Verdrag inzake de rechten van het kind, New York, 20-11-1989
Rb. Rotterdam, 23-12-2024, nr. C/10/686848 / JE RK 24-2133
ECLI:NL:RBROT:2024:13935
- Instantie
Rechtbank Rotterdam
- Datum
23-12-2024
- Zaaknummer
C/10/686848 / JE RK 24-2133
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBROT:2024:13935, Uitspraak, Rechtbank Rotterdam, 23‑12‑2024; (Beschikking)
- Vindplaatsen
Uitspraak 23‑12‑2024
Inhoudsindicatie
beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing. Een machtiging tot uithuisplaatsing in het netwerk moet worden gezien als het mindere van een machtiging tot uithuisplaatsing in een pleeggezin, en daarom ziet de kinderrechter de ruimte de machtiging met die aanpassing te verlengen.
Partij(en)
RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/686848 / JE RK 24-2133
Datum uitspraak: 23 december 2024
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige] ,
geboren op [geboortedatum] 2014 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] ,
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder] ,
hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats ] ,
advocaat mr. R.W. de Gruijl, kantoorhoudende te Rotterdam,
[naam vader] ,
hierna te noemen de vader, wonende in [woonplaats ] ,
advocaat mr. F. Pool, kantoorhoudende te Rotterdam.
1. Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- -
de beschikking van de kinderrechter van 19 november 2024 en de daarin genoemde stukken;
- -
de briefrapportage met bijlagen van de GI van 11 december 2024;
- -
de brief van de moeder, ter zitting overgelegd.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 23 december 2024. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met advocaat mr. M.S. Krol (waarnemend voor mr. F. Pool);
- twee vertegenwoordigers van de GI, [persoon 1] en [persoon 2] .
2. De feiten
2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft in een pleeggezin.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 19 november 2024 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 24 november 2025.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij diezelfde beschikking de machtiging verlengd [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 24 december 2024. De behandeling van het verzoek is voor het overige aangehouden.
3. Het aangehouden verzoek
3.1.
De GI heeft verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De kinderrechter moet nog beslissen op de periode van 24 december 2024 tot 24 mei 2025.
3.3.
De GI handhaaft het verzoek en licht het als volgt toe. Er is nog geen duidelijkheid, want het KSCD-onderzoek is nog niet afgerond. Naar verwachting is het onderzoek in februari 2025 afgerond. Als bekend wordt dat [minderjarige] bij een van de ouders kan wonen, moet er hulpverlening in de betreffende thuissituatie worden ingezet. Daar gaat ook weer tijd overheen. Daarom moet de machtiging tot uithuisplaatsing worden verlengd tot 24 mei 2025. Ter zitting van 19 november 2024 is besproken dat [minderjarige] in de eerste week van de kerstvakantie weg moet bij het huidige pleeggezin. Nu is bekend dat [minderjarige] vanaf 23 december 2024 terug kan naar het (crisis)pleeggezin in Dordrecht waar hij eerder heeft verbleven. Voor [minderjarige] is het duidelijk dat er een kans is dat hij naar dit pleeggezin terug gaat. Hij weet dat de zitting die hierover gaat vandaag is. [minderjarige] vindt het jammer dat hij weg moet bij het huidige pleeggezin. Hij heeft het daar naar zijn zin. Het is nooit wenselijk dat een kind moet worden overgeplaatst, maar het is fijn dat [minderjarige] het gezin al kent. De pleegouders van het pleeggezin in Dordrecht hebben aangegeven dat [minderjarige] tot de zomervakantie van 2025 bij hen zou kunnen blijven. Dit is uiteraard afhankelijk van de uitkomst van het KSCD-onderzoek. [minderjarige] zou het liefst terug willen naar de moeder. Momenteel is er een keer per twee weken drie uur omgang tussen [minderjarige] en de moeder. Dat is een ruimere regeling dan de regeling die door het gerechtshof Den Haag is bepaald.
In een e-mail van 24 september 2024 is aan de ouders duidelijk uitgelegd door het KSCD waarom het onderzoek wordt geclusterd en er niet een apart deel voor de moeder en een apart deel voor de vader komt. Ook is er duidelijk aan de ouders uitgelegd dat het KSCD-onderzoek langer zou gaan duren als de vader zou beslissen om deel te nemen aan het onderzoek. Er zijn wel zorgen over de opvoedvaardigheden van de vader met betrekking tot [naam 1] . Zij zit al langere tijd thuis en het lukt de vader niet om haar naar school te krijgen. De GI begrijpt het verzoek om [minderjarige] bij de vader te plaatsen. Op dit moment ligt echter nog de vraag voor bij het KSCD wat de meest passende woonplek is voor [minderjarige] .
4. De standpunten
4.1.
De moeder voert, mede bij monde van haar advocaat, verweer tegen het verzoek van de GI. Het is buitengewoon jammer dat het KSCD-onderzoek wederom niet af is. Het deel van het onderzoek dat ziet op de moeder is wel al klaar. Dat deel had al gedeeld kunnen worden. Begin februari 2025 zal het eindgesprek plaatsvinden. Na dat gesprek kunnen de ouders hun visie op het rapport geven. Daarna zal de GI de uitkomsten nog intern met de gedragswetenschapper willen bespreken. Voor je het weet is het april of mei voordat de GI dan een (stappen)plan heeft uitgestippeld. Dat gaat voor de moeder veel te langzaam.
De moeder vindt het bovendien – in tegenstelling tot de GI – niet positief dat [minderjarige] terug kan naar een pleeggezin dat hij al kent. Dit betekent namelijk alsnog weer een overplaatsing.
Opvallend in dit dossier is dat de ouders ook een dochter hebben, [naam 1] . Zij komt te pas en te onpas bij de moeder over de vloer. [naam 1] overnacht bij de moeder en gaat daar ook kerst vieren. Dat kan allemaal onbegeleid, terwijl dat voor [minderjarige] ondenkbaar is. Het is voor de moeder onduidelijk waarom er met betrekking tot [minderjarige] wel moeilijk wordt gedaan over de aanwezigheid van [naam 2] , de partner van de moeder, bij de moeder thuis. Sinds [naam 2] in het leven van de moeder is gekomen, is hier strijd over met de instanties. De moeder weet dat het niet perfect gaat bij haar thuis. Zij wil graag hulp om te zorgen dat het wel veilig genoeg is. Die hulp heeft zij nooit gekregen.
In de kerstvakantie verblijft [minderjarige] volledig onbegeleid bij de vader thuis. De GI stelt nu dat hulpverlening moet worden ingezet in de thuissituatie als [minderjarige] weer bij een van de ouders gaat wonen. Kennelijk is die hulpverlening niet nodig voor alle weekenden en vakanties die [minderjarige] bij de vader doorbrengt. De advocaat van de moeder is bekend met diverse zaken waarin door het gerechtshof ambtshalve een andere machtiging is verleend dan in eerste aanleg werd verzocht. Dat betekent dat de kinderrechter zich niet hoeft te beperken tot het verzoek dat nu voorligt. Het gaat erom wat het meest in het belang van het kind is.
4.2.
De vader voert, mede bij monde van zijn advocaat, verweer tegen het verzoek van de GI. Hij verzoekt het resterend deel van de machtiging tot uithuisplaatsing af te wijzen en [minderjarige] terug naar een van de ouders te laten gaan. De hoofdverblijfplaats van [minderjarige] is bij de moeder, maar een plaatsing bij de vader maakt wellicht meer kans omdat de vader al geruime tijd omgang heeft met [minderjarige] . De situatie bij de moeder thuis zou onveilig zijn. Naar de situatie van de vader is nooit echt gekeken, omdat hij lange tijd “slechts omgangsvader” was. Het KSCD is ingeschakeld en nu wordt ook de vader meegenomen in het onderzoek. De vader heeft een ruime omgang met [minderjarige] . [minderjarige] gaat drie weekenden per maand en alle vakanties naar de vader. Er zijn geen signalen dat het bij de vader thuis niet goed gaat. Ook zijn er geen zorgen over uitspattingen van [minderjarige] bij de vader thuis. Natuurlijk zijn er weleens ruzies tussen [minderjarige] en [naam 1] , maar tussen een broer en zus zijn die er altijd. De ruzies worden altijd weer opgelost. De vader weet precies waar zijn valkuilen zitten. Hij heeft zelfinzicht en geeft eerlijk aan wat hij niet kan. [minderjarige] wil naar huis. Wat is er schadelijker: [minderjarige] (terug)plaatsen bij de vader in afwachting van het KSCD-onderzoek met het risico dat hij daarna alsnog uit huis moet worden geplaatst, of [minderjarige] naar het pleeggezin in Dordrecht laten gaan met over een aantal maanden weer een overplaatsing en een tienjarige jongen die dan nog steeds niet weet waar hij aan toe is? De vader vermoedt het laatste. De vader kan [minderjarige] de nodige stabiliteit bieden. Daar is hij van overtuigd. Een discussiepunt is als [minderjarige] bij de vader wordt geplaatst of daartoe een verzoek had moeten worden ingediend. In het kader van het IVRK is een plaatsing bij familie wellicht alsnog mogelijk1..
5. De beoordeling
5.1.
Eerder is duidelijk geworden dat [minderjarige] tot en met de eerste week van de kerstvakantie in het huidige pleeggezin kan verblijven. Omdat het op 19 november 2024 nog de verwachting was dat de resultaten van het KSCD-onderzoek tijdig beschikbaar zijn om voor de kerstvakantie te bezien of die resultaten aanknopingspunten bieden voor een thuisplaatsing van [minderjarige] bij een van de ouders, heeft de kinderrechter op 19 november 2024 beslist om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] met één maand verlengd en de beslissing op het overige verzochte aangehouden. Uit de briefrapportage van de GI van 11 december 2024 volgt echter dat het KSCD heeft laten weten dat de resultaten van het onderzoek mogelijk pas begin februari 2025 met de ouders zullen worden gedeeld.
5.2.
Het is nu opnieuw aan de kinderrechter om te beoordelen op welke woonplek [minderjarige] het beste kan wonen in afwachting van de resultaten van het KSCD-onderzoek. Er zijn drie opties die moeten worden afgewogen; een plaatsing van [minderjarige] bij de moeder, bij de vader of bij het pleeggezin in Dordrecht. Van die opties is een terugplaatsing bij de moeder vóór afronding van het KSCD-onderzoek is ieder geval niet aan de orde. Daarvoor zijn de zorgen over de persoonlijke problematiek en de draagkracht van de moeder en de onveiligheid in de thuissituatie bij de moeder op dit moment nog te groot. Lastiger is de afweging of [minderjarige] deze week terug kan naar de vader met het risico dat hij daar na afronding van het KSCD-onderzoek weer weg moet óf dat hij deze week moet worden overgeplaatst naar het pleeggezin in Dordrecht met de mogelijkheid dat hij na afronding van het KSCD-onderzoek alsnog bij een van de ouders kan gaan wonen of in de zomervakantie opnieuw moet worden overgeplaatst. Deze afweging is ingewikkeld nu het KSCD-onderzoek nog niet is afgerond en de adviezen van het KSCD juist van belang zullen zijn voor het bepalen van het perspectief van [minderjarige] . Beide opties kunnen tot meer schade voor [minderjarige] leiden en het is lastig te voorspellen wat de uitkomsten van ieder optie zijn.
5.3.
De kinderrechter laat die afweging uitvallen in het voordeel van de optie dat [minderjarige] – in afwachting van de resultaten van het KSCD-onderzoek – bij de vader zal wonen. Daarbij weegt mee dat eerder niet heel concreet is gekeken naar de mogelijkheid van een plaatsing van [minderjarige] bij de vader, omdat de vader te kampen had met ernstige gezondheidsproblemen, hij ook al de verzorging en opvoeding van [naam 1] op zich had genomen en hij eerder steeds aangaf dat hij op dat moment niet in staat was om ook de zorg voor [minderjarige] op zich te nemen. Ter zitting geeft de vader aan dat hij ervan overtuigd is dat hij nu fysiek wel in staat is om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] te dragen. Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting volgen ook geen aanwijzingen dat bij de vader thuis sprake zou zijn van onveiligheid. Er zijn op dit moment geen concrete aanwijzingen dat het KSCD zal concluderen dat de opvoedomgeving bij de vader absoluut ongeschikt is. De kinderrechter gaat er ook van uit dat de vader aan de bel trekt als het thuis toch niet goed gaat. Tot op heden is de vader ook steeds open en eerlijk geweest over zaken die niet goed gaan en zijn fysieke gesteldheid.
5.4.
Punt van zorg is wel de mate waarin de vader [minderjarige] ook kan motiveren om (bijvoorbeeld) naar school te gaan, nu is gebleken dat de vader daar bij [naam 1] niet in slaagt. De vader zelf heeft er vertrouwen in dat dat bij [minderjarige] anders zal gaan. Dat zal de komende periode dan moeten blijken. Het risico dat er op dit punt met behulp van hulpverlening nog stappen moeten worden gezet voordat de opvoedomgeving voldoende op niveau is, heeft de kinderrechter meegenomen bij de afweging welke optie het meest in het belang van [minderjarige] is.
5.5.
Hoewel er geen verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader voorligt, ziet de kinderrechter ruimte om in de beschikking een verzoek tot plaatsing in een voorziening voor pleegzorg te beperken tot een specifiek (pleeg)gezin. Een machtiging tot uithuisplaatsing in het netwerk moet worden gezien als het mindere van een machtiging tot uithuisplaatsing in een pleeggezin, en daarom ziet de kinderrechter de ruimte de machtiging met die aanpassing te verlengen.
5.6.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.2.De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verlengen voor de resterende duur, te weten tot 24 mei 2025.
5.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] tot 24 mei 2025, te weten bij de vader met gezag;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 23 december 2024 door mr. W.J. Loorbach, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M.M.C. van der Knaap als griffier, en op schrift gesteld op 10 januari 2025. | ||
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- -
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- -
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 23‑12‑2024
Artikel 1:265c, tweede lid, BW.