Einde inhoudsopgave
Bewijsrechtelijke verhoudingen verzekeringsrecht (Verzekeringsrecht) 2008/1.3.2
1.3.2 Afwijkingen van de hoofdregel(s) naar buitenlands recht
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde, datum 26-05-2008
- Datum
26-05-2008
- Auteur
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde
- JCDI
JCDI:ADS355882:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Het nieuwe Versicherungsvertragsrecht - de Duitse equivalent van 'onze' titel 7.17 BW, hierna aan te duiden als VVG 2008 - is op 1 januari 2008 in werking getreden.
De hier weergegeven materiële regel is er een die impliciet gesteld is; vgl. hierboven onder 1.1 onder het kopje 'andere aanduidingen binnen het materiële recht'. Inhoudelijk wijkt de bewijsregel af van de binnen Nederland gehanteerde doordat de afwikkeling van verzwijging naar Belgisch recht een andere is dan die wij kennen: naar Belgisch recht hoeft een oorzakelijk verband tussen het verzwegen feit en het schadegeval niet te bestaan om de (in Nederland 'verlaten') nietigheid te verantwoorden (vgl. Schuermans 2001, nr. 327). Zie in breder verband hierna onder 4.3.
Zie voor het Franse recht art. L121-8 (exclusion des risques de guerre) : 'L'assureur ne répond pas, sauf convention contraire, des pertes et dommages occasionnés, soit par la querre étrangère, soit par la querre civile, soit par des émeutes ou par des mouvements populaires. Lorsque ces risques ne sont pas couverts par le contrat, l'assuré doit prouver que le sinistre résulte d'un fait autre que le fait de querre étrangère; il appartient ä l'assu-reur de prouver que le sinistre résulte de la querre civile, d'émeutes ou de mouvements populaires.'
Vgl. BGH 17 januari 1995, VersR 1995, p. 723 e.v.: 'Spricht für den Kl. ein Anscheinsbeweis, muß der Bekl. zwar nicht das Gegenteil beweisen, er muß aber den Anscheinsbeweis entkräften. Dazu genügt nicht schon der Hinweis auf einen Gesehensablauf nach dem der Schaden die typische Folge einer anderen Ursache sein kann. Vielmehr muß der Inanspruchgenommene auch dartun, daß diese andere Ursache ernsthaft in Betracht kommt.' Zie voor het onderscheid bij het tegenbewijs tussen 'Anscheinsbeweis' en 'Anzeichenbeweis' BGH 5 November 1986, VersR 1987, p. 146 e.v.: 'Ferner unterscheidet sich die dem VN eingeräumte Beweiserleichterung vom Anscheinsbeweis dadurch, daß sie nicht schon durch den Nachweis der ernsthaften Möglichkeit eines anderen Gesehensablauf aus geräumt werden kann, sondern nur dadurch daß der Versicherer die erhebliche Wahrscheinlichkeit eines unredlichen Verhaltens des VN dartut.'
VersR 1981, p. 345 e.v.
Giesen 2001, p. 71. Giesen wijst erop (p. 72) dat de leer van het 'Anscheinsbeweis' voornamelijk gebruikt wordt bij bewijs van het causale verband en schuld ('Verschulden'): 'Toepassing van de leer van het 'Anscheinsbeweis' ten aanzien van andere feiten is niet bij voorbaat uitgesloten, maar gebrek aan ervaringsregels leidt er veelal toe dat het Bundesgerichtshof het gebruik ervan afwijst in die gevallen.'
Giesen 2001, p. 72.
Weyers-Wandt 2003, p. 182.
Een vergelijkbaar vermoeden is opgenomen in § 82: ook daar rust voor de 'Abwendung und Beminderung des Schadens' (beredding) op de verzekeringnemer 'die Beweislast für das Nichtvorliegen einer groben Fahrlässigkeit'.
Lamy Assurances 2001, nr. 659. Vgl. ook Cour de cassation (1e Ch.civ.) 10 juni 1992, R.G.A.T. 1992, p. 618 e.v: 'Mais attendu que la Cour d'appèl a souverainement estimé qu'aucun élément matériel ou témoignage ne pouvait faire douter de la réalité du vol dans la nuit du 13 au 14 février 1984; qu'elle a ainsi légalement justifié sa décision.' Ook in België wordt in de rechtspraak de eigen verklaring van diefstal als afdoend bewijs aanvaard wanneer deze oprecht en geloofwaardig is. Zie nader onder 7.2.1.
Zoals hiervoor aan de orde gesteld, heeft ook elders als hoofdregel in Nederland (dus) te gelden dat de partij die zich op de rechtsgevolgen beroept, deze dient te bewijzen. Tegelijkertijd dient de stelplicht in een concreet geval zoveel mogelijk uit de materiële regel te worden afgeleid. Die materiële regel kan basis vormen voor de afwijking van de hoofdregel, maar ook op grond van de redelijkheid en billijkheid is afwijking van de hoofdregel mogelijk. Zie ook hiervoor onder 1.1. Naast de hier bedoelde afwijkingen, kan ook anders dan op basis van de wet afgeweken worden (als bedoeld in 1.2).
Afwijkingen op grond van materiële bepalingen?
Ook in de ons omringende landen geeft het materiële recht in voorkomende gevallen richting bij de bewijslastverdeling. Illustratief is de bewijslastverdeling zoals deze in het Duitse Versicherungsvertragsrecht1 is neergelegd, bijvoorbeeld op het punt van de gevolgen van de niet-nakoming van de mededelingsplicht bij het aangaan van de verzekeringsovereenkomst: ingeval de verzekeringnemer de mededelingsplicht niet nakomt, kan de verzekeraar ingevolge §19, Abs. 2, 'zurücktreten vom Vertrag'. §21, dat de voorwaarden schept waaronder de verzekeraar de hem toegekende sancties kan toepassen, vervolgt:
'Im Fall eines Rücktrittes nach § 19 Abs. 2 nach Eintritt des Versicherungsfalles ist der Versicherer nicht zur Leistung verpflichtet, es sei denn, die Verletzung der Anzeigepflicht bezieht sich auf einen Umstand, der weder für den Eintritt oder die Feststellung des Versicherungsfalles noch für die Feststellung oder den Umfang der Leistungspflicht des Versicherers ursächlich ist. (...)'
Anders gezegd: de verzekeraar betaalt niet, behalve als causaliteit ontbreekt. De bewijslast van het ontbreken van de causaliteit rust, getuige de toelichting, op de verzekeringnemer.2
Richting in de bewijslastverdeling geeft ook het materiële recht in België. Ook hier een voorbeeld op het terrein van verzwijging, waar art. 7 van de Wet op de Landverzekeringsovereenkomst bepaalt:
'Indien de verzekeraar echter bij een schadegeval het bewijs levert dat hij het risico, waarvan de ware aard door dat schadegeval aan het licht komt, in geen geval zou hebben verzekerd, wordt zijn prestatie beperkt tot het betalen van een bedrag dat gelijk is aan alle betaalde premies.'3
Ook meer expliciet kan de materiële bepaling richting geven, zoals bij het bewijs van de in art. 101, § 1 van de Wet op de Landverzekeringsovereen-komst, uitgesloten zelfdoding: 'Het bewijs van de zelfmoord moet door de verzekeraar worden geleverd'.4
Afwijkingen anders dan op basis van de wet
Veel voorkomende afwijkingen 'anders dan op basis van de wet' zijn die van de (feitelijke) vermoedens in meerdere vormen. Zo kent het Duitse recht naast het zgn. 'Anscheinsbeweis (prima facie-bewijs) het zgn. 'Indizienbeweis', ook aangeduid als 'Anzeichenbeweis'. Voor beide geldt dat zij niet leiden tot een omkering van het bewijsrisico.5 Illustratief voor het verschil tussen beide vormen van feitelijk vermoeden is de navolgende passage uit het arrest van het BGH van 27 november 1980:
'Den Beweis für den Eintritt des Versicherungsfalls muss der Versicherungsnehmer führen. Nach der Rechtsprechung genügt er in der Fahrzeugversicherung ebenso wie in der Einbruchdiebstahlversicherung seiner Beweislast mit dem Nachweis eines äußeren Sachverhalts, der nach der Lebenserfahrung mit hinreichender Wahrscheinlichkeit auf eine Einwendung schließen läßt. Auch wenn mangels eines typischen Gesehensablaufs die Grundsätze des Anscheinsbeweises nicht eingreifen, genügt im Normalfall für einen Anzeichenbeweis, dass die festgestellten Indizien das äußere Bild eines Einbruchdiebstahls oder einer Einwendung mit hinreichender Deutlichkeit ergeben.'6
Het 'Anscheinsbeweis' kan daarmee - in de woorden van Giesen - zijn diensten bewijzen bij 'typischen Geschehenabläufen', dat wil zeggen als er een situatie voorligt die naar de levenservaring op een bepaalde oorzaak of een bepaalde afloop wijst: de met het bewijsrisico belaste partij hoeft alleen die situatie te bewijzen en als dat gebeurd is, mag de rechter van het bestaan van het te bewijzen feit uitgaan.7 Het verschil met het 'Indizienbeweis' ligt erin dat niet één typische gebeuren, maar de samenwerking van bepaalde omstandigheden (de 'Indizien') tot het vermoeden leidt; het 'Indizienbeweis' kan daarmee vooral van dienst zijn als het om innerlijke feiten, zoals opzet, gaat.8
Bij elk van deze vermoedens zal de wederpartij die de afwijking van de typische gebeurtenis stelt, resp. de 'Indizien' betwist, tegenbewijs dienen te leveren, oftewel: het vermoeden te 'entkräften'. Slaagt zij daarin dan dient de oorspronkelijk met het bewijs belaste (en door het vermoeden tegemoetgekomen) partij alsnog vol aan zijn bewijsverplichting te voldoen.
In het hiervoor geciteerde arrest wordt nog benadrukt waarom juist bij verzekering van het diefstal- en inbraakrisico 'Beweiserleichterungen' geboden zijn:
'Ohne diese Beweiserleichterungen wäre der Wert einer Kaskoversicherung in Frage gestellt. Der VN bliebe in vielen Fällen der Entwendung schutzlos, obwohl er sich durch den Abschluss der Kaskoversicherung gerade auch für Fälle schützen wollte, in denen die Umstände der Entwendung nicht umfassend aufgeklärt werden können.'
Daarbij is - in de woorden van Weyers-Wandt - 'Materiellrechtlicher Ausgangspunkt (...) dass bei den betreffenden Versicherungen Beweisschwierigkeiten ein Teil des Risikos sind, das der Versicherer dem Versicherungsnehmer abzunehmen versprochen hat. Dem Versicherungsvertrag wird also eine (stillschweigende) Abrede über eine Beweismaßsenkung zugunsten des Versicherungsnehmers entnommen'.9
Naast de hier bedoelde feitelijke vermoedens kent het Duitse recht ook wettelijke vermoedens. Illustratief is de regeling die is opgenomen onder § 28 van het VVG 2008, waarin - ingeval door verzekeringnemer een contractueel overeengekomen verplichting geschonden is - een regeling voor de gevolgen (opzegging onder Abs. 1 en niet-uitkering onder Abs. 2) is opgenomen, die de facto neerkomt op een wettelijk vermoeden van opzet/grove nalatigheid:
'(1) Bei Verletzung einer vertraglichen Obliegenheit, die vom Versicherungsnehmer vor Eintritt des Versicherungsfalles gegenüber dem Versicherer zu erfüllen ist, kann der Versicherer den Vertrag innerhalb eines Monats, nachdem er von der Verletzung Kenntnis erlangt hat, ohne Einhaltung einer Frist kündigen, es sei denn, die Verletzung beruht nicht auf Vorsatz oder auf grober Fahrlässigkeit. (2) Bestimmt der Vertrag, dass der Versicherer bei Verletzung einer vom Versicherungsnehmer zu erfüllenden vertraglichen Obliegenheit nicht zur Leistung verpflichtet ist, ist er nur leistungsfrei, wenn der Versicherungsnehmer die Obliegenheit vorsätzlich verletzt hat. Im Fall einer grob fahrlässigen Verletzung der Obliegenheit ist der Versicherer berechtigt, seine Leistung in einem der Schwere des Verschuldens des Versicherungsnehmers entsprechenden Verhältnis zu kürzen; die Beweislast für das Nichtvorliegen einer groben Fahrlässigkeit trägt der Versicherungsnehmer.'
De toelichting op Abs. 2 is ook duidelijk:
'Für die Beweislast gilt Folgendes. Die Beweislast für Vorsatz trägt der Versicherer, wenn er Leistungen insgesamt vermeiden will. Von grober Fahrlässigkeit muss sich dagegen der Versicherungsnehmer entlasten, wenn er - trotz der objektiven Obliegenheitsverletzung - die volle Leistung des Versicherers erhalten will. (...)'10
Duidelijk in dit opzicht is ook het Franse recht, dat voor verzekeringen waarbij een eis van vol bewijs de dekking voor de verzekeringnemer illusoir maakt (denk aan het verzekeren voor diefstal- en inbraakrisico) een vergelijkbare benadering als die in Duitsland kent. Illustratief is het navolgende citaat uit Lamy Assurances:
'Il est sur que certains sinistres ne peuvent pratiquement pas être prouvés par des éléments extérieurs ä l'assuré (témoignages, indices divers... ) Ce fait est connu des assureurs. Il serait parfois envisageable de leur reprocher un relatif manque de bonne foi dans l'exécution du contract quand ils contestent un fait dont ils savent qu'il ne pourra etre prouvé, quoique cette attitude soit souvent motivée par un fort soup^on de fraude dont le bien-fondé est loin d'etre rare. Lorsque les circumstances sont telles que la preuve du sinistre est rigoureusement impossible, on pourrait faire appel au principe suivant lequel les parties sont libres d'aménager ä leur convenance les méchanismes de preuve dans le cadre de leur relation contractuelle. (...). Il faut alors se pencher sur la commune intention de l'assreur et l'assuré: garantir un risque dont on sait que la réalisation ne peut par-fois etre demontrée. Le juge pourrait estimer que les partie ont alors entendu écarter le regime légal de la preuve, pour adopter la preuve fondée sur la seule déclaration de l'assuré. (...). D'autre part, cette solution conduirait ä relever la volonté des parties de procéder ä un déplacement de l'objet de la preuve: du sini-stre, celle-ci passerait ä l'absence de sinistre. L'assuradeur devrait donc démont-rer la fausseté de la déclaration de l'assuré.'11
Tot zover een overzicht op hoofdlijnen van het buitenlandse recht. Een overzicht dat met name ten aanzien van de uitzonderingen op de hoofdre-gel(s) zeker niet pretendeert volledig te zijn. Daar waar een deelonderwerp daartoe aanleiding biedt, zal in de navolgende hoofdstukken meer in detail naar buitenlands recht worden verwezen.