Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/3.5.6.1
3.5.6.1 Bevoegdheid
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS583621:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Zie HR 3 mei 1957, NJ 1959, 62, m.nt. DJV.
Zie HR 22 mei 1992, NJ 1992, 512; en HR 8 december 2000, NJ 2001, 55.
Zie HR 2 maart 1956, NJ 1956, 199; en HR 14 maart 2003, NJ 2003, 313. Zie ook Snijders, Klaassen & Meijer 2007, nr. 183.
Zie daarover nader Snijders, Klaassen & Meijer 2007, nr. 183.
Zie HR 16 juni 2000, NJ 2000, 516; en HR 14 maart 2008, NJ 2008, 168.
Zie HR 25 juni 2010, NJ 2010, 375, JIN 2010/866, m.nt. J.W.A. Biemans onder HR 12 februari 2010, JIN 2010/867.
144. Ieder die een belang heeft bij een tussen andere partijen aanhangig geding, kan vorderen zich daarin te mogen voegen of daarin te mogen tussenkomen (art. 217 Rv).
Bij voeging neemt een derde vrijwillige deel als partij in de procedure ter ondersteuning van een der bestaande procespartijen. Bij tussenkomst neemt de derde vrijwillig deel als partij in de procedure tegen beide partijen. In de regel is de toestemming van de rechter nodig. Voeging is slechts toegestaan als de derde die zich aan de zijde van een van de procespartijen stelt ter ondersteuning van diens stand punt om benadeling van zijn rechten of zijn rechtspositie te voorkomen, die het gevolg zou kunnen zijn van een beslissing ten nadele van de door hem te ondersteunen partij.1 Hiervan is bijvoorbeeld sprake als bij een veroordelend vonnis de gedaagde regres zou kunnen nemen op de partij die zich aan de zijde van de gedaagde voegt.2 Het gaat bij voeging derhalve niet om het geldend maken van een eigen recht.
Voor tussenkomst is vereist dat de derde een belang heeft om benadeling of verlies te voorkomen van een hem toekomend recht, dat bedreigd wordt door het tussen andere partijen aanhangig geding en voor het behoud waarvan zijn optreden in het geding nodig is.3 Hier maakt de partij die tussenkomt wel een eigen recht geld end jegens een der partijen. Op het incident ter verkrijging van die toestemming zijn art. 208, 209, 218 en 219 Rv van toepassing.4
Tussenkomst in cassatie is niet toelaatbaar.5 In een onteigeningsprocedure zijn voeging en tussenkomst niet mogelijk.6 Wordt voeging of tussenkomst toegestaan, dan verloopt de hoofdprocedure verder als een driepartijengeding. De gevoegde of tussenkomende partij mag aan de zijde van zijn mede-eiser of gedaagde respectievelijk tegen beide partijen procederen, met name ook door te concluderen, akten te nemen en te pleiten. Het is de vraag in welke gevallen de cessionaris en de cedent kunnen voegen of tussenkomen.