijn om aan dergelijk onderzoek voorbij te gaan. Indien bewijs in de vorm van medisch onderzoek systematisch als irrelevant zou worden verworpen, zou dit, gelet op de richtlijn en het doeltreffendheidsbeginsel, even problematisch zijn als een systematische afwijzing van andere vormen van bewijs ingeval medisch onderzoek ontbreekt. Op medisch onderzoek gebaseerde bewijzen moeten naar behoren in aanmerking worden genomen.
51.
Ter afsluiting van dit punt zou ik willen stellen dat het voorgaande een voortvloeisel vormt van een mijns inziens algemene, vaste regel die uit het doeltreffendheidsbeginsel volgt, namelijk de vrijheid van de nationale rechter om bewijzen te beoordelen bij de toepassing van het Unierecht.27. Zoals ik hieronder zal uiteenzetten betekent dit op zichzelf niet dat in het nationale recht geen bijzonder gewicht zou kunnen worden toegekend aan specifieke bewijsstukken of dat daaraan geen vermoedens zouden kunnen worden verbonden. Het betekent echter wel dat nationale bewijsvoorschriften tot omzetting van artikel 4 van de richtlijn een groot risico lopen om met het doeltreffendheidsbeginsel te botsen wanneer zij i) de rechter uitdrukkelijk beletten potentieel relevant bewijsmateriaal in aanmerking te nemen28., of ii) bepaalde bewijsstukken aanwijzen die systematisch worden geacht als toereikend en onweerlegbaar bewijs van een bepaald feit te dienen29..
b) Medisch onderzoek als voorwaarde om van een vermoeden uit te gaan
52.
In zijn eerste vraag geeft de verwijzende rechter niet uitdrukkelijk aan dat de vordering bij gebrek aan medisch onderzoek automatisch zou worden afgewezen. De vraag lijkt eerder te impliceren dat de vordering ook bij gebrek aan dergelijk onderzoek kans van slagen zou hebben, maar dat zij niet kan worden gebaseerd op feitelijke vermoedens.30.
53.
Net als bij de voorschriften inzake het bewijs bevat de richtlijn geen regeling met betrekking tot de vraag of, en zo ja onder welke voorwaarden, gebruik kan worden gemaakt van feitelijke vermoedens. Dit blijft daarom in het algemeen een kwestie van nationaal recht, voor zover het gelijkwaardigheids- en het doeltreffendheidsbeginsel in acht worden genomen. Des te meer is ook de weigering om bij het ontbreken van een specifiek bewijselement, zoals medisch onderzoek, uit te gaan van een dergelijk vermoeden, een kwestie van nationaal recht.
54.
Het Unierecht besteedt over het algemeen meer aandacht aan de ongerechtvaardigde toepassing van vermoedens die tot een omkering van de bewijslast kunnen leiden of anderszins afbreuk kunnen doen aan het doeltreffendheidsbeginsel, vooral wanneer deze toepassing is gebaseerd op irrelevante of ontoereikende bewijzen.31. Hier gaat het echter specifiek om de weigering om in het nationale recht vastgestelde vermoedens toe te passen indien niet aan bepaalde voorwaarden is voldaan (ontbreken van medisch onderzoek).
55.
Kunnen dergelijke voorwaarden in strijd zijn met het doeltreffendheidsbeginsel? Theoretisch gezien in ieder geval wel. Zo heeft het Hof bijvoorbeeld op het gebied van het mededingingsrecht geoordeeld dat het, gezien de moeilijkheid om direct bewijs van collusie te verkrijgen, mogelijk moet zijn om collusie met behulp van indirect bewijs aan te tonen (dat wil zeggen uitgaand van ‘feitelijke vermoedens’ in de hierboven omschreven zin).32. Het is aan de verwijzende rechter om te bepalen of het in de omstandigheden van de onderhavige zaak gezien het gebrek aan direct bewijs voor eisers onmogelijk of uiterst moeilijk wordt een oorzakelijk verband of een gebrek aan te tonen, wanneer een beroep op vermoedens wordt uitgesloten, en of dit bijgevolg niet indruist tegen het doeltreffendheidsbeginsel.
56.
Ik wil niet vooruitlopen op de beoordeling door de verwijzende rechter. Abstraherend van de concrete bewoordingen van de vraag vat ik de zaak meer in het algemeen aldus op dat het er niet om gaat een beroep op vermoedens bij het ontbreken van medisch onderzoek geheel uit te sluiten. In plaats daarvan wenst de verwijzende rechter uitsluitsel over de vraag of de uitsluiting van een bepaald feitelijk vermoeden33. gerechtvaardigd is. In die zin wenst de verwijzende rechter een antwoord te vinden op de praktische vraag of het bewijs dat ten grondslag ligt aan een specifiek vermoeden waarvan in dit soort zaken geregeld wordt uitgegaan, toereikend is.
57.
Ik zal nu ingaan op deze vraag.
2. Vermoedens
58.
Overeenkomstig de hierboven (onder B) beschreven algemene benadering met betrekking tot voorschriften inzake het bewijs, is het aan de verwijzende rechter om bij de toepassing van artikel 4 van de richtlijn te bepalen of specifieke vermoedens volgens het nationale recht verenigbaar zijn met het gelijkwaardigheids- en het doeltreffendheidsbeginsel.
59.
Aannemend dat de regel in kwestie een ‘weerlegbaar feitelijk vermoeden’34. betreft, zal ik hieronder een aantal algemene aanwijzingen geven die de nationale rechter wellicht van nut kunnen zijn bij zijn beoordeling.
60.
Zoals het Hof eerder heeft geoordeeld zijn nationale bewijsregels soms te soepel geformuleerd, zodat zij in de praktijk tot een omkering van de bewijslast zouden leiden en in strijd zouden zijn met het doeltreffendheidsbeginsel.35. Een omkering van de bewijslast zou in casu ook een schending van artikel 4 van de richtlijn betekenen. Naar ik begrijp is dit ook het belangrijkste bezwaar van eerste verweerster in deze zaak.
61.
In welke omstandigheden kan een vermoeden ‘te soepel’ worden geacht?
62.
Mijns inziens zijn er drie mogelijke scenario's:
- a)
er wordt geen bewijs verlangd en er bestaat gewoon een vermoeden dat de eiser zijn vordering heeft onderbouwd;
- b)
het bewijs waarop de vermoedens berusten, is niet relevant; of
- c)
het bewijs is relevant, maar ronduit ‘zwak’.
a) Vermoeden berust niet op bewijs
63.
Geval a), waarin de eiser geen bewijs hoeft aan te voeren om zijn vordering te onderbouwen, komt neer op een omkering van de bewijslast en is dus in strijd met artikel 4 van de richtlijn en het doeltreffendheidsbeginsel.36. Naar ik begrijp moest de eiser in het hoofdgeding bepaalde bewijzen overleggen om zich op het vermoeden te kunnen beroepen, zodat dit scenario hier niet nader hoeft te worden besproken.
b) Vermoeden berust op irrelevant bewijs
64.
Wat geval b) betreft, bedoel ik met ‘irrelevant’ dat er geen rationeel of logisch verband bestaat tussen de overgelegde bewijzen en de getrokken conclusies. In het onderhavige geval zou het mijns inziens problematisch zijn indien de omzet of het aantal personeelsleden van eerste verweerster als bewijs te beschouwen voor het feit dat de producten in kwestie gebreken vertonen. Die twee feiten hebben, in elk geval op het eerste gezicht, geen enkel verband met elkaar.
65.
Indien het mogelijk zou zijn om conclusies te trekken en zich op vermoedens te baseren die uitsluitend op irrelevant bewijs berusten, zou dit erop neerkomen dat de eiser geheel zou worden ontheven van de verplichting om bewijzen te leveren. Zoals ik hierboven reeds heb uiteengezet, zou dat in een omkering van de bewijslast resulteren.
66.
In haar memorie betoogt eerste verweerster dat er geen logisch verband bestaat tussen de overgelegde bewijzen en de getrokken conclusies. In dit verband stelt zij in het bijzonder dat de korte termijn tussen de vaccinatie en het uitbreken van multiple sclerose, gezien de onduidelijke oorzaak van de ziekte, geen toereikend bewijs vormt. Het is inderdaad zelfs mogelijk dat een dergelijke korte termijn een oorzakelijk verband uitsluit, indien zou worden aangetoond dat de ziekte een langere incubatieperiode heeft.
67.
Hoe men ook moge denken over post hoc ergo propter hoc-redeneringen, mij lijkt de door eerste verweerster bepleite absolute irrelevantie van de het temporele verband niet zo overduidelijk voor de hand te liggen als in de hierboven genoemde voorbeelden van de omzet en het aantal personeelsleden.
68.
Ik ben echter niet van mening dat het Hof tot taak heeft uitspraak te doen over of uitvoerig in te gaan op de vraag of het temporele verband — of een ander bewijselement waarop het aan de orde zijnde vermoeden steunt — al dan niet relevant is. Hiervoor zijn ten minste twee dwingende redenen aan te wijzen.
69.
Ten eerste heeft de nationale rechter, zoals hierboven reeds toegelicht, zijn vraag in algemene termen geformuleerd, zonder vermelding van de verschillende toepassingsvoorwaarden van het vermoeden. Hoewel die voorwaarden tot op zekere hoogte aan de orde worden gesteld in de opmerkingen van de partijen, blijft de specifieke inhoud ervan immers onduidelijk.37.
70.
Ten tweede zou, indien het Hof uitvoerig op dit punt zou ingaan, het gevaar bestaan dat een specifiek gewicht wordt toegekend aan individuele bewijsstukken in bepaalde soorten productaansprakelijkheidszaken. Dergelijke uitspraken zouden mijns inziens niet verenigbaar zijn met het wezen van de prejudiciële verwijzingsprocedure, het concept van nationale procedurele autonomie en de vrijheid van de nationale rechter om bewijs te beoordelen.
c) Relevant maar ‘zwak’ bewijs
71.
Wat geval c) betreft, heeft het Hof niet tot taak zich uitvoerig uit te spreken over de relevantie van individuele bewijsstukken, en dus al helemaal niet om te bepalen of de relevante bewijsstukken samengenomen een bepaald vermoeden rechtvaardigen. De vraag of een vermoeden al dan niet gerechtvaardigd is, heeft zo mogelijk een nog subjectiever karakter dan de kwestie van de relevantie. Dit kan aan de hand van twee voorbeelden uit de context van het Europese mededingingsrecht worden verduidelijkt.38.
72.
Ten eerste kan de Europese Commissie zich in haar verweer tegen beroepen tot nietigverklaring van haar besluiten op een weerlegbaar39. feitelijk40. vermoeden beroepen dat een moederbedrijf zeggenschap heeft uitgeoefend over een volledige dochteronderneming en — op die basis aansprakelijk wordt gehouden voor — een inbreuk op het mededingingsrecht van de Unie door die dochteronderneming.41. Er hoeft geen bewijs te worden geleverd dat het moederbedrijf concreet heeft deelgenomen aan de inbreuk. Het feit dat de dochteronderneming volledig in het bezit is van het moederbedrijf is voldoende. Dat vermoeden is reeds vele malen in twijfel getrokken. Eén bezwaar is dat het volledige bezit gewoonweg een ontoereikende basis vormt voor dat vermoeden.42. Met andere woorden zou kunnen worden gesteld dat de aan het vermoeden gestelde bewijsvereisten te soepel zijn. Het is niet zo dat er geen argumenten naar voren zijn gebracht met betrekking tot het te soepele karakter van de bewijsvereisten, of dat die argumenten te vergezocht zijn.43. Toch heeft het Hof dat vermoeden duidelijk en bij herhaling onderschreven.44.
73.
Ten tweede moet de Commissie in kartelzaken aantonen dat er sprake is van een overeenkomst of onderling afgestemde feitelijke gedragingen. Vaak is dit alleen mogelijk met behulp van bewijs door aanwijzingen (namelijk vermoedens in de hier bedoelde zin). De toereikendheid van dergelijk bewijs wordt over het algemeen per geval beoordeeld. Bij tal van gelegenheden heeft het Hof er echter op gewezen dat parallelle gedragingen van ondernemingen op zichzelf niet volstaan om het vermoeden van collusie te rechtvaardigen. Het Hof heeft met andere woorden een rechtsregel geïntroduceerd die verduidelijkt dat dergelijk bewijs op zichzelf beschouwd simpelweg te zwak is.45.
74.
Weliswaar zijn de bovenstaande voorbeelden aan een heel ander materieel rechtsgebied ontleend, maar dan wel aan een gebied dat een bijzonder uitvoerige rechtspraak inzake de striktheid van bewijsvereisten en vermoedens kent. Daarom meen ik dat zij in de context van het Unierecht kunnen helpen ter verduidelijking van het delicate en uiteindelijk nogal subjectieve en vaak in grote mate van het individuele geval afhankelijke karakter van definitieve uitspraken over de toereikendheid van specifieke bewijsstukken of van algemene regels inzake het gewicht van dergelijk bewijs en de daarmee verband houdende vermoedens.
75.
Tot slot moet de nationale rechter, alvorens zich op een specifiek feitelijk vermoeden te beroepen, zich ervan vergewissen dat het op relevant bewijs is gebaseerd en strikt genoeg is om aan het doeltreffendheidsbeginsel te voldoen, zodat het in de praktijk niet neerkomt op een omkering van de bewijslast in strijd met artikel 4 van de richtlijn.
3. Gebrek en oorzakelijk verband
76.
In zijn eerste vraag preciseert de nationale rechter dat het vermoeden zowel betrekking heeft op het oorzakelijk verband als op het gebrek. Voor alle duidelijkheid zij erop gewezen dat de hierboven uiteengezette redenering over de algemene mogelijkheid om in het nationaal recht feitelijke vermoedens vast te stellen, alsook de daaraan bij het Unierecht gestelde beperkingen, gelijkelijk van toepassing zijn op vermoedens inzake het bestaan van een gebrek en een oorzakelijk verband.
77.
Toch zou ik nog drie aanvullende opmerkingen willen maken.
78.
Ten eerste zijn de feitelijke elementen waarop het vermoeden van een gebrek is gebaseerd mijns inziens dezelfde als die waarop het vermoeden van een oorzakelijk verband steunt. Een dergelijke benadering lijkt mij op zichzelf niet in strijd met artikel 4 van de richtlijn of met het doeltreffendheidsbeginsel. Volgens de bovenstaande redenering zijn in het Unierecht geen specifieke bewijsvereisten met betrekking tot het bestaan van een gebrek of een oorzakelijk verband vastgesteld, noch wordt daarin bepaald dat de bewijzen voor het bestaan van een gebrek moeten verschillen van die voor het bestaan van een oorzakelijk verband.
79.
Ten tweede stelt eerste verweerster in haar memorie dat het bestaan van een gebrek wordt afgeleid uit het oorzakelijk verband.
80.
De verwijzende rechter heeft zijn vraag echter niet op die manier geformuleerd. De eerste vraag impliceert veeleer dat beide elementen — het oorzakelijk verband en het bestaan van een gebrek — op dezelfde feiten zijn gebaseerd. Zoals ik hierboven heb uiteengezet, staat het aan de verwijzende rechter te beoordelen of die feiten relevant zijn en of zij een toereikende basis vormen voor de conclusie dat beide elementen zijn aangetoond.
81.
Maar wat als eerste verweerster gelijk heeft en het bestaan van het gebrek volgens het nationale recht wordt afgeleid uit het bestaan van een oorzakelijk verband?
82.
Ik ben niet van mening dat een dergelijke benadering door gevolgtrekking op zichzelf een probleem vormt. In de praktijk dient het bewijs ter staving van een oorzakelijk verband er indirect toe het bestaan van een gebrek aan te tonen. Die bewijsbenadering is vergelijkbaar met een vermoeden in de hierboven omschreven zin. Het bestaan van een gebrek (dat in dit geval vanwege de ‘vernietiging’ van het product bij gebruik46. moeilijk direct kan worden bewezen) wordt afgeleid uit meer indirect bewijs.47. Net als in het geval van vermoedens gaat het vanuit het oogpunt van het Unierecht opnieuw om de vraag of het bestaan van een gebrek is afgeleid uit relevante en toereikende bewijzen.
83.
Ten derde is, zoals bij vermoedens van causaal verband, over het algemeen elke grondige beoordeling van de relevantie en de toereikendheid van specifieke bewijsstukken waaruit het bestaan van een gebrek wordt afgeleid, een zaak van de nationale rechter.
84.
Op één aspect van het bewijs van het bestaan van een gebrek moet hier echter nader worden ingegaan, omdat het verband houdt met de definitie van ‘gebrek’ als zodanig.
85.
Overeenkomstig artikel 6 van de richtlijn is een product gebrekkig wanneer het ‘niet de veiligheid biedt die men gerechtigd is te verwachten, alle omstandigheden in aanmerking genomen’. Eerste verweerster betoogt in het bijzonder op grond daarvan dat de elementen op basis waarvan een oorzakelijk verband tussen het product en de geleden schade in een bepaald geval wordt aangetoond, op zichzelf niet kunnen volstaan om het bestaan van een gebrek aan te tonen. Volgens haar betoog is een bredere beoordeling van de kosten en baten van een product noodzakelijk, die het kader van de concrete zaak te buiten gaat.
86.
Ik ben een andere mening toegedaan.
87.
De richtlijn bepaalt niet uitdrukkelijk dat het begrip ‘gebrek’ inhoudt dat het product, afgezien van de onderhavige specifieke zaak, meer algemeen schadelijk of potentieel schadelijk is, noch dat een bredere analyse moet worden gemaakt van de kosten en baten van het product voor de samenleving. Weliswaar zijn de definitie van ‘gebrek’ in artikel 6 en de daaraan gerelateerde overweging in niet-specifieke termen geformuleerd (de veiligheid die ‘men’ of ‘het grote publiek’ gerechtigd is te verwachten), maar mijns inziens zijn die bewoordingen hooguit ambigu. Volgens mij verwijzen zij in wezen naar basisverwachtingen die bij normaal gebruik aan het product worden gesteld. Er kan niet uit worden opgemaakt dat wanneer het product bij normaal gebruik ernstige schade veroorzaakt in een individueel geval, een afweging van de kosten en baten van het product vereist is om conclusies te kunnen trekken met betrekking tot het bestaan van een eventueel gebrek.
88.
Analoog aan hetgeen ik reeds heb opgemerkt over de verhouding tussen algemeen medisch onderzoek en individuele gevallen48., zou een dergelijk vereiste voor het aantonen van een gebrek er mijns inziens op neerkomen nieuwe aansprakelijkheidsvoorwaarden te introduceren (of minstens boud af te leiden).
89.
Evenmin kan eerste verweerster zich beroepen op het arrest Boston Scientific, dat zij ter onderbouwing van haar standpunt aanhaalt.49. In die zaak bleken specifieke medische hulpmiddelen in een bepaalde partij een gebrek te vertonen. In die zaak ging het om de vraag of uit die vaststelling kon worden afgeleid dat andere, tot dezelfde partij behorende toestellen eveneens een gebrek vertoonden. Dat is iets heel anders dan de stelling dat een specifiek product alleen als gebrekkig kan worden beschouwd wanneer wordt aangetoond dat het product meer in het algemeen onveilig blijkt.
90.
In het licht van het bovenstaande en met betrekking tot het in de eerste vraag van de verwijzende rechter geschetste scenario ben ik van mening dat artikel 4 van de richtlijn niet in de weg staat aan feitelijke vermoedens van het bestaan van een oorzakelijk verband en een gebrek. Een dergelijk vermoeden moet echter wel in overeenstemming zijn met het gelijkwaardigheids- en het doeltreffendheidsbeginsel en de minimumvereisten van artikel 4. Het vermoeden moet voldoende strikt zijn opdat een omkering van de bewijslast is uitgesloten. In het bijzonder moet een vermoeden op relevant en toereikend bewijs zijn gebaseerd.
91.
Komt dat antwoord anders te luiden als het vermoeden van het bestaan van een oorzakelijk verband een wettelijk vermoeden is (in plaats van een feitelijk vermoeden)? Dat is in wezen de tweede vraag van de verwijzende rechter.
92.
Ik verwijs naar de bovenstaande redenering volgens welke voorschriften inzake het bewijs, met inbegrip van bepalingen betreffende de toepassing van vermoedens en de daaraan gestelde voorwaarden, aan het nationale recht worden overgelaten, voor zover het gelijkwaardigheids- en het doeltreffendheidsbeginsel in acht worden genomen. Uiteindelijk staat het aan de nationale rechter om te beoordelen of die beginselen in casu zijn geëerbiedigd.
93.
Ik zou echter nog drie aanvullende opmerkingen willen maken.
94.
Ten eerste kan als algemene regel worden gesteld dat onweerlegbare wettelijke vermoedens — die inhouden dat de rechter gehouden is bepaalde feiten uit andere af te leiden, die vervolgens niet kunnen worden betwist, ongeacht de door de tegenpartij overgelegde bewijzen — eerder op bezwaren kunnen stuiten en in strijd kunnen zijn met het doeltreffendheidsbeginsel. Ik verwijs in dit verband naar mijn opmerkingen in punt 51 met betrekking tot de vrijheid van de rechter om bewijs te beoordelen. Ter terechtzitting kreeg ik evenwel de indruk dat de vermoedens waarop men zich in casu beroept, niet onweerlegbaar zijn, zodat ik hier niet nader op dit aspect zal ingaan.
95.
Ten tweede kan een wettelijk vermoeden dat in strikte zin niet onweerlegbaar is, in sommige gevallen alleen worden ontkracht door bewijzen die de basis waarop het vermoeden zelf berust specifiek ondermijnen. Ook in dergelijke gevallen zijn er zodanige beperkingen gesteld aan de vrijheid van de rechter om het bewijs te beoordelen, dat het doeltreffendheidsbeginsel in het gedrang kan komen.
96.
Wanneer A als basis dient voor een weerlegbaar vermoeden dat B het geval is, kan dat vermoeden in theorie worden weerlegd door: i) bewijs aan te dragen dat A niet is aangetoond, of door ii) aanvullend bewijs C te leveren, dat ertoe leidt dat de rechter het vermoeden in zijn algehele beoordeling van de feiten verwerpt. In het eerste scenario zijn grotere beperkingen gesteld aan de vrijheid van de rechter om het bewijs te beoordelen.
97.
Ten derde moeten, zoals hierboven reeds uiteengezet, feitelijke vermoedens gebaseerd zijn op relevant bewijs dat toereikend is om de daaruit afgeleide feiten te steunen, willen zij voldoen aan het doeltreffendheidsbeginsel. Dit geldt ook voor wettelijke vermoedens.
98.
Het verschil is dat de nationale rechter per definitie van wettelijke vermoedens moet uitgaan wanneer de eiser de vereiste feitelijke elementen heeft aangetoond. Bijgevolg bestaat er duidelijk een grotere kans dat een dergelijk vermoeden in concrete gevallen wordt toegepast waarin dit niet gerechtvaardigd is.
99.
Op zichzelf hoeft dat echter niet met het doeltreffendheidsbeginsel te botsen. Het is namelijk vrijwel onvermijdelijk dat wettelijke vermoedens gezien hun automatische toepasselijkheid in specifieke gevallen ‘onterecht’ zullen zijn. Zij zijn er dan ook niet op gericht perfecte uitkomsten, maar een efficiënte rechtsbedeling te waarborgen. Van doorslaggevend belang is dat indien ten onrechte wordt uitgegaan van een wettelijke vermoeden, de verweerder in de praktijk de mogelijkheid heeft dat vermoeden te weerleggen door relevant bewijs over te leggen. Hieruit blijkt nogmaals het belang van de weerlegbaarheid van een wettelijk vermoeden.
100.
Gelet op de antwoorden op de vorige vragen van de verwijzende rechter is het onnodig om op de derde vraag in te gaan, die betrekking heeft op de waarde van wetenschappelijk onderzoek. In het kader van de beantwoording van de eerste vraag van de verwijzende rechter heb ik echter een aantal opmerkingen gemaakt over de specifiek aan op medisch onderzoek gebaseerde bewijzen toe te kennen waarde. Voor zover nuttig voor de verwijzende rechter, zijn die opmerkingen mijns inziens eveneens van toepassing op het belang en de grenzen van wetenschappelijk bewijs in het algemeen.
V — Conclusie
101.
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen van de Cour de cassation (hoogste rechterlijke instantie, Frankrijk) te beantwoorden als volgt:
‘Artikel 4 van richtlijn 85/374/EEG van de Raad van 25 juli 1985 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken, staat op het vlak van aansprakelijkheid van farmaceutische laboratoria voor de door hen geproduceerde vaccins op zich niet in de weg aan een bewijsmiddel volgens hetwelk de rechter ten gronde bij het uitoefenen van zijn soevereine beoordelingsbevoegdheid kan oordelen dat de feitelijke elementen waarop de verzoeker zich beroept, ernstige, precieze en overeenstemmende vermoedens vormen, die het gebrek van het vaccin en het bestaan van een oorzakelijk verband daarvan met de ziekte kunnen bewijzen, ook al is op basis van algemeen medisch onderzoek geen verband tussen de vaccinatie en het optreden van de ziekte vastgesteld, op voorwaarde dat een dergelijk bewijsmiddel niet de facto leidt tot een omkering van de bewijslast met betrekking tot het gebrek, de schade of het oorzakelijk verband daartussen.
In het bijzonder kan een dergelijk bewijsmiddel alleen op vermoedens steunen die:
- —
gebaseerd zijn op relevante bewijzen die aan voldoende strikte bewijsvereisten voldoen om de gevolgen die daaraan worden verbonden te rechtvaardigen;
- —
weerlegbaar zijn;
- —
geen onredelijke beperkingen stellen aan de vrijheid van de nationale rechter om bewijs te beoordelen, in het bijzonder doordat de nationale rechter, onverminderd de algemene nationale voorschriften inzake de ontvankelijkheid van bewijs, wordt belet relevant bewijs in aanmerking te nemen, of doordat specifieke bewijsstukken worden beschouwd als toereikend bewijs dat aan een of meer voorwaarden van artikel 4 is voldaan, ongeacht eventuele andere overgelegde bewijzen;
- —
de nationale rechter niet beletten om relevant medisch onderzoek dat aan hem wordt overgelegd, naar behoren in aanmerking te nemen, onverminderd de voorschriften inzake de ontvankelijkheid van bewijs, en evenmin in het absolute vereiste voorzien dat medisch onderzoek moet worden overgelegd om het bestaan van een gebrek of een oorzakelijk verband aan te tonen.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 07‑03‑2017
Oorspronkelijke taal: Engels.
Richtlijn 85/374/EEG van de Raad van 25 juli 1985 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken (PB 1985, L 210, blz. 29).
‘Présomptions graves, précises et concordantes’. De precieze betekenis van het begrip ‘présomptions’, dat in het Engels wellicht beter kan worden vertaald met ‘circumstantial evidence’ (bewijs door aanwijzingen), wordt nader besproken in de punten 28–35 hieronder.
De verwijzende rechter vermeldt dit in het verzoek om een prejudiciële beslissing, maar haalt geen specifieke rechtspraak aan. Uit de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen komt echter naar voren dat deze beginselen in een aantal zaken zijn bevestigd en ontwikkeld, onder meer in twee arresten van 22 mei 2008 (Cass. Civ. 1ère, Bull. Civ. I, nr. 148 en nr. 149).
Zie artikel 4 van de richtlijn en het arrest van 20 november 2014, Novo Nordisk Pharma (C-310/13, EU:C:2014:2385, punt 26). Deze bepaling vormt een weerspiegeling van de algemene procedurele regel dat degene die een feitelijke bewering doet, normaliter de bewijslast ten aanzien van dat feit draagt (zie met betrekking tot het Unierecht de conclusie van advocaat-generaal Trstenjak in de zaak C.A.S./Commissie (C-204/07 P, EU:C:2008:175, punt 114). Zie met betrekking tot productaansprakelijkheid: Lovells, Product liability in the European Union — A report for the European Commission (‘verslag Lovells’), 2003, blz. 19.
Arrest van 20 november 2014, Novo Nordisk Pharma (C-310/13, EU:C:2014:2385, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Arrest van 20 november 2014, Novo Nordisk Pharma (C-310/13, EU:C:2014:2385, punt 29); conclusie van advocaat-generaal Szpunar in de zaak Novo Nordisk Pharma (C-310/13, EU:C:2014:1825, punten 21–24). Zie ook het vierde verslag van 8 september 2011 over de tenuitvoerlegging van de richtlijn, COM(2011) 547 definitief, blz. 7.
In artikel 7 van de richtlijn worden specifieke situaties genoemd waarin aansprakelijkheid op grond van bepaalde bewijzen is uitgesloten. Ik zal hierop terugkomen in punt 47, hoewel deze situaties niet van rechtstreeks belang zijn voor deze zaak.
Zie bijvoorbeeld, inzonderheid wat betreft de nationale procedurele autonomie en nationale voorschriften inzake het bewijs, arresten van 22 januari 1975, Unkel (55/74, EU:C:1975:5, punt 12, derde alinea); 10 april 2003, Steffensen (C-276/01, EU:C:2003:228, punt 60); 28 juni 2007, Bonn Fleisch (C-1/06, EU:C:2007:396, punt 51, tweede alinea), en 15 oktober 2015, Nike European Operations Netherlands (C-310/14, EU:C:2015:690, punt 43).
Arrest van 20 november 2014, Novo Nordisk Pharma (C-310/13, EU:C:2014:2385, met name punten 27 en 32).
Zie met betrekking tot consumentenbescherming het horizontaal toepasselijke artikel 12 VWEU: ‘Met de eisen ter zake van consumentenbescherming wordt rekening gehouden bij het bepalen en uitvoeren van het beleid en het optreden van de Unie op andere gebieden’.
Zie bijvoorbeeld arrest van 10 april 2003, Steffensen (C-276/01, EU:C:2003:228, punt 60).
Dergelijke bepalingen zouden een inbreuk kunnen vormen op het beginsel van effectieve rechterlijke toetsing of op het recht op een eerlijk proces. Zie in die zin arresten van 15 mei 1986, Johnston (C-222/84, EU:C:1986:206, punt 20), en 10 april 2003, Steffensen (C-276/01, EU:C:2003:228, punten 69-79). In sommige gevallen zou de toepassing van nationale procedurele voorschriften ertoe kunnen leiden dat relevante bewijzen niet-ontvankelijk worden verklaard, zodat zij door de nationale rechter niet in aanmerking kunnen worden genomen. Zo kan bewijs onrechtmatig zijn verkregen of niet binnen de gestelde termijn zijn ingediend. Dergelijke beperkingen zijn op zichzelf niet in strijd met het gelijkwaardigheids- of het doeltreffendheidsbeginsel. In casu is de ontvankelijkheid van bewijzen echter niet specifiek aan de orde, zodat ik hier niet nader zal ingaan op de verenigbaarheid van aan de ontvankelijkheid van bewijzen gestelde beperkingen met die beginselen.
Arrest van 15 oktober 2015, Nike European Operations Netherlands (C-310/14, EU:C:2015:690, punt 43). Bij gebrek aan uitvoerige informatie over de nationaalrechtelijke voorschriften inzake het bewijs die van toepassing zijn op soortgelijke zaken, beperk ik mij hier tot het doeltreffendheidsbeginsel en laat ik het gelijkwaardigheidsbeginsel verder buiten beschouwing.
Daarom is een vergelijkend onderzoek van dergelijke begrippen van groot belang. Zie met betrekking tot het praktische belang van dergelijk onderzoek op het gebied van productaansprakelijkheidszaken en met betrekking tot de verschillende benaderingen bij de tenuitvoerlegging van de richtlijn in de lidstaten: Brook, Burton, Forrester en Underhill, in Canivet, G., Andenas, M., en Fairgrieve, D., Comparative Law before the Courts, BIICL, 2004, blz. 57–83.
De volgende definitie van ‘présomption’ is ontleend aan Lexique des termes juridiques 2015-2016, Guinchard, S., en Debard, T., (red.), 23e druk, Dalloz, 2015, Parijs: ‘Mode de raisonnement juridique en vertu duquel de l'établissement d'un fait on induit un autre fait qui n'est pas prouvé. La présomption est dite de l'homme (ou du juge) lorsque le magistrat tient lui-même et en toute liberté ce raisonnement par induction, pour un cas particulier; elle n'est admise que lorsque la preuve par témoins est autorisée. La présomption est légale, c'est-à-dire instaurée de manière générale, lorsque le législateur tire lui-même d'un fait établi un autre fait dont la preuve n'est pas apportée. La présomption légale est simple lorsqu'elle peut être combattue par la preuve du contraire. Lorsque la présomption ne peut être renversée, elle est dite irréfragable ou absolue. Les présomptions simples sont dites également juris tantum, les présomptions irréfragables sont désignées parfois par l'expression latine juris et de jure. On qualifie de présomption mixte la présomption dont la preuve contraire est réglementée par le législateur, qui restreint les moyens de preuve ou l'objet de la preuve.’
In het Duitse recht wordt een onderscheid gemaakt tussen verschillende vermoedens op grond waarvan een feit, een reeks feiten of rechtsgevolgen kan of kunnen worden afgeleid uit een ander feit of een andere reeks feiten. Het Duitse recht lijkt zeer duidelijke regels inzake de procedurele rol van vermoedens (‘Vermutungen’) te kennen, voor zover deze wettelijk gecodificeerd zijn. De procedurele consequentie hiervan is dat het voorwerp van het vermoeden niet langer hoeft te worden bewezen. Er is geen ruimte voor een beoordeling door de rechter. Wel kan de tegenpartij bewijs van het tegendeel leveren, tenzij het vermoeden in de wet als onweerlegbaar is aangemerkt. Dergelijke (wettelijke) vermoedens worden in de Duitse rechtsleer vrijwel unaniem opgevat als voorschriften inzake de bewijslast (zie bijvoorbeeld Prütting, H., Münchener Kommentar zur Zivilprozessordnung, 5e druk, Beck, München, 2016, § 292, punt 26). Het lijkt erop dat het begrip ‘vermoeden’ zoals dat in deze conclusie wordt gebruikt, in de Duitse rechtsleer eerder wordt opgevat als indirect bewijs of prima facie bewijs dat als zodanig niet van invloed is op de bewijslast (zie Prütting, H., ibid., § 286, punt 51).
Iller, M., Civil Evidence: The Essential Guide, Sweet & Maxwell, Londen, 2006, blz. 124-125. Zie met betrekking tot vermoedens en de werking van de bewijslast in het Engelse recht in het algemeen bijvoorbeeld ook Munday, R., Evidence, 8e druk, Oxford University Press, Oxford, 2015, blz. 63-105.
In het geval van een weerlegbaar vermoeden. Op het specifieke geval van onweerlegbare vermoedens zal ik hieronder ingaan.
In de context van het mededingingsrecht, waarin het Unierecht het bewijs strikter regelt, heeft advocaat-generaal Szpunar het proces van het overtuigen van de autoriteit en de wisselwerking tussen vermoeden en bewijslast als volgt beschreven: ‘Deze vermoedens verleggen de bewijslast niet naar degene tot wie de beslissing van de mededingingsautoriteit is gericht. Zij stellen die autoriteit in de gelegenheid om op grond van ervaringsregels een bepaalde conclusie te trekken. De hierop gebaseerde voorlopige conclusie kan weerlegd worden door tegenbewijs, bij ontbreken waarvan die conclusie toereikend geacht wordt om te voldoen aan de vereisten ten aanzien van de bewijslast, die blijft rusten op de administratieve autoriteit’ (Eturas e.a., C-74/14, EU:C:2015:493, punt 99).
Zie hieronder, punt 96.
Het Hof heeft reeds benadrukt dat de richtlijn van toepassing is op gevallen van schade die beweerdelijk het gevolg is van gebrekkige vaccins (zie bijvoorbeeld arrest van 2 december 2009, Aventis Pasteur, C-358/08, EU:C:2009:744).
In de zaak Boston Scientific werd vastgesteld dat een partij medische hulpmiddelen een aantal toestellen bevatte die aantoonbaar een bepaald gebrek hadden. Uit dat feit werd afgeleid dat andere individuele toestellen van die partij als gebrekkig konden worden aangemerkt (arrest van 5 maart 2015, Boston Scientific Medizintechnik, C-503/13 en C-504/13, EU:C:2015:148, punt 43). Dit arrest laat zien dat i) bewijzen met betrekking tot een gebrek in het algemeen verschillen van bewijzen met betrekking tot een specifieke zaak, en ii) deze vormen van bewijs potentieel met elkaar samenhangen. Zie hieronder punten 85-89 met betrekking tot de specifieke en algemene gebrekkigheid van producten.
Zie voor de op de eiser rustende bewijslast ten aanzien van aanvullende elementen mutatis mutandis de uit de zaak San Giorgio voortvloeiende rechtspraak inzake afwenteling [arresten van 9 november 1983, San Giorgio (C-199/82, EU:C:1983:318); 9 februari 1999, Dilexport (C-343/96, EU:C:1999:59), en 9 december 2003, Commissie/Italië (C-129/00, EU:C:2003:656)].
De vrijheid van beoordeling van bewijs is praktisch gezien bij verschillende gelegenheden bevestigd door het Hof. Zie bijvoorbeeld arresten van 15 mei 1986, Johnston (222/84, EU:C:1986:206, punten 17-21), en 10 april 2003, Steffensen (C-276/01, EU:C:2003:228, punt 80). Ook is die vrijheid meer algemeen geformuleerd in de context van op grond van het mededingingsrecht van de Unie ingestelde rechtstreekse beroepen. Zie bijvoorbeeld arrest van 8 juli 2004, Dalmine/Commissie (T-50/00, EU:T:2004:220, punten 72 en 73), en conclusie van advocaat-generaal Vesterdorf, Rhône Poulenc/Commissie (T-1/89, EU:T:1991:38, blz. 954). Het Hof heeft de beoordeling van bewijs beschreven als ‘een wezenlijk deel van de rechtsprekende functie, aangezien ongeacht de door de nationale rechter bij wie een bepaalde zaak aanhangig is gekozen uitlegging, de toepassing van deze voorschriften op het concrete geval veelal zal afhangen van de beoordeling van de feiten door de rechter en van de waarde en de relevantie van het bewijs dat partijen in het geding hebben aangedragen’, arrest van 13 juni 2006, Traghetti del Mediterraneo (C-173/03, EU:C:2006:391, punt 38).
Zoals gezegd geldt dit onverminderd voorschriften inzake de niet-ontvankelijkheid van bewijs, bijvoorbeeld als gevolg van de te late overlegging of de onrechtmatige verkrijging ervan (zie hierboven, voetnoot 14).
Arrest van 15 mei 1986, Johnston (222/84, EU:C:1986:206, punt 20).
De bewoordingen van de vraag hebben betrekking op de uitsluiting van alle vermoedens. Uit de context blijkt echter duidelijk dat het specifiek om de uitsluiting van het in casu aan de orde zijnde vermoeden gaat.
Zie hieronder, punten 62–75.
Zie bijvoorbeeld arrest van 21 januari 2016, Eturas e.a. (C-74/14, EU:C:2016:42, punten 35–37).
Het hierboven in punt 1 beschreven vermoeden.
Zoals gedefinieerd in de punten 32–35.
Arrest van 15 oktober 2015, Nike European Operations Netherlands (C-310/14, EU:C:2015:690, punt 43).
Zie de uit de zaak San Giorgio voortvloeiende rechtspraak waarnaar in voetnoot 25 wordt verwezen.
Mijns inziens gaat het om de volgende algemene voorwaarden: i) het ontbreken van persoonlijke en familiale antecedenten en ii) een temporeel verband tussen de vaccinatie en het uitbreken van de ziekte. Uit het dossier komt echter niet naar voren wat deze voorwaarden precies inhouden met betrekking tot de vraag of zij enige mate van flexibiliteit vertonen (bijvoorbeeld wat betreft de duur van de termijn tussen de vaccinatie en het uitbreken van de ziekte). Eerste verweerster maakt in haar memorie bovendien gewag van een derde voorwaarde, namelijk het ontbreken van een bekende aanleg van de gelaedeerde voor de ziekte.
Om misverstanden te voorkomen zij erop gewezen dat hieronder ter illustratie weliswaar hier en daar naar het mededingingsrecht van de Unie wordt verwezen — dat grotendeels kan worden geacht van ‘strafrechtelijke aard’ te zijn — maar dat de argumentatie in deze conclusie betrekking heeft op vermoedens die een rol spelen in de context van buitencontractuele aansprakelijkheid in het kader van de richtlijn. Het is daarom duidelijk dat in het mededingingsrecht van de Unie een hogere bewijsstandaard geldt (bewijs verheven boven elke redelijke twijfel) dan die welke normaliter van toepassing is in civiele zaken (waarschijnlijkheidsafweging). Met dit voorbehoud vormen de voorbeelden echter een nuttige illustratie.
Het Hof heeft bij tal van gelegenheden vastgesteld dat het vermoeden in theorie weerlegbaar is [zie bijvoorbeeld arrest van 19 juli 2012, Alliance One International en Standard Commercial Tobacco/Commissie en Commissie/Alliance One International e.a. (C-628/10 P en C-14/11 P, niet gepubliceerd, EU:C:2012:479, punt 48)]. Vaak is echter de kritiek geuit dat het vermoeden in de praktijk onweerlegbaar is. Zie bijvoorbeeld Temple Lang, J., ‘How Can the Problem of the Liability of a Parent Company for Price Fixing by a Wholly-owned Subsidiary Be Resolved?’, Fordham International Law Journal, deel 37, aflevering 5 2014, voetnoot 14 en begeleidende tekst.
Hoewel de Commissie zich hierop met grote regelmaat beroept, is zij daartoe niet verplicht [arrest van 24 september 2009, Erste Group Bank e.a./Commissie (C-125/07 P, C-133/07 P, C-135/07 P en C-137/07 P, EU:C:2009:576, punten 76–83)].
Arrest van 10 september 2009, Akzo Nobel e.a./Commissie (C-97/08 P, EU:C:2009:536, punten 60 en 61).
De kritiek is over het algemeen echter meer gericht op de weerlegbaarheid van het vermoeden (zie voetnoot 39).
Dit wordt door het Gerecht uitdrukkelijk in twijfel getrokken in de zaak Bolloré: ‘[H]et gegeven dat zij het volledige kapitaal van de dochteronderneming bezit, [vormt] weliswaar een sterke aanwijzing dat de moedervennootschap de mogelijkheid heeft om het gedrag van de dochteronderneming op de markt op beslissende wijze te beïnvloeden, maar het volstaat als zodanig niet om de verantwoordelijkheid voor het gedrag van de dochteronderneming aan de moedervennootschap te kunnen toerekenen. Het blijft noodzakelijk om behalve de mate van deelname nog iets anders aan te voeren, zij het dat aanwijzingen in dit verband volstaan’ [arrest van 26 april 2007, Bolloré e.a./Commissie (T-109/02, T-118/02, T-122/02, T-125/02, T-126/02, T-128/02, T-129/02, T-132/02 en T-136/02, EU:T:2007:115, punt 132)].
Arrest van 10 september 2009, Akzo Nobel e.a./Commissie (C-97/08 P, EU:C:2009:536, punten 60 en 61).
Zie bijvoorbeeld arrest van 31 maart 1993, Ahlström Osakeyhtiö e.a./Commissie (C-89/85, C-104/85, C-114/85, C-116/85, C-117/85 en C-125/85–C-129/85, EU:C:1993:120, punt 71).
Namelijk door toediening van de injectie aan de patiënt.
In diezelfde zin is een scenario denkbaar waarin een aantal (maar niet noodzakelijk alle) personen ziek worden na een etentje in een bepaald restaurant op een bepaalde dag. Wanneer dagen of weken later een onderzoek wordt ingesteld naar het incident (en mogelijk ook wordt beslist over de aansprakelijkheid van het restaurant) zijn de door de betrokkenen geconsumeerde levensmiddelen waarschijnlijk niet meer voorhanden. Er kunnen dus geen monsters worden genomen en ook geen bewijzen worden geleverd dat er iets mis was met het geserveerde voedsel. Dit laat echter de conclusie onverlet dat, bij gebrek aan een andere redelijke verklaring, uit de gebeurtenissen die zich hebben voorgedaan kan worden opgemaakt dat het geconsumeerde voedsel een gebrek vertoonde.
Punt 46.
Arrest van 5 maart 2015, Boston Scientific Medizintechnik (C-503/13 en C-504/13, EU:C:2015:148).