Einde inhoudsopgave
Smartengeld 1998/4.2.4
4.2.4 Eer en goede naam
prof. mr. S.D. Lindenbergh, datum 21-06-1998
- Datum
21-06-1998
- Auteur
prof. mr. S.D. Lindenbergh
- JCDI
JCDI:BSD77156:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. de vermelding van 'betering van het nadeel in eer en goede naam geleden' in art. 1408 BW(oud), waaronder vergoeding van immateriële schade werd verstaan. Aldus HR 23 mei 1958, Nj 1958, 527 m.nt. LEHR (De Beaufort/Van Herwaarden) en HR 10 april 1959, N] 1960, 114 m.nt. LEHR (Kaal van der Linden/De Gelderlander).
Aldus HR 14 november 1958, N} 1959,15 m.nt. LEHR (Clifford Kocq van Breugel/Van Romunde), waarin uitdrukkelijk werd aangegeven dat een vordering tot vergoeding van immateriële schade wegens nadeel in eer en goede naam niet kon worden toegewezen op grond van art. 1401 BW(oud). De Hoge Raad was op dit punt ook niet bereid te anticiperen op art. 6:106. Zie HR 4 februari 1983, NJ 1984, 631 (Franke/Van den Boom c.s.). Wel werden in de lagere rechtspraak niet steeds even hoge eisen gesteld aan het bewijs van het oogmerk. Zie ook in deze zin TM, PG Bk 6, p. 674. Zie voor de eisen die de Hoge Raad stelde aan het begrip oogmerk HR 22 januari 1965, Nj 1965, 131 m.nt. GJS (x/Y). Zie over het oude recht op dit punt ook Onrechtmatige daad vu (Schuijt) aant. 2.
TM, PG Bk 6, p. 107. Zie ook positief over deze wijziging Bloembergen 1970, p. 125; Michiels van Kessenich-Hoogendam 1971, p. 174 e.v. en Mout 1978, p. 141 e.v..
Vgl. HR 6 januari 1995, NJ 1995, 422 m.nt. EJD (Parool/Van Gasteren). Zie voor een uitgebreid en inzichtelijk overzicht op dit punt Onrechtmatige daad vu (Schuijt).
Asser-Hartkamp 4-III, nr. 34 en 235.
Zie hierover nader § 5.4.2.
De art. 261-271 Sr.
Noyon-Langemeijer-Remmelink, Boek II Titel xvi, aant. 3. Van Dale 1995 omschrijft eer onder meer als: 'het bezit van achting in en erkenning als gelijkwaardig of volwaardig lid van de maatschappij of een maatschappelijke kring, en al wat daarmee samenhangt', als '(in 't bijz., van vrouwen) bezit of naam van kuisheid' en als 'datgene wat iem. zedelijk aanzien, een goede of grote naam verschaft'.
Zie voor het burgerlijk recht in deze zin Michiels van Kessenich-Hoogendam 1971, p. 171; Deurvorst 1995, p. 305 en over de persoonlijke waardigheid Dupont 1985, p. 97.
Aldus ook Noyon-Langemeijer-Remmelink, Boek II Titel XVI, aant. 3a.
In dezelfde zin Michiels van Kessenich-Hoogendam 1971, p. 171 en Deurvorst 1995, p. 305. Vgl. ook HR 6 juli 1994, JAR 1994, 155; SR 1994, 9: 'Voor zover het hof ervan is uitgegaan dat slechts sprake kan zijn geweest van aantasting van eer en goede naam indien bij derden die eer en goede naam door de gang van zaken rond het ontslag zijn beschadigd, heeft het hof een te beperkte maatstaf aangelegd.'
Nadere vormgeving van de begrippen eer en goede naam kan zowel door de strafrechter als door de civiele rechter ter hand worden genomen.
Vgl. over dit onderscheid ook De Graaf 1977, p. 134-137, die dit kernachtig verwoordt met een citaat van Blaustein: 'In defamation a man is robbed of his reputation; in the public disclosure cases it is his individuality which is lost.'
Vgl. voor een voorbeeld HR 1 november 1991, Nj 1992, 58 (K/Staat), waarin door politie informatie werd verschaft over het strafrechtelijke verleden van K aan de zuster van K's vriendin, waardoor K's vriendin (door haar vader) werd gedwongen haar relatie met K te beëindigen.
Ook kan dergelijk misbruik leiden tot lichamelijk letsel, maar dat is doorgaans van ondergeschikte betekenis in verhouding tot de overige persoonsaantasting.
Daarmee is overigens niet gezegd dat het niet kan gaan om ernstige schade.
Het Engelse recht stelt bijv. voor bepaalde gevallen van 'defamation' geen nadere eisen aan het bewijs door uit te gaan van de aanwezigheid van 'general damages'. Men spreekt wel van 'torts actionable per se'. Zie McGregor 1997, nr. 1889 e.v.
Zie ook Asser-Hartkamp 4-III, nr. 44 en voor het Duitse recht Lange 1990, p. 432. Bij rechtspersonen - die, naar mag worden aangenomen, ook in hun goede naam kunnen worden aangetast - gaat het bij een dergelijke aantasting uitsluitend om vermogensschade. Zie hiervoor § 2.5.6.4.
Zie daarover bijv. Von Bar, 1980, p. 1728.
Art. 6:167. Tijdens het MO, PG Bk 6, p. 382 werd zelfs gesuggereerd dat de voorziening van dit artikel als sanctie tegen immateriële schade voldoende zou zijn.
De Duitse aanpak laat zich verklaren door de algemene prioriteit die in Duitsland wordt toegekend aan de 'Naturalherstellung'. Zie Larenz 1987, I § 28.
Naast de aantasting van het lichaam kan volgens artikel 6:106 ook aantasting van eer en goede naam aanleiding vormen voor toekenning van een vergoeding voor geleden immateriële schade. De afzonderlijke vermelding van deze begrippen naast lichamelijk letsel en andere persoonsaantastingen vindt vermoedelijk haar verklaring in het feit dat schending van eer en goede naam door belediging onder het oude recht een zelfstandige plaats had verworven als grondslag voor de toekenning van een vergoeding van immateriële schade.1 De reden van deze afzonderlijke vermelding is dan ook vermoedelijk een historische. De parlementaire geschiedenis van artikel 6:106 zwijgt erover.
Naar oud recht was volgens artikel 1408 en 1412 BW(oud) vergoeding van immateriële schade wegens schending van eer en goede naam slechts mogelijk bij opzettelijke belediging.2 Volgens artikel 6:106 geldt die eis niet langer. Deze ontwikkeling is een gelukkige, omdat het oogmerk tot belediging met name bij onrechtmatige publicaties in de media - in de praktijk het belangrijkste terrein waarop schending van eer en goede naam zich voordoet - dikwijls moeilijk aannemelijk kan worden gemaakt.3
De aansprakelijkheid ter zake van schending van eer en goede naam dient te worden beoordeeld aan de hand van het algemene artikel 6:162. De grondslag voor een verplichting tot schadevergoeding zal dikwijls liggen in schending van een norm van ongeschreven recht, vastgesteld door afweging van verschillende belangen, gelegen in het spanningsveld tussen het recht op vrijheid van menmgsuiting en het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.4 Opzettelijke belediging vormt bovendien een strafbaar feit5 en daarmee een handeling in strijd met een wettelijke plicht.6 In andere landen bestaan voor schadevergoeding wegens schendingen van eer en goede naam dikwijls aparte bepalingen of 'torts'. Soms worden zij echter ook gerekend tot een meer algemene categorie van persoonlijkheidsrechten. Zo kent het Engelse recht verschillende vormen van 'defamation', terwijl het Duitse recht op basis van de rechtspraak smartengeld toekent bij 'Ehrverletzungen'.7
Onder het oude recht placht ter invulling van de begrippen eer en goede naam aansluiting te worden gezocht bij de strafrechtelijke bepalingen inzake belediging.8 In die bepalingen wordt met eer bedoeld 'het respect dat iemand als mens toekomt'.9 Daarbij ligt de nadruk op de zedelijke waarden, maar daartoe worden ook gerekend lichamelijke en intellectuele eigenschappen, financiële draagkracht en de 'beroepseer',10 waardoor ook sociale waarden een rol spelen. Het lijdt geen twijfel dat maatschappelijke ontwikkelingen hier van invloed zijn.11 Zo zullen bepaalde gedragingen, zoals het niet groeten of uitlachen, nu minder snel worden aangemerkt als aantasting van eer, terwijl bijvoorbeeld discriminerende uitlatingen - wellicht eerder dan vroeger - als beledigend zullen worden gezien. Voor aansprakelijkheid wegens schending van de eer is niet vereist dat de aantasting aan anderen dan de gelaedeerde bekend is.12
Bij schending van goede naam gaat het vooral om de achting die men bij anderen geniet.13 Aannemelijk is dat daarvoor wel bekendheid bij anderen vereist is. Het ligt voor de hand om aan te nemen dat de oude literatuur en jurisprudentie met betrekking tot de begrippen eer en goede naam onder het nieuwe recht hun waarde behouden, zij het dat maatschappelijke ontwikkelingen hun invloed in de loop van de tijd kunnen doen gelden.14 Het is de vraag of nadere omlijning van beide begrippen in de jurisprudentie nog veel meer vorm zal krijgen. In de eerste plaats is strafrechtelijke jurisprudentie over belediging vrij schaars. In de tweede plaats biedt artikel 6:106 in gevallen van twijfel of sprake is van schending van eer en goede naam de mogelijkheid een vergoeding van immateriële schade te gronden op een aantasting in de persoon op 'andere wijze'.
De grens tussen aantasting van eer en goede naam en andere persoonsaantastingen, zoals schending van het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer is niet scherp. Bij het eerste ligt de nadruk op het krenkende of grievende karakter van de gedraging, bij de laatste ligt de nadruk wat meer op het 'informatieve' met betrekking tot de persoonlijke levenssfeer en op intimiteit.15 Eenzelfde gedraging kan overigens zowel een aantasting van eer en goede naam als een schending van de persoonlijke levenssfeer inhouden.16Hoewel seksueel misbruik ook gezien kan worden als aantasting van de eer, geef ik er de voorkeur aan deze categorie van gevallen, in overeenstemming met de praktijk op dit punt, te vatten onder de overige persoonsaantastingen genoemd in artikel 6:106 lid 1 onder b.17
Het is niet eenvoudig de immateriële schade waartoe een aantasting van eer en goede naam leidt nader te omschrijven. Men kan ook hier denken aan een allesomvattende term als Vermindering van welzijn' of 'ongenoegens'. Tot een gang naar de psychiater of tot een 'erkend ziektebeeld' leidt een dergelijke aantasting niet snel.18 Een dergelijke eis wordt voor het ontstaan een recht op vergoeding van immateriële schade wegens schending van eer en goede naam overigens ook niet gesteld.19 Het valt op dat in de rechtspraak ter motivering van de omvang van de vergoeding doorgaans weinig andere factoren worden vermeld dan die aan de hand waarvan ook de (on)rechtmatigheid van de gedraging werd beoordeeld. Zoals de aard en ernst van de gedraging, het gebruikte medium, de mate van verspreiding, de duur en intensiteit van de aandacht in de media, et cetera.
Naast immateriële schade zal met name bij schending van iemands goede naam dikwijls tevens sprake zijn van - veelal uiterst moeilijk te begroten -vermogensschade. Dit zal zich bijvoorbeeld vooral voordoen bij schendingen van de 'beroepseer' of uitingen over iemands financiële draagkracht, waardoor deze inkomsten derft.20 In rechterlijke uitspraken wordt het onderscheid tussen vergoedingen voor beide soorten schade doorgaans expliciet aangegeven. Mijn indruk is evenwel dat bij de begroting van immateriële schade wegens schending van eer en goede naam nogal eens factoren worden meegewogen die evenzeer kunnen duiden op de aanwezigheid van vermogensschade. Men denke met name aan de bekendheid van een persoon, die van die bekendheid direct of indirect commercieel voordeel heeft.21
Naast schadevergoeding in geld zullen bij aantastingen van eer en goede naam andere sancties in aanmerking kunnen komen. Men denke aan (publicatie van) een verklaring voor recht dat onrechtmatig is gehandeld, aan een rechterlijk publicatieverbod, aan rectificatie22 en aan een strafrechtelijke veroordeling. Het is zeer wel denkbaar dat dergelijke sancties de omvang van de immateriële schade beïnvloeden. Anders dan in Duitsland kent het Nederlandse recht wetssystematisch geen prioriteit aan die sancties toe, in die zin dat een vergoeding van immateriële schade eerst in aanmerking zou komen, wanneer de gelaedeerde niet op andere wijze tegemoet kan worden gekomen.23 Zie over de invloed van dergelijke sancties op de omvang van het smartengeld hierna § 7.3.4.3.