WFR 2023/165
Belastingen als duurzaamheidsonderwerp in het bestuursverslag
Drs. M.D.G. Funken, datum 05-06-2023
- Datum
05-06-2023
- Auteur
Drs. M.D.G. Funken1
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS703108:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Claire Funken is werkzaam als Senior Tax Risk Manager bij NN.
Richtlijn (EU) 2022/2464 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2022 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 537/2014, Richtlijn 2004/109/EG, Richtlijn 2006/43/EG en Richtlijn 2013/34/EU, met betrekking tot duurzaamheidsrapportering door ondernemingen (PbEU 2022, L 322).
Richtlijn (EU) 2014/95 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 tot wijziging van Richtlijn 2013/34/EU met betrekking tot de bekendmaking van niet-financiële informatie en informatie inzake diversiteit door bepaalde grote ondernemingen en groepen (PbEU 2014, L 330).
Op termijn wordt dit mogelijk assurance met redelijke mate van zekerheid ; zie CSRD, par. 60 (PbEU 2022, L322/34).
Er zijn 14 sectorgroepen en 40 sectoren gedefinieerd. Zo is de sectorgroep financiële instellingen onderverdeeld in de sectoren kapitaalmarkten, banken en verzekeraars. De sector-specifieke standaarden moeten op het moment van schrijven van dit artikel nog gepubliceerd worden.
Ook wel dubbele materialiteit genoemd.
Andere belanghebbenden, zoals aandeelhouders, werknemers, klanten, toezichthouders, belastingdiensten en zakenpartners worden in dit artikel niet nader besproken.
Platform on Sustainable Finance, Final Report on Social Taxonomy, februari 2022, par. 6.3.3. Transparent and non-aggressive tax planning, p. 66.
CBS, cijfers 2019 - 2021.
Platform on Sustainable Finance, Final Report on Social Taxonomy, februari 2022, par, 6.3.3. Transparent and non-aggressive tax planning, p. 66.
UN Resolution, Transforming our world: the 2030 Agenda for Sustainable Development, 2015. Met name doel 17.1: “Strengthen domestic resource mobilization, including through international support to developing countries, to improve domestic capacity for tax and other revenue collection”.
Platform on Sustainable Finance, Final Report on Social Taxonomy, februari 2022, par. 6.3. Governance topics directly linked to sustainability, p. 63 e.v.
Art. 19b, lid 2, CSRD.
De European Financial Reporting Advisory Group (EFRAG) stelt de duurzaamheidsrapportagestandaarden op in opdracht van de Europese Commissie.
Concept European Sustainability Reporting Guidelines 1 Double materiality conceptual guidelines for standard-setting, p. 13.
In het navolgende wordt niet verder ingegaan op het financiële perspectief, omdat dat perspectief niet evident van toepassing lijkt te zijn op het onderwerp belastingen.
Draft ESRS S3 Affected communities Exposure Draft, november 2022, p. 12.
ESRS Public consultation survey, p. 6.
Verordening (EU) 2019/2088 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende informatieverschaffing over duurzaamheid in de financiële dienstensector (PbEU 2019, L 317).
World Economic Forum International Business Council, Measuring Stakeholder Capitalism towards common metrics and consistent reporting of sustainable value creation, September 2020.
GRI is een onafhankelijke organisatie die wereldwijde duurzaamheidsstandaarden ontwikkelt. Inmiddels heeft het GRI een volledige standaard gewijd aan belastingen, standaard 207.
PRI is een investeerdersinitiatief in samenwerking met UNEP Finance Initiative en UN Global Compact en heeft rapportagestandaarden met betrekking tot duurzame beleggingen ontwikkeld.
Schaal dient te worden uitgedrukt in mate van intensiteit met een voorgeschreven puntentoekenning: volledig (5), hoog (4), medium (3), laag (2), minimaal (1), geen (0).
Omvang dient te worden uitgedrukt volgens de volgende schaalverdeling met voorgeschreven puntentoekenning: globaal of totaal (5), wijd verspreid (4), medium (3), geconcentreerd (2), beperkt (1), geen (0).
Onomkeerbaarheid dient te worden uitgedrukt via de volgende schaalverdeling met voorgeschreven puntentoekenning: onomkeerbaar (5), zeer moeilijk te herstellen of lange termijn (4), moeilijk te herstellen of middellange termijn (3), herstelbaar met inspanning (2), relatief makkelijk op korte termijn te herstellen (1), gemakkelijk te herstellen (0).
[Draft] ESRS 1 General requirements, november 2022, par. 1.4.
Richtlijn (EU) 2021/2101 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2021 tot wijziging van Richtlijn 2013/34/EU wat betreft de openbaarmaking van informatie over de winstbelasting door bepaalde ondernemingen en bijkantoren (PbEU 2021, L 429).
Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en van de Raad van 26 juni 2013 betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, art. 20 (PbEU 2013, L 182/38).
De vennootschap dient conform de Nederlandse Corporate Governance Code uitdrukkelijk aan te geven in hoeverre zij de in de Code opgenomen principes en best practice bepalingen opvolgt en zo niet, waarom en in hoeverre zij daarvan afwijkt.
De Corporate Sustainability Reporting Directive (CSRD) breidt de verplichting van ondernemingen uit om duurzaamheidsinformatie te rapporteren in het bestuursverslag. Ondernemingen zijn onder meer verplicht te rapporteren over materiële duurzaamheidsonderwerpen conform onderwerp-specifieke rapportagestandaarden. Als het materiële duurzaamheidsonderwerp niet voldoende is gedekt door een standaard, dan dient de onderneming een zogenoemde ondernemingsspecifieke toelichting in het bestuursverslag op te nemen. Ondanks dat belastingen een duurzaamheidsonderwerp zijn, is er thans geen rapportagestandaard over belastingen ontwikkeld. De auteur meent dat ondernemingen over belastingen als duurzaamheidsonderwerp moeten rapporteren op basis van een beperkte referentie aan belastingen in de standaard Affected Communities of op basis van de door ondernemingen uit te voeren materialiteitsbeoordeling. Bij het opstellen van de toelichting zal aansluiting moeten worden gezocht bij bestaande standaarden of wetgeving, bijvoorbeeld de publieke landenrapportage. Voorts dient de onderneming een toelichting te geven over de betrokkenheid bij impact gerelateerd aan de eigen activiteiten en via de waardeketen(s). De vereiste assurance met een beperkte mate van zekerheid, en in de toekomst mogelijk assurance met redelijke mate van zekerheid, zal bovendien een kwaliteitscontrole van het gerapporteerde gaan inhouden.
1. Inleiding
Eind 2022 hebben het Europees Parlement en de Europese Raad overeenstemming bereikt over de Corporate Sustainability Reporting Directive (CSRD).2 Deze richtlijn breidt de verplichting van ondernemingen uit om duurzaamheidsinformatie te rapporteren in het bestuursverslag. De vraag is of belastingen binnen het bereik van de CSRD vallen en zo ja, hoe daar in de praktijk mee moet worden omgegaan. Daarnaast is de vraag of de CSRD een dimensie toevoegt aan het bestaande wettelijk kader, de aankomende publieke landenrapportage en de al eerder ingezette trends van meer transparantie over en toetsing van het belastingbeleid van ondernemingen.
Na een korte introductie in de CSRD volgt een analyse van de vraag of belastingen een duurzaamheidsonderwerp zijn dat onder de CSRD zou moeten vallen. Daarna volgt de analyse hoe belastingen nu in de CSRD zijn opgenomen. Aangezien een standaard over het duurzaamheidsonderwerp belastingen ontbreekt, wordt geanalyseerd of ondernemingen via andere routes alsnog zouden moeten rapporteren over belastingen in het kader van de CSRD. Vervolgens wordt beschreven hoe een dergelijke toelichting in het bestuursverslag eruit zou kunnen zien. Tot slot wordt aandacht besteed aan het bestaande wettelijke rapportagekader en de dimensie die de CSRD hieraan mogelijk toevoegt.
2. Wetgevend kader
2.1 CSRD: verruiming ten opzichte van de Non-Financial Reporting Directive
Op grond van de thans geldende Non-Financial Reporting Directive3 (NFRD) zijn grote beursgenoteerde ondernemingen, banken en verzekeraars verplicht een niet-financiële verklaring op te nemen in het bestuursverslag. Deze niet-financiële verklaring omvat informatie over materiële duurzaamheidsonderwerpen. De betreffende ondernemingen moeten daarmee transparantie bieden over onder meer de duurzaamheidsrisico’s die zij lopen en de impact die zij hebben op mens en milieu. De duurzaamheidsonderwerpen zijn onderverdeeld in drie hoofdpijlers; Environmental, Social and Governance (ESG).
In november 2022 heeft de Europese Raad een richtlijn ter herziening van de NFRD goedgekeurd, de CSRD. Het doel van de CSRD is dat ondernemingen meer geschikte informatie over materiële duurzaamheidsonderwerpen publiceren voor de diverse belanghebbenden. Ten opzichte van de NFRD verruimt de CSRD het toepassingsbereik van kort gezegd grote beursgenoteerde ondernemingen naar grote ondernemingen en beursgenoteerde kleine en middelgrote ondernemingen. Daarnaast worden nadere standaarden vastgesteld over de inhoud van de duurzaamheidsrapportage, wordt assurance met een beperkte mate van zekerheid4 vereist en wordt de digitale aanlevering van de informatie verplicht gesteld.
De Europese Commissie zal de nadere duurzaamheidsrapportagestandaarden aannemen in de vorm van gedelegeerde verordeningen. Deze worden vormgegeven als een combinatie van sector-generieke (in de CSRD wordt de term sector-agnostisch gehanteerd) en sector-specifieke standaarden. De sector-generieke standaarden zijn sector-overschrijdend en aldus van toepassing op alle sectoren en omvatten onder meer standaarden over bepaalde duurzaamheidsonderwerpen. De sector-specifieke standaarden gelden voor gedefinieerde sectoren.5 Ondernemingen zijn verplicht om te rapporteren over vaststaande onderwerpen. Daarnaast dienen ondernemingen te rapporteren over (aanvullende) materiële duurzaamheidsonderwerpen. Indien een onderneming een duurzaamheidsonderwerp materieel acht, gelden de rapportageverplichtingen uit een sector-generieke standaard die dat onderwerp omvat. Als het materiële duurzaamheidsonderwerp niet of niet voldoende is gedekt door een standaard, dan dient de onderneming een zogenoemde ondernemingsspecifieke toelichting in het bestuursverslag op te nemen.
De nieuwe regels zullen gefaseerd van toepassing worden:
1 januari 2024 voor ondernemingen die al onder het toepassingsbereik van de NFRD vallen;
1 januari 2025 voor grote ondernemingen die op dit moment niet onder het toepassingsbereik van de NFRD vallen;
1 januari 2026 voor beursgenoteerde kleine en middelgrote ondernemingen, bepaalde financieringsinstellingen en bepaalde verzekeraars.
Dit betekent dat de eerste categorie ondernemingen uiterlijk halverwege 2025 over boekjaar 2024 in het bestuursverslag dient te rapporteren overeenkomstig de CSRD. De tweede en de derde categorie ondernemingen zullen respectievelijk halverwege 2026 en 2027 moeten rapporteren over respectievelijk boekjaren 2025 en 2026.
2.2 Materialiteit
In de CSRD geldt materialiteit als het criterium om informatie in de duurzaamheidsrapportage op te nemen. Het begrip materialiteit is als zodanig niet gedefinieerd. Of een duurzaamheidsonderwerp materieel is, dient met behulp van een materialiteitsbeoordeling te worden bepaald. Die beoordeling vindt plaats vanuit twee perspectieven,6 namelijk i) impactmaterialiteit, de impact van ondernemingen op mens en milieu en ii) financiële materialiteit, de impact van duurzaamheidsonderwerpen op ondernemingen. Rapportage dient plaats te vinden over duurzaamheidsonderwerpen die materieel zijn vanuit één of beide perspectieven.
Op basis van de concept duurzaamheidsrapportagestandaarden is een duurzaamheidsonderwerp materieel vanuit het impactperspectief, indien dat onderwerp bijdraagt aan (materiële) werkelijke of potentiële positieve of negatieve impact op mens of milieu op korte, middellang of lange termijn. Het gaat om impact die wordt veroorzaakt door of die verband houdt met de waardeketen(s) van de onderneming. Werkelijke impact wordt gebaseerd op de ernst van de impact, bepaald door schaal, toepassingsgebied en onomkeerbaarheid. Potentiële impact wordt gebaseerd op ernst en kans. Typische materiële duurzaamheidsonderwerpen vanuit het impactperspectief zijn klimaatverandering en het gebruik van fossiele brandstoffen (gerubriceerd onder de pijler environmental), diversiteit van werknemers en kinderarbeid (social) en corruptie en verantwoord beloningsbeleid (governance).
Een duurzaamheidsonderwerp is materieel vanuit financieel perspectief indien het (materieel) financieel effect op de onderneming heeft of kan teweegbrengen. Dat is het geval wanneer het onderwerp risico’s of kansen genereert of kan genereren die voor de onderneming (materiële) invloed (kunnen) hebben op de kasstromen, ontwikkeling, prestaties, positie, kapitaalkosten of toegang tot financiering op de korte, middellange of lange termijn. Voorbeelden van dergelijke duurzaamheidsonderwerpen zijn klimaatverandering en biodiversiteit (environmental), demografische veranderingen (social) en cybersecurity (governance).
Op basis van de concept duurzaamheidsrapportagestandaarden vereist de materialiteitsbeoordeling dat voor ieder duurzaamheidsonderwerp de relevante belanghebbenden, de impact op hen en hun informatiebehoeften worden meegenomen. Onder deze belanghebbenden vallen degenen die positief of negatief beïnvloed (kunnen) worden door de activiteiten en de waardeketen(s) van de onderneming en degenen met een belang bij de duurzaamheidsrapportage van de onderneming. Hieronder vallen beleggers, overheidsinstellingen, sociaal maatschappelijke organisaties en sociale partners.
3. Vormen belastingen een duurzaamheidsonderwerp?
Om te kunnen beoordelen of belastingen een duurzaamheidsonderwerp vormen, dienen de belanghebbenden van een onderneming bij het onderwerp te worden geïdentificeerd en de impact op hen te worden geanalyseerd. Bij het onderwerp belastingen kan onder meer de maatschappij als zodanig als belanghebbende worden geïdentificeerd.7
Belastingen vormen het mechanisme waarbij ondernemingen bijdragen aan de economieën van de landen waarin zij opereren. De betaalde belastingen reflecteren dat winsten afhangen van veel externe factoren voor die onderneming, zoals toegang tot goed opgeleid personeel, markten, publieke infrastructuur, publieke diensten, natuurlijke bronnen en een efficiënte overheid.8
In Nederland vormen belastingen en sociale premies zo’n 90% van de overheidsinkomsten.9 Dividend- en vennootschapsbelasting maken ongeveer 10% uit van de belastinginkomsten. Ook andere belastingen vormen onderdeel van de belastingbijdragen van ondernemingen, zoals niet-aftrekbare omzetbelasting, overige bronheffingen, werkgeverslasten en accijnzen. Verder zorgen ondernemingen voor belastingafdracht ten behoeve van heffende instanties, bijvoorbeeld de afdracht van loonbelastingen en sociale premies, in rekening gebrachte omzetbelasting en assurantiebelasting.
Het door ondernemingen uithollen van de winstbelastinggrondslag, de verschuiving van winsten naar laagbelaste landen (bekend als ‘Base Erosion and Profit Shifting’ (BEPS)), het gebruik maken van arbitrage van verschillende nationale wetgevingen of andere situaties van belastingontwijking en belastingontduiking, hebben tot gevolg dat ondernemingen minder bijdragen aan de financiering van overheden. De Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) verwijst in het kader van internationaal opererende ondernemingen die op dergelijke wijze een concurrentievoordeel behalen ten opzichte van nationaal opererende ondernemingen naar de ondermijning van de eerlijkheid en integriteit van belastingsystemen. Bovendien ondermijnt volgens de OESO dergelijk gedrag de belastingmoraal van alle belastingbetalers. De invloed van BEPS treft bovendien in zijn algemeenheid ontwikkelingslanden meer, omdat deze in grotere mate afhankelijk zijn van vennootschapsbelastinginkomsten.
Lagere overheidsopbrengsten kunnen leiden tot verminderde investeringen in publieke infrastructuur en publieke diensten, een toename van financieringstekorten, of het verschuiven van belastingverplichtingen naar andere belastingbetalers.10
Gezien de omvang van het maatschappelijke belang bij belastingen, ligt het voor de hand om belastingen te kwalificeren als duurzaamheidsonderwerp. Zo dient de instrumentele inzet van belastingen het sociale doel tot meer gelijkheid en bestrijding van armoede. Daarnaast faciliteert het financieren van overheden om hun rollen uit te oefenen een breed scala aan andere ESG-gerelateerde doelstellingen. In dit kader hebben de Verenigde Naties (VN) de vitale rol van belastingen ter realisering van de Duurzame Ontwikkelingsdoelstellingen (SDGs) onderkend.11 Ook het Platform on Sustainable Finance benoemt op basis van gelijkluidende argumenten belastingen, en dan meer specifiek transparantie over belastingen en niet-agressieve belastingplanning, als duurzaamheidsonderwerp.12
4. Belastingen als duurzaamheidsonderwerp in de huidige concept duurzaamheidsrapportagestandaarden
In de CSRD is opgenomen dat de duurzaamheidsrapportagestandaarden specificeren welke informatie ondernemingen dienen te rapporteren over bepaalde ESG-onderwerpen. Hierbij wordt per pijler een aantal onderwerpen benoemd.13 In deze opsomming worden belastingen niet als zodanig genoemd. Eén van de onder governancegenoemde onderwerpen is bedrijfsethiek en ondernemingscultuur; mogelijk kunnen belastingen onder deze categorie worden geschaard. Dat lijkt in lijn te zijn met de bevindingen van het Platform on Sustainable Finance, die belastingen aanmerkt als een duurzaamheidsonderwerp dat gecategoriseerd moet worden onder governance.
De opstellers14 van de duurzaamheidsrapportagestandaarden hebben gedurende het proces werkdocumenten gepubliceerd. In één van deze werkdocumenten15 is beschreven op welke wijze de opstellers dienen te beoordelen of een onderwerp sector-generiek of sector-specifiek als materieel moet worden aangemerkt. In dit werkdocument is opgenomen dat wanneer de materialiteit van een duurzaamheidsonderwerp vanuit het impactperspectief16 breed wordt gedragen door relevante experts, raamwerken of organisaties, de impact van dat onderwerp als materieel kan worden beschouwd. Dat geldt in het bijzonder voor onderwerpen die zijn gebaseerd op, of een samenvoeging zijn van bestaande standaarden, raamwerken of best practices. De materialiteit van het duurzaamheidsonderwerp wordt dan aangenomen. Wordt de materialiteit van een onderwerp niet op deze wijze breed gedragen, dan dient elk duurzaamheidsonderwerp op zichzelf te worden getoetst op materialiteit. Het werkdocument beschrijft de wijze waarop de beoordeling dient plaats te vinden, inclusief een aantal parameters om de mate van materialiteit te meten. De analyse van de parameters moet worden gedaan vanuit het perspectief van ondernemingen in hun totaliteit of eventueel vanuit het perspectief van de sector waarin de onderneming actief is. Hiermee zou dan beoordeeld kunnen worden of de impact van een duurzaamheidsonderwerp relevant is voor een significant aantal ondernemingen in zijn algemeenheid of voor een specifieke sector. Tot slot geeft het werkdocument ook ruimte om de toets volgens andere maatstaven uit te voeren, op het moment dat de gegeven parameters niet goed toepasbaar zijn op het geïdentificeerde onderwerp.
De uitkomsten van dit proces zijn vertaald naar de thans gepubliceerde concept sector-generieke standaarden, inclusief de onderwerp-specifieke standaarden. Er is geen concept sector-generieke standaard over belastingen gepubliceerd. Wel zijn belastingen benoemd in de onderwerp-specifieke standaard Affected communities.17 In deze standaard wordt een voorbeeld gegeven van de impact van de strategie en het bedrijfsmodel van de onderneming op de lokale gemeenschap, waarbij specifiek wordt verwezen naar agressieve strategieën om belastingafdracht te minimaliseren als onderdeel van de kostenstructuur en het opbrengstenmodel.
Dat er thans summier aandacht is besteed aan belastingen, is in de publieke consultatie18 als omissie aangemerkt. Zo verwijst het Platform on Sustainable Finance naar de OESO Guidelines for Multinational Enterprises (OESO MNE Guidelines), waarin is opgenomen dat belastingen beschouwd moeten worden als “important matters of board oversight and risk management”. Verder wordt in de consultatie verwezen naar de Sustainable Finance Disclosure Regulation (SFDR).19 In de definitie van duurzame belegging in de SFDR wordt naleving van belastingwetgeving expliciet genoemd. Conform de consultatie, zouden belastingen in de duurzaamheidsrapportagestandaarden moeten worden opgenomen om de aansluiting te verkrijgen met de OESO MNE Guidelines en de SFDR.
Het commentaar in de publieke consultatie is met name formalistisch van aard, namelijk de gemiste aansluiting met andere regelgeving. De meer inhoudelijke benadering van belastingen als duurzaamheidsonderwerp, wordt niet aangedragen als argument om een onderwerp-specifieke standaard op het gebied van belastingen te ontwikkelen. De Europese Commissie kan besluiten – ook naar aanleiding van de huidige consultatie – om alsnog een onderwerp-specifieke standaard voor belastingen te ontwikkelen. Gezien de omvang van het maatschappelijke belang bij belastingen, lijkt dat de enige voor de hand liggende route. Een alternatief is dat de referentie aan belastingen in de onderwerp-specifieke standaard Affected communities wordt uitgebreid.
5. Materialiteitsbeoordeling op ondernemingsniveau
Naast gegeven rapportageverplichtingen op basis van de sector-generieke standaarden, zijn ondernemingen verplicht te rapporteren over aanvullende materiële duurzaamheidsonderwerpen. Dit kunnen onderwerpen zijn die niet worden gedekt door de huidige standaarden. Het ontbreken van een onderwerp-specifieke standaard sluit derhalve niet uit dat ondernemingen alsnog over belastingen moeten rapporteren op basis van de door de onderneming uitgevoerde materialiteitsbeoordeling. Deze materialiteitsbeoordeling op ondernemingsniveau kan – volgens de methodiek uit het werkdocument – als volgt worden uitgevoerd.
5.1 Expertperspectief
Het World Economic Forum International Business Council (IBC) heeft in 2020 een voorstel20 gedaan met universele materiële ESG prestatiemaatstaven en aanbevolen publieke toelichtingen voor ondernemingen. Deze zijn gebaseerd op bestaande standaarden en zijn tot stand gekomen in samenwerking met een groot aantal ondernemingen, investeerders en andere belanghebbenden. Het doel van dit voorstel is dat ondernemingen hun rapportage standaardiseren met betrekking tot hun prestaties gerelateerd aan ESG indicatoren en hun bijdragen aan de SDGs. Daarbij is de consensus ontstaan dat de gepresenteerde maatstaven van belang zijn voor de onderneming zelf, financiële markten en de economie in zijn algemeenheid. Het IBC stelt 21 zogenoemde ESG kernprestatiemaatstaven en 34 additioneleprestatiemaatstaven voor. De kernprestatiemaatstaven worden volgens de IBC breed gedragen en worden van wezenlijk belang geacht. De additionele maatstaven worden minder breed toegepast, maar vormen volgens het IBC een belangrijke toevoeging aan de meer conventionele kernprestatiemaatstaven.
Belastingen zijn zowel opgenomen als kern- en als additionele prestatiemaatstaf. De kernmaatstaf grijpt aan bij het eerder beschreven principe van het belang van belastingen als bijdrage aan de publieke financiën en behelst de totaal betaalde belastinglast van een onderneming. Er zijn twee additionele belastingmaatstaven beschreven, namelijk (i) belastingen die worden geïnd door de onderneming ten behoeve van andere belastingbetalers en (ii) een uitsplitsing van gedragen en geïnde belastingen naar hoofdlocaties van ondernemingen. Het IBC baseert zich hierbij mede op Global Reporting Initiative (GRI) Standard (destijds) 201-1.21
Uit het gegeven dat het IBC, in samenwerking met meerdere belanghebbendengroepen, belastingen als kern- en als additionele ESG prestatiemaatstaf aanmerkt, rechtvaardigt de conclusie dat belastingen een materieel sector-overschrijdend duurzaamheidsonderwerp zijn in de zin van de CSRD. Deze conclusie wordt gestaafd door het gegeven dat GRI een belastingstandaard heeft ontwikkeld, de alternatieve rapportagestandaard B Team Responsible Tax Principles, de aandacht vanuit Principles for Responsible Investments (PRI)22 voor belastingen en in Nederland bijvoorbeeld de ontwikkeling van de Tax Governance Code door VNO-NCW.
Op grond van de beschreven methodiek in het werkdocument, mag de materialiteit van het onderwerp belastingen dan worden aangenomen. Een verdere materialiteitsbeoordeling met betrekking tot het duurzaamheidsonderwerp belastingen behoeft dan niet plaats te vinden.
5.2 Materialiteitsbeoordeling met gegeven parameters
Zouden de stappen van de materialiteitsbeoordeling alsnog doorlopen worden, dan dient de materialiteit van een onderwerp te worden beoordeeld vanuit het impactperspectief en/of het financiële perspectief. Bij belastingen zal de materialiteitsbeoordeling plaatsvinden vanuit het van toepassing zijnde impactperspectief; de invloed van ondernemingen op mens en milieu. De werkelijke of potentiële impact op mens of milieu moet vanuit alle belanghebbenden worden beoordeeld. Het lijkt mogelijk om de impact van belastingen op mens en milieu te bepalen als werkelijke impact. De ernst van de impact moet dan worden bepaald aan de hand van de parameters schaal,23 toepassingsgebied24 en onomkeerbaarheid.25 De parameters moeten worden uitgedrukt op een schaal van 5 tot 0. De totaalscore van de drie parameters bepaalt de mate van materialiteit. Als één van de parameters een 5 scoort, is het wezenlijke karakter van het onderwerp al een gegeven. In het voorgaande is de maatschappij als belanghebbende bij het onderwerp geïdentificeerd. Vanuit het maatschappelijk belang bezien, kan toepassingsgebied, en mogelijk ook schaal, een 5-score worden meegegeven. Belastingen zouden dan voor iedere onderneming een materieel duurzaamheidsonderwerp moeten zijn.
Zowel vanuit het expertperspectief als op grond van een uitgevoerde materialiteitsbeoordeling met parameters, kan tot de conclusie worden gekomen dat belastingen een materieel duurzaamheidsonderwerp zijn.
6. Toelichting conform CSRD
De CSRD vereist dat voor materiële duurzaamheidsonderwerpen een toelichting wordt opgenomen in het bestuursverslag. Op basis van de voorgestelde duurzaamheidsrapportagestandaarden zijn er drie typen toelichtingen: sector-generiek, sector-specifiek en specifiek voor de onderneming. Voor sector-generieke en sector-specifieke materiële onderwerpen zal worden voorzien in een standaard toelichting waaraan ondernemingen dienen te voldoen, tenzij het onderwerp niet voldoende is gedekt door de standaard. Voor ondernemingsspecifieke onderwerpen wordt voorzien in een standaard opzet.
Voor belastingen is op dit moment niet voorzien in een onderwerp-specifieke standaard toelichting. De referentie aan belastingen in de onderwerp-specifieke standaard Affected communities is zodanig beperkt dat belastingen als ondernemingsspecifiek materieel duurzaamheidsonderwerp moeten worden aangemerkt. In dat geval dient bij de opzet van de toelichting aandacht te worden besteed aan bestaande raamwerken, initiatieven, rapportagestandaarden etc. om op deze manier zo vergelijkbaar mogelijke informatie te rapporteren.26 Verder zal de onderneming onder meer moeten uitleggen waarom het onderwerp materieel is voor de onderneming. Deze uitleg dient ook de betrokkenheid van de onderneming bij de (negatieve) impact te bevatten, zoals ontstaan via haar eigen activiteiten of waardeketen(s). Die informatie moet een betrouwbaar beeld geven. Verder geldt dat geen enkel betekenisvol aspect van een duurzaamheidsonderwerp mag worden weggelaten. Dit kan inhouden dat relevante informatie met betrekking tot de strategie, governance, beleid, doelstellingen, acties en actieplannen, middelen en maatstaven wordt gerapporteerd. Iedere maatstaf die wordt gehanteerd, dient een waardevol inzicht te geven voor de gebruikers van het rapport.
Gezien de vereiste vormgeving van de opzet ligt het voor de hand om bij het opstellen van de toelichting aansluiting te zoeken bij bijvoorbeeld de bestaande standaard GRI-207, maar mogelijk ook de vanaf 2026 wettelijk verplichte publieke landenrapportage.27 Deze rapportage omvat financiële, economische en belasting-gerelateerde informatie over ieder land waarin een onderneming operationeel is. Dit geeft een indicatie van de omvang van de activiteiten van een onderneming en de bijdrage die zij levert aan de betreffende jurisdicties. Tezamen met de vereiste toelichting over het ondernemingsbeleid met betrekking tot belastingen, kan dit inzicht geven in de belastingpraktijken van ondernemingen in de diverse landen waarin die onderneming actief is.
De vraag is echter of dit voldoende inzicht geeft om een gedegen beoordeling te kunnen maken over het belastinggedrag van ondernemingen en de strategieën om belastingafdracht te verminderen, zoals daarnaar wordt gerefereerd in de sector-generieke standaard Affected Communities. Mogelijk dient een onderneming dan verdere toelichting te geven op vragen als:
maakt de onderneming gebruik van belastingparadijzen, en zo ja wat zijn de redenen dat een onderneming hiervan gebruikt maakt;
heeft de onderneming double (of meer) dip-structuren;
welke hybride structuren heeft een onderneming;
om welke redenen is een hoofdkantoor in een bepaald land gevestigd;
van welke subsidies of ‘tax holidays’ maakt een onderneming gebruik;
welke structuren heeft een onderneming opgezet met het oog op belastingontwijking of -ontduiking.
Verder verlangt de CSRD dat niet alleen naar de eigen activiteiten wordt gekeken, maar ook naar de impact via de waardeketen(s). Afhankelijk van het type onderneming en waar de materiële impact van de onderneming zit, kan dat betekenen dat de rapportage zich uitbreidt tot bijvoorbeeld investeringen, beleggingen, leveranciers en afnemers. Op deze manier zouden bijvoorbeeld institutionele beleggers moeten rapporteren over het belastinggedrag van de ondernemingen waarin wordt geïnvesteerd. Voor ondernemingen die zwaar leunen op leveranciers, zou over het belastinggedrag van deze partijen gerapporteerd moeten worden.
Verder is van belang dat door de vereiste assurance met een beperkte mate van zekerheid ook de externe auditor zich een oordeel moet gaan vormen over de juistheid van de rapportage door ondernemingen.
7. Corporate Governance Code
In het huidige wettelijke Europese rapportagekader zijn geen regels voor belastingen onder de niet-financiële informatie in het bestuursverslag opgenomen. Belastingen zijn wel onderdeel van de financiële informatie in het bestuursverslag op basis van de International Financial Reporting (IFRS) richtlijnen. Op basis van dezelfde richtlijnen zijn ondernemingen verplicht om een verklaring over Corporate Governance in het bestuursverslag op te nemen.28 Eind 2022 heeft de Monitoring Commissie Corporate Governance Code de Nederlandse Corporate Governance Code uit 2016 geactualiseerd. In de geactualiseerde tekst is opgenomen dat de wijze waarop vennootschappen omgaan met de betaling van belasting onderdeel dient te zijn van de visie en strategie van het bestuur gericht op duurzame lange termijn waardecreatie. Van ondernemingen wordt verwacht dat zij een billijk aandeel van belastingen betalen in de landen waarin zij daadwerkelijk hun bedrijfsactiviteiten ontplooien en winst maken. Via de route van de verklaring over Corporate Governance, vinden belastingen als duurzaamheidsonderwerp aldus ook hun weg naar het bestuursverslag.29
8. Conclusie
Alle ondernemingen dienen te rapporteren over belastingen als duurzaamheidsonderwerp in het bestuursverslag. Hetzij op grond van de sector-generieke duurzaamheidsrapportagestandaard Affected Communities, hetzij omdat belastingen een ondernemingsspecifiek materieel duurzaamheidsonderwerp zijn.
Gezien het maatschappelijk belang van belastingen, zou de Europese Commissie een onderwerp-specifieke standaard moeten ontwikkelen.
Zowel bij een onderwerp-specifieke standaardtoelichting als bij een ondernemingsspecifieke toelichting zal aansluiting moeten worden gezocht bij bestaande standaarden of wetgeving, bijvoorbeeld de publieke landenrapportage. Voorts dient de onderneming een toelichting te geven over de betrokkenheid bij (negatieve) impact, inclusief de impact via de waardeketen(s). De vereiste assurance met een beperkte mate van zekerheid, en in de toekomst mogelijk assurance met redelijke mate van zekerheid, zal bovendien een kwaliteitscontrole van het gerapporteerde gaan inhouden.