Overigens blijkt uit het schriftelijke standpunt van het openbaar ministerie dat de klaagster daadwerkelijk verdachte is van het medeplegen van witwassen.
HR, 18-11-2025, nr. 25/00055 B
ECLI:NL:HR:2025:1702
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
18-11-2025
- Zaaknummer
25/00055 B
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1702, Uitspraak, Hoge Raad, 18‑11‑2025; (Cassatie, Beschikking)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1059
ECLI:NL:PHR:2025:1059, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 07‑10‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1702
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0357
Uitspraak 18‑11‑2025
Inhoudsindicatie
Beklag, beslag ex art. 94a Sv op 2 bankrekeningen onder klaagster i.h.k.v. strafrechtelijk onderzoek tegen haar partner. Anderbeslag ex art. 94a.4 en 94a.5 Sv. Heeft Rb juiste maatstaf toegepast? HR: Om redenen vermeld in CAG slaagt middel. CAG: Oordeel Rb dat RC machtiging heeft verleend om conservatoir beslag te leggen t.z.v. een aan klaagster op te leggen ontnemingsmaatregel omdat kennelijk bedoeling is geweest van RC machtiging te verlenen om naast derdenbeslag ook conservatoir beslag onder klaagster te leggen, is niet begrijpelijk. Rb heeft vastgesteld dat beslag is gelegd in strafrechtelijk onderzoek tegen partner van klaagster, zodat Rb had moeten beoordelen of buiten redelijke twijfel is dat klaagster als eigenaar van voorwerp moet worden aangemerkt en zo ja, of zich situatie van art. 94a.4 of 94a.5 Sv voordoet. Rb heeft dus onjuiste maatstaf toegepast. Volgt vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 25/00055 B
Datum 18 november 2025
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 29 november 2024, nummer RK 24/022638, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klaagster] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,
hierna: de klaagster.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klaagster. Namens deze hebben de advocaten J.C. Reisinger en M.N. Greeven bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank, en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Oost-Brabant, teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden beoordeeld en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt onder meer dat de rechtbank bij de beoordeling van het klaagschrift dat strekt tot opheffing van het conservatoir beslag op grond van artikel 94a van het Wetboek van Strafvordering een onjuiste maatstaf heeft toegepast.
2.2
Voor zover het cassatiemiddel hierover klaagt, slaagt het. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal.
2.3
Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het restant van het cassatiemiddel niet nodig.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank;
- wijst de zaak terug naar de rechtbank Oost-Brabant, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 november 2025.
Conclusie 07‑10‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Beklag ex art. 552a Sv na conservatoir beslag op twee bankrekeningen t.n.v. klaagster in strafzaak tegen partner. Oordeel Rb beslag tevens is gelegd ter bewaring van recht van verhaal op klaagster omdat rechter-commissaris ook daarvoor machtiging zou hebben gegeven, is volgens AG niet begrijpelijk. De conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/00055 B
Zitting 7 oktober 2025
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[klaagster] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,
hierna: de klaagster
1. Het cassatieberoep
1.1
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klaagster en de advocaten J.C. Reisinger en M.N. Greeven, hebben een middel van cassatie voorgesteld, waarin wordt geklaagd over de door de rechtbank toegepaste toetsingsmaatstaf en het ontbreken van een belangenafweging in het kader van de proportionaliteit en subsidiariteit van het beslag.
2. De beschikking van de rechtbank
De beschikking van de rechtbank houdt het volgende in:
“Feiten
Uit de kennisgeving van inbeslagname op grond van artikel 94a Sv, blijkt dat op 17 en 18 oktober 2024 [Bedoeld is kennelijk: 2022, AG TS] in het strafvorderlijk onderzoek tegen [verdachte ] twee rekeningen te weten:
- [rekeningnummer 1] t.n.v. [klaagster] (ondernemersrekening);
- [rekeningnummer 2] t.n.v. [klaagster] (spaarrekening)
in beslag zijn genomen.
(…)
Beklag
Het beklag strekt tot teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen.
Namens de klaagster is aangevoerd dat het beslag is gelegd onder [verdachte ] , de partner van klaagster. Gelet daarop is een specifiek toetsingskader aan de orde. De door het Openbaar Ministerie aangehaalde omstandigheden snijden daarom geen hout. Ook de omstandigheid dat de afgegeven machtiging vermeldt dat zij ook zou strekken tot beslaglegging van goederen die aan [klaagster] toebehoren, maakt dat niet anders omdat het beslag is gelegd onder [verdachte ] . Klaagster dient als eigenaar van het inbeslaggenomen banktegoeden te worden aangemerkt en er zijn geen aanwijzingen dat de gelden op de rekening aan klaagster zijn gaan toebehoren om de uitwinning ervan de bemoeilijken of verhinderen. Bovendien wordt klaagster onevenredig zwaar in haar belangen getroffen.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie verzet zich tegen teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen aan de klaagster en heeft daartoe aangevoerd dat het belang van strafvordering zich daartegen verzet, meer in het bijzonder ter bewaring van het recht tot verhaal voor een geldboete en/of ontneming ter zake van een misdrijf, waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. Ten tijde van de inbeslagneming sprake was van een verdenking t.z.v. een misdrijf/misdrijven waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en het is niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. Op 20 september 2022 heeft de rechter-commissaris t.a.v. [verdachte ] een machtiging conservatoir beslag verleend tot een bedrag van maximaal € 2.853.398,25. Door de rechter-commissaris is in de machtiging expliciet opgenomen: "Indachtig het proces-verbaal aanvraag (beslag ook op voorwerpen die aan [klaagster] toebehoren)". Klaagster kan zelf als verdachte worden aangemerkt en vormt een economische eenheid met [verdachte ] waardoor voornoemd toetsingskader wordt aangelegd. De voortduring van het beslag is in overeenstemming met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.
Beoordeling
(…)
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een beklag als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
Er zijn duidelijke aanknopingspunten dat ook klaagster als verdachte kan worden aangemerkt. Hoewel de rechtbank met klaagster van oordeel is dat het beslag is gelegd onder [verdachte ] en daarom mede het door klaagster aangehaalde toetsingskader aan de orde is, blijkt uit de machtiging van de rechter-commissaris dat het de bedoeling van de rechter-commissaris is dat het conservatoir beslag ook ziet op de vermogensbestanddelen van klaagster. Daarmee gaat de rechtbank er vanuit dat het de intentie is geweest het onderhavige beslag niet alleen als derdenbeslag te laten gelden. Daarom zal de rechtbank onderzoeken of het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een geldboete, dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. De rechtbank acht het niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, aan de klaagster en/of haar partner een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.
Het beklag zal dan ook ongegrond worden verklaard.”
3. Het cassatiemiddel
3.1
Het middel klaagt in de eerste plaats dat de rechtbank, nu het beslag is gelegd in de strafzaak tegen [verdachte ] , het beklag ten onrechte heeft getoetst aan de maatstaf die geldt indien het beslag zou zijn gelegd in de strafzaak tegen de klaagster. In de tweede plaats klaagt het middel dat de rechtbank niet is ingegaan op het standpunt van de klaagster dat, gelet op haar persoonlijke omstandigheden, het beslag niet in overeenstemming is met eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.
3.2
Het vertrekpunt in cassatie is dat er op grond van art. 94a Sv conservatoir beslag is gelegd op (het saldo van) twee bankrekeningen op naam van de klaagster. Het klaagschrift houdt in dat de bankrekeningen ‘toebehoren’ aan de eenmanszaak van de klaagster. De rechtbank heeft vastgesteld dat het beslag is gelegd in het strafvorderlijk onderzoek tegen de partner van de klaagster, [verdachte ] . Ook met haar overweging dat de rechtbank met de klaagster van oordeel is dat het beslag is gelegd “onder [verdachte ] ”, heeft de rechtbank kennelijk tot uitdrukking willen brengen dat het beslag is gelegd ter bewaring van het recht op verhaal voor een aan [verdachte ] op te leggen geldboete of ontnemingsbedrag.
3.3
De rechtbank zet echter nog een stap. Volgens de rechtbank kan ook de klaagster als verdachte worden aangemerkt.1.De rechtbank leidt uit de machtiging van de rechter-commissaris tot het leggen van conservatoir beslag (art. 103 lid 1 Sv) af, dat het de bedoeling van de rechter-commissaris is geweest dat het conservatoir beslag ook gelegd kan worden op vermogensbestanddelen van de klaagster. Daarmee gaat de rechtbank ervan uit dat het “de intentie” is geweest het onderhavige beslag “niet alleen als derdenbeslag te laten gelden”. De rechtbank verklaart het beklag vervolgens ongegrond, omdat de rechtbank niet hoogst onwaarschijnlijk acht dat de strafrechter later aan de klaagster “en/of” [verdachte ] (wat ik begrijp als: ook aan de klaagster) een geldboete of ontnemingsmaatregel zal opleggen.
3.4
Het oordeel van de rechtbank dat de rechter-commissaris machtiging heeft verleend om conservatoir beslag te leggen ter zake van een aan de klaagster op te leggen (geldboete of) ontnemingsmaatregel omdat het kennelijk de bedoeling is geweest van de rechter-commissaris machtiging te verlenen, om naast derdenbeslag ook conservatoir beslag onder de klaagster te leggen, is niet begrijpelijk. De machtiging van de rechter-commissaris houdt wel in dat de machtiging zich mede uitstrekt tot het leggen van beslag op vermogensbestanddelen van de klaagster, maar het middel klaagt terecht dat dit zich bezwaarlijk anders laat begrijpen dan dat de rechter-commissaris hiermee machtiging heeft verleend om op grond van art. 94a lid 4 en 5 Sv zogenoemd ‘anderbeslag’ te leggen op voorwerpen van de klaagster, ter bewaring van een te verkrijgen recht op verhaal op [verdachte ].
3.5
In de schriftelijke vordering van de officier van justitie die aan de machtiging ten grondslag ligt, vraagt de officier van justitie uitsluitend een machtiging om conservatoir beslag te kunnen leggen ter zake van een aan [verdachte ] op te leggen ontnemingsmaatregel. Bovendien houdt de handgeschreven invoeging op de machtiging van de rechter-commissaris in, dat beslag mag worden gelegd op voorwerpen die de klaagster toebehoren, “indachtig het proces-verbaal aanvraag”. Ook dat ‘proces-verbaal aanvraag’ van de politie houdt uitdrukkelijk in dat de politie vraagt om ter bewaring van het recht op verhaal op [verdachte ] “op grond van art. 94a lid 4 en 5 Sv” beslag te kunnen leggen op voorwerpen die de klaagster toebehoren.2.
3.6
De rechtbank heeft vastgesteld dat het beslag is gelegd in het strafrechtelijk onderzoek tegen [verdachte ] . Op grond daarvan had de rechtbank moeten beoordelen of buiten redelijke twijfel is dat de klaagster als eigenaar van het voorwerp moet worden aangemerkt en zo ja, of zich de situatie van art. 94a lid 4 of 5 Sv voordoet.3.De rechtbank heeft dus een onjuiste maatstaf toegepast.
3.7
De eerste deelklacht slaagt. De tweede deelklacht kan daarom buiten bespreking blijven.
4. Slotsom
4.1
De eerste deelklacht van het cassatiemiddel slaagt.
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank, en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Oost-Brabant, teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden beoordeeld en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 07‑10‑2025
Proces-verbaal aanvraag machtiging leggen conservatoir beslag van 19 september 2022, p. 11.
Vgl. HR 20 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2144.