Einde inhoudsopgave
Levering en verpanding (O&R nr. 90) 2016/6.5
6.5 Samenloop met rechten uit zaaksvervanging
mr. B.A. Schuijling, datum 28-01-2016
- Datum
28-01-2016
- Auteur
mr. B.A. Schuijling
- JCDI
JCDI:ADS476867:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. HR 17 februari 1995, NJ 1996/471, m.nt. W.M. Kleijn (Mulder q.q./CLBN). Vgl. ook Spath 2010/151-161.
TM, Parl. Gesch. Boek 3, p. 735. Zie ook Steneker 2012/15 en 22. Het substitutiepandrecht op de overbedelingsvordering op grond van art. 3:229 BW vormt het complement van het vervangende pandrecht bij verkrijging van het gemeenschappelijke goed door de pandgever op grond van art. 3:177 lid 1 BW. Zie nr. 234 over toepassing van art. 3:229 BW op rechten van een aandeelhouder tot uitkeringen.
Vgl. HR 23 april 1999, NJ 2000/158, m.nt. W.M. Kleijn (Van Gorp q.q./Rabobank); en NvW, Parl. Gesch. Boek 3, p. 864-865.
Vgl. Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/756.
MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 735-736.
MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 736.
Vgl. HR 14 augustus 2015, JOR 2015/252, m.nt. A. Steneker (Glencore/Nationale Borg-Maatschappij).
Vgl. Spath 2010/166.
Zie ook P.A. Stein, Vermogensrecht, art. 3:229, aant. 7. Anders: Janssen 1992, p. 170-172; Verdaas 2008, nr. 335; en Asser/Van Mierlo & Van Velten 3-VI*/60.
Zie echter ook Spath 2010/60, over de voortzetting van beperkte rechten op aandelen die worden uitgegeven in het kader van een aandelensplitsing.
Art. 2:319 lid 1 BW. Zie ook art. 2:320 lid 3 BW ten aanzien van beperkte rechten op bijzondere rechten jegens de betrokken rechtspersoon, zoals een recht op een uitkering van winst of tot het nemen van aandelen. Zie verder Spath 2010/54-56.
Art. 2:334o lid 1 BW. Zie ook art. 2:334p lid 3 BW ten aanzien van beperkte rechten op bijzondere rechten jegens de betrokken rechtspersoon, zoals een recht op een uitkering van winst of tot het nemen van aandelen. Zie verder Spath 2010/59-60.
Zie Spath 2010, nr. 104-116, voor een uitvoerige behandeling van deze problematiek.
264. Een bij voorbaat verrichte levering kan ook samenlopen met een beperkt recht dat van rechtswege bij wege van zaaksvervanging (ook wel substitutie genoemd) op het toekomstige goed zal komen te rusten bij de verkrijging daarvan. Op het tijdstip dat het goed wordt verkregen zullen zowel ten gevolge van de levering bij voorbaat als op grond van zaaksvervanging automatisch rechten op het goed worden verkregen. Zaaksvervanging doet zich slechts voor indien dit uit de wet voortvloeit.1
Een belangrijk voorbeeld is het vervangende pandrecht op vergoedingsvorderingen op grond van art. 3:229 BW. Krachtens lid 1 van dit wetsartikel brengt het recht van pand of hypotheek van rechtswege mee een pandrecht op alle vorderingen tot vergoeding die in de plaats van het verbonden goed treden, waaronder begrepen vorderingen ter zake van waardevermindering van het goed. In het bijzonder valt te denken aan vorderingen uit schadeverzekering van het goed. Daarnaast vallen bijvoorbeeld vorderingen uit onrechtmatige daad of wanprestatie (wegens vernieling, beschadiging of verwaarlozing van het goed) en vorderingen uit overbedeling binnen het bereik van de regel.2 Vorderingen tot betaling van de koopprijs van het verpande goed vallen echter buiten de werking van art. 3:229 BW.3 Het vervangende pandrecht ontstaat van rechtswege, zodat voor haar totstandkoming niet relevant is of de schuldeiser ten tijde van de verkrijging van de vordering beschikkingsbevoegd is.4 Wat betreft de rang van dit pandrecht bepaalt art. 3:229 lid 2 BW dat het pandrecht boven ieder op de vordering gevestigd ander pandrecht gaat. Het pandrecht gaat om deze reden ook boven een bij voorbaat op de vordering gevestigd pandrecht, ongeacht of die vestigingshandeling eerder is verricht dan die van het pand- of hypotheekrecht op het goed waarvoor de vordering in de plaats is getreden.5 Als achtergrond van de rangbepaling heeft de wetgever aangevoerd dat degene ten gunste waarvan een pandrecht bij voorbaat op alle toekomstige vorderingen van de schuldenaar is gevestigd niet daardoor het onverwachte voordeel van een pandrecht op een schadevergoedingsvordering behoort te verwerven, indien dat ten koste zou gaan van de zekerheidsgerechtigde tot het goed waarvoor die vordering in de plaats treedt.6
In lijn met art. 3:229 lid 2 BW mag men aannemen dat bij een samenloop van het verkrijgen van rechten van rechtswege door zaaksvervanging en rechten als gevolg van een levering of vestiging bij voorbaat, als uitgangspunt het recht uit zaaksvervanging voorgaat.7 Dit uitgangspunt spoort met de ratio van zaaksvervanging als een middel tot het behoud van goederenrechtelijke aanspraken die dreigen te eindigen, waaronder in het bijzonder is begrepen het behoud van de rang van deze aanspraken.8 De continuïteit van rechten door zaaksvervanging prevaleert daarmee boven de eventuele anciënniteit van een bij voorbaat verrichte levering.
De prioriteit van door zaaksvervanging verkregen rechten boven rechten die zijn ontleend aan een bij voorbaat verrichte levering, kan men ook zo benaderen dat het vervangende recht wordt gezien als de voortzetting van de eerdere aanspraak op het vervangende goed en dat het vervangende goed in dit opzicht in een bezwaarde toestand wordt verkregen. De door de verkrijger gevestigde pandrechten werken dan ook niet tegen een beperkt gerechtigde die zijn recht op het goed ontleent aan een door zaaksvervanging behouden aanspraak. Het is daarbij in het bijzonder niet relevant of de levering bij voorbaat eerder is verricht dan dat het door zaaksvervanging gewaarborgde recht op het oorspronkelijke goed is ontstaan. Art. 3:229 lid 2 BW is daarmee te beschouwen als een uitwerking van de meer algemene notie dat een recht dat door zaaksvervanging wordt verkregen in principe voorgaat op een recht dat bij voorbaat is geleverd of gevestigd.
Het hiervoor geformuleerde uitgangspunt bij samenloop van een levering bij voorbaat en zaaksvervanging kan zijn diensten bewijzen in andere gevallen waar de wet niet uitdrukkelijk voorziet in de regeling van hun onderlinge verhouding. Het subsistutiepandrecht ex art. 3:229 lid 1 BW gaat om deze reden ook steeds voor op een cessie bij voorbaat van de vergoedingsvordering, ongeacht of de cessie bij voorbaat eerder is verricht dan het pand- of hypotheekrecht op het oorspronkelijke goed.9 Daarnaast kan worden gewezen op de zaaksvervangingsregel voor het pandrecht op een vordering die door de pandhouder wordt geïnd (art. 3:246 lid 5 BW).
265. Bij het ontstaan van nieuwe aandelen kan in het bijzonder worden afgevraagd of deze nieuwe aandelen steeds volledig vrij van beperkte rechten zullen ontstaan. Het al dan niet voortbestaan van rechten op een nieuw aandeel kan van groot belang zijn indien meerdere aanspraken op het aandeel conflicteren. De vraag naar het voortbestaan van rechten speelt indien de verkrijging van het nieuwe aandeel voortvloeit uit een ander aandeel dat met beperkte rechten was bezwaard. Bij het ontstaan van aandelen door oprichting van een naamloze of besloten vennootschap, worden deze aandelen in beginsel vrij van beperkte rechten verkregen door de nemers van de aandelen. De aandelen ontstaan als het ware uit het niets. Hetzelfde uitgangspunt geldt indien nieuwe aandelen worden uitgegeven.10 Op dit uitgangspunt zijn echter uitzonderingen mogelijk. Indien de aandelen ontstaan ten gevolge van een fusie of splitsing zijn ze mogelijk van rechtswege bezwaard met een beperkt recht. De wet voorziet in uitdrukkelijke regels van zaaksvervanging. Bij fusie gaan rechten van pand of vruchtgebruik die rusten op lidmaatschapsrechten van of aandelen in de verdwijnende rechtspersoon van rechtswege over op de rechten die daarvoor in de plaats treden.11 Op vergelijkbare wijze gaan bij splitsing rechten van pand of vruchtgebruik op lidmaatschapsrechten van of aandelen in de splitsende rechtspersoon van rechtswege over op de aandelen die met de splitsing worden verkregen.12 De pandhouder of vruchtgebruiker van lidmaatschapsrechten of aandelen in de verdwijnende of splitsende rechtspersoon ondervindt hierdoor geen nadeel van fusie of splitsing. Het strookt met deze gedachte om de pandhouder of vruchtgebruiker evenmin nadeel te laten ondervinden van rechten die de verkrijger van de aandelen daarop mogelijk bij voorbaat heeft gevestigd.
266. Op één lijn te stellen met rechten verkregen uit zaaksvervanging zijn eventuele rechten die, ondanks het ontbreken van een wettelijke zaaksvervangingsregel, op een nieuw goed worden voortgezet. In dit verband wijs ik op de vraag naar de al dan niet onbelaste verkrijging van zaken (of aandelen daarin) als gevolg van natrekking en vermenging zonder hoofdzaak, zaaksvorming, afscheiding of splitsing. In al deze gevallen ontstaat een zaak als voorwerp van een nieuw eigendomsrecht, zonder dat de wet uitdrukkelijk voorziet in een regeling van de gevolgen voor beperkte rechten die op de oorspronkelijke zaken rustten.13 Wat betreft natrekking en vermenging zonder hoofdzaak kan uit het arrest HR 14 augustus 2015, JOR 2015/252 (Glencore/Nationale Borg-Maatschappij) worden afgeleid dat in die gevallen uit art. (5:15 BW jo.) 5:14 BW volgt dat van rechtswege een nieuw beperkt recht ontstaat op een aandeel in de nieuwe zaak ten behoeve van degene die het pandrecht op de door natrekking of vermenging tenietgegane zaak had gevestigd. Dat dit geval niet met zoveel woorden in de genoemde artikelen is geregeld, vormt voor de Hoge Raad geen beletsel om hier een regel van zaaksvervanging aan te nemen. De beperkte rechten die zich op deze wijze voortzetten op de nieuwe zaak zullen naar hun aard steeds prevaleren boven een levering bij voorbaat door degene die de eigendom van (of een aandeel in) de nieuwe zaak verkrijgt.