Rb. Rotterdam, 27-07-2022, nr. C/10/584273 / HA ZA 19-971
ECLI:NL:RBROT:2024:5980
- Instantie
Rechtbank Rotterdam
- Datum
27-07-2022
- Zaaknummer
C/10/584273 / HA ZA 19-971
- Vakgebied(en)
Goederenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBROT:2024:5980, Uitspraak, Rechtbank Rotterdam, 26‑06‑2024; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
ECLI:NL:RBROT:2022:6257, Uitspraak, Rechtbank Rotterdam, 27‑07‑2022; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
ECLI:NL:RBROT:2021:13224, Uitspraak, Rechtbank Rotterdam, 29‑12‑2021; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
ECLI:NL:RBROT:2021:7445, Uitspraak, Rechtbank Rotterdam, 28‑07‑2021; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
Uitspraak 26‑06‑2024
Inhoudsindicatie
Eindvonnis. De rechtbank stelt de waarde van het recht van erfpacht vast na deskundigenbericht en de reactie(s) daarop van partijen. Zie ook: ECLI:NL:RBROT:2021:7445, ECLI:NL:RBROT:2021:13224 en ECLI:NL:RBROT:2022:6257
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/584273 / HA ZA 19-971
Vonnis van 26 juni 2024
in de zaak van
de naamloze vennootschap
HAVENBEDRIJF ROTTERDAM N.V.,
gevestigd te Rotterdam,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
advocaat mr. S.C. Polkerman te Amsterdam,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
SLUISJESDIJK B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat voorheen mr. Y.J.H. van Griensven te Breda, die zich per 19 juli 2023 heeft onttrokken.
Partijen worden hierna HbR en Sluisjesdijk genoemd.
1. Inleiding
Nadat de rechtbank, kort gezegd, bij tussenvonnis van 28 juli 2021 (hierna: het eerste tussenvonnis) voor recht heeft verklaard dat het recht van erfpacht door HbR rechtsgeldig is opgezegd tegen 31 december 2018, bij tussenvonnis van 29 december 2021 (hierna: het tweede tussenvonnis) heeft geoordeeld dat een benoeming van een commissie van drie deskundigen aangewezen is, bij tussenvonnis van 27 juli 2022 drie deskundigen heeft benoemd en de door de deskundigen te beantwoorden vragen heeft bepaald (hierna: het derde tussenvonnis) en in het vonnis in incident (artikel 223 Rv) van 28 december 2022 (hierna: het vonnis in incident) heeft bepaald dat HbR de door haar gestelde zekerheid in de vorm van een bankgarantie mag (doen) verlagen tot een maximumbedrag inclusief rente en kosten van € 88.242,06, stelt de rechtbank thans, aan de hand van het deskundigenrapport en de reactie daarop van HbR, de door HbR aan Sluisjesdijk te vergoeden waarde van het recht van erfpacht per 31 december 2018 vast.
2. De procedure
2.1.
Het (verdere) verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het vonnis in incident van 28 december 2022 en de daarin genoemde (proces)stukken, inclusief (in het bijzonder) het eerste en derde tussenvonnis;
- -
het deskundigenbericht van 8 mei 2023;
- -
het B2-formulier van 26 juni 2023 van mr. Van Griensven, met bericht van onttrekking per 19 juli 2023;
- -
de conclusie na deskundigenbericht van HbR;
- -
het B16-formulier van 29 augustus 2023 van mr. Polkerman, waarin hij namens HbR vonnis vraagt;
- -
de correspondentie met en over de declaraties van de rechtbankdeskundigen;
- -
de brief van mr. Polkerman van 29 januari 2024 met referte aan voornoemde correspondentie en verzoek om spoedig eindvonnis te wijzen;
- -
de loonbepaling van 21 februari 2024, waarbij de schadeloosstelling en het loon van de deskundigen is bepaald op in totaal € 34.938,75 inclusief BTW.
2.2.
Het vonnis is nader bepaald op vandaag.
3. De verdere beoordeling in conventie en reconventie
3.1.
HbR vorderde ten eerste een verklaring voor recht over de rechtsgeldige opzegging van het erfpachtrecht. Deze verklaring voor recht is in het eerste tussenvonnis gegeven.
3.2.
HbR vorderde ten tweede dat Sluisjesdijk - al dan niet tegen betaling door HbR van een waardevergoeding - zou worden veroordeeld tot het binnen vier weken na vonnisdatum - samengevat - ontruimd, geëgaliseerd en vrij van rechten van derden opleveren van het terrein. In het eerste tussenvonnis onder 5.2 is die vordering iets gewijzigd toegewezen, namelijk tegen het stellen van zekerheid door HbR in plaats van directe betaling van de waardevergoeding. De waarde van het erfpachtrecht ten tijde van het einde daarvan kon immers nog niet worden vastgesteld, daarvoor was nog deskundigenonderzoek nodig.
3.3.
Voor het geval dat Sluisjesdijk niet op correcte wijze aan die veroordeling zou voldoen is daaraan een dwangsom verbonden, zoals HbR ten derde had gevorderd. In het tweede tussenvonnis heeft de rechtbank geconstateerd dat de dwangsom inmiddels tot het maximum van € 100.000 was verbeurd.
3.4.
Ingevolge het door HbR ten vierde gevorderde heeft de rechtbank in het eerste tussenvonnis Sluisjesdijk veroordeeld tot betaling van € 5.547,93 wegens achterstallige canon en ook tot betaling van € 1.390,78 per maand wegens vergoeding voor het gebruik van het terrein zonder recht of titel, te rekenen vanaf 1 januari 2019 tot en met de dag dat Sluisjesdijk het terrein ontruimd conform 5.2 hierboven zou hebben verlaten, beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente daarover.
3.5.
In het vonnis in incident is overwogen:
“Vast staat dat Sluisjesdijk het terrein niet ontruimd heeft opgeleverd, want HbR heeft zelf sloop- en egalisatiewerkzaamheden moeten (laten) uitvoeren. Daardoor was het HbR onmogelijk om haar terrein na het inleveren van de sleutels zelf weer in gebruik te nemen in leeggemaakte, geëgaliseerde staat. De rechtbank oordeelt dat Sluisjesdijk aan HbR een gebruiksvergoeding is verschuldigd tot het moment waarop HbR weer de vrije beschikking had over haar terrein en het aldus weer feitelijk in gebruik kon nemen in de beoogde staat. Echter is niet duidelijk wanneer HbR precies weer de vrije beschikking had over haar terrein. De rechtbank neemt aan dat dat het moment moet zijn geweest waarop de sloop- en egalisatiewerkzaamheden waren afgerond. De door HbR overgelegde offerte ter uitvoering van die werkzaamheden is gedateerd van 20 april 2022, terwijl de factuur voor die werkzaamheden voor de op de factuur vermelde ‘geleverde dienst’ is gedateerd van 12 mei 2022. In het kader van dit incident neemt de rechtbank veronderstellenderwijs aan dat de werkzaamheden tussen de twee hiervoor vermelde data zijn uitgevoerd. Op die grond neemt de rechtbank aan dat Sluisjesdijk ook over de maand april 2022 een gebruiksvergoeding is verschuldigd. Voor het vaststellen van de verschuldigdheid van een gebruiksvergoeding door Sluisjesdijk over de maanden mei en juni 2022 bestaat, in het kader van dit incident en gelet op het voorgaande, (nog) onvoldoende grond. Daarmee wordt, in het kader van dit incident, de verschuldigde gebruiksvergoeding (over de maanden februari, maart en april) vastgesteld op € 4.172,34.”
3.6.
De veroordelingen zijn in het eerste tussenvonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zoals HbR tot besluit had gevorderd.
3.7.
De procedure is vervolgd met deskundigenonderzoek ter vaststelling van de hoogte van de waarde van het opgezegde recht van erfpacht. Daartoe heeft de rechtbank in rechtsoverweging 4.26 van het eerste tussenvonnis (2.11 van het derde tussenvonnis) aangegeven met welke omstandigheden bij het vaststellen van de waarde van het recht van erfpacht rekening moet worden gehouden. In rechtsoverweging 4.27 van het eerste tussenvonnis (2.12 van het derde tussenvonnis) heeft de rechtbank, gelet op het partijdebat, aangegeven waarover de deskundigen zich desgewenst nog verder kunnen uitlaten.
3.8.
Nadat partijen zich (in twee ronden) daarover hadden uitgelaten zijn in het derde tussenvonnis C.S. Kooijman, G. Simonis en B. Huijts als deskundigen benoemd. Aan de deskundigen zijn de volgende vragen voorgelegd:
wat zou een derde, rekening houdend met de onder 2.11 genoemde omstandigheden, de illegale onderhuur tot op 25 maart 2022, de stand van de vastgoedmarkt, de courantheid van het object en de begroting van de sloopkosten door partijen daaronder mede begrepen, en eventueel andere naar uw deskundige mening relevant te achten omstandigheden, op 31 december 2018 hebben willen betalen voor een recht van erfpacht op het terrein?
moet de waardering van het recht van erfpacht geschieden met inachtneming van over de resterende duur van te realiseren huur- of ondererfpachtinkomsten, dan wel moeten deze buiten beschouwing blijven, onder bepaling van relevante waarderingen voor beide gevallen?
welke rol moet in dit verband toekomen aan de feitelijk door Sluisjesdijk B.V. vanaf 1 januari 2019 tot op 28 januari 2022 gerealiseerde huur- of ondererfpachtinkomsten, en hoe groot zijn deze?
bestaat er aanleiding om de sloopverplichting van Sluisjesdijk bij de waardebepaling buiten beschouwing te laten omdat, zoals Sluisjesdijk betoogt, Sluisjesdijk deze kosten dan twee keer voor haar rekening krijgt? Maakt het daarbij nog uit dat het niet zeker is dat Sluisjesdijk deze kosten daadwerkelijk zal maken?
zijn er of bestaan er aanwijzingen dat op het terrein sprake is van milieuverontreinigings- of asbestschade, en zo ja, welke invloed gaat hiervan uit op de waardering?
zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechtbank volgens u kennis dient te nemen bij de verdere beoordeling?
Het deskundigenbericht
3.9.
Het deskundigenbericht van 8 mei 2023 houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:
“6.1 Waarvan de deskundige uitgaat*
Uitgegaan is van het volgende:
waardepeildatum 31-12-2018, een recht van erfpacht, drie rechten van ondererfpacht, einddatum 30-09-2022, totale jaarcanon van € 16.689,40.
6.2
Eigen beschouwing*
Aangezien de aangeleverde huurovereenkomsten en -gegevens betrekking hebben op de rechten van ondererfpacht, dan wel ingegaan zijn na de waardepeildatum is bij het beantwoorden van vraag 1 geen rekening gehouden met de huursituatie.
Verder is aangenomen dat de canon voor de rechten van ondererfpacht en de kosten voor de sloop van de opstallen behorende bij de rechten van ondererfpacht voor rekening zijn van ondererfpachters.
Voor wat betreft de sloopkosten is uitgegaan van de kosten zoals aangeleverd door de erfpachter (Tab 15 productie 24) aangezien deze de door de deskundige ingeschatte sloopkosten het dichtst benaderen. De gehanteerde sloopkosten zijn exclusief B.T.W.
Antwoord op vraag 6: Bij het beantwoorden van vraag 1 is geen rekening gehouden met mogelijke betalingsachterstand bij het betalen van de canon van het recht van erfpacht, dan wel is aangenomen dat deze mogelijke betalingsachterstand voor rekening is van de verkoper bij een verkoop op de waardepeildatum.
Voor wat betreft de sloop- en saneringskosten is verder uitgegaan van een verdeling conform de verdeling van de canon zoals vermeld in de aktes uitgifte ondererfpacht.
De aanwezige gasbetonblokken moeten separaat afgevoerd worden wat de sloopkosten mogelijk zal verhogen evenals de mogelijk verder aanwezige asbest.
Volgens een in de processtukken aangeleverde brief d.d. 4 maart 2020 (Tab 5 productie 38) zijn er vier doorbraken in draagmuren gerealiseerd die niet opgevangen zijn. Verder is op de zolder van het bedrijfspand een stuk van de ijzeren dakspant doorgeslepen en gedemonteerd. Op basis van de opname ter plaatse door deskundigen, is aangenomen dat bovengenoemde brief betrekking heeft op een van de rechten van ondererfpacht en niet op het recht van erfpacht kadastraal bekend [perceel]
Verder hebben de deskundigen de volgende algemene uitgangspunten gehanteerd:
op de peildatum was de onderhoudstoestand aan zowel de binnenzijde als de buitenzijde voldoende;
op de waardepeildatum was voldoende sanitair aanwezig alsmede motoren voor de overheaddeuren en verwarming in de vorm van heaters;
alle nutsvoorzieningen (water, riolering, elektra en gas) waren aanwezig en functioneerden op de waardepeildatum.
6.3
Antwoorden op de vragen
1. Aangezien de aangeleverde huurgegevens (huurinkomsten) betrekking hebben op de rechten van de ondererfpacht, zijn deze niet relevant voor een derde die op 31 december 2018 het recht op erfpacht wil kopen. Wel zal een derde rekening houden met de zeer beperkte looptijd van de erfpacht, de verplichting de volledige jaarcanon af te dragen aan het Havenbedrijf Rotterdam terwijl een koper bij koop maar recht heeft op het gebruik van een deel van aanwezige opstallen en de kans bestaat dat de ondererfpachters hun canon niet aan hem betalen, alsmede de verplichting alle opstallen te slopen waarbij de kans bestaat dat de ondererfpachters niet hun deel van de sloopkosten zullen betalen. Verder zal een derde rekening houden met de te verwachten/aanwezige bodemverontreiniging. Indien een derde rekening houdt met hetgeen hierboven vermeld wordt, zal een derde het recht van erfpacht op het terrein niet willen kopen.
2. De waardering van het recht van erfpacht moet volgens deskundigen geschieden met inachtneming van over de resterende duur te realiseren ondererfpacht inkomsten. De te realiseren huurinkomsten van de rechten van ondererfpacht moeten buiten beschouwing blijven aangezien deze inkomsten niet ten goede komen aan het recht van erfpacht, maar alleen aan de rechten van ondererfpacht. De te realiseren huurinkomsten voor wat betreft het recht van erfpacht dienen buiten beschouwing te blijven aangezien de huurovereenkomst die hieraan ten grondslag ligt, is afgesloten na de waardepeildatum.
3. De deskundigen kunnen niet anders dan aannemen dat de inkomsten zoals deze vermeld zijn in de processtukken, overeenkomen met de werkelijkheid. Bij de waardering die is gehanteerd bij de beantwoording van vraag 1, is dan ook uitgegaan van de gerealiseerde ondererfpachtinkomsten. Zoals vermeld bij het beantwoorden van vraag 1 en 2 is geen rol toebedeeld aan de feitelijk genoten huurinkomsten.
4. Vraag 1 is wat een derde zal betalen voor het recht van erfpacht. Een derde zal altijd rekening houden met de verplichting dat de opstallen aan het einde van de erfpachtperiode gesloopt moeten worden. De formulering van vraag 1 houdt als uitgangspunt in dat niet Sluisjesdijk verantwoordelijk is voor de sloop maar dat de kosten voor de sloop voor rekening van de derde komen.
5. Recent is in opdracht van het Havenbedrijf Rotterdam een milieuhygiënisch landbodemonderzoek uitgevoerd. Het volledige rapport is opgenomen in de bijlagen. Hierin wordt geconcludeerd dat de grond over het algemeen licht verontreinigd is met diverse metalen, minerale olie, PAK en PCB’s met uitzondering van enkele lagen in drie boringen waar sterke verontreiniging voorkomt met zink. Er is sprake van een urgente verontreiniging waarbij geldt dat als er geen directe contactmogelijkheden zijn met de sterk verontreinigde grond de geplande werkzaamheden (sloop van bestaande bedrijfspand) door kunnen gaan. Als er wordt gegraven in de grond, dient welk rekening gehouden te worden met de sterke verontreiniging met zink. Er wordt aanbevolen aanvullend bodemonderzoek te doen voor afperking voor de parameter zink en lood. eveneens is een Chroom6 rapportage opgesteld in opdracht van het Havenbedrijf Rotterdam waaruit blijkt dat in 8 van de 14 bemonsterde verflagen Chroom-6 aanwezig is. De Rapportage asbestinventarisatie die in opdracht van het Havenbedrijf Rotterdam is uitgevoerd vermeldt dat er op diverse plaatsen asbest is geconstateerd o.a. in tegellijm, koorden, beglazingskit. Bovengenoemde resultaten zijn kostenverhogend voor wat betreft de sloop.”
3.10.
De deskundigen hebben de marktwaarde van het recht van erfpacht per 31 december 2018 op nul euro getaxeerd, zo volgt uit het door hen opgestelde en ondertekende taxatierapport (zie onder B.3 en J). Naar hun deskundige mening zal een derde het recht van erfpacht niet willen kopen.
Standpunten van partijen
3.11.
Sluisjesdijk heeft niet op het deskundigenbericht gereageerd.
3.12.
HbR meent dat de deskundigen weinig hebben gedaan met het commentaar van HbR op hun conceptadvies (zie deskundigenbericht: 9 *Reactie van deskundige op opmerkingen en verzoeken). Daartoe heeft HbR het volgende aangevoerd. Anders dan Sluisjesdijk zijn de ondererfpachters geen partij in deze procedure, zodat wel rekening met de zelfstandige sloopverplichting van Sluisjesdijk moet worden gehouden; immers de kosten van de sloop komen nu voor rekening van HbR, terwijl deze voor rekening van Sluisjesdijk behoren te zijn. In dat verband hebben de deskundigen ten onrechte nagelaten de sloopkosten, egalisatiekosten en saneringskosten concreet te begroten, omdat die bij de eindafrekening wel degelijk van belang zijn.
3.12.1.
De hiervoor genoemde bezwaren zien ook op de door de deskundigen op nihil gestelde marktwaarde van het recht van erfpacht per 31 december 2018 als zijnde onverkoopbaar. De mogelijkheid dat een potentiële koper akkoord zou gaan met een overdracht om niet is niet realistisch als deze een vergoeding zou eisen voor het overnemen van alle risico’s, aldus HbR.
Als de sloopkosten bijdragen aan de onverkoopbaarheid van het recht van erfpacht kunnen de deskundigen niet volstaan met het antwoord (op vraag 5) dat de aanwezige milieuverontreinigings- en asbestschade kostenverhogend zijn voor de sloop. Om te kunnen vast stellen wat de exacte waarde van het recht van erfpacht is, is het voor de eindafrekening tussen partijen van belang dat in deze procedure niet alleen de waarde van het recht van erfpacht wordt bepaald, maar ook dat de kosten voor de sloop van de opstallen, het saneren van de bodem, asbest, chroom-6 en overige verontreiniging in kaart worden gebracht. Voor zover deze kosten al in kaart zijn gebracht, meent HbR dat een nadere kritische blik hierop door de deskundigen op zijn plaats is. Temeer nu de deskundigen slechts rekening hebben gehouden met een bedrag van € 68.950,00, terwijl HbR voor de sloop alleen al aan de hand van concrete offertes op een bedrag van € 122.000,00 uitkomt. Ook de deels al door HbR gemaakte ontruimingskosten van € 15.362,16 en de nog te maken saneringskosten van het ernstig vervuilde terrein nopen tot een nadere toelichting op voornoemde kosten door deskundigen. Voor zover de rechtbank een dergelijk nader onderzoek door de deskundigen niet aangewezen acht, kunnen de berekeningen van HbR zeer wel als uitgangspunt dienen voor die kosten in relatie tot de waardebepaling van het recht van erfpacht, opdat tussen partijen een correcte eindafrekening plaatsvindt.
3.12.2.
HbR heeft tenslotte, onder verwijzing naar haar brief van 4 juli 2023, betoogd dat de kosten van het deskundigenbericht voor rekening van Sluisjesdijk moeten komen, omdat Sluisjesdijk in de procedure steeds onrealistische standpunten heeft ingenomen ten aanzien van de waarde van het recht van erfpacht, op basis daarvan een retentierecht met betrekking tot het terrein heeft ingeroepen en HbR voor de kosten laat opdraaien. Ook de handelswijze van Sluisjesdijk na het definitieve deskundigenbericht, de onttrekking van de advocaat van Sluisjesdijk en het voornemen van Sluisjesdijk haar vennootschap te ontbinden, zijn reden genoeg om de kosten van het de deskundigen voor rekening van Sluisjesdijk te laten komen.
De rechtbank
3.13.
De rechtbank constateert dat de deskundigen de opmerkingen van HbR over het conceptadvies hebben gelezen en in hun deskundigenbericht daarmee rekening hebben gehouden voor zover zij relevant zijn voor de waardering van het recht van erfpacht. Voor de motivering van hun advies is niet vereist dat de deskundigen elke door HbR opgeworpen vraag expliciet beantwoorden. Van belang is of zij de waardering van het recht van erfpacht voldoende inzichtelijk hebben gemaakt. Aan die eis is naar het oordeel van de rechtbank voldaan. De rechtbank neemt de conclusies van de deskundigen over en maakt die tot de hare.
3.14.
De rechtbank stelt de waarde van het recht van erfpacht per 31 december 2018 dus vast op nihil.
3.15.
Dat HbR zich, naar zij stelt, geconfronteerd ziet met hoge sloop- en saneringskosten, omdat Sluisjesdijk de opstallen op het terrein niet conform de erfpachtvoorwaarden en het eerste tussenvonnis volledig ontruimd, geëgaliseerd en gesaneerd heeft opgeleverd, maakt niet dat de opdracht aan deskundigen ook inhoudt dat zij de door HbR geleden en nog te lijden schade gedetailleerd in kaart hadden moeten brengen. De door HbR bij dagvaarding ingestelde vorderingen bieden daarvoor immers geen grondslag. Het ging er nog om te bepalen of Sluisjesdijk recht had op een vergoeding vanwege de voortijdige opzegging van het recht van erfpacht, en daartoe moesten de deskundigen bepalen voor welk bedrag een derde dat recht zouden willen kopen per datum opzegging. Daaronder valt niet de bepaling van een “negatieve prijs”, het bedrag aan vergoeding waartegen een derde in wezen tot egalisatie en sanering van het daarna hoogstens nog kortstondig te gebruiken terrein zou willen overgaan.
3.16.
De rechtbank begrijpt dat HbR zou willen dat de rechtbank in deze procedure precies vaststelt hoeveel schadevergoeding Sluisjesdijk is verschuldigd vanwege het niet correct en tijdig opleveren van het terrein, maar de vorderingen van HbR strekken niet daartoe (vgl. r.o. 3.1 e.v. hierboven).
De wetsartikelen 5:87 lid 2 BW en 5:100 BW, waarop Sluisjesdijk haar verweer en tegenvordering grondde, bieden geen grondslag voor het toewijzen van een schadevergoeding aan HbR als opzeggende partij. Zij bieden louter de mogelijkheid om een (eventuele) schuld wegens waardevergoeding te verrekenen met een tegenvordering wegens schadevergoeding.
Inmiddels is al toegewezen de achterstallige canon van € 5.547,93, met rente, en ook de gebruiksvergoeding van € 1.390,78 per maand vanaf 1 januari 2019 tot en met de dag dat Sluisjesdijk het terrein in deugdelijk ontruimde staat heeft verlaten, ook met rente. In het eerste tussenvonnis en het vonnis in incident is duidelijk gemaakt dat de gebruiksvergoeding in ieder geval is verschuldigd tot en met april 2022, mogelijk langer. Dat leidt tot een gebruiksvergoeding over in ieder geval 40 maanden, dus minimaal € 55.634,80 plus rente. Ook is niet in geschil dat de dwangsom tot het maximum van € 100.000,-- is verbeurd.
Bankgarantie
3.17.
Nu de waarde van het recht van erfpacht is vastgesteld op nihil, stelt de rechtbank voor de goede orde vast dat geen zekerheidstelling door HbR meer nodig is voor de vergoeding van de waarde van het recht van erfpacht. Sluisjesdijk kan dan ook geen rechten uitoefenen onder de bankgarantie. Dat betekent dat zij ook de kosten van het incident over die bankgarantie moet dragen.
De kosten van de deskundigen
3.18.
De op 21 februari 2024 door de rechtbank gegeven loonbepaling staat aan een matiging van de kosten van de deskundigen in de weg.
3.19.
Uit de uitkomst van het geschil volgt wel dat de kosten van de deskundigen voor rekening van Sluisjesdijk komen. De rechtbank zal Sluisjesdijk tot vergoeding daarvan veroordelen.
De subsidiaire vordering in reconventie
3.20.
Uit het bovenstaande volgt dat de subsidiaire vordering van Sluisjesdijk, waarover het oordeel in het eerste tussenvonnis was aangehouden, moet worden afgewezen.
Proceskosten in conventie en in reconventie en in het incident
3.21.
Sluisjesdijk is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten in conventie en reconventie (inclusief nakosten) betalen. In conventie, inclusief het incident, zal de rechtbank gelet op de bedragen waar HbR inmiddels recht op heeft tarief V toepassen. In reconventie gaat de rechtbank uit van tarief II en waardeert zij de verrichtingen op halve punten.
De proceskosten van HbR in conventie en reconventie tezamen worden begroot op:
- -
explootkosten € 86,40
- -
griffierecht € 1.992,00
- -
salaris advocaat conventie € 10.609,50 (5,5 punten x tarief V € 1.929,00)
- -
salaris advocaat reconventie € 614,00 (1 punt x tarief II € 614,00)
- -
kosten deskundigen € 34.938,75
- -
nakosten € 278,00 (plus de verhoging vermeld in beslissing) +
Totaal € 48.518,65.
3.22.
De door HbR gevorderde wettelijke rente over de proceskosten is toewijsbaar op de wijze als in de beslissing vermeld.
3.23.
De veroordeling in de proceskosten wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat de vordering daartoe is gegrond op de wet en deze niet is bestreden.
4. De beslissing
De rechtbank
in conventie:
4.1.
verstaat dat geen reden meer bestaat voor het stellen van zekerheid door HbR zoals voorzien in het vonnis van 28 juli 2021 onder 5.2 omdat de rechtbank de door HbR aan Sluisjesdijk te vergoeden waarde van het recht van erfpacht per 31 december 2018 vaststelt op nihil,
in reconventie:
4.2.
wijst af de subsidiaire vordering van Sluisjesdijk,
in conventie en in reconventie:
4.3.
veroordeelt Sluisjesdijk in de proceskosten van HbR, tot op heden begroot op € 48.518,65 te betalen binnen veertien dagen na dit vonnis; als Sluisjesdijk niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, moet Sluisjesdijk € 92,00 extra aan HbR betalen, plus de kosten van betekening,
4.4.
veroordeelt Sluisjesdijk tot betaling aan HbR van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten van HbR als deze kosten niet uiterlijk veertien dagen na dit vonnis worden voldaan,
4.5.
verklaart onderdelen 4.3 en 4.4 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.6.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.A.M. van Schouwenburg-Laan en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2024.
1451/1885
Uitspraak 27‑07‑2022
Inhoudsindicatie
Tussenvonnis na eerdere tussenvonnissen waarvan laatste ECLI:NL:RBROT:2021:13224. Waarde van het recht van erfpacht. Benoeming deskundigen.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/584273 / HA ZA 19-971
Vonnis van 27 juli 2022
in de zaak van
de naamloze vennootschap
HAVENBEDRIJF ROTTERDAM N.V.,
gevestigd te Rotterdam,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
advocaat mr. D.J. Beenders te Amsterdam,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
SLUISJESDIJK B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat mr. Y.J.H. van Griensven te Breda.
Partijen worden hierna HbR en Sluisjesdijk genoemd.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het tussenvonnis van 29 december 2021 (hierna: het tussenvonnis) en de daaraan ten grondslag liggende processtukken;
- -
de akte uitlaten na tussenvonnis van Sluisjesdijk;
- -
de akte na tussenvonnis, met producties van HbR;
- -
de antwoordakte, met producties van Sluisjesdijk;
- -
de antwoordakte na tussenvonnis, met productie van HbR;
- -
de correspondentie met en over de te benoemen deskundigen.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De verdere beoordeling
in conventie en in reconventie
2.1.
De rechtbank heeft geconstateerd dat in het eerste tussenvonnis van 28 juli 2021 (hierna: het eerste tussenvonnis) in r.o. 4.31 en 4.33, overigens per abuis, 21 januari 2022 als ontruimingsdatum is genoemd, terwijl dit 28 januari 2022 had moeten zijn zoals de rechtbank reeds in r.o. 4.16 heeft geoordeeld. Ook partijen zijn van 28 januari 2022 als ontruimingsdatum uitgegaan. De rechtbank is daarom van oordeel dat sprake is van een kennelijke fout, die zich voor een eenvoudig herstel leent, in die zin dat waar in r.o. 4.31 en 4.33 21 januari 2022 staat 28 januari 2022 dient te worden gelezen.
2.2.
In het eerste tussenvonnis (zie r.o 2.3) heeft de rechtbank geoordeeld dat een benoeming van drie deskundigen is aangewezen. Zowel Sluisjesdijk en HbR dienden in dat verband een deskundige kiezen, die geen binding heeft met partijen heeft en niet betrokken is bij de tussen partijen in geschil zijnde problemen, waarna zij tezamen een onafhankelijke derde deskundige dienden te kiezen, die als voorzitter van de deskundigencommissie fungeert. Ook heeft de rechtbank in dit eerste tussenvonnis (zie r.o 2.4) met betrekking tot de vraagstelling omtrent de waardebepaling van het recht van erfpacht aanleiding gezien om partijen nader op elkaars akten na het eerste tussenvonnis te laten reageren.
De deskundigen
2.3.
Partijen hebben zich bij akte uitgelaten over de te benoemen partijdeskundigen. Sluisjesdijk heeft [naam 1] werkzaam bij Steenhuijs Chartered Valuation Surveyors B.V. (hierna: [naam 1]) aangewezen en HbR heeft [naam 2] werkzaam bij Cushman & Wakefield (hierna: [naam 2]) aangewezen. Bij e-mail van 25 mei 2022 heeft [naam 2] de rechtbank bericht dat zij tezamen [naam 3], werkzaam bij Ooms Taxaties B.V. als onafhankelijke derde deskundige hebben gekozen, die als voorzitter van de deskundigencommissie zal fungeren (hierna: [naam 3]).
2.4.
De te benoemen deskundigen hebben zich bereid verklaard als zodanig op te treden, desgevraagd te kennen gegeven geen binding met partijen te hebben en niet betrokken te zijn bij de tussen partijen in geschil zijnde problemen.
2.5.
De rechtbank zal de drie deskundigen benoemen die reeds hebben verklaard deze benoeming te zullen aanvaarden.
2.6.
De te benoemen deskundigen hebben bij e-mail van 31 mei 2022 opgave gedaan van het voorschot op hun kosten van respectievelijk € 19.662,50 (inclusief BTW). Dit betreft voor [naam 3] op basis van 65 uur tegen € 250,00 exclusief BTW per uur en tweemaal en voor [naam 1] en [naam 2] ieder € 12.100,00 (inclusief BTW) op basis van 40 uur tegen € 250,00 exclusief BTW per uur.
2.7.
De rechtbank heeft partijen bij e-mail van 1 juni 2022 de gelegenheid gegeven zich uit te laten over het voorschot op de deskundigenkosten. Sluisjesdijk en het HbR hebben bij B16 formulieren van respectievelijk 10 en 14 juni 2022 bezwaar gemaakt tegen het door de deskundigen begrote voorschot. Daarbij hebben zij aangegeven dat het aantal uren dat de deskundigen verwachten nodig te hebben niet in verhouding staat tot het aantal door de deskundigen te beantwoorden vragen. Temeer nu van beide partijen reeds een taxatierapport voorhanden is. Partijen hebben gevraagd of de deskundigen hun voorschot naar beneden kunnen bijstellen.
2.8.
De rechtbank heeft bij e-mail van 21 juni 2022, overeenkomstig het verzoek van partijen, de deskundigen verzocht of het voorschot kan worden aangepast. Bij e-mail van 30 juni 2022 hebben de deskundigen toegelicht waarom zij hun voorschot niet naar beneden willen bijstellen. De rechtbank heeft bij e-mail van 15 juli 2022 partijen het standpunt van de deskundigen medegedeeld en hen bericht dat zonder omgaand tegenbericht, waarin eenstemmig een alternatief wordt aangedragen, de rechtbank op de rol van 27 juli 2022 vonnis zal wijzen. Op 22 juli 2022 9.00 uur was van partijen nog geen reactie ontvangen, zodat de rechtbank vonnis wijst.
2.9.
De rechtbank oordeelt dat de begroting van het voorschot op de deskundigenkosten voldoende onderbouwd is, en gelet op het ontbreken van eigen expertise zal zij ervan uitgaan dat wat de deskundigen aan benodigde tijd inschatten ook redelijk is. Het voorschot wordt dus vastgesteld zoals begroot. De rechtbank verwacht wel van de deskundigen dat zij terughoudend zijn in hun tijdsbesteding en dat zij activiteiten die tijdrovend en niet absoluut noodzakelijk zijn achterwege laten.
Het voorschot op de kosten van de deskundigen zal worden vastgesteld op de door hen begrote bedragen van € 19.662,50 (inclusief BTW) voor [naam 3], € 12.100,00 (inclusief BTW) voor [naam 2] en € 12.100,00 (inclusief BTW) voor [naam 1]. In het eerste tussenvonnis heeft de rechtbank bepaald dat het voorschot op kosten van de deskundigen door HbR moet worden gedeponeerd.
2.10.
HbR verzoekt om - ter vermijding van verdere ineffectieve kosten harerzijds - de voorschotten van de deskundigen alsnog voor rekening van Sluisjesdijk te brengen. Zij voert aan dat Sluisjesdijk tot op heden weigerachtig is de veroordeling na te komen en heeft aangegeven geen verhaal te bieden. De rechtbank ziet geen aanleiding om van het stramien van de wet af te wijken, nu voor zover de rechtbank bekend, zich geen andere (bijzondere) omstandigheden hebben voorgedaan die tot een andersluidend oordeel zouden moeten leiden. Daar komt nog bij dat de zaak voortgang verdient en tot op heden de ontwikkelingen niet het vertrouwen rechtvaardigen dat Sluisjesdijk (haar aandeel in) de voorschotten binnen redelijke termijn zal betalen, zodat te vrezen valt dat de zaak alleen nog verder zal worden vertraagd. Het voorschot zal daarom door HbR moeten worden betaald. De rechtbank wijst partijen er nadrukkelijk op dat de definitieve deskundigenkosten uiteindelijk bij eindvonnis ten laste van één van partijen zullen worden gebracht.
De aan de deskundigen voor te leggen vragen
2.11.
In het eerste tussenvonnis heeft de rechtbank het volgende overwogen.
Bij het vaststellen van de waarde van het recht van erfpacht moet in deze zaak rekening worden gehouden met de volgende omstandigheden:
- -
de duur van het recht van erfpacht (hier dus van 1 januari 2019 tot en met 30 september 2022);
- -
de op het recht van erfpacht toepasselijke voorwaarden, waaronder de hoogte van de
canon (laatstelijk blijkens productie 32 bij dagvaarding € 4.172,35 per kwartaal);
- -
het feit dat op het terrein een of meer opstallen zijn gevestigd;
- -
de door Sluisjesdijk gedane investeringen, voor zover van belang voor deze waardering;
- -
de omstandigheid dat de derde op 30 september 2022 het terrein moet opleveren zonder opstallen, geëgaliseerd en zonder rechten van derden (r.o 4.26).
2.12.
Daarnaast heeft de rechtbank aangegeven dat voorts een aantal vragen speelt, waarover de deskundige zich desgewenst ook kan uitlaten:
- -
of (aanwijzingen bestaan dat) op het terrein sprake is van milieuverontreinigings- of asbestschade, en zo ja, welke invloed hiervan uitgaat op de waardering;
- -
of de waardering moet geschieden met inachtneming van over de resterende duur te realiseren huur- of ondererfpachtinkomsten, dan wel dat deze buiten beschouwing moeten blijven, onder bepaling van relevante waarderingen voor beide gevallen;
- -
welke rol in dit verband moet toekomen aan de feitelijk door Sluisjesdijk vanaf 1 januari 2019 tot op 28 januari 2022 gerealiseerde huur- of ondererfpachtinkomsten, en hoe groot deze zijn (r.o 4.27).
2.13.
Teneinde de waarde van het recht van erfpacht op 31 december 2018 te bepalen zouden volgens de rechtbank (r.o. 4.28) aan de deskundigen dan de volgende vragen kunnen worden voorgelegd:
- 1.
wat zou een derde, rekening houdend met de onder 4.26 genoemde omstandigheden en eventueel andere naar uw deskundige mening relevant te achten omstandigheden, op 31 december 2018 hebben willen betalen voor een recht van erfpacht op het terrein?
- 2.
zijn er, mede gelet op de onder 4.27 genoemde vragen, nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechtbank volgens u kennis dient te nemen bij de verdere beoordeling?
2.14.
Partijen zijn (in twee ronden) in de gelegenheid gesteld zich bij akte (nader) uit te laten over de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen.
2.15.
HbR verzoekt in haar akte van 22 september 2021 om de waarde van het recht van erfpacht niet te bepalen tegen de einddatum van het recht van erfpacht, maar tegen de beoogde ontruimingsdatum 28 januari 2022 omdat pas op die datum het feitelijk gebruik ervan eindigt.
Dit verzoek om heroverweging van het eerste tussenvonnis wordt afgewezen omdat het niet strookt met de wet. Nu het recht van erfpacht rechtsgeldig is opgezegd tegen 31 december 2018 is het recht tegen die datum geëindigd. Het eerste tussenvonnis laat er geen twijfel over bestaan dat Sluisjesdijk de zaak zonder recht of titel is blijven gebruiken. Terzake is reeds schadevergoeding toegewezen, die desgewenst mag worden verrekend met een eventueel aan Sluisjesdijk verschuldigde waardevergoeding en ook met de verbeurde dwangsommen. Bij gebreke van een saldo ten gunste van Sluisjesdijk kan HbR het toegewezene incasseren. De rechtbank ziet geen aanleiding te denken dat de wetgever in artikel 5:87 BW heeft bedoeld aan te knopen bij het einde van onrechtmatig voortgezet gebruik, en aanwijzingen voor een dergelijk vermoeden heeft ook HbR niet aangereikt.
2.16.
HbR betoogt dat dat Sluisjesdijk dubbel van het recht van erfpacht zou profiteren indien zij zowel de zaak feitelijk kan gebruiken te eigen baat (onder meer door huurinkomsten te genereren) als een waardevergoeding over de periode na tussentijdse beëindiging zou ontvangen. De rechtbank ziet dit risico niet direct.
Ten eerste is aangekondigd dat aan de deskundigen zal worden voorgelegd welke betekenis de met de zaak tijdens het (onrechtmatig) voortgezette gebruik gegenereerde inkomsten dienen te hebben voor de waardebepaling, en wat de omvang van die inkomsten is geweest. De rechtbank gaat er voorshands van uit - maar dit is uiteraard niet haar expertisegebied maar dat van de deskundigen - dat het voor de hypothetische derde die overweegt een recht van erfpacht van een beperkte duur te kopen waarop een ontruimings- en egalisatieplicht rust van belang is te weten dat de zaak in onderhuur en/of ondererfpacht is gegeven en hoeveel dat dan opbrengt mede bezien in verband met de verschuldigde canon. De aanwezigheid van huurders zal de potentiële koper beperken in de mogelijkheden om de zaak naar eigen inzicht te benutten dus ook daarom lijkt dat voorshands voor de waardebepaling relevant.
Ten tweede kan over het vermeende ‘dubbel profiteren’ pas goed worden geoordeeld als meer duidelijkheid bestaat over de bedragen die over en weer verschuldigd zijn. Deze zijn bovendien aan verandering onderhevig, omdat de vordering van HbR op Sluisjesdijk almaar oploopt zolang niet feitelijk is ontruimd.
Voor zover HbR bedoelt te betogen dat de na einde van het recht van erfpacht door Sluisjesdijk ontvangen huur of pacht aan HbR zou moeten worden afgedragen, geldt dat zij haar schadevergoedingsvordering daarop had kunnen inrichten hetgeen zij niet heeft gedaan. Of dat standpunt zou hebben kunnen slagen kan in het midden blijven.
2.17.
Met de overige opmerkingen van HbR in voornoemde akte zal rekening worden gehouden in de vraagstelling zoals hieronder vermeld.
2.18.
Sluisjesdijk verzoekt in haar akte van 22 september 2021 om de sloopverplichting neergelegd in de erfpachtvoorwaarden bij de waardebepaling buiten beschouwing te laten, omdat anders de sloopverplichting tweemaal voor haar rekening komt: eenmaal wanneer zij de kosten feitelijk moet maken om aan haar verplichtingen jegens HbR te voldoen, en andermaal doordat de waardebepaling lager uitvalt wanneer deze verplichting door de hypothetische koper moet worden gedragen. Ook dit is een vraag die hoofdzakelijk de expertise van de deskundigen raakt, en de rechtbank zal een vraag hierover toevoegen.
De stand van zaken op dit moment, echter, is volgens de processtukken dat Sluisjesdijk ondanks de veroordeling tot ontruiming en egalisering de zaak niet feitelijk heeft ontruimd en ook het terrein niet opstalvrij heeft gemaakt en geëgaliseerd. Dat betekent dat op dit moment HbR het risico loopt dat zij uiteindelijk zelf die kosten moet maken en deze mogelijk niet op Sluisjesdijk zal kunnen verhalen. Onder deze omstandigheden ligt niet in de rede om de waarde te laten bepalen met de instructie de ontruimings- en egalisatieplicht daarbij te negeren. Dit geldt te meer nu met het feitelijk ontruimen, het verwijderen van de opstallen en het egaliseren van het terrein tijd gemoeid zal zijn, hetgeen voor de waardebepaling van een kortdurend recht van erfpacht voorshands ook niet zonder belang lijkt.
2.19.
Partijen verschillen van mening over de vraag of aan de deskundigen ook moet worden gevraagd naar eventuele milieuverontreinigings- en/of asbestschade, en zo ja, of in deze procedure dan ook de omvang daarvan en de kosten van het herstel van die schade moet worden meegenomen. In dit stadium acht de rechtbank voldoende dat de vraag aan de deskundigen luidt zoals in het eerste tussenvonnis omschreven. Het deskundigenonderzoek vindt plaats in het kader van de waardering van het recht van erfpacht en omvat niet ook verdere claims over en weer in het kader van het afrekenen van hun rechtsverhouding. Het bestaan en de omvang van schade als hier bedoeld behoort, naar de rechtbank veronderstelt, ook niet tot de specifieke expertise van de deskundigen. Dat neemt niet weg dat denkbaar is dat eventuele milieuverontreinigings- en/of asbestverontreiniging nader zal moeten worden onderzocht, omdat indien aannemelijk is dat deze verontreiniging is ontstaan gedurende het gebruik van het recht van erfpacht door Sluisjesdijk, HbR de saneringskosten op Sluisjesdijk zal willen verhalen. Dat dergelijk nader onderzoek noodzakelijk is om in de onderhavige procedure tot een beslissing te kunnen komen, staat echter niet op voorhand vast. In hoeverre HbR eventuele saneringskosten op Sluisjesdijk kan verhalen, en in hoeverre zij deze vordering in verrekening kan brengen met de eventuele vordering van Sluisjesdijk tot waardevergoeding, hangt af van omstandigheden die op dit moment nog niet bekend zijn. De rechtbank acht het geraden eerst de bevindingen van de deskundigen af te wachten.
2.20.
Hetgeen Sluisjesdijk in haar akte van 9 februari 2022 naar voren brengt, geeft de rechtbank geen aanleiding tot opmerkingen.
2.21.
HbR stelt en onderbouwt dat zij een procedure tegen een onderhuurder (met wie Sluisjesdijk onbevoegdelijk had gecontracteerd) heeft moeten voeren om diens feitelijke vertrek van de locatie per 25 maart 2022 te bewerkstelligen. Ook dit kan voor de waardering van belang zijn. De rechtbank zal dit in de vraagstelling verwerken.
2.22.
De kostenramingen van € 122.000 exclusief BTW, die HbR voor de sloopkosten, zijn door Sluisjesdijk als te hoog bestreden. Sluisjesdijk noemt zelf een bedrag van € 68.950 exclusief BTW voor sloopkosten. De rechtbank zal deze bandbreedte, die voor de waardering van belang kan zijn, in de opdracht aan de deskundigen benoemen.
2.23.
De bankgarantie die in de plaats moest treden van het retentierecht is volgens Sluisjesdijk gesteld op 28 januari 2022 en Sluisjesdijk heeft het origineel, naar de rechtbank begrijpt, op 3 februari 2022 ontvangen. Dat betekent dat hoogstens discussie kan bestaan over de vraag of Sluisjesdijk tot op 3 februari 2022 een retentierecht mocht uitoefenen, in die zin dat zij HbR de beschikking over het terrein mocht onthouden totdat het origineel was ontvangen. Aan de sloop- en egalisatieverplichting doet dit niet af, die moest Sluisjesdijk nakomen, hetgeen zij niet heeft gedaan.
2.24.
De aanwezigheid of rechten van gebruikers van de bedrijfsruimte na het einde van het recht van erfpacht regardeert HbR niet. Een en ander komt voor rekening en risico van Sluisjesdijk en kan niet afdoen aan de rechten van HbR of aan de plicht van Sluisjesdijk om het vonnis na te leven. Niet onderbouwd of gebleken is overigens dat Sluisjesdijk heeft geprobeerd om met de gebruikers een regeling te treffen die Sluisjesdijk in staat stelt het vonnis na te komen.
2.25.
Voor zover Sluisjesdijk meent dat zij haar sloopverplichting niet meer hoeft na te komen indien zij maar de verbeurde dwangsommen betaalt, ziet zij dat verkeerd. De dwangsom is een prikkel tot nakoming. De dwangsom komt niet in de plaats van de plicht tot nakomen en strekt ook niet tot vervangende schadevergoeding. Sluisjesdijk is zowel verplicht om na te komen als tot betaling van de dwangsommen. Per datum van dit vonnis is inmiddels het maximumbedrag van € 100.000 verbeurd.
Korte zitting (per videoverbinding)?
2.26.
HbR verzoekt nog om een korte zitting (per videoverbinding) om te bespreken wat de meest (kosten)efficiënte weg voorwaarts is, die kennelijk de strekking zou moeten hebben om duidelijk te maken aan Sluisjesdijk dat zij haar verplichtingen moet nakomen en de bankgarantie moet teruggeven of moet instemmen met een verlaging van het garantiebedrag. Voor een verlaging van het garantiebedrag - die nog niet concreet is doorgerekend en verzocht door HbR - lijkt inderdaad aanleiding te bestaan, uitgaand van de zich inmiddels aftekenende bedragen:
maximaal verschuldigd geachte waardevergoeding € 172.050,85
na verrekening € 39.938,71
exclusief 30 % toeslag voor rente en kosten
gebruiksvergoeding februari tot en met juni 2022 (€ 1.390,78 per maand) € 6.953,90
verbeurde dwangsommen € 100.000,00 -
resterende maximale garantiehoofdsom € 65.096,95
30 % toeslag voor rente en kosten € 19.529,09 +
herzien garantiebedrag € 84.626,04
2.27.
Het definitieve bedrag van de waardevergoeding is uiteraard afhankelijk van de bevindingen van de deskundigen en het oordeel van de rechtbank daarover. Afhankelijk van onder meer de vraag welke partij de sloop- en egalisatiekosten draagt, kan HbR mogelijk verdere tegenvorderingen in verrekening brengen.
2.28.
Indien HbR een verzoek indient om het garantiebedrag te verlagen, zal de rechtbank Sluisjesdijk daarop laten reageren en vervolgens een zitting bepalen waarop ook overigens over de voortzetting van de procedure kan worden gesproken.
2.29.
Gelet op de inmiddels verstreken tijd en de noodzaak om dit geschil op enig moment te kunnen beslechten, zal de rechtbank echter niet wachten met het benoemen van de deskundigen maar daartoe in dit vonnis overgaan.
Overige procedurele aangelegenheden
2.30.
De rechtbank wijst erop dat partijen wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door de deskundigen. De rechtbank zal deze verplichting uitwerken zoals nader onder de beslissing omschreven. Wordt aan een van deze verplichtingen niet voldaan, dan kan de rechtbank daaruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht, ook in het nadeel van de desbetreffende partij.
2.31.
Indien een partij desgevraagd of op eigen initiatief schriftelijke opmerkingen en verzoeken aan de deskundigen doet toekomen, dient zij daarvan terstond afschrift aan de wederpartij te verstrekken.
2.32.
De rechtbank ziet geen aanleiding om tussentijds hoger beroep van deze tussenbeslissing toe te staan. Zij zal de beslissing over het voorschot ambtshalve uitvoerbaar bij voorraad verklaren.
2.33.
In afwachting van het deskundigenonderzoek wordt iedere verdere beslissing aangehouden.
3. De beslissing
De rechtbank
in conventie en in reconventie
3.1.
bepaalt dat waar in rechtsoverwegingen 4.31 en 4.33 van het op 28 juli 2021 tussen HbR en Sluisjesdijk gewezen vonnis als ontruimingsdatum 21 januari 2022 is genoemd, deze ontruimingsdatum wordt gewijzigd in 28 januari 2022,
3.2.
beveelt een onderzoek door deskundigen ter beantwoording van de volgende vragen:
- 1.
wat zou een derde, rekening houdend met de onder 2.11 genoemde omstandigheden, de illegale onderhuur tot op 25 maart 2022, de stand van de vastgoedmarkt, de courantheid van het object en de begroting van de sloopkosten door partijen daaronder mede begrepen, en eventueel andere naar uw deskundige mening relevant te achten omstandigheden, op 31 december 2018 hebben willen betalen voor het recht van erfpacht op het terrein?
- 2.
moet de waardering van het recht van erfpacht geschieden met inachtneming van over de resterende duur van te realiseren huur- of ondererfpachtinkomsten, dan wel moeten deze buiten beschouwing blijven, onder bepaling van relevante waarderingen voor beide gevallen?
- 3.
welke rol moet in dit verband toekomen aan de feitelijk door Sluisjesdijk vanaf 1 januari 2019 tot op 28 januari 2022 gerealiseerde huur- of ondererfpachtinkomsten, en hoe groot zijn deze?
- 4.
bestaat er aanleiding om de sloopverplichting van Sluisjesdijk bij de waardebepaling buiten beschouwing te laten omdat, zoals Sluisjesdijk betoogt, Sluisjesdijk deze kosten dan twee keer voor haar rekening krijgt? Maakt het daarbij nog uit dat het niet zeker is dat Sluisjesdijk deze kosten daadwerkelijk zal maken?
- 5.
zijn er of bestaan er aanwijzingen dat op het terrein sprake is van milieuverontreinigings- of asbestschade, en zo ja, welke invloed gaat hiervan uit op de waardering?
- 6.
zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechtbank volgens u kennis dient te nemen bij de verdere beoordeling?
3.3.
benoemt tot deskundigen:
1) [naam 3],
Correspondentieadres en bezoekadres: [adres 1]
telefoon:[telefoonnummer 1] / [telefoonnummer 2]
emailadres: [e-mailadres 1]
2) [naam 2],
Correspondentieadres en bezoekadres: [adres 2]
telefoon: [telefoonnummer 3] / [telefoonnummer 4],
emailadres: [e-mailadres 2],
3) [naam 1],
Correspondentieadres en bezoekadres: [adres 3]
telefoon:[telefoonnummer 5],
emailadres: [e-mailadres 3],
het voorschot
3.4.
stelt de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundigen vast op de door de deskundigen begrote bedragen van € 19.662,50, € 12.100,00 en € 12.100,00 (inclusief BTW),
3.5.
bepaalt dat HbR het voorschot dient over te maken binnen twee weken na de datum van de nota met betaalinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak,
3.6.
draagt de griffier op om de deskundigen onmiddellijk in kennis te stellen van de betaling van het voorschot,
het onderzoek
3.7.
bepaalt dat HbR haar procesdossier in afschrift aan de deskundigen dient te doen toekomen,
3.8.
bepaalt dat de deskundigen het onderzoek zelfstandig zullen instellen op de door de deskundigen in overleg met partijen te bepalen tijd en plaats,
3.9.
wijst de deskundigen er op dat:
- -
de deskundigen voor aanvang van het onderzoek dienen kennis te nemen van de Leidraad deskundigen in civiele zaken (te raadplegen op www.rechtspraak.nl of desgevraagd te verkrijgen bij de griffie),
- -
de deskundigen het onderzoek pas na het bericht van de griffier omtrent betaling van het voorschot dienen aan te vangen,
- -
de deskundigen het onderzoek onmiddellijk dienen te staken en contact dienen op te nemen met de griffier, indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden het voorschot niet toereikend blijkt te zijn,
- -
de deskundige partijen bij een onderzoek van een object ter plaatse gelegenheid dient te bieden dit onderzoek bij te wonen; indien slechts één partij, althans niet alle partijen, bij het onderzoek van objecten ter plaatse aanwezig is of zijn, de deskundigen dit onderzoek niet mogen uitvoeren, tenzij alle partijen zijn uitgenodigd om bij dat onderzoek aanwezig te zijn, en dat uit het rapport moet blijken dat hieraan is voldaan,
- -
indien partijen bij het onderzoek van objecten ter plaatse aanwezig zijn geweest, uit het rapport moet blijken welke opmerkingen zij hebben gemaakt en welke verzoeken zij hebben gedaan, en hoe de deskundigen hierop hebben gereageerd,
3.10.
bepaalt dat partijen nadere inlichtingen en gegevens aan de deskundigen dienen te verstrekken indien dezen daarom verzoeken, de deskundigen toegang dienen te verschaffen tot voor het onderzoek noodzakelijke plaatsen, en de deskundigen ook voor het overige gelegenheid dienen te geven tot het verrichten van het onderzoek,
het schriftelijk rapport
3.11.
draagt de deskundigen op om uiterlijk drie maanden na het schriftelijk bericht van de griffier omtrent de betaling van het voorschot een schriftelijk en ondertekend bericht in drievoud ter griffie van de rechtbank in te leveren, onder bijvoeging van een gespecificeerde declaratie,
3.12.
wijst de deskundigen er op dat:
- -
uit het schriftelijk bericht moet blijken op welke stukken het oordeel van de deskundigen is gebaseerd,
- -
de deskundigen een concept van het rapport aan partijen moeten toezenden, opdat partijen de gelegenheid krijgen binnen vier weken daarover bij de deskundigen opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundigen in het definitieve rapport de door partijen gemaakte opmerkingen en verzoeken en de reactie van de deskundigen daarop moeten vermelden,
3.13.
bepaalt dat partijen binnen vier weken dienen te reageren op het concept-rapport van de deskundigen nadat dit aan partijen is toegezonden en dat partijen bij de deskundigen geen gelegenheid hebben op elkaars opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van het concept-rapport te reageren,
overige bepalingen
3.14.
bepaalt dat de zaak op de parkeerrol zal komen van 5 april 2023,
3.15.
draagt de griffier op de zaak op een eerdere rol te plaatsen:
- -
indien het voorschot niet binnen de daarvoor bepaalde (eventueel verlengde) termijn is ontvangen: voor akte uitlating voortprocederen aan beide zijden op een termijn van twee weken of
- -
na ontvangst ter griffie van het deskundigenbericht: voor conclusie na deskundigenbericht aan de zijde van HbR op een termijn van vier weken,
3.16.
verklaart de beslissing over het voorschot uitvoerbaar bij voorraad,
3.17.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.A.M. van Schouwenburg-Laan. Het is ondertekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 27 juli 2022.
1451/1885
Uitspraak 29‑12‑2021
Inhoudsindicatie
Tussenvonnis na eerder tussenvonnis (ECLI:NL:RBROT:2021:7445). Waardering recht van erfpacht (art. 5:87 lid 2 BW). Partijen krijgen gelegenheid zich uit te laten over de benoeming van de deskundigen en de vraagstelling.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/584273 / HA ZA 19-971
Vonnis van 29 december 2021
in de zaak van
de naamloze vennootschap
HAVENBEDRIJF ROTTERDAM N.V.,
gevestigd te Rotterdam,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
advocaat mr. D.J. Beenders te Amsterdam,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
SLUISJESDIJK B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat mr. Y.J.H. van Griensven te Breda.
Partijen zullen hierna HbR en Sluisjesdijk genoemd worden.
1. De procedure
1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het tussenvonnis van 28 juli 2021 (hierna: het tussenvonnis) en de daaraan ten grondslag liggende processtukken;
- -
de akte uitlatingen deskundigen van HbR;
- -
de akte uitlaten na tussenvonnis van Sluisjesdijk.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De verdere beoordeling
in conventie en reconventie
2.1.
Bij tussenvonnis (r.o. 4.28) heeft de rechtbank overwogen dat zij met betrekking tot het bepalen van de waarde van het recht van erfpacht op 31 december 2018 voornemens is een deskundige te benoemen. Ook heeft de rechtbank in dit tussenvonnis (zie r.o 4.35) partijen een mogelijke alternatieve oplossing van hun geschil voorgelegd. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich bij akte desgewenst uit te laten over een mogelijke alternatieve oplossing van hun geschil, maar in ieder geval over aantal, deskundigheid en de persoon van de te benoemen deskundige(n) en de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen.
2.2.
Sluisjesdijk is niet ingegaan op het voorstel van de rechtbank een mogelijk alternatieve oplossing van hun geschil te beproeven, HbR heeft - samengevat - aangegeven daarvan geen goede afloop te verwachten.
Partijen hebben zich bij akte uitgelaten over de te benoemen deskundige(n) en de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen.
2.3.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het tussen partijen gevoerde debat omtrent het aantal te benoemen deskundigen, de persoon van de deskundige(n) en de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen. Mede gelet op dat debat is de rechtbank van oordeel dat een benoeming van drie deskundigen aangewezen is.
Zowel Sluisjesdijk en HbR dienen een deskundige te kiezen, die geen binding met partijen heeft en niet betrokken is bij de tussen partijen in geschil zijnde problemen. De rechtbank gaat ervan uit dat de door Sluisjesdijk genoemde [naam] van Steenhuijs Chartered Valuation Surveyors B.V. de door Sluisjesdijk aangewezen deskundige is en aan deze maatstaf voldoet. Indien dit niet juist is, dient Sluisjesdijk de rechtbank hierover bij de hierna bedoelde akte te informeren. HbR mag bij akte zelf een deskundige noemen.
Deze deskundigen kiezen vervolgens tezamen een onafhankelijke derde deskundige, die als voorzitter van de deskundigencommissie fungeert. Anders dan HbR is de rechtbank van oordeel dat alleen deze voorzitter van de deskundigencommissie bij het Nederlands Register Vastgoed Taxateurs (hierna: het NRVT) erkend moet zijn, deel moet uitmaken van de NRVT kamer “Bedrijfsmatig Vastgoed”, gespecialiseerd moet zijn in “Grootzakelijk Vastgoed” en ervaring moet hebben met de waardering van aflopende erfpachtrechten in het Rotterdamse havengebied. Vanzelfsprekend bestaat geen bezwaar als de andere deskundigen ook aan deze criteria voldoen. De voorzitter dient uiteraard ook geen binding met partijen te hebben en niet betrokken te zijn bij de tussen partijen in geschil zijnde problemen.
Partijen zullen bij akte in de gelegenheid worden gesteld zich nader uit te laten over de deskundigheid en de persoon van de door ieder van hen gekozen deskundige. De rechtbank zal zich daarna verstaan met deze personen om te komen tot hun benoeming als gerechtsdeskundige en tot benoeming van de voorzitter.
De rechtbank zal in dat verband ook inlichtingen inwinnen over de bevoorschotting van de drie deskundigen en zich daarover vervolgens tot partijen wenden.
2.4.
Hetgeen partijen in hun akten na het tussenvonnis met betrekking tot de vraagstelling omtrent de waardebepaling van het recht van erfpacht naar voren hebben gebracht, vormt voor de rechtbank aanleiding partijen in de gelegenheid te stellen bij akte op elkaars akte te reageren. Dit om te voorkomen dat de rechtbank een beslissing neemt op grond van argumenten waarop de andere zijde niet heeft kunnen reageren.
2.5.
Op grond van wat partijen nog nader inbrengen zal de rechtbank daarna overgaan tot het benoemen van de deskundigen en definitieve formulering van de aan hen voor te leggen vragen met betrekking tot de waardering van het recht van erfpacht als bedoeld in artikel 5:87 lid 2 BW.
2.6.
In afwachting van het nemen van de onder 2.3 en 2.4 bedoelde akten zal iedere verdere beslissing worden aangehouden.
3. De beslissing
De rechtbank
in conventie en in reconventie
3.1.
verwijst de zaak naar de rol van woensdag 9 februari 2022 voor het nemen van een akte door partijen, teneinde zich uit te laten als bedoeld onder 2.3 en 2.4;
3.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.A.M. van Schouwenburg-Laan. Het is ondertekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 29 december 2021.
1451/1885
Uitspraak 28‑07‑2021
Inhoudsindicatie
Rechtsgeldige opzegging recht van erfpacht. Hennepkwekerij. Ontruiming. Benoeming deskundige. Vergoeding restwaarde of een in goede justitie vast te stellen vergoeding?
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/584273 / HA ZA 19-971
Vonnis van 28 juli 2021
in de zaak van
de naamloze vennootschap
HAVENBEDRIJF ROTTERDAM N.V.,
gevestigd te Rotterdam,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
advocaat mr. D.J. Beenders te Amsterdam,
tegen
[bedrijf A]
.,
gevestigd te [vestigingsplaats A] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat mr. Y.J.H. van Griensven te Breda.
Partijen zullen hierna HbR en [bedrijf A] genoemd worden.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
de dagvaarding van 15 oktober 2019, met producties;
- -
de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie, met producties;
- -
de brief van de rechtbank van 12 februari 2020, waarbij partijen zijn opgeroepen voor een mondelinge behandeling op 25 mei 2020;
- -
de brief van de rechtbank van 27 maart 2020 met het bericht dat de geplande mondelinge behandeling niet doorgaat in verband met de Corona-problematiek en de zaak wordt verwezen naar de rol voor een tweede schriftelijke ronde;
- -
de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie, met producties;
- -
de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie, met producties;
- -
de conclusie van dupliek in reconventie, met producties;
- -
de nader, op verzoek van HbR, door de rechtbank bepaalde mondelinge behandeling op 30 november 2020 heeft op verzoek van beide partijen niet plaatsgevonden.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten in conventie en in reconventie
2.1.
Bij akte van vestiging van 21 november 1950 heeft de gemeente Rotterdam (hierna: de gemeente) een terrein gelegen aan de [straatnaam] [huisnummers] te ( [postcode] ) Rotterdam, bestaande uit vier percelen, thans kadastraal bekend gemeente [gemeente] sectie [sectie] nummers [nummer 1] , [nummer 2] , [nummer 3] en [nummer 4] , groot 18 aren en 20 centiaren (hierna: het terrein) in erfpacht uitgegeven voor een bepaalde duur, eindigend op 30 september 2022.
2.2.
Op het recht van erfpacht zijn de Algemene Bepalingen betreffende de uitgifte in erfpacht van terreinen in het Havengebied der gemeente Rotterdam van 1949 (hierna: AB 1949) van toepassing. Hierin is onder meer bepaald:
“Artikel 8
(…)
4. Het terrein dient zodanig te worden gebruikt, dat daardoor jegens bedrijven, welke op de in de omgeving gelegen terreinen worden uitgeoefend, geen hinder wordt veroorzaakt, gevaar wordt opgeleverd of schade wordt toegebracht, zulks naar het oordeel van de Gemeente. (…)
9. Behoudens overdracht van het recht van erfpacht mag de erfpachter het terrein en de opstallen slechts geheel of gedeeltelijk op enige wijze ter beschikking van een derde stellen, indien de Gemeente met betrekking tot deze derde en tot de bepalingen, waaronder de ter beschikking stelling zal geschieden, tevoren schriftelijk haar goedkeuring heeft verleend. De Gemeente kan deze goedkeuring voor bepaalde tijd of tot wederopzegging verlenen of daarbij bepalingen stellen. (…)
Artikel 36
1. Na het verstrijken van de tijd, waarvoor het recht van erfpacht is verleend, is de erfpachter verplicht de opstallen te verwijderen en het terrein te egaliseren, zonder dat de Gemeente hem de waarde der opstallen behoeft te vergoeden.”
2.3.
HbR, opgericht per 31 december 2002, is beheerder, exploitant en ontwikkelaar van het Rotterdamse haven- en industriegebied. Op basis van een volmacht van de gemeente van 31 december 2003 is HbR bevoegd in naam van de gemeente alle beheers- en beschikkingsdaden te verrichten ten aanzien van de percelen in de Rotterdamse haven waarvan de gemeente eigenaar is. De gemeente heeft op enig moment een hoofderfpachtrecht aan HbR verstrekt onder de opschortende voorwaarde dat de lopende erfpacht – waaronder het erfpachtrecht van [bedrijf A] - zal zijn geëindigd.
2.4.
[bedrijf A] , mede h.o.d.n. [handelsnaam] , houdt zich bezig met handel in eigen onroerend goed, afwerking van gebouwen en ingenieurs- en overig technisch ontwerp en advies.
2.5.
In een brief van 2 maart 2001 van [naam persoon 1] , algemeen directeur van het Gemeentelijk Havenbedrijf Rotterdam (hierna: GHR), thans HbR, aan Van Nieuwland Notarissen staat het volgende.
“Hierbij deel ik u mede dat ik in naam en onder verantwoordelijkheid van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam heb besloten goedkeuring te verlenen aan de overdracht van het erfpachtrecht gevestigd op het perceel groot 1.820 m2 gelegen aan de [adres 1] en [adres 2] van Korver Vastgoed Management B.V. aan [bedrijf A] .
(Onder)erfpacht en gewijzigd gebruik
Na overleg tussen de heren [naam persoon 2] , [naam persoon 3] en de heer [naam persoon 4] van Van Dam & Kruidenier Advocaten, en het (…) GHR is men tot het volgende vergelijk gekomen.
[bedrijf A] . blijft de enige contractspartij voor het GHR. Splitsing van het recht van erfpacht wordt niet toegestaan. Om [bedrijf A] . tegemoet te komen wordt ondererfpacht toegestaan maar slechts onder de voorwaarde dat dit niet wordt ingeschreven in de openbare registers.
Het GHR geeft toestemming voor ondererfpacht aan de volgende 3 partijen:
1. De heer [naam persoon 5] rechtbank: hierna te noemen [naam persoon 5] ] en mevrouw [naam persoon 6] voor het 4e deel van de loods, dat zal worden gebruikt als drankengroothandel.
2. De heer [naam persoon 7] en de heer [naam persoon 8] voor het 3e deel van de loods, dat zal worden gebruikt als meubelmakerij.
3. De heer [naam persoon 9] voor het 2e deel van de loods, dat zal worden gebruikt als opslag voor groothandel en/of markthandel.
In deze specifieke zaak wordt toestemming gegeven voor een gewijzigd gebruik dat niet havengerelateerd is. Dit is een persoonlijk recht en vervalt zodra er sprake is van een nieuwe (onder)erfpachter c.q. (onder)huurder.
[bedrijf A] . behoudt het 1e deel van de loods en de showroom. Voor verdere onderverhuring hiervan is eveneens toestemming nodig van het GHR.”
2.6.
Het recht van erfpacht is bij akte van levering van 11 december 2001 door Korver Vastgoed Management B.V. aan [bedrijf A] . overgedragen.
2.7.
In een brief van ( [naam persoon 10] , Hoofd Havenexploitatie van) HbR van 17 juni 2011 aan ( [naam persoon 2] van) [bedrijf A] respectievelijk bijlage 1 daarbij staat, voor zover hier van belang, het volgende.
“Tijdens het overleg van 8 maart 2011 heeft u aangegeven dat [bedrijf A] . wenst te investeren in het, op het perceel aanwezige, onroerend goed. Het gaat hierbij onder andere om het aanbrengen van nieuwe deuren, kozijnen en dakramen en het reinigen van de voorgevel. In verband met de financiering en afschrijving van de, door [bedrijf A] te maken, investeringen heeft u Havenbedrijf Rotterdam N.V. (hierna: HbR) verzocht om de looptijd van het recht van erfpacht met 32 jaar te verlengen tot 2054.
Na uitvoerige overwegingen heeft HbR besloten om niet in te stemmen met uw verzoek voor verlenging van het huidige recht van erfpacht. De reden van deze afwijzing is onder andere gelegen in het feit dat HbR het niet wenselijk acht de huidige onder-onder-erfpacht-constructie te verlengen. Ook de aanwezigheid van de growshop “ [naam growshop] ” en de verouderde uitgifte voorwaarden zijn voor HbR een reden om de huidige situatie niet langer voort te laten duren dan 30 september 2022.
Aangezien HbR wel haar medewerking wenst te verlenen aan de door u te maken investeringen, en waardering heeft voor de reeds gedane investeringen, biedt HbR u nu reeds een nieuw recht van erfpacht aan met betrekking tot het perceel [straatnaam] [huisnummers] . Dit recht met een looptijd van 15 jaren, zal ingaan op het moment dat het huidige recht afloopt. Deze aanbieding is aan de volgende voorwaarden gebonden.
- Op het nieuw uit te geven recht van erfpacht zijn de op dat moment vigerende Algemene
Bepalingen van HbR (of haar rechtsopvolgers) van toepassing.
- Het recht van erfpacht kan pas gevestigd worden nadat HbR (of haar rechtsopvolgers)
haar goedkeuring heeft gegeven aan de conceptakte.
- [bedrijf A] en HbR (of haar rechtsopvolgers) komen vóór de uitgifte van het nieuwe
recht van erfpacht een nieuwe gebruiksvergoeding overeen.
- In het nieuw te vestigen recht van erfpacht wordt het toegestane gebruik zodanig
omschreven dat detailhandel niet is toegestaan.
- Voordat het nieuwe recht gevestigd wordt, heeft [bedrijf A] aantoonbaar de in de
bijlage omschreven investeringen uitgevoerd.
- Voordat het nieuwe recht gevestigd wordt, heeft [bedrijf A] aan al haar
verplichtingen voortvloeiende uit het huidige recht van erfpacht voldaan.
- Op het moment waarop het nieuwe recht gevestigd wordt, heeft [bedrijf A] geen
betalingsachterstand.
- In de periode tussen dagtekening van deze brief en het einde van het huidige recht van
erfpacht, handelt [bedrijf A] , naar het oordeel van HbR (of haar rechtsopvolgers) , als
een “goed erfpachter”.
- Deze aanbieding is strikt persoonlijk en niet overdraagbaar.”
“Bijlage 1
[bedrijf A] . zal ondermeer de volgende investeringen doen in het vastgoed dat aanwezig is op [straatnaam] [huisnummers] te Rotterdam: (Eén en ander conform de door [bedrijf A] aan HbR overgelegde offertes).
Voorgenomen investeringen buitenkant [straatnaam] [huisnummers] € 100.000,00
- -
Nieuwe elektrische deuren
- -
Nieuwe hekken
- -
Gevel reinigen en opnieuw voegen
- -
Kozijnen vervangen
- -
Camerabeveiliging
- -
Bestrating vervangen
Voorgenomen investeringen binnenkant [straatnaam] [huisnummers] € 102.000,00
- -
Nieuwe vloeren
- -
Nieuwe dakramen
- -
Nieuwe verlichting
- -
Stucen en verven
Totaal van de voorgenomen investeringen: € 202.000,00”
2.8.
Op 27 september 2011 heeft de politie op het terrein een inval gedaan in een door [naam persoon 5] (ondererfpachter van [bedrijf A] ) verhuurde loods. Bij deze inval is een aantal hennepplanten aangetroffen en verwijderd. Op 5 oktober 2011 hebben HbR en [bedrijf A] hierover een gesprek gevoerd, waarna [bedrijf A] HbR bij brief van 11 oktober 2011 heeft geïnformeerd over de mogelijke acties richting [naam persoon 5] . Bij brief van 7 november 2011 heeft [bedrijf A] , in overleg met HbR, [naam persoon 5] bericht de ondererfpacht niet op te zeggen en hem een boete op te leggen van € 10.000,00, te voldoen voor 31 december 2011. Verder heeft [bedrijf A] als aanvulling op het continueren van het contract van [naam persoon 5] geëist dat hij tegen 4% van zijn omzet zijn onroerend goed met onmiddellijke ingang door [bedrijf A] laat beheren. [naam persoon 5] heeft op 21 december 2011 € 10.000,00 aan [bedrijf A] betaald. Bij brief van 21 december 2011 is HbR door [bedrijf A] hiervan op de hoogte gesteld.
2.9.
Voor een canonachterstand in 2015 (€ 24.019,49) en in 2016 (€ 10.692,25), is [bedrijf A] met HbR een betalingsregeling overeengekomen, als vermeld in een memo van HbR van 13 april 2016.
2.10.
Op 2 december 2017 is door de zeehavenpolitie in een kelderruimte van het bedrijfspand aan de [adres 1] , kadastrale aanduiding [nummer 3] (zie 2.1), een hennepkwekerij (met 315 planten) aangetroffen.
2.11.
Op 17 januari 2018 heeft het team Woonoverlast ter zake de aangetroffen hennepkwekerij een rapport opgemaakt, waarna op 20 maart 2018 een zienswijzengesprek met ( [naam persoon 11] ) [bedrijf A] en diens huurder heeft plaatsgevonden.
2.12.
Op 30 april 2018 heeft de burgemeester van Rotterdam de sluiting van het bedrijfspand aan de [adres 1] te Rotterdam (kadastrale aanduiding [gemeente] [nummer 3] ) op grond van artikel 13b Opiumwet voor de duur van zes maanden bevolen. Daartoe overwegende dat:
- -
de in de bijgaande brief met kenmerk [kenmerk] vervatte overwegingen hier als herhaald en ingelast dienen te worden beschouwd;
- -
door de vastgestelde feiten voldoende aannemelijk is geworden dat in het bedrijfspand aan de [adres 1] (met kadastrale aanduiding ‘ [gemeente] [nummer 3] ’) te Rotterdam verkoop, aflevering en/of verstrekking van middelen als bedoeld in artikel 3 van de Opiumwet heeft plaatsgevonden dan wel dat deze middelen daartoe aanwezig zijn geweest;
- -
daarmee de openbare orde en het woon- en leefklimaat in en in de omgeving van het genoemde bedrijfspand op ernstige wijze zijn aangetast;
- -
de maatregel noodzakelijk is om de openbare orde in en rond het bedrijfspand te herstellen.
2.13.
Bij opzeggingsbrief van 5 juli 2018 heeft (de advocaat van) HbR namens de gemeente [bedrijf A] het recht van erfpacht [adres 1] en [adres 2] te Rotterdam opgezegd tegen 31 augustus 2018.
2.14.
De opzeggingsbrief is per deurwaardersexploot van 6 juli 2018 betekend aan [bedrijf A] . Daarnaast is de opzeggingsbrief per deurwaardersexploot betekend aan verschillende belanghebbenden, namelijk aan [naam persoon 11] , [naam persoon 8] , [naam persoon 6] , [naam persoon 5] en [naam persoon 2] op 9 juli 2018 en aan Korver Vastgoed Management B.V. op 10 juli 2018.
2.15.
Per e-mail van 11 juli 2018 heeft ( [naam persoon 11] ) [bedrijf A] , naar aanleiding van de opzegging van het erfpachtrecht door HbR, HbR om een gesprek verzocht. Dit gesprek heeft op 2 augustus 2018 plaatsgehad. Bij brief van 28 augustus 2018 heeft HbR [bedrijf A] bericht dat zij de opzegging van het recht van erfpacht namens de gemeente tegen 31 augustus 2018 wenst te handhaven vanwege de op 2 december 2017 aangetroffen hennepkwekerij.
2.16.
SRMT Register Makelaars & Taxateurs (hierna: SRMT) heeft in opdracht van [bedrijf A] het recht van erfpacht gewaardeerd op € 625.000,00 (uitgaand van een verlenging van de erfpacht met 15 jaar) respectievelijk € 211.898,56 (per 31 december 2018), als vermeld in haar taxatierapport van 18 oktober 2018.
2.17.
Omdat [bedrijf A] geen gehoor gaf aan de sommaties van HbR om het terrein te ontruimen en te verlaten, heeft HbR tegen [bedrijf A] een kort geding procedure aangespannen. De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 6 november 2018 geoordeeld dat de opzegging van het erfpachtrecht tegen 31 augustus 2018 nietig is, omdat het recht van erfpacht niet conform artikel 5:87 lid 2 BW is opgezegd.
2.18.
Bij opzeggingsbrief van 12 november 2018 heeft (de advocaat van) HbR [bedrijf A] het recht van erfpacht [adres 1] en [adres 2] te Rotterdam opgezegd tegen 31 december 2018. In die brief is onder meer het volgende vermeld:
“Uw vennootschap is gerechtigd tot een erfpachtrecht op de grond van de [adres 1] en [adres 2] te ( [postcode] ) Rotterdam, kadastraal bekend gemeente [gemeente] sectie [sectie] nummers [nummer 1] , [nummer 2] , [nummer 3] , [nummer 4] , groot 18 aren en 20 centiaren (het Erfpachtrecht). (…)
Door de Zeehavenpolitie is op 2 december 2017 een in werking zijnde hennepkwekerij (315 planten) aangetroffen in het pand aan de [adres 1] te Rotterdam dat in ondererfpacht is gegeven aan de heer [naam persoon 11] . (…)
Bij besluit van 30 april 2018 heeft de burgemeester van Rotterdam het pand aan de [adres 1] voor zes maanden gesloten op grond van artikel 3 van de Opiumwet. Dit om de openbare orde en het woon- en leefklimaat in de omgeving te herstellen. (…)
Het hebben van een hennepkwekerij in een opstal op de in erfpacht gegeven grond is een dusdanig ernstig feit, mede gelet op de kwalijke effecten daarvan op de openbare orde en het leefklimaat ter plaatse, dat een opzegging van het Erfpachtrecht gerechtvaardigd is.
Voorts is van belang dat eind september 2011 ook reeds een inval van de politie heeft plaats gevonden in een zich op de in erfpacht gegeven grond bevindende loods alwaar toen hennepplanten zijn aangetroffen en afgevoerd.
Gelet op het bovenstaande heeft HbR op 15 mei 2018 besloten het Erfpachtrecht aan [bedrijf A] op te zeggen op grond van artikel 5:87BW (…) tegen 31 augustus 2018.
(…)
Blijkens het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 6 november jl. was het spoedeisend belang van HbR voldoende aannemelijk maar is niet gebleken dat de opzegging van het Erfpachtrecht ook aan de heer [naam persoon 12] is betekend. (…)
Gelet op het voorgaande ziet HbR zich genoodzaakt het Erfpachtrecht (nogmaals) op te zeggen, met in achtneming van en wettelijk voorgeschreven opzegtermijn van één maand (ex artikel 5:88 lid 1 BW), derhalve tegen 31 december 2018.”
2.19.
De opzeggingsbrief is per deurwaardersexploot van 12 november 2018 betekend aan [bedrijf A] . Daarnaast is de opzeggingsbrief per deurwaardersexploot van 15 november 2018 betekend aan verschillende belanghebbenden, namelijk aan de ABN Amro Bank N.V., [naam persoon 12] , [naam persoon 11] , [naam persoon 8] , [naam persoon 6] , [naam persoon 5] , [naam persoon 2] , aan Korver Vastgoed Management B.V. en de ambtenaar belast met de invordering van de samenwerkingsverband vastgoedinformatie heffing en waardebepaling (te Klaaswaal).
2.20.
Aan sommaties van HbR om het terrein te ontruimen en te verlaten heeft [bedrijf A] geen gehoor gegeven, waarna HbR tegen [bedrijf A] een kort geding procedure heeft aangespannen. De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 20 februari 2019 HbR niet-ontvankelijk verklaard, omdat van een voldoende spoedeisend belang niet langer sprake was en het geschil zich beter zou lenen voor een bodemprocedure.
2.21.
BRiQ valuation & research B.V. (hierna: BriQ), de door HbR, naar aanleiding van een tussen partijen op 9 mei 2019 plaatsgevonden overleg, ingeschakelde taxateur, heeft in haar taxatierapport van 10 juli 2019 de (rest)waarde van het recht van erfpacht (artikel 5:87 lid 2 BW) getaxeerd op € 90.000,00, zijnde de marktwaarde waarbij geen rekening is gehouden met de huurinkomsten dan wel € 140.000,00, zijnde de marktwaarde waarbij rekening is gehouden met de huurinkomsten. In de taxatiewaarden is eventuele bodemverontreinigings- of asbestschade niet begrepen.
2.22.
Op 12 juli 2019 heeft HbR [bedrijf A] een (eenmalig) schikkingsvoorstel gedaan, inhoudende dat HbR [bedrijf A] € 140.000,00 betaalt voor de (rest)waarde van het recht van erfpacht en dat zij de ontruimingstermijn voor [bedrijf A] met twee maanden verlengt. De reactietermijn voor [bedrijf A] is, na overleg tussen partijen, door HbR (nader) bepaald op 3 augustus 2019. Bij e-mail van 18 september 2019 heeft [bedrijf A] het voorstel van HbR afgewezen.
2.23.
[bedrijf A] heeft tot op heden het terrein niet ontruimd en niet verlaten.
3. Het geschil
in conventie
3.1.
HbR vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Primair:
- a.
voor recht verklaart dat het erfpachtrecht rechtsgeldig is opgezegd tegen 31 december 2018;
- b.
[bedrijf A] veroordeelt om – al dan niet tegen betaling door HbR van een door de rechtbank in goede justitie te bepalen waardevergoeding – uiterlijk binnen vier weken na het vonnis, de zich op het terrein bevindende opstallen te verwijderen, het terrein te egaliseren en het terrein vrij van ondererfpacht, huur of andere gebruiksrechten aan het havenbedrijf op te leveren, althans het terrein te ontruimen en verlaten op een door de rechtbank in goede justitie te bepalen wijze;
- c.
[bedrijf A] veroordeelt tot betaling van een dwangsom van € 5.000,00 per dag, dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, voor iedere dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, dat [bedrijf A] niet voldoet aan het onder a) gevorderde;
- d.
[bedrijf A] veroordeelt tot betaling van een gebruiksvergoeding van € 9.720,28, plus (te rekenen vanaf kwartaal 2 van 2019) een bedrag van € 1.390,78 voor elke maand dat [bedrijf A] van het terrein en de zich daarop bevindende opstallen gebruik heeft gemaakt en in gebreke is met betaling, althans een door de rechtbank in goede justitie te betalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Subsidiair (voor zover de rechtbank oordeelt dat HbR het erfpachtrecht niet rechtsgeldig heeft opgezegd):
Voor recht verklaart dat het erfpachtrecht een looptijd kent tot 30 september 2022;
[bedrijf A] veroordeelt om uiterlijk 30 september 2022 en onder de voorwaarde dat HbR het erfpachtrecht conform alle vereisten tegen die datum heeft opgezegd, de zich op het terrein bevindende opstallen te verwijderen, het terrein te egaliseren en het terrein vrij van ondererfpacht, huur of andere gebruiksrechten aan HbR op te leveren, althans het terrein te ontruimen en verlaten op een door de rechtbank in goede justitie te bepalen wijze;
[bedrijf A] veroordeelt tot betaling van een gebruiksvergoeding van € 9.720,28, plus (te rekenen vanaf kwartaal 2 van 2019) een bedrag van € 1.390,78 voor elke maand dat [bedrijf A] van het terrein en de zich daarop bevindende opstallen gebruik heeft gemaakt en in gebreke is met betaling, althans een door de rechtbank in goede justitie te betalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Zowel primair als subsidiar:
[bedrijf A] veroordeelt in de proceskosten en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na dit vonnis.
3.2.
Het verweer van [bedrijf A] strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van HbR in haar vorderingen, althans tot afwijzing daarvan, met veroordeling van HbR in de proceskosten en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente indien de voldoening daarvan niet binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis plaatsvindt.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
in reconventie
3.4.
[bedrijf A] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Primair
HbR veroordeelt haar toezegging tot heruitgifte van de onroerende zaak in erfpacht aan [bedrijf A] zoals opgenomen in de brief van 17 juni 2011 (prod.12 bij dagvaarding) per 1 oktober 2022 voor een periode van 15 jaar tegen een marktconforme canon, nakomt op straffe van een dwangsom van € 2.500,00 per dag of gedeelte van een dag dat HbR hiermee in gebreke blijft;
Subsidiair
1. HbR veroordeelt om binnen een week na dit vonnis aan [bedrijf A] te betalen de vergoeding ex artikel 5:87 lid 2 BW ter grootte van € 625.000,00 althans
€ 211.898,56 althans een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;
2. Voor recht verklaart dat [bedrijf A] zich met betrekking tot de onroerende zaak rechtsgeldig beroept op haar retentierecht ex artikel 5:100 lid 1 BW totdat de onder 1. gevorderde vergoeding ex artikel 5:87 lid 2 BW aan [bedrijf A] is voldaan;
met veroordeling van HbR in de proceskosten en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente indien de voldoening daarvan niet binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis plaatsvindt.
3.5.
Het verweer van HbR strekt tot het afwijzen van de vorderingen van [bedrijf A] .
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
in conventie en in reconventie
4.1.
Nu de vorderingen in conventie en in reconventie samenhangen, worden deze vorderingen gezamenlijk behandeld.
opzegging erfpacht
4.2.
De grondslag van de vordering van HbR in conventie en van haar verweer in reconventie is de gestelde beëindiging van het recht van erfpacht door middel van opzegging. [bedrijf A] heeft betwist dat sprake is van rechtsgeldige opzegging en dit tevens aan de primaire vordering in reconventie ten grondslag gelegd. Dat betekent dat zowel in conventie en als in reconventie moet worden vastgesteld of sprake is van rechtsgeldige opzegging en daarmee het einde van het recht van erfpacht.
4.3.
Of het recht van erfpacht rechtsgeldig is opgezegd dient te worden getoetst aan de (dwingendrechtelijke) bepaling van artikel 5:87 lid 2 BW. Op grond van die bepaling kan een recht van erfpacht door de eigenaar worden opgezegd, indien de erfpachter in verzuim is de canon over twee achtereenvolgende jaren te betalen of in ernstige mate tekort schiet in de nakoming van zijn verplichtingen.
HbR heeft de opzegging gebaseerd op het in ernstige mate tekort tekortschieten van [bedrijf A] in de nakoming van haar verplichtingen als erfpachter, in het bijzonder op de omstandigheid dat in 2017 wederom een hennepkwekerij is aangetroffen in een loods op het terrein, en wel in een loods die door [naam persoon 5] , de ondererfpachter van [bedrijf A] , zonder instemming van HbR aan derden was verhuurd.
4.4.
De rechtbank dient een oordeel te geven over de rechtsgeldigheid van de opzegging. HbR is in dit verband niet gebonden aan de in de brief van 12 november 2018 genoemde gronden. Dit wordt niet anders doordat HbR een verklaring voor recht vordert dat de erfpacht op 31 december 2018 is geëindigd. Als de uiteindelijk gestelde en gebleken gronden voor de opzegging – al dan niet gezamenlijk – de opzegging rechtvaardigen, is HbR steeds bevoegd geweest tot opzegging. Deze gronden waren immers – ook voor zover niet expliciet kenbaar gemaakt – reeds aanwezig ten tijde van de opzegging.
4.5.
Niet in geschil is dat het hebben van deze hennepkwekerij een strafbaar feit oplevert.
Een feit van algemene bekendheid is verder dat hennepkwekerijen een hoge warmte en luchtvochtigheid vereisen die schadelijk voor de loods kunnen zijn, dat dergelijke kwekerijen veelal stankoverlast veroorzaken en brandgevaarlijk zijn. Daaraan doet niet af dat het gebruik van het terrein in dit concrete geval geen hinder heeft opgeleverd en het gevaar zich niet heeft verwezenlijkt. De hennepkwekerij is immers niet op initiatief van [bedrijf A] maar door ingrijpen van de politie beëindigd, zodat niet uit te sluiten is dat zonder ingrijpen van de politie wel sprake zou zijn geweest van verwezenlijking van voornoemde risico’s. Dit gebruik van de loods is ook in strijd met de AB 1949.
4.6.
Vaststaat dat [naam persoon 5] , ondererfpachter van [bedrijf A] , de loods op het terrein had verhuurd zonder voorafgaande toestemming van HbR, terwijl toestemming op grond van artikel 8 van de AB 1949 vereist was (zie 2.2).
Uit de enkele omstandigheid dat HbR - voor zover zij daarvan al op de hoogte was - nooit bezwaar heeft gemaakt tegen de verhuur van de loods door [naam persoon 5] kan in redelijkheid niet worden afgeleid dat zij dat tekortschieten door [bedrijf A] heeft aanvaard.
4.7.
De in de loods aangetroffen hennepkwekerij kwalificeert, zowel op zichzelf bezien als in samenhang met het zonder de vereiste voorafgaande toestemming verhuren van de loods (door de ondererfpachter), als een in ernstige mate tekortschieten door [bedrijf A] in de nakoming van haar verplichtingen tegenover HbR (in haar hoedanigheid van beheerder namens de gemeente). [bedrijf A] heeft ook onvoldoende rekening gehouden met de belangen van de gemeente als eigenaar van het terrein.
Blijkens de tekst van artikel 5:87 lid 2 BW is niet van belang of de betreffende tekortkoming toerekenbaar is aan [bedrijf A] als erfpachter of niet. De enkele tekortkoming “in ernstige mate” rechtvaardigt op opzegging van het recht van erfpacht.
4.8.
Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een in ernstige mate van tekortschieten in de nakoming van de op [bedrijf A] rustende verplichtingen als erfpachter. HbR mocht het recht van erfpacht op deze grond opzeggen.
Hetgeen [bedrijf A] hier verder tegenin heeft gebracht leidt niet tot een ander oordeel.
4.9.
Anders dan [bedrijf A] betoogt kan de door HbR, in haar brief van 17 juni 2011, gedane toezegging het recht van erfpacht te zullen verlengen, niet aan HbR worden tegengeworpen. In deze brief heeft HbR duidelijke voorwaarden gesteld aan haar aanbod voor een nieuw te vestigen recht van erfpacht na ommekomst van het huidige recht van erfpacht (zie 2.7). [bedrijf A] heeft hieraan niet voldaan. Dat ondererfpachter [naam persoon 5] zonder toestemming van HbR zijn loods heeft verhuurd, waarin op 2 december 2017, vóór het einde van het recht van erfpacht, een hennepkwekerij is aangetroffen, kwalificeert immers niet als goed erfpachterschap van [bedrijf A] .
4.10.
Zoals hiervoor onder 4.7 is overwogen doet niet ter zake of [bedrijf A] op de hoogte was van de aanwezigheid van de hennepkwekerij, althans daarvan op de hoogte kon zijn, bijvoorbeeld door regelmatige inspectie. In tegenstelling tot wat [bedrijf A] betoogt behoefde HbR [bedrijf A] niet alsnog de kans te geven om de loods te gebruiken als bedoeld in haar brief van 17 juni 2011. Bij de beoordeling of sprake is van een ernstige tekortkoming kan van belang zijn of de eigenaar de erfpachter een “tweede kans” heeft gegeven. De aanwezigheid van een hennepkwekerij is op zichzelf al voldoende ernstig om de opzegging te rechtvaardigen. Daar komt nog bij dat [bedrijf A] al in september 2011 een tweede kans heeft gekregen nadat in de loods hennepplanten waren aangetroffen. Gegeven de omvang van de op 2 december 2017 aangetroffen hennepkwekerij kon en mocht [bedrijf A] er niet van uitgaan dat haar ook een derde kans zou worden gegeven.
Daar komt nog bij dat [bedrijf A] ook aan andere voorwaarden, als genoemd in de brief van 17 juni 2011, niet voldeed; immers er was sprake van een canonachterstand en niet alle overeengekomen investeringen waren uitgevoerd.
4.11.
De aard en het karakter van het recht van erfpacht verzetten zich niet tegen de opzegging van het recht van erfpacht door HbR. [bedrijf A] wist bij de ondertekening van de vestigingsakte van het recht van erfpacht (inclusief de AB 1949) waarvoor zij tekende. Gelet op de ernst van de aan [bedrijf A] toe te rekenen aanwezigheid van een hennepkwekerij en in verband met de daaraan verbonden risico’s heeft HbR groot belang bij de onderhavige opzegging. Onmiskenbaar heeft [bedrijf A] harerzijds groot belang bij een nieuw te vestigen recht van erfpacht, maar [bedrijf A] heeft daarop geen recht nu niet aan de voorwaarden van het daartoe strekkende aanbod is voldaan, terwijl de gronden voor de opzegging voor haar rekening komen. Dat [bedrijf A] investeringen heeft gedaan met het oog op het voldoen aan een andere voorwaarde voor verkrijging van een nieuw recht van erfpacht, die haar nu niet de baat kunnen opleveren waarop zij waren gericht, valt te betreuren maar komt eveneens voor risico van [bedrijf A] .
Onder deze omstandigheden is van misbruik in de zin van artikel 3:13 BW door HbR geen sprake. Evenmin kan, gelet op de ernst van de tekortkoming, worden gezegd dat de opzegging van het recht van erfpacht naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
Onder deze omstandigheden faalt ook het beroep op het zorgvuldigheids- en vertrouwensbeginsel. HbR heeft zich namens de gemeente op een duidelijk en voorspelbaar standpunt gesteld en [bedrijf A] aan de gemaakte afspraken gehouden. Dat korte tijd nog berichten over de canon zijn ontvangen kan, gelet op de standaardtekst waaruit volgt dat deze berichten automatisch zijn aangemaakt, bij [bedrijf A] niet redelijkerwijs het vertrouwen hebben gewekt dat HbR hiermee terugkwam van de in duidelijke en specifieke termen gestelde opzeggingsbrief. Dat de ernst van de tekortkoming door HbR of de gemeente zou zijn gebagatelliseerd is niet gebleken.
4.12.
De conclusie blijft dat het recht van erfpacht door HbR mocht worden opgezegd en rechtsgeldig is opgezegd bij brief van 12 november 2018, en wel tegen 31 december 2018. De door HbR in conventie primair onder a gevorderde verklaring voor recht dat het recht van erfpacht rechtsgeldig is opgezegd tegen 31 december 2018 komt dan ook voor toewijzing in aanmerking.
4.13.
Uit het voorgaande volgt ook dat de primaire vordering van [bedrijf A] in reconventie om HbR te veroordelen tot heruitgifte van de onroerende zaak in erfpacht aan [bedrijf A] zoals opgenomen in de brief van 17 juni 2011 per 1 oktober 2022 voor een periode van 15 jaar tegen een marktconforme canon na te komen op straffe van een dwangsom zal worden afgewezen.
vordering tot ontruiming op straffe van verbeurte van een dwangsom
4.14.
HbR vordert primair onder b, samengevat, dat [bedrijf A] wordt veroordeeld om - al dan niet tegen betaling door HbR van een in goede justitie te bepalen waardevergoeding – uiterlijk binnen vier weken na vonnisdatum het terrein ontruimd, geëgaliseerd en vrij van aanspraken van derden op te leveren.
HbR vordert primair onder c - zoals uit haar toelichting op de vordering blijkt, het petitum verwijst naar (a) waar kennelijk (b) is bedoeld - dat aan de gevraagde veroordeling een dwangsom wordt verbonden van € 5.000,00 per dag of dagdeel dat [bedrijf A] niet aan deze veroordeling voldoet.
4.15.
Nu is geoordeeld dat HbR (namens de gemeente) het recht van erfpacht rechtsgeldig heeft opgezegd tegen 31 december 2018 diende [bedrijf A] per die datum conform artikel 36 AB 1949) te ontruimen, door de opstallen te verwijderen en het terrein te egaliseren, zonder dat de gemeente aan haar de waarde van de opstallen hoeft te vergoeden. Anders dan [bedrijf A] acht de rechtbank artikel 36 AB 1949 niet slechts van toepassing in geval van reguliere expiratie van het recht van erfpacht. Het is immers geen logische uitleg van deze bepaling, bezien in de context van de rechtsverhouding als geheel, als wordt aangenomen dat [bedrijf A] verplicht is tot wegneming van de opstallen en tot egalisatie van het terrein, met alle kosten van dien, indien de erfpacht door tijdsverloop eindigt maar dat [bedrijf A] dit niet hoeft te doen en te bekostigen indien de erfpacht voortijdig wordt opgezegd door een tekortschieten in ernstige mate harerzijds.
Of een en ander zoals [bedrijf A] betoogt neerkomt op het slopen en met de grond gelijk maken van de opstallen is niet van belang. Indien [bedrijf A] de opstallen of delen daarvan voor hergebruik weet te behouden staat dat haar uiteraard vrij.
4.16.
[bedrijf A] heeft verzocht om aan een eventuele ontruimingsverplichting een termijn van zes maanden te verbinden, onder meer omdat zij een sloopvergunning behoeft en het verkrijgen daarvan tijd kost. De rechtbank ziet, gelet op de onweersproken noodzaak van een sloopvergunning en de thans bestaande krapte op de markt voor bouw- en sloopwerkzaamheden die onzeker zou maken of [bedrijf A] feitelijk in staat is om aan een andersluidende veroordeling te voldoen, aanleiding om inderdaad een termijn van zes maanden na vonnisdatum te verbinden aan de ontruimingsplicht. Oplevering in ontruimde en geëgaliseerde staat en vrij van rechten van derden dient dus plaats te hebben uiterlijk op 28 januari 2022.
Dit laat onverlet dat [bedrijf A] al sinds 1 januari 2019 zonder recht het terrein in gebruik heeft.
4.17.
[bedrijf A] beroept zich op haar retentierecht als bedoeld in artikel 5:100 BW. Zij voert aan dat de vordering tot ontruiming niet kan worden toegewezen, zolang HbR haar niet de volledige vergoeding van de waarde van het recht van erfpacht, onder eventuele aftrek van de achterstallige canonverplichtingen en investeringen, heeft voldaan.
4.18.
HbR stelt zich op het standpunt dat dit retentierecht, gelet op de weigerachtige opstelling van [bedrijf A] om tot een oplossing te komen inzake de vergoeding van de waarde van het recht van erfpacht, niet aan de ontruiming in de weg staat. Ook komt [bedrijf A] geen beroep toe op het retentierecht, omdat HbR (namens de gemeente) [bedrijf A] een bedrag van € 700.000,00 als vervangende zekerheid voor de (vast te stellen) waarde van het recht van erfpacht heeft aangeboden.
4.19.
Hoewel het recht van erfpacht door HbR rechtsgeldig is opgezegd, heeft [bedrijf A] op grond van artikel 5:100 lid 1 BW een retentierecht op het terrein zolang de door HbR verschuldigde vergoeding van de waarde van het recht van erfpacht niet is voldaan. Dit kan slechts anders zijn als vaststaat dat aan [bedrijf A] in het geheel geen vergoeding toekomt, omdat de hoogte van de vordering die HbR op [bedrijf A] heeft de waarde van de vergoeding overtreft. Gesteld noch gebleken is dat die situatie zich hier voordoet. Net als de regeling van de vergoeding bij het einde van de erfpacht in artikel 5:87 lid 2 BW is het in artikel 5:100 BW bepaalde retentierecht van de erfpachter (in dit geval: [bedrijf A] ) van dwingendrechtelijke aard.
4.20.
Om deze patstelling te doorbreken zal de rechtbank in de veroordeling tot ontruiming een in goede justitie bepaalde voorwaarde opnemen.
Het aan [bedrijf A] toekomende retentierecht strekt ertoe dat zij haar grip op het terrein (die tot zekerheid van voldoening van haar vordering strekt) niet hoeft op te geven zolang zij geen betaling van de haar toekomende waardevergoeding heeft ontvangen. Omdat partijen al lange tijd strijden zonder dat [bedrijf A] feitelijk heeft ontruimd en partijen op het punt van de waardevergoeding geen compromis weten te bereiken, omdat op dit moment onzeker is hoe groot de vergoeding is die aan [bedrijf A] toekomt (mede gelet op het recht van HbR om nog te verrekenen wat aan haar is verschuldigd), en omdat bepaling van de hoogte van de waardevergoeding door een of meer deskundigen nog enige tijd in beslag zal nemen, zal de rechtbank in goede justitie bepalen dat [bedrijf A] moet opleveren tegen verstrekking aan haar van genoegzame zekerheid van betaling van die vergoeding. Als genoegzame zekerheid geldt in ieder geval het stellen van een bankgarantie op het Rotterdams Garantieformulier 2008 door een eersteklas Nederlandse bank op verzoek van HbR dan wel de gemeente ten gunste van [bedrijf A] tot het maximaal aan [bedrijf A] toekomende bedrag zoals door de rechtbank in goede justitie zal worden bepaald, vermeerderd met een toeslag van 30 procent voor rente en kosten.
4.21.
De rechtbank stelt zich dit aldus voor dat in het formulier:
- onder (A) de naam van de bank wordt ingevuld,
- onder (B) [bedrijf A] ,
- onder (C) de gemeente of HbR,
- onder (D) (het in r.o. 4.33 hieronder nader toe te lichten bedrag groot € 211.989,56 -/- € 39.938,71 =) € 172.050,85,
onder (E) de vergoeding bedoeld in artikel 5:87 lid 2, laatste zin, BW,
onder (F) (€ 172.050,85 plus 30 % voor rente en kosten =) € 223.666,11 waarna de woorden “zulks ter opheffing en/of voorkoming van conservatoir beslag ter zake voormeld op (G)” worden vervangen door “zulks ter voorkoming van uitoefening van het ingevolge artikel 5:100 BW aan [bedrijf A] . toekomende retentierecht op het terrein gelegen aan de [straatnaam] [huisnummers] te ( [postcode] ) Rotterdam, bestaande uit vier percelen, thans kadastraal bekend gemeente [gemeente] sectie [sectie] , nummers [nummer 1] , [nummer 2] , [nummer 3] en [nummer 4] , groot 18 aren en 20 centiaren”.
Partijen kunnen echter andere afspraken maken over hetgeen tussen hen als genoegzame zekerheid zal gelden.
De zekerheid (de originele ondertekende garantie) dient aan [bedrijf A] te zijn afgegeven voordat [bedrijf A] het terrein verlaat. De rechtbank vertrouwt erop dat partijen in staat zijn om ruim op tijd met elkaar bovenstaande dan wel een andere door beiden passend geachte conceptgarantietekst af te stemmen en voor feitelijke afgifte van de garantie en afwikkeling van de ontruiming te zorgen.
4.22.
De rechtbank ziet in het feitelijk verloop van het geschil tussen partijen echter aanleiding om de veroordeling tot ontruiming te versterken met de oplegging van een dwangsom, zoals door HbR gevorderd. De hoogte van de door HbR gevorderde dwangsom acht zij echter te hoog, zodat deze zal worden gematigd tot € 1.000,00 per dag of dagdeel dat [bedrijf A] de veroordeling niet nakomt, en voorts zal worden gemaximeerd tot € 100.000,00.
vergoeding waarde erfpacht
4.23.
Nu sprake is van een beëindiging van het recht van erfpacht in verband met het tekortschieten van [bedrijf A] geldt met betrekking tot de hoogte van de te betalen vergoeding de maatstaf van artikel 5:87 lid 2 BW. Het gaat dus om de waarde die het recht van erfpacht heeft op het moment van het einde van de erfpacht (in dit geval: 31 december 2018). Hierover zijn partijen het eens. Alsook dat die verplichting van HbR kan worden verrekend met hetgeen [bedrijf A] aan HbR verschuldigd is. Zij verschillen echter van mening over (de wijze van het vaststellen van) de waarde van de erfpacht.
4.24.
De waarde van de erfpacht moet geobjectiveerd worden bepaald aan de hand van het bedrag dat een derde zou willen betalen voor het recht van erfpacht. Daarbij zijn in ieder geval van belang de op het recht van erfpacht toepasselijke voorwaarden, waaronder de hoogte van de canon en de resterende duur van het recht van erfpacht. De hoogte van de door HbR aan [bedrijf A] te betalen vergoeding hangt af van de waarde van het recht van erfpacht ten tijde van de datum waartegen is opgezegd. Bij de bepaling van de waarde van dit recht zal een deskundige meewegen de courantheid van het object en de stand van de vastgoedmarkt.
4.25.
[bedrijf A] heeft dus recht op vergoeding van de geobjectiveerde waarde van het recht van erfpacht per 31 december 2018.
Voor het zich thans voordoende geval, dat het recht van erfpacht door HbR rechtsgeldig is opgezegd tegen 31 december 2018, vordert [bedrijf A] een vergoeding van € 211.898,56. Daarbij baseert zij zich op het taxatierapport van SRMT.
HbR heeft de erfpacht door BRiQ laten taxeren, en BRiQ heeft een bedrag van € 90.000,00 bepaald als marktwaarde exclusief huurinkomsten en een bedrag van € 140.000,00 als marktwaarde inclusief huurinkomsten.
Nu partijen van inzicht verschillen over met name de aan de berekening van de waarde ten grondslag te leggen uitgangspunten, de rechtbank geen eigen taxatie-expertise heeft en de in het geding gebrachte eenzijdig verzochte taxatierapporten niet als geheel onafhankelijke waardeoordelen kunnen worden beschouwd of (ten dele) van andere uitgangspunten uitgaan dan de rechtbank, zal de rechtbank een deskundigenonderzoek bevelen om de waarde van het recht van erfpacht op 31 december 2018 te bepalen.
4.26.
Bij het vaststellen van de waarde van het recht van erfpacht moet in deze zaak rekening worden gehouden met de volgende omstandigheden:
- -
de duur van het recht van erfpacht (hier dus van 1 januari 2019 tot en met 30 september 2022);
- -
de op het recht van erfpacht toepasselijke voorwaarden, waaronder de hoogte van de
canon (laatstelijk blijkens productie 32 bij dagvaarding € 4.172,35 per kwartaal);
- -
het feit dat op het terrein een of meer opstallen zijn gevestigd;
- -
de door [bedrijf A] gedane investeringen, voor zover van belang voor deze waardering;
- -
de omstandigheid dat de derde op 30 september 2022 het terrein moet opleveren zonder opstallen, geëgaliseerd en zonder rechten van derden.
4.27.
Bij de rechtbank spelen voorts nog een aantal vragen, waarover de deskundige zich desgewenst ook kan uitlaten:
- -
of (aanwijzingen bestaan dat) op het terrein sprake is van milieuverontreinigings- of asbestschade, en zo ja, welke invloed hiervan uitgaat op de waardering;
- -
of de waardering moet geschieden met inachtneming van over de resterende duur te realiseren huur- of ondererfpachtinkomsten, dan wel dat deze buiten beschouwing moeten blijven, onder bepaling van relevante waarderingen voor beide gevallen;
- -
welke rol in dit verband moet toekomen aan de feitelijk door [bedrijf A] vanaf 1 januari 2019 tot op 28 januari 2022 gerealiseerde huur- of ondererfpachtinkomsten, en hoe groot deze zijn.
4.28.
De rechtbank is dus voornemens een deskundige te benoemen teneinde de waarde van het recht van erfpacht op 31 december 2018 te bepalen. Aan de deskundige zouden de volgende vraag kunnen worden voorgelegd:
- 1.
wat zou een derde, rekening houdend met de onder 4.26 genoemde omstandigheden en eventueel andere naar uw deskundige mening relevant te achten omstandigheden, op 31 december 2018 hebben willen betalen voor een recht van erfpacht op het terrein?
- 2.
zijn er, mede gelet op de onder 4.27 genoemde vragen, nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechtbank volgens u kennis dient te nemen bij de verdere beoordeling?
Partijen kunnen zich – bij voorkeur eensluidend – bij akte uitlaten over aantal, deskundigheid en over de persoon van de te benoemen deskundige(n). Ook kunnen partijen zich uitlaten over voornoemde en mogelijk andere aan de deskundige(n) voor te leggen vragen en de mee te wegen omstandigheden. Partijen worden verzocht om in hun akte specifiek ook in te gaan op de vragen in r.o. 4.27, opdat de rechtbank daarover zo mogelijk aan de deskundige concreter vragen kan stellen of juist vragen achterwege kan laten en in plaats daarvan nadere aanwijzingen kan geven.
4.29.
HbR zal als eisende partij in conventie worden belast met het voorschot van de deskundige(n). Het gaat in deze zaak immers om de vaststelling van een verplichting van HbR die voortvloeit uit de opzegging van het recht van erfpacht. Te zijner tijd zal bij de proceskostenveroordeling worden beslist wie van partijen uiteindelijk de kosten van de deskundige(n) voor haar rekening moet nemen.
achterstallige canon/schadevergoeding
4.30.
Openstaande verplichtingen van [bedrijf A] komen in aanmerking voor verrekening met de vergoeding van de waarde van het recht van erfpacht door HbR (zie 4.23). Voor verrekening komt in ieder geval de achterstallige canon in aanmerking.
Volgens het door HbR in het geding gebrachte overzicht bedraagt de achterstand ten aanzien van de kwartalen 3 en 4 van 2018 en kwartaal 1 van 2019 € 9.720,28. [bedrijf A] stelt de facturen voor het 3e en 4e kwartaal 2018 te hebben betaald, dan wel dat een derde, die inmiddels failliet is, voor haar heeft betaald. Nu HbR dit bestrijdt en [bedrijf A] ter zake geen betalingsbewijzen heeft overgelegd en verder ook na herhaalde betwisting van de gestelde betaling niets heeft aangevoerd ter onderbouwing daarvan, wordt dit verweer als onvoldoende onderbouwd verworpen. Voor bewijslevering bestaat bij gebrek aan voldoende concrete stellingen geen aanleiding.
4.31.
Nu HbR zelf het standpunt inneemt dat per 31 december 2018 is opgezegd, en dit standpunt slaagt, kan van canon over het eerste kwartaal van 2019 geen sprake zijn. De schuld wegens achterstallige canon in strikte zin beloopt dus (€ 9.720,28 -/- € 4.172,35 =) € 5.547,93. Hierover is wettelijke rente verschuldigd vanaf de vervaldata van de respectieve facturen (d.d. 1 juli 2018 groot € 4.140,50 respectievelijk 1 september 2018 groot € 4.172,35), met dien verstande dat rekening moet worden gehouden met de in het overzicht dat als productie 32 bij dagvaarding is overgelegd genoemde betalingen (€ 1.606,00 op 13 november 2018, € 145,75 op 21 november 2018 en € 1.103,17 wederom op 21 november 2018).
HbR maakt terecht ook aanspraak op een vergoeding voor het gebruik dat [bedrijf A] zonder recht of titel sinds 1 januari 2019 van het terrein heeft gemaakt. HbR begroot deze op een bedrag gelijk aan de (per maand omgerekende) canon, dus op € 1.390,78 per maand. Ook dit bedrag, over de periode 1 januari 2019 tot en met 28 januari 2022 door de rechtbank in totaal berekend op (24 maanden x € 1.390,78 + (28/31e x € 1.390,78) =) € 34.390,78, leent zich voor verrekening met de waardevergoeding die HbR aan [bedrijf A] verschuldigd zal blijken.
In totaal ligt, uitgaande van 21 januari 2022 als datum van ontruiming, reeds een bedrag groot (€ 5.547,93 + € 34. 390,78 =) € 39.938,71 voor verrekening gereed.
4.32.
De door HbR in conventie primair onder d gevorderde bedragen zullen met inachtneming van het bovenstaande worden toegewezen als in het dictum vermeld. Hierover is ook wettelijke rente verschuldigd. Gelet op de aansluiting bij de hoogte van de canon. die vooruit werd gefactureerd, acht de rechtbank rente toewijsbaar per maand vanaf de eerste dag van de betreffende maand.
De rechtbank gaat er, gelet op het uitblijven van betaling van de gebruiksvergoeding tot nog toe, van uit dat deze vergoeding of de daarover verschuldigde rente niet vóór 21 januari 2022 zal worden betaald en dat deze vergoeding (vermeerderd met de daarover verschuldigd geworden rente) dus te zijner tijd - na vaststelling van het bedrag van de waardevergoeding - zal worden verrekend. Mochten voordien toch betalingen worden gedaan, dan dient daarop uiteraard het garantiebedrag te worden aangepast.
de hoogte van de te stellen zekerheid
4.33.
Hierboven is geoordeeld dat [bedrijf A] per 21 januari 2022 het terrein ontruimd, geëgaliseerd en vrij van rechten van derden aan HbR (als vertegenwoordiger van de gemeente Rotterdam) moet opleveren en dit terrein moet verlaten tegen ofwel betaling van hetgeen haar per saldo na verrekening toekomt, ofwel een bankgarantie als in r.o. 4.20-4.21 omschreven voor een door de rechtbank te bepalen bedrag. De rechtbank neemt de vordering van [bedrijf A] voor het scenario dat zij moet ontruimen, € 211.989,56 tot uitgangspunt. Daarop strekt in mindering het bedrag dat in ieder geval mag worden verrekend bij ontruiming per 21 januari 2022, € 39.938,71.
Bij het saldo van € 172.050,85 moet een toeslag van 30 procent voor rente en kosten worden opgeteld, hetgeen een maximum garantiebedrag oplevert van € 223.666,11.
4.34.
Dat om pragmatische redenen wordt gekozen voor een garantiebedrag afgeleid van de vordering van [bedrijf A] in reconventie zegt uiteraard nog niets over de vraag hoeveel aan [bedrijf A] feitelijk toekomt ter zake van waardevergoeding.
alternatief
4.35.
Het deskundigentraject – inclusief de bepaling van vraagstelling en het voorschot, en de uitlatingen van partijen naar aanleiding van het deskundigenbericht - zal naar verwachting zeker zes maanden en mogelijk langer duren. Beide partijen zullen daaraan kosten, tijd en moeite moeten besteden.
In alle scenario’s nadert de te bevelen ontruimingsdatum met rasse schreden en vervolgens ook de einddatum van de oorspronkelijke erfpachttermijn, terwijl [bedrijf A] sinds 1 januari 2019 het terrein in gebruik heeft en daarbij baat heeft, onder meer doordat zij huurinkomsten ontvangt, maar zonder daarvoor de gebruiksvergoeding te betalen. In die zin heeft [bedrijf A] feitelijk - maar zonder recht - de waarde van de erfpacht ingezet voor eigen baat.
De rechtbank geeft partijen daarom in overweging om te bezien of zij, met de oordelen neergelegd in dit vonnis als richtsnoer, alsnog een meer effectieve oplossing voor hun geschil kunnen bereiken, al is het maar ter besparing van kosten en het verkrijgen van spoedige duidelijkheid over de afloop van hun geschil. Die oplossing zou bijvoorbeeld kunnen bestaan in de afspraak dat [bedrijf A] het terrein ontruimd, geëgaliseerd en vrij van rechten van derden zal opleveren op 30 september 2022, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag of dagdeel als in het dictum vermeld, en dat het feitelijk – zij het niet rechtmatig – gebruik tussen opzeggingsdatum en 30 september 2022 geldt als vergoeding in natura van de waarde van de erfpacht bedoeld in 5:87 BW. In mindering daarop zou dan kunnen strekken de achterstallige canon en de vergoeding voor het onrechtmatige gebruik dat [bedrijf A] na 31 december 2018 van het perceel heeft gemaakt, begroot op een bedrag gelijk aan de voor de erfpacht overeengekomen canon.
Indien partijen menen dat een (korte) Skypezitting op relatief korte termijn behulpzaam kan zijn (uitsluitend) om een eindoplossing naderbij te brengen, kunnen zij dit aangeven in hun akte, waarbij het de voorkeur heeft dat het verzoek om een zitting reeds blijkt uit de naam van de akte en/of het B-formulier waarmee deze wordt ingediend.
voortzetting procedure
4.36.
In afwachting van het nemen van de onder 4.28 en 4.35 bedoelde akten zal iedere beslissing, ook over de subsidiaire vordering in reconventie, worden aangehouden.
5. De beslissing
De rechtbank
in conventie
5.1.
verklaart voor recht dat het recht van erfpacht rechtsgeldig is opgezegd tegen 31 december 2018;
5.2.
veroordeelt [bedrijf A] om uiterlijk op 28 januari 2022 en tegen afgifte door HbR aan [bedrijf A] van genoegzame zekerheid als bedoeld in r.o. 4.20-4.21 en 4.33 tot een maximumbedrag inclusief rente en kosten van € 223.666,11, het terrein ontruimd aan HbR op te leveren, aldus dat het terrein ten tijde van de oplevering vrij moet zijn van opstallen, moet zijn geëgaliseerd en vrij moet zijn van ondererfpacht, huur of andere gebruiksrechten van derden;
5.3.
veroordeelt [bedrijf A] tot betaling van een dwangsom van € 1.000,00 voor iedere dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, dat [bedrijf A] de veroordeling onder 5.2 niet nakomt, met een maximum van € 100.000,00;
5.4.
veroordeelt [bedrijf A] tot betaling van € 5.547,93 wegens achterstallige canon, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag zoals overwogen in r.o. 4.31;
5.5.
veroordeelt [bedrijf A] tot betaling van € 1.390,78 per maand wegens vergoeding voor het gebruik van het terrein zonder recht of titel, te rekenen vanaf 1 januari 2019 tot en met de dag dat [bedrijf A] het terrein ontruimd conform 5.2 hierboven zal hebben verlaten, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze vergoeding, per kalendermaand te berekenen vanaf de eerste dag van die maand;
5.6.
verklaart dit vonnis wat bovenstaande veroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad;
in reconventie
5.7.
wijst af het door [bedrijf A] primair gevorderde;
in conventie en in reconventie voorts
5.8.
verwijst de zaak naar de rol van woensdag 25 augustus 2021 voor het nemen van een akte door partijen, teneinde zich uit te laten als bedoeld onder 4.28 en desgewenst 4.35;
5.9.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.A.M. van Schouwenburg-Laan. Het is ondertekend door mr. A.F.L. Geerdes en op 28 juli 2021 uitgesproken in het openbaar.
1451/1885