1182/1928
Rb. Rotterdam, 01-07-2020, nr. C/10/524656 / HA ZA 17-355
ECLI:NL:RBROT:2020:5738
- Instantie
Rechtbank Rotterdam
- Datum
01-07-2020
- Zaaknummer
C/10/524656 / HA ZA 17-355
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBROT:2020:5738, Uitspraak, Rechtbank Rotterdam, 01‑07‑2020; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
ECLI:NL:RBROT:2020:2740, Uitspraak, Rechtbank Rotterdam, 01‑04‑2020; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
ECLI:NL:RBROT:2019:4796, Uitspraak, Rechtbank Rotterdam, 19‑06‑2019; (Eerste aanleg - meervoudig)
- Vindplaatsen
Uitspraak 01‑07‑2020
Inhoudsindicatie
Herstelvonnis t.a.v. eindvonnis van 1 april 2020.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/524656 / HA ZA 17-355
Herstelvonnis van 1 juli 2020
in de zaak van
1. [naam eiser] ,
wonende te [woonplaats eiser] , België,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
2. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging
HELVETIA ASSURANCES S.A.,
gevestigd te Courbevoie Cedex, Frankrijk,
eiseres in conventie,
advocaat mr. J.F. van der Stelt te Rotterdam,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
ZANDKREEK B.V.,
gevestigd te Goes,
gedaagde,
eiseres in reconventie,
advocaat mr. T. Roos te Capelle aan den IJssel.
Partijen zullen hierna [eisers] en Zandkreek worden genoemd. [naam eiser] en Helvetia Assurances S.A. zullen afzonderlijk [naam eiser] en Helvetia worden genoemd.
1. Het verzoek tot verbetering
1.1.
Bij faxbrief van 2 april 2020 heeft de advocaat van [eisers] aan de rechtbank verzocht om verbetering van het op 1 april 2020 in deze zaak gewezen eindvonnis, in dier voege:
1.1.1.
dat bij de optelling in rov. 2.40 worden toegevoegd de bedragen van € 41.733,00 ter zake van post 3a - staalwerk reparatie sb voorschip en € 3.100,00 ter zake van post 3e - conservering, die volgens rov. 2.12 voor vergoeding in aanmerking komen, zodat de optelling sluit op € 265.191,00;
1.1.2.
dat dit herstel wordt verwerkt in rov. 2.44 bij de aan [naam eiser] , respectievelijk Helvetia toekomende bedragen;
1.1.3.
dat het dictum overeenkomstig de aangepaste rov. 2.44 wordt hersteld.
1.2.
De rechtbank heeft Zandkreek in de gelegenheid gesteld zich over dit verzoek uit te laten. De advocaat van Zandkreek heeft bij e-mails van 23 april 2020 en 25 juni 2020 aan de rechtbank medegedeeld dat Zandkreek zich refereert aan het oordeel van de rechtbank.
2. De beoordeling
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat [eisers] terecht heeft gewezen op de door haar genoemde onvolkomenheden in het eindvonnis van 1 april 2020. Die onjuistheden vormen kennelijke rekenfouten die zich voor eenvoudig herstel lenen, als bedoeld in artikel 31 Rv.
2.2.
Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft Zandkreek medegedeeld zich te refereren aan het oordeel van de rechtbank.
2.3.
Daarom zal de rechtbank de gesignaleerde fouten herstellen zoals door [eisers] verzocht.
3. De beslissing
De rechtbank
3.1.
herstelt rov. 2.40 van het op 1 april 2020 gewezen eindvonnis in dier voege dat deze komt te luiden als volgt, waarbij de herstellingen dik zijn gedrukt:
2.40.
Dit brengt de rechtbank tot de slotsom dat aan de zijde van de ‘Ben Gus’ als toerekenbare schade valt aan te merken:
Post 1 € 2.293,-
Post 2 € 1.568,-
€ 2.862,-
Post 3 € 41.733,-
€ 3.100,-
€ 4.974,-
Post 4 € 44.595,-
Post 5 € 2.154,-
Post 6 € 47.250,-
Post 7 € 65.000,-
Post 8 € 5.417,-
Post 9 € 6.512,-
Post 10 € 1.438,-
Post A € 27.138,-
Post B € 2.000,-
Post C € 1.041,-
Post D € 3.856,-
€ 748,-
€ 1.512,- +
€ 265.191,00
bedrijfsschade € 74.739,70
expertisekosten € 16.341,60
buitengerechtelijke kosten € 3.596,80 +
derhalve in totaal € 359.869,10.
3.2.
herstelt rov. 2.44 van het op 1 april 2020 gewezen eindvonnis in dier voege dat deze komt te luiden als volgt, waarbij de herstellingen dik zijn gedrukt:
2.44
Het vorenstaande leidt tot de volgende slotsom.
Ter zake van materiële schade (cascoschade en interventiekosten) acht de rechtbank aan de aanvaring toerekenbaar € 265.191,00. Daarvan komt één tiende deel toe aan [naam eiser] , derhalve € 26.519,10, en negen tienden aan Helvetia, derhalve € 238.671,90.
Ter zake van bedrijfsschade acht de rechtbank aan de aanvaring toerekenbaar €74.739,70. Daarvan komt € 47.739,70 toe aan [naam eiser] en € 30.000,- aan Helvetia.
De vergoeding van expertisekosten van € 16.341,60 komt toe aan Helvetia.
De vergoeding van buitengerechtelijke kosten komt toe aan [naam eiser] .
Deze schadeposten worden vermeerderd met de wettelijke rente bedoeld in artikel 6:119 BW, zoals gevorderd.
Van die schadeposten is telkens 60% toewijsbaar ten laste van Zandkreek. Dat leidt tot de volgende toewijsbare bedragen:
aan [naam eiser] :
60% van € 26.519,10, derhalve € 15.911,46
60% van € 44.739,70, derhalve € 26.843,82
deze bedragen tezamen € 42.755,28
te vermeerderen met de wettelijke rente bedoeld in artikel 6:119 BW te berekenen vanaf de datum van de aanvaring, 4 maart 2015;
60% van € 3.596,80, derhalve € 2.158,08,
te vermeerderen met de wettelijke rente bedoeld in artikel 6:119 BW te berekenen vanaf de datum van de dagvaarding, 3 maart 2017;
en aan Helvetia:
60 % van € 238.671,90, derhalve € 143.203,14
60% van € 30.000,-, derhalve € 18.000,00
deze bedragen tezamen € 161.203,14
te vermeerderen met de wettelijke rente bedoeld in artikel 6:119 BW te berekenen vanaf de datum van de aanvaring, 4 maart 2015;
60 % van € 16.341,60, derhalve € 9.804,96,
te vermeerderen met de wettelijke rente bedoeld in artikel 6:119 BW te berekenen vanaf de desbetreffende factuurdata.
3.3.
herstelt het dictum van het op 1 april 2020 gewezen eindvonnis in dier voege dat dit komt te luiden als volgt, waarbij de herstellingen dik zijn gedrukt:
3. De beslissing
De rechtbank
3.1
in conventie:
3.1.1.
veroordeelt Zandkreek om aan [naam eiser] te betalen:
een bedrag van € 42.755,28, te vermeerderen met de wettelijke rente bedoeld in artikel 6:119 BW te berekenen vanaf 4 maart 2015 tot aan de dag van algehele voldoening;
3.1.2.
veroordeelt Zandkreek om aan Helvetia te betalen:
een bedrag van € 161.203,14, te vermeerderen met de wettelijke rente bedoeld in artikel 6:119 BW te berekenen vanaf 4 maart 2015 tot aan de dag van algehele voldoening;
3.1.3.
veroordeelt Zandkreek om aan Helvetia te betalen:
een bedrag van € 9.804,96, te vermeerderen met de wettelijke rente bedoeld in artikel 6:119 BW te berekenen vanaf de desbetreffende factuurdata tot aan de dag van algehele voldoening;
3.1.4.
veroordeelt Zandkreek om aan [naam eiser] te betalen:
een bedrag van € 2.158,08, te vermeerderen met de wettelijke rente bedoeld in artikel 6:119 BW te berekenen vanaf 3 maart 2017 tot aan de dag van algehele voldoening;
3.1.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
3.1.6.
wijst af het meer of ander gevorderde;
3.2.
in reconventie:
3.2.1.
veroordeelt [naam verweerder] om aan Zandkreek te betalen:
een bedrag van € 11.445,80 , te vermeerderen met de wettelijke rente bedoeld in artikel 6:119 BW te berekenen vanaf 4 maart 2015 tot aan de dag van algehele voldoening; en
een bedrag van € 4.645,96 te vermeerderen met de wettelijke rente bedoeld in artikel 6:119 BW te berekenen vanaf 1 april 2015 tot aan de dag van algehele voldoening; en
een bedrag van € 2.400,00 , te vermeerderen met de wettelijke rente bedoeld in artikel 6:119 BW te berekenen vanaf 14 juli 2017 tot aan de dag van algehele voldoening;
3.2.2.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
3.2.3.
wijst af het meer of ander gevorderde;
3.3.
in conventie en in reconventie:
3.3.1.
compenseert de proceskosten zodat ieder van partijen haar eigen kosten draagt.
3.4.
bepaalt dat deze verbeteringen onder de vermelding van de datum 1 juli 2020 worden vermeld op de minuut van het vonnis van 1 april 2020,
3.5.
gelast ieder van partijen, voor zover zij dit niet reeds heeft gedaan, de ontvangen grosse dan wel het ontvangen afschrift van het vonnis van 1 april 2020 na ontvangst van dit herstelvonnis aan de griffie van de rechtbank te retourneren.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.P. Sprenger en ondertekend en op 1 juli 2020 in het openbaar uitgesproken door de rolrechter mr. C. Bouwman.
1928
Uitspraak 01‑04‑2020
Inhoudsindicatie
Aanvaring tussen binnenschepen op Kanaal van Gent naar Terneuzen. Schadebegroting. Aftrek nieuw-voor-oud alleen indien de beschadigde zaak door het herstel meer waarde gekregen heeft.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/524656 / HA ZA 17-355
Vonnis van 1 april 2020
in de zaak van
1. [naam eiser] ,
wonende te [woonplaats eiser] , België,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
2. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging
HELVETIA ASSURANCES S.A.,
gevestigd te Courbevoie Cedex, Frankrijk,
eiseres in conventie,
advocaat mr. J.F. van der Stelt te Rotterdam,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
ZANDKREEK B.V.,
gevestigd te Goes,
gedaagde,
eiseres in reconventie,
advocaat mr. T. Roos te Capelle aan den IJssel.
Partijen zullen hierna [eisers] en Zandkreek worden genoemd. [naam eiser] en Helvetia Assurances S.A. zullen afzonderlijk [naam eiser] en Helvetia worden genoemd.
1. De procedure
1.1.
Voor het verloop van de procedure verwijst de rechtbank naar de tussenvonnissen van 19 juni 2019 en 6 november 2019.
Vervolgens is de procedure als volgt verlopen.
1.2.
Op 6 februari 2020 is een comparitie van partijen gehouden, waarvan proces-verbaal is opgemaakt. De raadslieden van [eisers] en Zandkreek hebben de standpunten toegelicht aan de hand van door hen overgelegde aantekeningen. Van de kant van Zandkreek is bij de spreekaantekeningen een ‘spreadsheet’ overgelegd.
[eisers] heeft een akte in verband met schadeomvang, tevens vermeerdering van eis, met productie 15 in het geding gebracht. Bij die akte vermeerderde [naam eiser] zijn vordering tot vergoeding van bedrijfsschade. [naam eiser] heeft ter comparitie afstand gedaan van zijn eisvermeerdering.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De verdere beoordeling in conventie en in reconventie
vervolg op basis van tussenvonnis van 19 juni 2019
2.1.
Zoals onder 1.2 vermeld, heeft [naam eiser] zijn eisen vermeerderd en die eisvermeerdering teruggenomen. Derhalve worden de zaken in conventie en in reconventie beoordeeld op basis van dezelfde vorderingen als ten tijde van het tussenvonnis van 19 juni 2019.
De rechtbank verwijst naar en blijft bij hetgeen zij in het tussenvonnis van 19 juni 2019 heeft overwogen en geoordeeld.
2.2.
De rechtbank heeft zich in haar tussenvonnis van 19 juni 2019, overeenkomstig het verzoek van partijen, uitsluitend gebogen over de aansprakelijkheidsvraag en geoordeeld over de vraag of en in hoeverre de ‘ [naam schip 1] ’ en de ‘ [naam schip 2] ’ schuld dan wel medeschuld hadden aan de aanvaring. De rechtbank is, de oorzaken en fouten aan boord van elk van de schepen tegen elkaar afgewogen hebbende, tot een schuldverdeling gekomen van 60 % schuld bij de ‘ [naam schip 2] ’ en 40 % schuld bij de ‘ [naam schip 1] ’.
Thans is de vraag naar de omvang van de door [eisers] respectievelijk Zandkreek ten gevolge van de aanvaring geleden schade aan de orde.
toepasselijk recht
2.3.
Naar het toepasselijke Nederlands recht dient de rechter ingevolge artikel 6:97 BW de schade te begroten op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is. Indien de omvang van de schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld moet zij worden geschat aan de hand van de voorliggende feiten en omstandigheden (artikel 6:97, tweede zin BW). Voorts geldt dat slechts die schade voor vergoeding in aanmerking komt die in een zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, dat zij hem mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade als gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend (artikel 6:98 BW).
Als uitgangspunt hierbij geldt dat de benadeelde zoveel mogelijk dient te worden geplaatst in de situatie waarin deze zou hebben verkeerd indien de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust, niet zou hebben plaatsgevonden.
In beginsel wordt de schade begroot aan de hand van alle concrete omstandigheden van het geval.
2.4.
Op de vastgestelde schade wordt vervolgens de schuldverdeling toegepast zoals die in het tussenvonnis van 19 juni 2019 is bepaald.
2.5.
Aan de hand van deze uitgangspunten zal de rechtbank de gestelde schadeposten afzonderlijk beoordelen.
De vorderingen van [eisers]
2.6.
De rechtbank herhaalt de vorderingen van [eisers] zoals vermeld in rov. 2.1 van het tussenvonnis van 19 juni 2019.
[eisers] vordert dat de rechtbank Zandkreek zal veroordelen tot betaling:
a. aan [naam eiser] van € 73.145,74 voor niet door verzekeraars vergoede casco- en verletschade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 maart 2015 althans vanaf de dag van dagvaarding,
b. aan Helvetia van € 291.213,26, voor door deze aan [naam eiser] vergoede casco- en verletschade, waarvoor deze in de rechten van [naam eiser] is gesubrogeerd, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 4 maart 2015 althans vanaf de dag van dagvaarding,
c. aan Helvetia van € 16.341,60 voor kosten gemaakt ter vaststelling van schade als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 aanhef onder b BW, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de factuurdata, althans vanaf de dag van dagvaarding,
d. aan [naam eiser] , althans aan Helvetia, € 3.596,80 voor buitengerechtelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 aanhef onder c BW, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de dag van dagvaarding, en
met veroordeling van Zandkreek in de proceskosten en de nakosten met bepaling dat die kosten binnen twee weken moeten zijn betaald.
2.7.
Ter onderbouwing van de schade heeft [eisers] overgelegd het ‘Rapport d’Expertise Définitif’ van SAS Tech-Flu opgemaakt door zijn expert [naam 1] (hierna aangeduid als het rapport van [naam 1] ) waaraan zijn gehecht een ‘Déclaration d’Avarie’, een berekening van de bedrijfsschade en de nota’s van de kosten van herstel, voorzien van een beëdigde vertaling (producties 5a en 5b bij dagvaarding) en een nader rapport van zijn expert [naam 1] .
Daarnaast is een kwijtingsbewijs (‘Quittance de Sinistre’) overgelegd van de door [naam eiser] van Helvetia ontvangen vergoeding van € 291.213,26.
Mede aan de hand van deze stukken – die wat dat betreft door Zandkreek niet zijn betwist – herleidt de rechtbank de vorderingen van [naam eiser] , respectievelijk Helvetia tot de volgende bedragen.
Het totaal van de in het rapport van [naam 1] vastgestelde materiële schade, bestaande uit cascoschade en interventiekosten, bedraagt € 289.619,-. Het totaal van de door [eisers] gevorderde bedrijfsschade bedraagt 74.739,70. Het totaal van de door [eisers] gevorderde expertisekosten bedraagt € 16.341,60.
Van het genoemde bedrag aan materiele schade heeft Helvetia € 261.213,26 aan [naam eiser] vergoed; [naam eiser] heeft aan materiële schade (€ 289.619,- – € 261.213,26 =) € 28.405,74 zelf behouden. Dat komt erop neer dat van de materiële schade Helvetia afgerond 9/10 heeft vergoed en [naam eiser] afgerond 1/10 heeft behouden.
Van het bedrag aan bedrijfsschade heeft Helvetia € 30.000,- aan [naam eiser] vergoed; [naam eiser] heeft aan bedrijfsschade € 44.739,70 zelf behouden. Dat komt erop neer dat Helvetia afgerond 4/10 heeft vergoed en [naam eiser] afgerond 6/10 heeft behouden.
De expertisekosten zijn voor rekening van Helvetia gekomen.
1. materiële schade; cascoschade aan de ‘ [naam schip 1] ’ en interventiekosten
2.8.
[eisers] stelt dat zijn materiële schade, bestaande uit cascoschade aan de ‘ [naam schip 1] ’ en interventiekosten, € 289.619,- bedraagt en beroept zich ter onderbouwing op het rapport van [naam 1] en de daarbij gevoegde facturen en offertes. Zandkreek heeft de gestelde materiële schade van [eisers] tot een bedrag van € 204.891,44 erkend en betwist deze schade voor zover deze dit bedrag overstijgt. Bij vergelijking van de erkende en betwiste schadeposten blijkt dat de verschillen met name betrekking hebben op de posten ‘betimmering’, ‘boegschroefmotor’ en ‘elektra’.
De rechtbank zal deze vordering van [eisers] hierna per schadepost beoordelen aan de hand van het door Zandkreek ter comparitie overgelegde spreadsheet, nu partijen het erover eens zijn dat daarin een volledig overzicht van de door [eisers] gevorderde en door Zandkreek betwiste cascoschadeposten is weergegeven.
Post 1 - cleaning voormachinekamer (Q – MAC 2 van [naam 1] )
2.9.
[eisers] vordert betaling van een bedrag van € 2.293,- aan gemaakte kosten in verband met het schoonmaken van de voormachinekamer en het uitspuiten en afvoeren van het residu gasolie en water. [eisers] heeft de vordering onderbouwd met de bij hem in rekening gebrachte factuur van MAC. Zandkreek heeft de verschuldigdheid van deze kosten niet betwist, zodat deze schadepost aan de aanvaring kan worden toegerekend.
Post 2 - controle uitlijning ADR (L 5- Échappement)
2.10.
[eisers] maakt aanspraak op betaling van een aan de hand van een offerte van Yerseke Engine Services/ADR (hierna: YES ) vastgesteld en door de expert van Zandkreek (hierna: [naam 2] ) geaccordeerd bedrag van € 1.568,- voor de controle van de uitlijning van de voortstuwingsinstallatie en daarnaast op een aanvullend bedrag van € 189,- ter zake van in rekening gebrachte kosten voor de levering van koelwater. Zandkreek erkent het opgevoerde bedrag van € 1.568,- als kosten, maar betwist de verschuldigdheid van de kosten voor levering van koelwater. Zandkreek voert aan dat deze post niet bij de schade hoort en Zandkreek ook niet bekend is met de post.
2.11.
[eisers] heeft na de gemotiveerde betwisting door Zandkreek geen nadere toelichting of onderbouwing gegeven voor zijn stelling dat de post van € 189,- voor levering van koelwater aan de aanvaring toerekenbare schade vormt. Dat lag, gelet op die betwisting, wel op de weg van [eisers] Daarom wordt deze schadepost bij gebreke aan een deugdelijke onderbouwing niet als aan de aanvaring toerekenbare schade aangemerkt.
Posten 3a - staalwerk reparatie sb voorschip, 3c - sb anker, 3d - roef, 3e – conservering
(F – chaudronnerie en O – travaux réalisés par l’assuré van [naam 1] )
2.12.
Tussen partijen bestaat geen geschil over de verschuldigdheid en hoogte van de bovengenoemde schadeposten. Deze schadeposten van respectievelijk € 41,773,- (post 3a -staalwerk reparatie sb voorschip) en € 3.100,- (post 3e - conservering) komen dan ook als niet weersproken voor vergoeding in aanmerking.
De kosten met betrekking tot de posten 3c – sb anker en 3d – roef zijn niet afzonderlijk gefactureerd, maar zijn in de factuur nr. 15/0328 van Moordtgat (ten bedrage van € 15.553,-) begrepen. Uit de omschrijving op de factuur blijkt dat de volgende kosten met betrekking tot het stuurboordanker en de roef in rekening zijn gebracht:
- -
‘Anker af en aan en schalm teruglassen.’ € 380,-
- -
‘Verbogen pal van ankertafel branden.
Nieuwe pal maken en op tafel lassen.’ € 1.756,-
- ‘ ‘Roefdek rechten.
Bluts uittrekken en plaat knippen.’ € 482,-
- ‘ ‘Inox ontluchting op roefdek af en aan.
Inox ontluchting herstellen en gedeeltelijk vernieuwen.’ € 244,-
Totaal € 2.862,-
De rechtbank rekent deze kosten dan ook, als niet weersproken, aan de aanvaring toe.
Post 3b – gasolietank (H – Cuve Mazout van [naam 1] )
2.13.
[eisers] maakt aanspraak op vergoeding van een bedrag van € 9.669,- ter zake van - kort gezegd - het laten maken van een dubbelwandige gasolietank. [eisers] heeft ter onderbouwing factuur nr. 15/0325 van Moordtgat overgelegd.
Zandkreek betwist de hoogte van deze kosten. Zandkreek voert aan dat in het schip een enkelwandige gasolietank zat, zodat het maken van een dubbelwandige tank en - in het verlengde daarvan - het aanpassen van de vloerplaten en appendages voor een dubbelwandige tank niet als door de aanvaring ontstane schade kan worden aangemerkt. Zandkreek voert voorts aan dat [naam eiser] al vóór de aanvaring verplicht was om over te stappen op een dubbelwandige gasolietank en appendages en dat de kosten van die overstap daarom niet aan de aanvaring vallen toe te rekenen. Zandkreek betoogt dat in ieder geval een aftrek dient plaats te vinden tot de hoogte van de kosten van een enkelwandige tank en zonder aanpassing van de platen en de leidingen.
[eisers] heeft in reactie op het verweer van Zandkreek gesteld dat zij door nieuwe veiligheidsvoorschriften gehouden was om een dubbelwandige tank met appendages in te bouwen.
2.14.
De rechtbank overweegt hierover als volgt.
Uit de wederzijdse expertiserapporten kan worden opgemaakt dat partijen het er over eens zijn dat de gasolietank als gevolg van de aanvaring zodanig was beschadigd dat deze diende te worden vervangen (vergelijk pagina 11 van het rapport van [naam 2] ).
Zoals hiervoor is overwogen geldt als uitgangspunt voor de vergoeding van schade dat de benadeelde zoveel mogelijk in dezelfde situatie moet worden gebracht waarin hij verkeerde voordat het voorval plaatsvond. Vóór de aanvaring was de ‘ [naam schip 1] ’ uitgerust met een behoorlijk werkende enkelwandige gasolietank met appendages. De omstandigheid dat een enkelwandige gasolietank met appendages inmiddels niet meer toelaatbaar is, omdat, zoals Zandkreek onweersproken heeft gesteld, [naam eiser] al vóór de aanvaring verplicht was om over te stappen op een dubbelwandige tank met appendages, staat los van de aanvaring. De additionele kosten van een dubbelwandige tank met appendages dienen daarom voor rekening van [eisers] te blijven. Als aan de aanvaring toerekenbare schade komen slechts de kosten van vervanging van de enkelwandige tank met appendages.
Nu [eisers] geen stellingen heeft betrokken of informatie heeft verschaft met betrekking tot de kosten van een enkelwandige tank met appendages, maar Zandkreek wel – en wel in het rapport van [naam 2] – zal de rechtbank aanknopen bij hetgeen [naam 2] daarover in zijn rapport heeft opgemerkt.
[naam 2] komt tot een bedrag ter zake van vervanging van de enkelwandige gasolietank met appendages van € 4.974,-. Dat bedrag vormt daarom de schade ten gevolge van de aanvaring.
Post 4 – betimmering (I – menuiserie van [naam 1] )
2.15.
[eisers] stelt een bedrag van € 44.595,- aan herstelkosten ter zake van de betimmering van de woning op het voorschip van de ‘ [naam schip 1] ’. Ter onderbouwing heeft [eisers] een factuur van Elft (bijlage bij rapport [naam 1] ) van € 41.637,- en een offerte voor aanvullende werkzaamheden van € 2.958,05 overgelegd.
Zandkreek betwist het door [naam 1] begrote bedrag niet, maar voert aan dat daar een aftrek van 40 % in verband met verbetering moet worden toegepast, omdat de reparatie van de betimmering tot een waardevermeerdering van het schip heeft geleid. Volgens Zandkreek dient ervan uit te worden gegaan dat de voorwoning min of meer was afgeschreven, gelet op de leeftijd van de voorwoning, aangezien deze gebruikt wordt door matrozen die niet altijd even voorzichtig omgaan met de voorwoning en omdat modernisering van de voorwoning van tijd tot tijd wordt verlangd.
[eisers] voert in reactie op het verweer aan dat geen sprake is van een verbetering, omdat de voorwoning in de huidige toestand nog bruikbaar was en de voorwoning pas 34 jaar oud was.
2.16.
De rechtbank overweegt hierover als volgt.
Partijen zijn het erover eens dat de betimmering van de voorwoning van de ‘ [naam schip 1] ’ door de aanvaring zodanig was beschadigd dat deze diende te worden vervangen. Partijen zijn het er ook over eens dat de voorwoning even oud was als het schip ten tijde van de aanvaring, te weten: 34 jaar, en dat de levensduur van de voorwoning in beginsel even lang is als die van het schip.
Voor zover Zandkreek beoogt te stellen dat een aftrek (wegens verbetering) plaats dient te vinden omdat de ‘ [naam schip 1] ’ na reparatie beschikt over een nieuwe voorwoning terwijl de beschadigde voorwoning al 34 jaar oud was, wordt deze stelling verworpen. Er is geen sprake van een waardevermeerdering van het schip als geheel doordat er na reparatie een nieuwere voorwoning in zit met een langere levensduur. Gesteld al dat de levensduur van de herstelde voorwoning die van het schip overstijgt, dan levert dat immers geen waardevermeerdering op van het schip als geheel. Ook de vraag of de voorwoning ten tijde van de aanvaring als afgeschreven moest worden beschouwd wegens slijtage of als zijnde ‘onvoldoende gemoderniseerd’ gaat niet op, nu de voorwoning voorafgaande aan de aanvaring – kennelijk behoorlijk fungeerde als woning voor de matrozen en vaststaat dat door de aanvaring de voorwoning niet langer bruikbaar was voor dat doel.
Dit zou anders kunnen liggen indien - zoals Zandkreek zonder specifiek te zijn stelt - de betimmering van een voorwoning zonder meer eens in de zoveel jaren vervangen moet worden gedurende de levensduur van een binnenschip. Zandkreek heeft deze stelling, echter, niet gespecificeerd en evenmin onderbouwd en in het midden gelaten wat de levensduur van de betimmering van een voorwoning zoals die van de ‘ [naam schip 1] ’ normaliter is – de aanvaring weggedacht. Daarom gaat de rechtbank aan dat verweer van Zandkreek voorbij. De rechtbank acht ter zake van herstel van de betimmering het bedrag van € 44.595,- toerekenbaar aan de aanvaring.
Post 5 – boegschroefinstallatie (S – Oudakker van [naam 1] )
2.17.
[eisers] vordert vergoeding van de in verband met de werkzaamheden aan de boegschroefinstallatie gemaakte kosten van € 2.154,-. [eisers] heeft ter onderbouwing de bij zijn in rekening gebrachte factuur van Oudakker van 19 mei 2015 overgelegd.
Zandkreek voert geen verweer tegen deze kosten, zodat deze schadepost aan de aanvaring wordt toegerekend.
Post 6 - boegschroefmotor (K- moteur de proue van [naam 1] )
2.18.
[eisers] vordert vergoeding van een bedrag van € 47.250,-, bestaande uit:
- -
vervanging door een rebuilt Scania KMD S14 € 26.750,-
- -
in- en uitbouwkosten € 7.500,-
- -
levering en plaatsing demper € 4.750,-
- -
commandokast en bekabeling
naar het achterschip € 8.250,-.
[eisers] heeft ter onderbouwing een offerte van YES van 8 april 2015 overgelegd.
Zandkreek betwist de hoogte van de bovengenoemde posten. Zandkreek voert aan dat de dagwaarde van de boegschroefmotor ten tijde van de aanvaring overeenkomstig de normen en richtlijnen van de VEKRB moet worden vastgesteld op een bedrag van € 15.210,-, rekening houdende met het bouwjaar van de motor, de aanschafwaarde en de afschrijving. Zandkreek stelt dat de ‘ [naam schip 1] ’ was uitgerust met een Scania KMD S14 motor, dat [naam eiser] die motor na de aanvaring heeft vervangen door een John Deere motor met aanpassing van de fundatie en appendages en dat [eisers] ten onrechte is uitgegaan van de prijs van de John Deere motor met appendages van € 65.800,- en daarop een aftrek heeft toegepast, terwijl uitgegaan dient te worden van de prijs van vervanging van de Scania KMD S14 motor. Zandkreek voert verder aan dat op de posten ‘levering en plaatsing demper’ en ‘vernieuwing van de commandokast en bekabeling, inclusief plaatsing’ een aftrek ‘nieuw voor oud’ van 1/3 moet worden toegepast. Ook voert Zandkreek aan dat de kosten die verbonden zijn aan de plaatsing/inbouw van de beunkoeler, die volgens de factuur van Moordtgat 15/0328 € 2.400,- bedragen, niet voor vergoeding in aanmerking komen, nu dit additionele kosten betreffen die niet zouden zijn gemaakt indien een soortgelijke motor als de Scania KMD S14 motor zou zijn geplaatst.
2.19.
De rechtbank overweegt hierover als volgt.
Vaststaat dat ten tijde van de aanvaring de boegschroef van de ‘ [naam schip 1] ’ werd aangedreven door een Scania KMD S14 motor. Voorts is niet in geschil is dat de boegschroefmotor en tandwielkast ten gevolge van de aanvaring onder water zijn komen te staan en dat de boegschroefmotor als gevolg daarvan moest worden vervangen. [eisers] heeft ter onderbouwing van de door hem gevorderde schadeposten een offerte van YES van 8 april 2015 overgelegd. Hieruit blijkt dat in de offerte is uitgegaan van ‘one rebuilt exchange Scania KMD S14 bow thrusters engine’, kort gezegd een gereviseerde tweedehands Scania KMD S14 motor, voor de prijs van € 26.750,- exclusief inbouw. Het gaat derhalve om de kosten van een vervangende tweedehands motor van hetzelfde type als aan boord aanwezig was ten tijde van de aanvaring. Daarmee wordt het verweer dat [eisers] ten onrechte van de kosten van vervanging door een (nieuwe) John Deere motor is uitgegaan weerlegd. Nu Zandkreek overigens geen bezwaren tegen de vervangingskosten heeft aangevoerd, zijn de gevorderde vervangingskosten toerekenbaar aan de aanvaring.
Het betoog van Zandkreek dat de Scania KMD S14 motor die aan boord van het schip stond ten tijde van de aanvaring minder waard was dan de kosten van een gereviseerde tweedehands Scania KMD S14 motor, verwerpt de rechtbank. Zandkreek heeft voor haar betoog kennelijk gebruik gemaakt van een geautomatiseerd afschrijvingsprogramma dat uitgaat van het bouwjaar van de motor, de aanschafwaarde en een jaarlijks afschrijvingspercentage. Zandkreek heeft geen inzicht gegeven in het verschil tussen de werkelijke waarde van de ten tijde van de aanvaring aan boord van de ‘ [naam schip 1] ’ aanwezige Scania KMD S14 motor en de (gevorderde) kosten van een tweedehands gereviseerde motor. Het moge zo zijn dat een geautomatiseerd programma een bepaalde waarde oplevert, maar daarmee wordt geen recht gedaan aan het uitgangspunt dat de benadeelde zoveel als mogelijk wordt gebracht in de toestand waarin de schadebrengende gebeurtenis niet had plaatsgevonden.
[eisers] heeft ter comparitie toegelicht dat de uitlaat, de geluiddemper, de elektrotechnische installatie en bediening van de boegschroefmotor dienden te worden vervangen, omdat deze ten gevolge van de aanvaring ook door water waren beschadigd. Zandkreek heeft ter comparitie erkend dat deze appendages door de aanvaring beschadigd waren. Nu vaststaat dat de appendages beschadigd waren als gevolg van de aanvaring, komen de kosten van vervanging in beginsel voor vergoeding in aanmerking.
Zandkreek heeft geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit volgt dat de vervanging van de appendages heeft geleid tot een vermogensverbetering van [eisers] zodat geen aftrek op die kosten hoeft te worden toegepast.
Uiteraard leveren de kosten van het verwijderen van de beschadigde boegschroefmotor met appendages geen vermogensverbetering op van [naam eiser]
De slotsom luidt dat de door [eisers] gevorderde kosten tot een bedrag van € 47.250,- aan de aanvaring vallen toe te rekenen.
Post 7 - elektra / aggregaten (J - électricité, travaux supplémentaires van [naam 1] )
2.20.
[eisers] vordert vergoeding van een bedrag van € 61.354,- ter zake van vervanging van aggregaten en andere door het water aangetaste onderdelen en een bedrag van € 20.316,- wegens aanvullende werkzaamheden, waarop in mindering strekt een bedrag van € 6.496,- wegens niet-gerealiseerde werkzaamheden. [eisers] vordert derhalve in totaal € 75.174,- ter zake van schade aan elektra. [eisers] heeft aan de hand van de door hem overgelegde facturen van [naam 3] en Cada B.V. en het rapport van [naam 1] onderbouwd dat zij tot het gevorderde bedrag aan kosten voor elektra heeft gemaakt.
Het debat tussen partijen spitst zich toe op de toegepaste c.q. toe te passen aftrek ‘oud voor nieuw’. [eisers] stelt dat bij het herstel de ten tijde van de aanvaring geldende (nieuwe) voorschriften in acht genomen dienden te worden, dat onredelijk is om naleving van de voorschriften als ‘verbetering’ of voordeel aan te merken en dat geen sprake is van waardevermeerdering. [eisers] stelt dat op de apparatuur waarvan door de vervanging de levensduur is verlengd, door [naam 1] reeds een korting is toegepast, variërend van 50 tot 70 %. [naam 1] heeft in zijn schadeopstelling per post aangegeven (kolom 2) welk bedrag aan korting in mindering is gebracht op de schade. [naam 1] stelt hierover in zijn aanvullend rapport het volgende:
‘Electricity
These are repairs that not increase the value of the boat.
A wear and tear rate has already been applied to equipment which extended the life of damaged equipment.
Example:
The HATZ generator purchased 8060 has been assessed 2419 €.
The wear and tear has therefore already been reduced of 70 %.
The hot water tank, air conditioning, boiler burner also gave place to 50% mark down.
To the exception of these few items, electrics are not renewed during the lifespan of the vessel.
(…)”.
Zandkreek bestrijdt deze kosten met een beroep op het rapport van [naam 2] .
2.21.
Uit het rapport van [naam 2] blijkt dat deze op diverse posten een aftrek heeft toegepast variërend van 25, 30, 50 tot 75 procent. Dat en waarom [naam 2] op de betreffende posten een andere aftrek heeft toegepast dan de door [naam 1] toegepaste aftrek heeft Zandkreek niet inzichtelijk gemaakt. De door [naam 2] vastgestelde kosten komen uit op een totaal bedrag van € 54.626,78.
Of de in de rapporten van [naam 1] en van [naam 2] toegepaste aftrek de juiste is, kan de rechtbank bij gebrek aan nadere gegevens hieromtrent niet beoordelen. Nu beide rapporten onvoldoende aanknopingspunten verschaffen om de schade (in het bijzonder de hoogte van de toe te passen aftrek) nauwkeurig te kunnen vaststellen, zal de rechtbank aan de hand van de voorliggende feiten en omstandigheden de schade schatten overeenkomstig artikel 6:97 lid 2 BW. Daarbij zal de rechtbank mede in aanmerking nemen dat de omstandigheid dat wegens gewijzigde regelgeving de reparatie hoger uitvalt, in beginsel geen aanleiding is om deze schade bij [eisers] te laten liggen.
De rechtbank komt alles afwegend tot een schatting van deze schadepost op € 65.000,-.
Post 8 - extra kosten algemeen Moordtgat (G - Travaux salle de machines, facture Moordtgat )
2.22.
[eisers] vordert een bedrag van € 15.053,- aan vergoeding voor uitgevoerde werkzaamheden in de machinekamer. Ter onderbouwing heeft [eisers] de bij zijn in rekening gebrachte factuur 15/0328 van Moordtgat van 4 juni 2015 van € 15.553,- overgelegd. [eisers] heeft op het factuurbedrag een bedrag van € 500,- in mindering gebracht.
Zandkreek betwist de hoogte van deze gevorderde kosten en stelt, onder verwijzing naar het rapport van [naam 2] , dat slechts een bedrag van € 5.854,- aan de aanvaring valt toe te rekenen en dat het meerdere geen schade vormt.
2.23.
In het rapport van [naam 2] is het volgende hierover opgemerkt:
“Totale rekening Moordtgat € 15.553,00
Post 1 totaal € 1.980,00 2/3 reeds vermeld
bij Boegschroefmotor -/- € 1.320,00
Post 2 Kraanhulp, totaal € 823,00,
Aftrek 50 % (aggregaten, boegschroefmotor) -/- € 411,50
Post 3 uitlaten herstellen etc.: € 1.780,00
hiervan aftrek 50 % -/- € 890,00
Post 4 demper rvs flexibel, € 646,00
Hiervan 50 % -/- € 323,00
Post 5: diverse leveranties: € 470,00
Hiervan 50 % -/- € 235,00
Post 6, diverse inox € 1.525,00 aftrek
30 % -/- € 457,50
Post 8 nieuwe vlakkoeler, hoort niet
bij schade: -/- € 2.400,00
Post 9: onderhoud: -/- € 215,00
Post 10, totaal € 1.170,00 aftrek 50 % -/- € 585,00
Post 14 t/m 17 zijn reeds vermeld onder
Cascoschade (3C-3D) -/- € 2.862,00
Totaal € 9.699,00 -/- € 9.699,00
Resteert ten laste van de schade: € 5.854,00”.
Hieruit blijkt dat [naam 1] op diverse posten aftrek heeft toegepast, maar niet op welke basis. In het rapport van [naam 2] wordt een aantal posten (gemotiveerd) betwist en is op een aantal posten een aftrek toegepast. Waarop die aftrek is gebaseerd met betrekking tot de posten 3, 4, 5, 6 en 10 wordt niet toegelicht in het rapport, terwijl evenmin door Zandkreek stellingen worden betrokken dat en waarom de door [naam 2] voorgestelde aftrek niet dient te worden toegepast.
Of de in de rapporten van [naam 1] en van [naam 2] toegepaste aftrek de juiste is, kan de rechtbank bij gebrek aan nadere gegevens hieromtrent niet beoordelen. Nu beide rapporten onvoldoende aanknopingspunten verschaffen om de schade (in het bijzonder de hoogte van de toe te passen aftrek) nauwkeurig te kunnen vaststellen, zal de rechtbank aan de hand van de voorliggende feiten en omstandigheden de schade schatten overeenkomstig artikel 6:97 lid 2 BW. De rechtbank komt alles afwegend tot een schatting van deze schadepost op € 5.417,-.
Zandkreek heeft de verschuldigdheid als toerekenbaar aan de aanvaring en de omvang van de posten 1, 2, 8, 9 en 14 tot en met 17 voldoende gemotiveerd weersproken. [eisers] heeft hier niet meer op gereageerd en zijn stellingen, na deze gemotiveerde betwisting, zonder nadere motivering gehandhaafd. Omdat bij de stelplicht ook hoort een behoorlijke (gedocumenteerde) reactie op een gemotiveerde betwisting, oordeelt de rechtbank dat [eisers] niet aan zijn stelplicht heeft voldaan. Daarop stuit het verhaal van deze posten af.
Het als aan de aanvaring toerekenbare schade aan te merken bedrag komt daardoor uit op een bedrag van: € 5.417,- .
Post 9 - inventaris voormachinekamer (M - matériel contenu dans salle des machines et disparu van [naam 1] )
2.24.
[eisers] vordert een bedrag van € 6.512,- aan schadevergoeding met betrekking tot de inventaris van de voormachinekamer. Ter onderbouwing van de gevorderde kosten beroept [eisers] zich op het rapport van [naam 1] . In het rapport is gedetailleerd weergegeven welke kosten per post zijn gemaakt, welke korting daarop is toegepast en welk bedrag als gevolg daarvan als schade is aangemerkt. Uit het rapport van [naam 1] blijkt dat door [naam 1] op diverse posten aftrekken van 50 % zijn toegepast.
Zandkreek betwist de gestelde schadepost (slechts) door verwijzing naar het rapport van [naam 2] . [naam 2] merkt ten aanzien van deze post het volgende op: ‘In deze opstelling is wel rekening gehouden met de nodige aftrekken, maar gevoelsmatig is ondergetekende van mening dat een vergoeding van de inventaris ad € 5.000,00, onder alle voorbehoud redelijk is.’
2.25.
Gezien de gedetailleerde beschrijving van deze schadepost vanwege [eisers] , voldoet deze wijze van betwisting niet aan het vereiste van een gemotiveerde betwisting. De rechtbank gaat daarom – als onvoldoende gemotiveerd weersproken – uit van een bedrag van € 6.512,- als aan de aanvaring toerekenbare schade aan de inventaris van de voormachinekamer.
Post 10 – inboedel (N- mobilier et matériel contenus dans logement van [naam 1] )
2.26.
Over de hoogte van de door [eisers] gevorderde schade aan de inboedel ter grootte van € 1.438,- bestaat tussen partijen geen geschil. De rechtbank zal daarom de schade aan de inboedel vaststellen op een bedrag van € 1.438,-.
Post A - [naam bedrijf 6] , overslagkosten Sinula en post B - [naam boot] sleeploon
2.27.
[eisers] vordert een bedrag van € 27.138,- aan, kort gezegd, beredderings- en overslagkosten. [eisers] heeft zijn vordering onderbouwd met de door [naam bedrijf 6] bij hem in rekening gebrachte kosten.
Over de hoogte van de door [eisers] gevorderde schade ter zake van ‘salvage [naam bedrijf 6] ’ (inclusief de overslagkosten voor de Sinula) ter grootte van € 27.138,- bestaat tussen partijen geen geschil. De rechtbank ziet geen aanleiding om hier anders over te denken en zal daarom de schade vaststellen op een bedrag van € 27,138,-.
2.28.
Ook over de hoogte van het sleeploon (‘ [naam boot] ’) zijn partijen het eens.
De rechtbank ziet geen aanleiding om hier anders over te denken en zal deze schade vaststellen op een bedrag van € 2.000,-.
Post C - Yerseke - YES
2.29.
[eisers] vordert betaling van een bedrag van € 1.041,- ter zake van kosten voor de (poging tot) conservering van de boegschroefmotor na het leegpompen van de machinekamer (“Mise hors d’eau du moteur du propulseur d’étrave, nettoyage, essais”).
Zandkreek betwist de verschuldigdheid van de in dit verband gemaakte kosten niet, maar voert aan dat deze post door [naam 2] is meegenomen in de begroting van de schade van de boegschroef.
2.30.
Juist is dat [naam 2] deze post onder zijn beoordeling van de in verband met de boegschroefmotor gemaakte kosten heeft gebracht (vergelijk pagina 18 van het rapport van [naam 2] ). Partijen zijn het er derhalve over eens dat deze post als aan de aanvaring toerekenbare schade moet worden aangemerkt.
In het door de rechtbank onder rov. 2.19 en toegekende bedrag is deze factuur van YES echter niet meegenomen, nu [eisers] deze niet onder deze noemer heeft gevorderd. De rechtbank stelt dan ook deze schadepost vast op een bedrag van € 1.041,-, nu de verschuldigdheid van deze kosten niet door Zandkreek zijn weersproken.
Post D - Marine Service, post E - [naam 4] en post P - Perte de Fret
2.31.
Over de hoogte van de in dit verband door [eisers] gevorderde en onderbouwde kosten bestaat tussen partijen geen geschil.
De rechtbank ziet geen aanleiding om hier anders over te oordelen en zal daarom de schade, overeenkomstig de vorderingen van [eisers] , vaststellen op een bedrag van € 3.856,- aan kosten ‘Marine Service’, € 748,- aan kosten ‘ [naam 4] ’ en € 1.512,- aan vrachtverlies.
Post R - Periskal
2.32.
[eisers] vordert een bedrag van € 500,- aan ‘analyse des données informations’. [eisers] heeft ter onderbouwing een factuur van Periskal Group van 23 maart 2015 overgelegd waarbij dit bedrag bij [naam eiser] in rekening is gebracht.
Zandkreek betwist de verschuldigdheid van deze factuur. Zandkreek voert aan dat deze post geen materiële schade vormt, maar ziet op het downloaden van de GPS data van de ‘ [naam schip 1] ’ ten behoeve van het onderzoek naar de toedracht van de aanvaring. Zandkreek voert verder aan dat [eisers] geen aanspraak op vergoeding van deze kosten kan maken, aangezien [eisers] de door Periskal vrijgestelde data niet heeft overgelegd.
2.33.
[eisers] heeft niet betwist dat het om kosten gaat met betrekking tot het uitlezen van gegevens betreffende de door de ‘ [naam schip 1] ’ gevaren koersen. Kennelijk betreft deze post derhalve schade als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW. Om te kunnen beoordelen of dergelijke kosten aan de redelijkheidstoets van die wetsbepaling voldoen dient de partij die vergoeding vordert die kosten inzichtelijk te maken. [eisers] heeft, hoewel dat dus op zijn weg lag, na de gemotiveerde betwisting door Zandkreek deze schadepost niet nader toegelicht of onderbouwd. Daarom zal de rechtbank deze schadepost als onvoldoende onderbouwd afwijzen.
2.34.
Met betrekking tot de interventiekosten die begrepen zijn in de facturen van [naam bedrijf 6] van 8 april 2015 bestaat tussen partijen geschil over de vraag of al dan niet de volledige kosten van de huur van de olieschermen over de periode 4 maart tot 10 maart 2015 (zes dagen) van in totaal € 18.000,- als aan de aanvaring toerekenbare schade dient te worden aangemerkt.
Zandkreek voert aan dat de lading eerder had kunnen worden overgeslagen en dat dit een besparing van een bedrag van € 9.000,- had opgeleverd. Volgens Zandkreek is dit bedrag niet veroorzaakt door de aanvaring maar het gevolg van het dralen van [eisers] met de overslag van de lading. Zandkreek stelt dat pas op 10 maart 2015 de lading is overgeslagen in een ander schip, hetgeen onnodig laat is, omdat bij een incident als het onderhavige, waarbij een schip water maakt en olie verliest, normaliter direct de lading uit het schip wordt gelost om het lek boven water te krijgen.
[eisers] heeft in reactie op het verweer van Zandkreek gesteld dat zij niet eerder toestemming kreeg van de bevoegde autoriteiten voor het weghalen van de olieschermen. Deze reactie wordt ondersteund door de in het rapport van [naam 1] neergelegde bevindingen. Ook blijkt daaruit dat op 4 maart 2015 al gezocht is naar een schip dat bereid was om de lading van de ‘ [naam schip 1] ’ naar Illange te vervoeren.
2.35.
De rechtbank ziet gelet op deze reactie op het verweer van Zandkreek , geen aanleiding om op deze interventiekosten enig bedrag in mindering te brengen.
2. bedrijfsschade
2.36.
Partijen zijn het erover eens dat bij de berekening van de hoogte van de bedrijfsschade uitgegaan moet worden van een gemiddelde netto-dagopbrengst van de ‘ [naam schip 1] ’ van € 1.067,71. Het debat tussen partijen spitst zich toe op de duur van de periode dat de ‘ [naam schip 1] ’ ten gevolge van de aanvaring niet inzetbaar was. [eisers] stelt dat hij 70 kalenderdagen tijdverlet heeft geleden. Zandkreek voert daartegen aan dat de reparaties bij een betere coördinatie en goed overleg sneller uitgevoerd hadden kunnen worden en komt daarmee uit op een tijdverlet van 25 werkdagen, ofwel 35 kalenderdagen. Ook voert Zandkreek aan dat de aanpassing van de fundatie en leiding voor de beunkoeler (wegens de inbouw van een andere boegschroefmotor) de reparatieduur heeft verlengd en dat scheepswerf Moordtgat op ten onrechte 1, 2 en 3 mei niet aan het werk is geweest.
2.37.
De rechtbank overweegt hierover als volgt.
[eisers] stelt dat de ‘ [naam schip 1] ’ gedurende de periode van 4 maart tot en met 13 mei 2015 niet inzetbaar was. [eisers] stelt dat de periode 4 maart – 19 maart (16 kalenderdagen, 12 werkdagen) zijn gebruikt voor onder meer het vaststellen van de situatie ter plaatse, contacteren van de lokale autoriteiten, het nemen van noodmaatregelen, het voorbereiden en uitvoeren van de noodreparatie, de overslag van de lading, de verplaatsing van het schip naar de werf, het opvragen van offertes en onderling overleg tussen de experts. [eisers] verwijst ter onderbouwing naar het rapport van [naam 1] . [eisers] stelt voorts dat de periode 19 maart – 13 mei (55 kalenderdagen, 37 werkdagen) is gebruikt voor de herstelwerkzaamheden door de werf Moordtgat .
Zandkreek voert gemotiveerd verweer.
Vaststaat dat de herstelwerkzaamheden niet zijn uitgevoerd door één aannemer met onderaannemers en toeleveranciers, maar zijn uitgevoerd met rechtstreekse opdrachten van [eisers] aan diverse aannemers en toeleveranciers. De regie bij die uitvoering werd volgens [eisers] uitgevoerd door [eisers] en expert [naam 1] . Het is aannemelijk dat het werken met diverse aannemers en toeleveranciers niet even efficiënt en voortvarend zal zijn verlopen als ingeval alle te verrichten werkzaamheden en leveranties in een hand zouden zijn uitgevoerd. Dit leidt echter niet tot de conclusie dat in dit geval meer tijdverlet aan de aanvaring wordt toegerekend dan redelijk is. Deze wijze van herstel zal, immers, wellicht ook tot besparingen op de herstelkosten hebben geleid.
[eisers] heeft geconcretiseerd en aan de hand van facturen onderbouwd welke werkzaamheden in welke periodes zijn uitgevoerd. Ook heeft [eisers] gemotiveerd betwist dat de latere aanvang van de uitvoering van de werkzaamheden van [naam 3] en Cada tot een latere gebruiksklare oplevering van het schip heeft geleid. Het ligt vervolgens op de weg van Zandkreek om concreet (en onderbouwd) te stellen dat en tot welk beloop er ten onrechte tijdverlet is gevorderd. Zandkreek heeft echter onvoldoende geconcretiseerd (en onderbouwd) tot welke tijdbesparing een betere coördinatie over de uitvoering van de werkzaamheden had geleid en welke werkzaamheden sneller hadden kunnen worden uitgevoerd en of dat uiteindelijk tot een snellere (eind)oplevering had geleid. Zandkreek heeft weliswaar gesteld dat de voorschotfacturen van [naam 3] en Cada niet op tijd werden voldaan en dat hierdoor de werkzaamheden drie dagen zijn blijven liggen, maar niet gesteld of gebleken is dat als gevolg daarvan een latere eindopleveringsdatum is ontstaan. Dit geldt eveneens voor de extra werkzaamheden aan de motorfundatie.
De slotsom luidt dan ook dat de ‘ [naam schip 1] ’ ten gevolge van de aanvaring van 4 maart tot en met 13 mei, derhalve gedurende 70 dagen niet inzetbaar was.
De rechtbank zal de bedrijfsschade vaststellen op een bedrag van 70 x € 1.067,71 = € 74.739,70.
3. expertisekosten
2.38.
Helvetia vordert vergoeding van € 16.341,60 aan expertisekosten van [naam 1] als schade bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW.
Zandkreek heeft aangetekend dat de gevorderde expertisekosten van [naam 1] worden erkend op voorwaarde van wederkerigheid, in die zin dat [eisers] op zijn beurt de expertisekosten van [naam 2] erkent. Zandkreek heeft geen inhoudelijk verweer tegen de verschuldigdheid of de hoogte van de kosten gevoerd.
Nu duidelijk is dat [naam 1] betrokken is geweest bij de bereddering van de schade en het herstel daarvan, zijn de gevorderde expertisekosten daarom aan te merken als aan de aanvaring toerekenbare schade.
2.39.
De gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke werkzaamheden van € 3.596,80 valt evenzeer als schade aan te merken, nu buitengerechtelijke werkzaamheden hebben plaatsgevonden en de hoogte daarvan niet is weersproken.
2.40.
Dit brengt de rechtbank tot de slotsom dat aan de zijde van de ‘ [naam schip 1] ’ als toerekenbare schade valt aan te merken:
Post 1 € 2.293,-
Post 2 € 1.568,-
€ 2.862,-
Post 3 € 4.974,-
Post 4 € 44.595,-
Post 5 € 2.154,-
Post 6 € 47.250,-
Post 7 € 65.000,-
Post 8 € 5.417,-
Post 9 € 6.512,-
Post 10 € 1.438,-
Post A € 27.138,-
Post B € 2.000,-
Post C € 1.041,-
Post D € 3.856,-
€ 748,-
€ 1.512,- +
€ 220.358,-
bedrijfsschade € 74.739,70
expertisekosten € 16.341,60
buitengerechtelijke kosten € 3.596,80 +
derhalve in totaal € 315.036,10.
2.41.
Nu tegen de rente-ingangsdata geen zelfstandig verweer is gevoerd, is over deze schadeposten de wettelijke rente bedoeld in artikel 6:119 BW verschuldigd zoals gevorderd.
2.42.
Over de vraag wie van [naam eiser] respectievelijk Helvetia de schadevergoeding toekomt is geen dispuut. Aan ieder van [naam eiser] en Helvetia komt het in rov. 2.7 genoemde aandeel in de voor vergoeding in aanmerking komende gedeelten van de materiële schade en de bedrijfsschade toe, overeenkomstig de desbetreffende vorderingen. De vergoeding van expertisekosten komt aan Helvetia toe, de buitengerechtelijke kosten, zoals primair gevorderd en niet zelfstandig bestreden, aan [naam eiser] .
2.43.
De rechtbank zal Zandkreek veroordelen om 60% van de desbetreffende schadebedragen vermeerderd met rente te betalen.
4. slotsom
2.44.
Het vorenstaande leidt tot de volgende slotsom.
Ter zake van materiële schade (cascoschade en interventiekosten) acht de rechtbank aan de aanvaring toerekenbaar € 220.358,-. Daarvan komt één tiende deel toe aan [naam eiser] , derhalve € 22.035,80, en negen tienden aan Helvetia, derhalve € 198.322,20.
Ter zake van bedrijfsschade acht de rechtbank aan de aanvaring toerekenbaar € 74.739,70. Daarvan komt € 47.739,70 toe aan [naam eiser] en € 30.000,- aan Helvetia.
De vergoeding van expertisekosten van € 16.341,60 komt toe aan Helvetia.
De vergoeding van buitengerechtelijke kosten komt toe aan [naam eiser] .
Deze schadeposten worden vermeerderd met de wettelijke rente bedoeld in artikel 6:119 BW, zoals gevorderd.
Van die schadeposten is telkens 60% toewijsbaar ten laste van Zandkreek . Dat leidt tot de volgende toewijsbare bedragen:
aan [naam eiser] :
60% van € 22.035,80, derhalve € 13.221,48
60% van € 44.739,70, derhalve € 26.843,82
deze bedragen tezamen € 40.065,30
te vermeerderen met de wettelijke rente bedoeld in artikel 6:119 BW te berekenen vanaf de datum van de aanvaring, 4 maart 2015;
60% van € 3.596,80, derhalve € 2.158,08,
te vermeerderen met de wettelijke rente bedoeld in artikel 6:119 BW te berekenen vanaf de datum van de dagvaarding, 3 maart 2017;
en aan Helvetia:
60 % van € 198.322,20, derhalve € 118.993,32
60% van € 30.000,-, derhalve € 18.000,-
deze bedragen tezamen € 136.993,32
te vermeerderen met de wettelijke rente bedoeld in artikel 6:119 BW te berekenen vanaf de datum van de aanvaring, 4 maart 2015;
60 % van € 16.341,60, derhalve € 9.804,96,
te vermeerderen met de wettelijke rente bedoeld in artikel 6:119 BW te berekenen vanaf de desbetreffende factuurdata.
De vorderingen van Zandkreek
2.45.
De rechtbank herhaalt de vorderingen van Zandkreek , zoals beschreven in rov. 2.7 van het tussenvonnis van 19 juni 2019. Zandkreek vordert dat de rechtbank [eisers] zal veroordelen tot betaling:
a. van € 28.614,50 voor cascoschade aan de ‘ [naam schip 2] ’ te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 maart 2015;
b. van € 11.901,89 voor bedrijfsschade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 april 2015;
c. van € 3.797,50, € 13.313,23 en € 3.915,10 voor expertisekosten, te vermeerderen met de wettelijke rente sinds 14 juli 2017, de dag van het nemen van de conclusie van eis in reconventie; en
met veroordeling van [eisers] in de proceskosten.
2.46.
Zandkreek heeft ter onderbouwing van haar vordering drie door haar expert [naam 2] gemaakte expertiserapporten overgelegd: een rapport van expertise van 5 november 2015 met betrekking tot de cascoschade aan de ‘ [naam schip 2] ’, een interventierapport van [naam 2] van 16 mei 2017 en een rapport van expertise van 19 mei 2017 met betrekking tot de cascoschade van de ‘ [naam schip 1] ’. Daarnaast heeft Zandkreek diverse facturen overgelegd.
1. cascoschade ‘ [naam schip 2] ’
2.47.
Zandkreek heeft ter onderbouwing van haar cascoschade verwezen naar het rapport van [naam 2] van 5 november 2015. Zandkreek stelt dat de reparatiekosten bij scheepswerf De Schroef € 29.614,50 bedroegen waarop een aftrek van € 1.000,- in mindering is gebracht wegens reeds aanwezige schade.
[eisers] betwist de omvang van de cascoschade, nu [eisers] althans zijn expert [naam 1] , de schade niet heeft kunnen vaststellen. [eisers] stelt dat de beschadigde onderdelen reeds waren verwijderd of vernietigd en de herstelwerkzaamheden al aan de gang waren. Daarnaast stelt [eisers] dat de door Zandkreek aangezocht werf De Schroef bekend staat als duur en dat Zandkreek op de herstelkosten had kunnen besparen door te repareren bij scheepswerf Hoogerwaard in Rotterdam die als staalkilogramprijs € 2,- goedkoper was dan De Schroef. Dit had een besparing kunnen opleveren van ruim € 5.000,-, hetgeen ruimschoots afweegt tegen de kosten van het varen van de ‘ [naam schip 2] ’ naar en van die scheepswerf.
2.48.
Vaststaat dat bij de aanvaring aan de ‘ [naam schip 2] ’ cascoschade is ontstaan. Dit blijkt ook duidelijk uit de overgelegde rapporten (met foto’s) van de wederzijdse deskundigen. In het bovengenoemde rapport van [naam 2] wordt een gedetailleerde opgave gedaan van de uit te voeren reparaties en daarmee corresponderende reparatiekosten. Ook blijkt uit het rapport dat er meerdere offertes van scheepswerven zijn aangevraagd voor het herstel van de cascoschade. Wat betreft de keuze van de werf De Schroef, heeft Zandkreek in reactie op het verweer van [eisers] gesteld dat zij een afweging heeft gemaakt tussen de extra tijd van op en neer varen naar Rotterdam en de langere periode van herstelwerkzaamheden bij de werf Hoogerwaard en dat het prijsvoordeel zou wegvallen tegen de verhoogde vaarkosten en extra bedrijfsschade.
De omstandigheid dat [eisers] of zijn expert [naam 1] niet dadelijk de schade aan de ‘ [naam schip 2] ’ is gaan opnemen, komt voor rekening van [eisers] , nu gesteld noch gebleken is dat Zandkreek hem de mogelijkheid tot schadeopneming heeft onthouden. Van een schadelijdende partij, die bedrijfsschade lijdt doordat haar beschadigde schip niet inzetbaar is, kan niet zonder meer worden verwacht dat zij met herstel van de schade wacht totdat een expert van de aansprakelijke partij de schade is komen opnemen. Bovendien heeft Zandkreek onweersproken gesteld dat beschadigde en van het schip verwijderde onderdelen door het werfpersoneel op de kade waren geplaatst zodat onderzoek daaraan nog mogelijk was. De rechtbank zal de cascoschade aan de ‘ [naam schip 2] ’ dan ook vaststellen op een bedrag van € 28.614,50.
2. bedrijfsschade
2.49.
Zandkreek stelt dat het schip ten behoeve van de reparatie van 17 maart 2015 tot en met 31 maart 2015, derhalve 15 kalenderdagen niet inzetbaar is geweest. Ter onderbouwing van de door haar geleden bedrijfsschade heeft zij verwezen naar de vrachtfacturen van Zandkreek aan Zandhandel Faasse B.V. voor week 49 tot en met 52 in 2014 en week 1 tot en met 23 in 2015 en de door haar gemaakte spreadsheet met de berekening van haar tijdverletschade die uitkomt op een bedrag van (15 x € 793,46 =) € 11.901,89.
Zandkreek hanteert daarbij de volgende berekening. De bruto besomming in de periode 2 december 2014 tot en met 28 mei 2015 (=177 kalenderdagen) bedroeg € 159.171,88. Hierop worden in mindering gebracht de directe vaarkosten (gasoliebesparing) van € 44.120,27. Andere kosten als bemanning, die niet elders kan worden ingezet, en onderhoud lopen door. Dit resulteert in een netto besomming van € 115.051,61, gerealiseerd in 177 kalenderdagen, waarvan 17 dagen niet is gevaren wegens kerstvakantie (20 december 2014 t/m 6 januari 2015) en 15 dagen (17 t/m 31 maart 2015) niet is gevaren doordat aan de werf werd gerepareerd. De gemiddelde netto besomming per dag bedraagt dan € 793,46 en de totale tijdverletschade (15 x € 793,46 =) € 11.901,89.
[eisers] betwist de verschuldigdheid en hoogte van de bedrijfsschade. [eisers] stelt dat Zandkreek koos voor reparatie bij gelegenheid, maar dat uit de rapportage van [naam 2] bleek dat omstreeks 17 maart 2015 het werk voor de Zandkreek stil viel, waarop werd besloten om naar De Schroef te varen voor herstel.
Zandkreek heeft in reactie op het verweer van [eisers] gesteld dat er voor de ‘ [naam schip 2] ’ weldegelijk werk was en dat daarom eerst een noodreparatie is uitgevoerd en het herstel daarom is uitgesteld tot 17 maart 2015. Zandkreek stelt ook dat zij in vaste opdracht van Zandhandel Faasse B.V. de ‘ [naam schip 2] ’ inzette.
[eisers] heeft hierop niet meer inhoudelijk gereageerd.
2.50.
Het lag op de weg van [eisers] om op deze reactie van Zandkreek in te gaan. Nu [eisers] dat niet meer heeft gedaan, gaat de rechtbank uit van de gedetailleerde en onderbouwde beschrijving van de gang van zaken door Zandkreek .
Nu tussen partijen vast staat dat de ‘ [naam schip 2] ’ bij de aanvaring was beschadigd, moest het schip gerepareerd worden.
Tenzij voor de ‘ [naam schip 2] ’ geen emplooi was – maar dat was er dus wel – zal de reparatietijd hebben geleid tot bedrijfsschade bij Zandkreek . De door Zandkreek gestelde periode van bedrijfsschade spoort met de gegevens betreffende de reparatie van het schip. De omvang van de bedrijfsschade is door Zandkreek op de gebruikelijke wijze berekend en door Zandkreek onderbouwd.
[eisers] heeft ten aanzien van de berekening van de tijdverletschade aangevoerd dat ten onrechte van de omzet slechts de bespaarde kosten van gasolie zijn afgetrokken en niet andere gebruikelijke bedrijfskosten in mindering zijn gebracht. [eisers] heeft echter niet aangegeven welke kosten Zandkreek ten onrechte niet in mindering heeft gebracht. Daarom gaat de rechtbank aan dit niet onderbouwde verweer voorbij.
De gevorderde bedrijfsschade zal daarom worden vastgesteld op een bedrag van € 11.901,89.
3. expertisekosten
2.51.
Zandkreek vordert vergoeding van expertisekosten met verwijzing naar de nota van [naam 2] van 6 november 2015 met nummer 1503026 ten bedrage van € 4.594,98 en de nota’s van [naam 2] van 3 juni 2017 met nummers 1503027 ten bedrage van € 16.109,- en 1705085 ten bedrage van € 4.737,27.
[eisers] betwist de verschuldigdheid en de hoogte van de gevorderde expertisekosten [eisers] voert aan dat geen van beide nota’s van 3 juni 2017 betrekking heeft op het vaststellen van de schade van Zandkreek en daarom niet op grond van artikel 6:96 lid 2 BW voor vergoeding in aanmerking komen. Ook voert [eisers] aan dat gelet op de data van de nota met nr. 1705085, de nota kennelijk geruime tijd (bijna twee jaar) na de vermeende werkzaamheden is opgemaakt en dat van de gestelde werkzaamheden zoals overleg met Rijkswaterstaat en ILT, een voorbericht en een interventierapport niets is gebleken. Wat betreft de nota met nr. 1503027 voert [eisers] aan dat de rapportage waarop de nota ziet een reactie is op het rapport van [naam 1] en derhalve kosten zijn die zijn gemaakt in het kader van de conclusie van antwoord in conventie, die bestreken worden door het liquidatietarief en niet afzonderlijk kunnen worden gevorderd.
2.52.
Slechts de kosten van de expert van Zandkreek die binnen het kader van artikel 6:96 lid 2 BW vallen kunnen als aan de aanvaring toerekenbare schade aan de zijde van Zandkreek worden aangemerkt. Het gaat dan om de kosten van de vaststelling van de oorzaak, de aard en de omvang van de schade aan de ‘ [naam schip 2] ’ en de eventuele aansprakelijkheid van [naam eiser] voor die schade.
Expertisekosten met betrekking tot verweer tegen de vorderingen van [eisers] vallen buiten dat bestek. Uit de expertiserapporten van [naam 2] blijkt dat een gedeelte van de werkzaamheden het verweer tegen de vorderingen van [eisers] betreft. De post “expertisekosten opname [naam schip 1] van € 13.313,23” valt ook buiten dat bestek. De data van de nota’s van [naam 2] wijzen ook in die richting.
De rechtbank kan de omvang van de wel aan de schade van Zandkreek toe te rekenen expertisekosten niet begroten, bij gebrek aan een volledige tijdsspecificatie van de werkzaamheden van [naam 2] . Daarom stelt de rechtbank de wel aan de aanvaring toerekenbare schade aan de zijde van Zandkreek schattenderwijs vast op € 6.000,-.
2.53.
Dit brengt de rechtbank tot de slotsom dat aan de zijde van de ‘ [naam schip 2] ’ als aan de aanvaring toerekenbare schade valt aan te merken:
cascoschade € 28.614,50
bedrijfsschade € 11.614,89
schade als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW € 6.000,- +
derhalve in totaal € 46.229,39.
2.54.
Nu tegen de rente-ingangsdata geen zelfstandig verweer is gevoerd, is over deze schadeposten de wettelijke rente verschuldigd zoals gevorderd.
2.55.
Gelet op de schuldverdeling is van deze schadeposten telkens 40% toewijsbaar ten last van [naam eiser] , derhalve:
cascoschade € 11.445,80
te vermeerderen met de wettelijke rente bedoeld in artikel 6:119 BW te berekenen vanaf de datum van de aanvaring, 4 maart 2015;
bedrijfsschade € 4.645,96
te vermeerderen met de wettelijke rente bedoeld in artikel 6:119 BW te berekenen vanaf 1 april 2015;
schade als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW € 2.400,-
te vermeerderen met de wettelijke rente bedoeld in artikel 6:119 BW te berekenen vanaf de datum van het nemen van de conclusie van eis in reconventie, 14 juli 2017.
uitvoerbaar bij voorraad
2.56.
Als gevorderd en niet zelfstandig bestreden, zal de rechtbank de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaren.
proceskosten
2.57.
De rechtbank ziet aanleiding om de proceskosten te compenseren, nu partijen over en weer gedeeltelijk in het gelijk en gedeeltelijk in het ongelijk zijn gesteld.
3. De beslissing
De rechtbank
3.1.
in conventie
3.1.1.
veroordeelt Zandkreek om aan [naam eiser] te betalen:
een bedrag van € 40.065,30, te vermeerderen met de wettelijke rente bedoeld in artikel 6:119 BW te berekenen vanaf 4 maart 2015 tot aan de dag van algehele voldoening;
3.1.2.
veroordeelt Zandkreek om aan Helvetia te betalen:
een bedrag van € 136.993,32, te vermeerderen met de wettelijke rente bedoeld in artikel 6:119 BW te berekenen vanaf 4 maart 2015 tot aan de dag van algehele voldoening;
3.1.3.
veroordeelt Zandkreek om aan Helvetia te betalen:
een bedrag van € 9.804,96, te vermeerderen met de wettelijke rente bedoeld in artikel 6:119 BW te berekenen vanaf de desbetreffende factuurdata tot aan de dag van algehele voldoening;
3.1.4.
veroordeelt Zandkreek om aan [naam eiser] te betalen:
een bedrag van € 2.158,08, te vermeerderen met de wettelijke rente bedoeld in artikel 6:119 BW te berekenen vanaf 3 maart 2017 tot aan de dag van algehele voldoening;
3.1.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
3.1.6.
wijst af het meer of ander gevorderde;
3.2.
in reconventie:
3.2.1.
veroordeelt [naam eiser] om aan Zandkreek te betalen:
een bedrag van € 11.445,80 , te vermeerderen met de wettelijke rente bedoeld in artikel 6:119 BW te berekenen vanaf 4 maart 2015 tot aan de dag van algehele voldoening; en
een bedrag van € 4.645,96 te vermeerderen met de wettelijke rente bedoeld in artikel 6:119 BW te berekenen vanaf 1 april 2015 tot aan de dag van algehele voldoening; en
een bedrag van € 2.400,00 , te vermeerderen met de wettelijke rente bedoeld in artikel 6:119 BW te berekenen vanaf 14 juli 2017 tot aan de dag van algehele voldoening;
3.2.2.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
3.2.3.
wijst af het meer of ander gevorderde;
3.3.
in conventie en in reconventie:
3.3.1.
compenseert de proceskosten zodat ieder van partijen haar eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.P. Sprenger en ondertekend en in het openbaar uitgesproken door de rolrechter mr. C. Bouwman op 1 april 2020.1.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 01‑04‑2020
Uitspraak 19‑06‑2019
Inhoudsindicatie
Aanvaring bij de Oostsluis in het Kanaal van Gent naar Terneuzen. Schuldverdeling.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/524656 / HA ZA 17-355
Vonnis van 19 juni 2019
in de zaak van
1. [eiser] ,
wonende te [woonplaats eiser] , België,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
2. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging
HELVETIA ASSURANCES S.A.,
gevestigd te Courbevoie Cedex , Frankrijk,
eiseres in conventie,
advocaat mr. J.F. van der Stelt te Rotterdam,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
ZANDKREEK B.V.,
gevestigd te Goes,
gedaagde,
eiseres in reconventie,
advocaat mr. T. Roos te Capelle aan den IJssel.
Partijen zullen hierna [eiser] c.s. en Zandkreek worden genoemd. Eisers in conventie zullen afzonderlijk [eiser] en Helvetia worden genoemd.
1. De procedure
1.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- -
de dagvaarding van 3 maart 2017 met acht producties;
- -
de akte tot het in het geding brengen van producties, tevens houdende vermeerdering/invulling van eis, met twee producties, van [eiser] c.s.;
- -
de akte van depot van een USB-stick, met een USB-stick, van [eiser] c.s.;
- -
de conclusie van antwoord in conventie tevens van eis in reconventie, met twaalf producties, waaronder een USB-stick;
- -
de brief van de rechtbank van 19 juli 2017 waarin partijen zijn opgeroepen voor een comparitie van partijen;
- -
de brief van de rechtbank van 9 oktober 2017 met de ter zitting te bespreken onderwerpen;
- -
de akte in conventie en reconventie tevens conclusie van antwoord in reconventie, met twintig producties, van [eiser] c.s.;
- -
de ter comparitie overgelegde spreekaantekeningen van de zijde van [eiser] c.s.;
- -
de ter comparitie overgelegde spreekaantekeningen van de zijde van Zandkreek ;
- -
het proces-verbaal van de comparitie van 17 mei 2018;
- -
de in reactie op het proces-verbaal ingekomen brieven van mr. Roos van 28 juni 2018 en van mr. Van Dam van 3 juli 2018;
- -
het tussenvonnis van 20 maart 2019, waarin een van de rechters werd vervangen;
- -
de mededelingen van partijen ter rolle dat zij afzien van een nadere mondelinge behandeling en vonnis verlangen van de nieuw samengestelde combinatie van rechters.
2. De vorderingen en verweren
in conventie
2.1.
[eiser] c.s. vordert na eiswijziging bij akte – kort gezegd – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
1. voor recht zal verklaren dat Zandkreek aansprakelijk en tot vergoeding verplicht is voor alle door [eiser] c.s. geleden en nog te lijden schade als gevolg van de aanvaring tussen de ‘ [naam schip 1] ’ en de ‘ [naam schip 3] ’ die op 4 maart 2015 plaatsvond in het toeleidingskanaal naar de Oostsluis te Terneuzen;
2. voor recht zal verklaren dat [eiser] niet aansprakelijk is voor de door Zandkreek geleden en/of nog te lijden schade als gevolg van die aanvaring;
3. Zandkreek zal veroordelen tot betaling:
a. aan [eiser] van € 73.145,74 voor niet door verzekeraars vergoede casco- en verletschade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 maart 2015 althans vanaf de dag van dagvaarding,
b. aan Helvetia € 291.213,26, voor door deze aan [eiser] vergoede casco- en verletschade, waarvoor deze in de rechten van [eiser] is gesubrogeerd, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 4 maart 2015 althans vanaf de dag van dagvaarding,
c. aan Helvetia € 16.341,60 voor kosten gemaakt ter vaststelling van schade als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 aanhef onder b BW, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de factuurdata, althans vanaf de dag van dagvaarding,
d. aan [eiser] , althans aan Helvetia , € 3.596,80 voor buitengerechtelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 aanhef onder c BW, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de dag van dagvaarding, en
4. Zandkreek zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten met bepaling dat die kosten binnen twee weken moeten zijn betaald.
2.2.
Daartoe stelt [eiser] c.s. – samengevat weergegeven – dat de ‘ [naam schip 3] ’ als enige schuld heeft aan de aanvaring.
2.2.1.
De ‘ [naam schip 3] ’ voer, anders dan onder de gegeven omstandigheden – waarbij de vaarweg voor de ‘ [naam schip 3] ’ een bocht naar bakboord maakte en langs de bakboordoever schepen lagen afgemeerd waardoor het zicht werd beperkt – van haar mocht worden verwacht, in de voor haar bakboordzijde van het vaarwater, althans in het midden van het vaarwater.
2.2.2.
Aan boord van de ‘ [naam schip 3] ’ heeft men niet behoorlijk uitkijk gehouden en de ‘ [naam schip 1] ’ niet (tijdig) zien aankomen. Zo verklaarde de schipper [naam schipper 1] na de aanvaring over de marifoon “ja, ik had u niet gezien meneer”.
2.2.3.
Het OM heeft aan schipper [naam schipper 1] ter zake van de aanvaring een strafbeschikking opgelegd, waaraan hij heeft voldaan. Ook daaruit blijkt van schuld van de ‘ [naam schip 3] ’.
2.3.
Helvetia heeft een gedeelte van de schade aan de zijde van [eiser] c.s. aan [eiser] vergoed en is in de rechten van [eiser] gesubrogeerd. Van de overige schade vordert [eiser] zelf vergoeding.
2.4.
De conclusie van Zandkreek strekt tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van [eiser] c.s. in de proceskosten.
2.5.
Daartoe voert Zandkreek – samengevat weergegeven – het volgende aan.
2.5.1.
Zandkreek betwist dat de ‘ [naam schip 3] ’ schuld heeft aan de aanvaring. Zandkreek voert aan dat de aanvaring het gevolg is van gedragingen aan boord van de ‘ [naam schip 1] ’.
2.5.2.
In plaats van te hebben gewacht totdat de scheepvaart die uit de Oostsluis kwam het toeleidingskanaal was uitgevaren, is de ‘ [naam schip 1] ’ al de nauwte van het toeleidingskanaal ingevaren. Dit terwijl men op de ‘ [naam schip 1] ’ via de AIS de ‘ [naam schip 3] ’ kon zien aankomen.
2.5.3.
In plaats van de voor haar naar stuurboord lopende bocht van het toeleidingskanaal te volgen, heeft de ‘ [naam schip 1] ’ haar koers naar bakboord verlegd, waarbij zij de koerslijn van de ‘ [naam schip 3] ’ is gaan kruisen. Dat blijkt ook uit de omstandigheid dat de schepen elkaar met de stuurboordboegen hebben geraakt.
2.5.4.
Indien schipper [naam schipper 2] van de ‘ [naam schip 1] ’ van mening was dat de ‘ [naam schip 3] ’ onvoldoende haar stuurboordwal hield of onvoldoende ruimte aan haar bakboordzijde liet voor een bakboord-op-bakboord passage, dan had hij kunnen en moeten waarschuwen, door marifooncontact op te nemen met de ‘ [naam schip 3] ’.
2.5.5.
In strijd met artikel 3.10 van het Reglement betreffende het Scheepvaartpersoneel op de Rijn (hierna: RSP) heeft de ‘ [naam schip 1] ’ meer dan veertien uur per dag gevaren en het voorschrift dat de vaart gedurende acht aaneengesloten uren moet worden onderbroken tussen 22:00 uur en 06:00 uur veronachtzaamd. Zodoende had de ‘ [naam schip 1] ’ ten tijde van de aanvaring helemaal niet mogen varen. Bovendien beschikte de ‘ [naam schip 1] ’ niet over een tachograaf, zodat zij geen gebruik kon maken van de in het RSP geboden mogelijkheid tot verlenging van het aantal exploitatie-uren. Voorts had schipper [naam schipper 2] van de ‘ [naam schip 1] ’ de uren voorafgaande aan de aanvaring de voorgeschreven rusttijden niet in acht genomen, waardoor hij (over)vermoeid moet zijn geweest en daardoor niet op de juiste wijze heeft gehandeld hetgeen tot de aanvaring heeft geleid.
2.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover voor de beoordeling van belang, nader ingegaan.
In reconventie
2.7.
Met beroep op haar standpunten in conventie, vordert Zandkreek in reconventie – kort gezegd – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [verweerder] zal veroordelen tot betaling aan Zandkreek van:
a. € 28.614,50 voor cascoschade aan de ‘ [naam schip 3] ’ te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 maart 2015;
b. € 11.901,89 voor bedrijfsschade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 april 2015;
c. € 3.797,50, € 13.313,23 en € 3.915,10 voor expertisekosten, te vermeerderen met de wettelijke rente sinds 14 juli 2017, de dag van het nemen van de conclusie van eis in reconventie;
met veroordeling van [verweerder] c.s. in de proceskosten.
2.8.
De conclusie van [verweerder] strekt tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van Zandkreek in de proceskosten bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis.
Daartoe verwijst [verweerder] naar zijn standpunten in conventie.
2.9.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover voor de beoordeling van belang, nader ingegaan.
3. De beoordeling
In conventie en in reconventie
Internationale bevoegdheid; toepasselijk recht
3.1.
Nu partijen in verschillende staten woonachtig c.q. gevestigd zijn en een aanvaring heeft plaatsgevonden tussen schepen die in verschillende staten zijn teboekgesteld, is sprake van een internationaal geval. Daarom dient de rechtbank eerst te onderzoeken of zij (internationaal) bevoegd is en, zo ja, welk recht toepasselijk is.
3.2.
Ter comparitie hebben partijen eenstemmig verklaard dat zij de (internationale) bevoegdheid van de rechtbank aanvaarden.
3.3.
De aanvaring tussen de ‘ [naam schip 1] ’ en de ‘ [naam schip 3] ’ vond plaats op het Kanaal van Gent naar Terneuzen, in de gemeente Terneuzen, in Nederland.
Partijen hebben ter comparitie eenstemmig verklaard dat van toepassing zijn:
- het Nederlands recht, met name de artikelen 8:1000 e.v. BW;
- het Scheepvaartreglement voor het Kanaal van Gent naar Terneuzen (hierna: SRKGT) en
- het Reglement voor Scheepvaartpersoneel op de Rijn.
Ter comparitie hebben partijen voorts bevestigd dat het Binnenvaartpolitiereglement niet van toepassing is.
De rechtbank is een en ander met partijen eens.
3.4.
De zaken in conventie en in reconventie lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
Feiten; toedracht
3.5.
Bij de beoordeling gaat de rechtbank uit van de volgende, enerzijds gestelde en anderzijds niet (voldoende) betwiste feiten en omstandigheden, en de in zoverre niet (voldoende) betwiste producties waarop beroep is gedaan. Bij die producties bevindt zich onder meer de AIS-incidentregistratie van de Schelderadarketen, waarop beide partijen beroep doen.
3.6.
Uit een en ander leidt de rechtbank de volgende gegevens en toedracht van de aanvaring af.
3.6.1.
Op 4 maart 2015, rond 3.35 uur zijn de binnenschepen ‘ [naam schip 1] ’ en ‘ [naam schip 3] ’ met elkaar in aanvaring gekomen in het toeleidingskanaal ten zuiden van de Midden- en de Oostsluis in het Kanaal van Gent naar Terneuzen, in de gemeente Terneuzen.
3.6.2.
Het motorvrachtschip ‘ [naam schip 1] ’ stond in het Belgische scheepsregister als binnenschip ingeschreven en had de volgende afmetingen: lengte 110 meter, breedte 9,50 meter, maximale diepgang 3,04 meter en een laadvermogen van 2.190,771 ton.
De ‘ [naam schip 1] ’ was voorzien van radar- en AIS-apparatuur.
De ‘ [naam schip 1] ’ voer, beladen met een lading kolen van 1.781 ton en met een diepgang van 3,04 meter, in noordelijke richting over het Kanaal van Gent naar Terneuzen, naar de Oostsluis.
Eiser [eiser] , eigenaar en schipper van de ‘ [naam schip 1] ’, stond aan het roer.
Aan boord van de ‘ [naam schip 1] ’ stonden de marifoons aan op de VHF kanalen 11 en 18. De radar stond aan op een bereik van 500 meter.
3.6.3.
Het motorvrachtschip ‘ [naam schip 3] ’ stond in het Nederlandse scheepsregister als binnenschip ingeschreven en had de volgende afmetingen: lengte 84,11 meter, breedte 10,34 meter, maximale diepgang 3,12 meter en een laadvermogen van 1.496,50 ton.
De ‘ [naam schip 3] ’ was voorzien van radar- en AIS-apparatuur.
De ‘ [naam schip 3] ’ voer, beladen met 2.041 ton zand en met een diepgang van 3,12 meter, in zuidelijke richting naar Sluiskil en was de Oostsluis gepasseerd.
Schipper [naam schipper 1] stond aan het roer van de ‘ [naam schip 3] ’. Eigenaar van het schip was [naam schip 3] .
Aan boord van de ‘ [naam schip 3] ’ stond de marifoon aan op VHF kanaal 11, ook stond de AIS-apparatuur aan.
3.6.4.
Het toeleidingskanaal is ongeveer 650 meter lang. Het vaarwater van het toeleidingskanaal bevat een flauwe kromming langs de Schependijk en is niet overal even breed. Op het breedste gedeelte is het vaarwater omstreeks 225 meter breed, op het smalste ongeveer 95 meter. Ter plaatse van de aanvaring is het vaarwater omstreeks 105 meter breed, de aldaar afgemeerde schepen niet meegerekend.
Er was geen stroom in het toeleidingskanaal.
Vergelijk voor een overzicht van de Oostsluis en het toeleidingskanaal een recente Google Maps luchtfoto en wegenkaart, welke overeenkomt met productie 1 van [eiser] c.s.:


3.6.5.
Langs de oostelijke oever van het toeleidingskanaal, langs de Schependijk, aan de binnenzijde van de flauwe kromming, lagen vier binnenschepen afgemeerd, de ‘ [naam schip 4] ’ (lengte 110 meter; breedte 11 meter), de ‘ [naam schip 5] ’ (110 m; 11,45 m), de ‘ [naam schip 6] ’ (26,50 m; 6,30 m) en de ‘ [naam schip 7] ’ (105 m; 9,50 m). De ‘ [naam schip 7] ’ lag langszij de ‘ [naam schip 6] ’ gemeerd, welke laatste langs de oever lag.
Langs de westelijke oever lagen twee kleinere schepen afgemeerd.
3.6.6.
Ten tijde van de aanvaring waren de weersomstandigheden als volgt. Het was nacht, donker. Het zicht was goed. Het was licht bewolkt, er was geen neerslag. Er stond een westelijke wind van 4 tot 5 Beaufort.
3.6.7.
Eerst waren de binnenschepen ‘ [naam schip 2] ’ en ‘ [naam schip 8] ’ de Oostsluis uit gevaren. Deze schepen voeren vervolgens in zuidwestelijke richting, ongeveer 30 meter uit de westelijke oever van het toeleidingskanaal.
3.6.8.
Omstreeks 03:31 uur voer de ‘ [naam schip 3] ’ de Oostsluis uit en de voorhaven aansluitende aan het toeleidingskanaal binnen.
Vergelijk de schermafdruk uit de AIS-incidentregistratie, waarin de ‘ [naam schip 1] ’ is aangeduid als “ [naam 1] ”, de ‘ [naam schip 3] ’ als “ [naam 2] ”, de ‘ [naam schip 2] ’ als “ [naam 3] ” en de ‘ [naam schip 8] ’ als “ [naam 4] ”:

3.6.9.
Om 03:33:23 uur voer de ‘ [naam schip 3] ’ de voorhaven van de Oostsluis uit. De ‘ [naam schip 3] ’ voer toen een koers van omstreeks 173° en had toen een snelheid van omstreeks 5,5 knopen, derhalve 10,2 km/u.
Tezelfdertijd voer de ‘ [naam schip 1] ’ het toeleidingskanaal in en passeerde bakboord-op-bakboord de ‘ [naam schip 2] ’. De ‘ [naam schip 1] ’ had toen een snelheid van omstreeks 6,5 knopen, derhalve 12 km/u. Weliswaar betwist [eiser] c.s. ter comparitie dat de ‘ [naam schip 1] ’ met zodanige snelheid voer, maar die snelheid blijkt uit de incidentregistratie, waarop ook [eiser] c.s. zich beroept, en de betwisting door [eiser] c.s. is zonder onderbouwing. Hetzelfde geldt voor de overige hier genoemde snelheden van de ‘ [naam schip 1] ’.
Vergelijk de schermafdruk uit de AIS-incidentregistratie:

3.6.10.
Om 03:34:10 uur passeerde de ‘ [naam schip 1] ’ aan stuurboord de langs de oostelijke oever afgemeerde ‘ [naam schip 7] ’ en ‘ [naam schip 6] ’ op een afstand van ongeveer 20 meter (gezien vanaf de ‘ [naam schip 7] ’, het buitenste schip) en aan bakboord de ‘ [naam schip 8] ’. De ‘ [naam schip 1] ’ voer een koers van omstreeks 324° met een snelheid van omstreeks 12 km/u. Toen voer de ‘ [naam schip 3] ’ een koers van omstreeks 172° met een snelheid van omstreeks 10,2 km/u. De ‘ [naam schip 3] ’ voer toen in de oostelijke helft van het vaarwater.
De (verlengde) koersen van de beide schepen kruisten elkaar.
De afstand tussen de beide schepen was toen omstreeks 385 meter.
Door de langs de oostelijke oever afgemeerde schepen konden de schippers van elk van de beide schepen het andere schip niet zien.
Vergelijk de schermafdruk uit de AIS-incidentregistratie:

3.6.11.
Om 03:34:30 voer de ‘ [naam schip 1] ’ nog in het nauwste gedeelte van het toeleidingskanaal met een koers van omstreeks 325° en een snelheid van omstreeks 12 km/u.
De ‘ [naam schip 3] ’ bevond zich toen nog in een breder gedeelte in de oostelijke helft van het vaarwater en voer een koers van omstreeks 170° met een snelheid van omstreeks 10,2 km/u.
De (verlengde) koersen van de beide schepen kruisten elkaar.
De afstand tussen de beide schepen was toen nog omstreeks 275 meter.
De beide schepen bleven die koersen en snelheden aanhouden tot in ieder geval 03:34:36 uur, vanaf welk moment de incidentregistratie geen beeld meer geeft tot 03:35:08 uur.
Vergelijk de schermafdrukken uit de AIS-incidentregistratie:


3.6.12.
Even later was de ‘ [naam schip 3] ’ in het nauwere gedeelte van het toeleidingskanaal gekomen en voer het schip omstreeks 50 meter uit de westelijke oever daarvan.
Toen heeft schipper [naam schipper 2] met een zoeklicht in de richting van de ‘ [naam schip 3] ’ geschenen.
Omstreeks 03:34:50 uur sprak schipper [naam schipper 1] via de marifoon (VHF kanaal 11): “eh, zo zie ik niets meer, he”.
Dadelijk daarop zijn beide schepen met de stuurboordboegen omstreeks het midden van het vaarwater met elkaar in botsing gekomen, op een met een +teken op de AIS-incidentregistratie aangeduide plaats, ter hoogte van de plaats waar de ‘ [naam schip 4] ’ lag afgemeerd.
Omstreeks 03:35:10 heeft schipper [naam schipper 2] via de marifoon (VHF kanaal 11) gezegd: “Nicht normal – nicht normal”.
Daarop antwoordde schipper [naam schipper 1] : “ja, ik had u niet gezien, meneer”.
3.7.
Het Openbaar Ministerie heeft schipper [naam schipper 1] ter zake van de aanvaring een strafbeschikking opgelegd. Schipper [naam schipper 1] heeft deze voldaan.
3.8.
Beide schepen hebben schade opgelopen door de aanvaring. De beide schepen dienden gerepareerd te worden voordat zij weer geëxploiteerd konden worden.
3.9.
Helvetia is de cascoverzekeraar van [eiser] . Helvetia heeft een gedeelte vergoed van de cascoschade en van de bedrijfsschade die [eiser] als gevolg van de aanvaring heeft geleden.
beoordeling
3.10.
De vorderingen in conventie en in reconventie zijn gegrond op de stellingen dat de aanvaring is veroorzaakt door schuld van het schip van de wederpartij als bedoeld in artikel 8:1004 e.v. BW. Voor de beoordeling van de vorderingen dient de rechtbank te bepalen of en in hoeverre elk van de schepen schuld, dan wel medeschuld aan de aanvaring treft als aldaar bedoeld.
3.11.
Op de comparitie hebben beide partijen gevraagd om de beoordeling voorlopig te beperken tot de vragen naar aansprakelijkheid. De rechtbank volgt partijen daarin.
3.12.
Het gaat hier om aan aanvaring op het toeleidingskanaal naar de Midden- en Oostsluis, een gedeelte van het openbare vaarwater van het Kanaal van Gent naar Terneuzen. Hoofdstuk 2 van het SRKGT geeft voorschriften voor de vaart aldaar.
3.13.
Hoewel het toeleidingskanaal wat smallere gedeelten heeft, was op 4 maart 2015 geen sprake van een situatie dat de beide schepen elkaar niet behoorlijk konden naderen en voorbij varen, ook niet ter plaatse waar binnenschepen langs de oostelijke en de westelijke oevers lagen afgemeerd. Het vaarwater van het toeleidingskanaal was op het nauwste gedeelte omstreeks 95 meter breed en ter plaatse van de aanvaring omstreeks 105 meter breed. Rekening houdende met de afgemeerde binnenschepen was derhalve over een breedte van ten minste 70 meter doorvaart mogelijk. Er was geen sprake van een engte zodat schepen met tegengestelde koersen elkaar niet tegelijkertijd voorbij konden varen (vgl. artikel 6 lid 5 SRKGT).
De nauwte van het toeleidingskanaal vormt daarom geen grond voor het standpunt dat de ‘ [naam schip 1] ’ had behoren te wachten met het invaren van het toeleidingskanaal totdat alle uit de Oostsluis afkomstige scheepvaart voorbij gevaren zou zijn.
Gesteld noch gebleken is dat ter plaatse enig (ander) voorschrift meebrengt dat de ‘ [naam schip 1] ’ had behoren te wachten met het invaren van het toeleidingskanaal totdat alle uit de Oostsluis afkomstige scheepvaart voorbij gevaren zou zijn.
Daarom verwerpt de rechtbank het betoog van Zandkreek dat de ‘ [naam schip 1] ’ aldus vóór het toeleidingskanaal had behoren te wachten.
3.14.
Waar de ‘ [naam schip 3] ’ de Oostsluis uitgekomen was en via het toeleidingskanaal naar het Kanaal van Gent naar Terneuzen voer en de ‘ [naam schip 1] ’ vanaf dat Kanaal via het toeleidingskanaal naar de Oostsluis voer, voeren de beide schepen in beginsel op tegengestelde koersen.
Wegens de (flauwe) bocht in het toeleidingskanaal, die de schepen van tegengestelde kanten naderden, moesten de beide schepen bijsturen om het kanaal te volgen. Daardoor konden de koersen van de schepen elkaar gaan kruisen, maar die omstandigheid brengt niet mee dat de schepen daarom op kruisende koersen kwamen te varen zoals bedoeld in artikel 15 SRKGT.
Bovendien wordt ingevolge artikel 14 lid 2 SRKGT bij twijfel of een situatie van tegengestelde koersen bestaat, aangenomen dat dit het geval is en dienen beide schepen dienovereenkomstig te handelen.
Ingevolge artikel 14 SRKGT dienden beide schepen derhalve, toen zij elkaar in het zicht kregen of behoorden te krijgen, naar stuurboord uit te wijken zodat zij elkaar aan bakboord voorbij konden varen (bakboord-op-bakboord).
Voor zover Zandkreek betoogt dat de ‘ [naam schip 1] ’ en de ‘ [naam schip 3] ’ op kruisende koersen voeren, verwerpt de rechtbank dat betoog.
3.15.
Ingevolge artikel 6 SRKGT dient een schip te allen tijde een veilige vaart aan te houden zodat het juiste en doeltreffende maatregelen kan nemen ter vermijding van aanvaring en kan worden gestopt binnen een voor de heersende omstandigheden en toestanden aangepaste afstand.
Ingevolge artikel 9 lid 1 SRKGT dient een schip in beginsel langs de oever aan zijn stuurboordzijde te varen zo dicht als veilig en uitvoerbaar is.
De ‘ [naam schip 3] ’
3.16.
Voordat de ‘ [naam schip 3] ’ de Oostsluis uitvoer, waren de ‘ [naam schip 2] ’ en de ‘ [naam schip 8] ’ die sluis uit en via de voorhaven het toeleidingskanaal op gevaren. Zowel de ‘ [naam schip 2] ’ als de ‘ [naam schip 8] ’ hebben naar stuurboord gedraaid, in zuidwestelijke richting, en zijn vervolgens op een afstand van omstreeks 30 meter uit de westelijke oever over het toeleidingskanaal gevaren. Door te stuurboorden naar de westelijke oever hebben de ‘ [naam schip 2] ’ en de ‘ [naam schip 8] ’ het vaarwater van het toeleidingskanaal opengevaren. Dat was onder de gegeven omstandigheden het aangewezen gedrag, omdat het donker was, het toeleidingskanaal een flauwe bocht (gezien vanaf de Oostsluis) naar bakboord maakt en het zicht over de oostelijke zijde van het toeleidingskanaal belemmerd was door de langs de oostelijke oever afgemeerde schepen. Zowel de ‘ [naam schip 2] ’ als de ‘ [naam schip 8] ’ zijn de ‘ [naam schip 1] ’ vervolgens bakboord-op-bakboord voorbij gevaren.
Gesteld noch gebleken is dat en waarom het voor de ‘ [naam schip 3] ’ niet mogelijk was om (net zoals de ‘ [naam schip 2] ’ en de ‘ [naam schip 8] ’) het vaarwater van het toeleidingskanaal naar stuurboord open te varen en op een afstand van omstreeks 30 meter uit de westelijke oever het toeleidingskanaal door te varen. Anders dan de ‘ [naam schip 2] ’ en de ‘ [naam schip 8] ’ volgt uit de door de ‘ [naam schip 3] ’ gevaren (van 173° krimpende) koers dat dit schip de flauwe bocht in het toeleidingskanaal als het ware heeft afgesneden en in de oostelijke helft van het vaarwater heeft gevaren. Anders dan de ‘ [naam schip 2] ’ en de ‘ [naam schip 8] ’ is de ‘ [naam schip 3] ’ op omstreeks 50 meter uit de westelijke oever van het toeleidingskanaal gaan varen. Gelet op de breedte van het toeleidingskanaal (toelopend tot 95 meter) was dat niet in overeenstemming met het voorschrift van artikel 9 lid 1 SRKGT.
De omstandigheid dat (anders dan de ‘ [naam schip 2] ’ en de ‘ [naam schip 8] ’ die ledig waren) de ‘ [naam schip 3] ’ beladen was, brengt niet mee dat het voor de ‘ [naam schip 3] ’ onmogelijk moet zijn geweest om bij het uitvaren van de voorhaven voor de Oostsluis eerst te stuurboorden naar de westelijke oever en zodoende het vaarwater van het toeleidingskanaal open te varen. Dat openvaren zal voor de beladen ‘ [naam schip 3] ’ wellicht meer tijd hebben gekost, maar dat het niet mogelijk was is gesteld noch gebleken.
3.17.
Doordat het donker was, het toeleidingskanaal een flauwe bocht naar bakboord (gezien vanaf de Oostsluis) maakt en het zicht over de oostelijke zijde van het toeleidingskanaal belemmerd was door de langs de oostelijke oever afgemeerde schepen, kon schipper [naam schipper 1] vanaf de ‘ [naam schip 3] ’ de naderende ‘ [naam schip 1] ’ met het oog niet waarnemen. Zo heeft schipper [naam schipper 1] ook verklaard bij de politie (zie proces-verbaal [proces-verbaalnummer] , verhoor van verdachte). Schipper [naam schipper 1] moest daarom met behulp van (de radar of) AIS bezien of vanaf de andere zijde van het toeleidingskanaal scheepvaart naderde, dan wel via de marifoon de komst van de ‘ [naam schip 3] ’ aankondigen en uitluisteren of scheepvaart naderde.
Volgens zijn verklaring heeft schipper [naam schipper 1] wel de AIS-apparatuur gebezigd en daarop de voor hem varende ‘ [naam schip 8] ’ gevolgd, maar daarbij kennelijk niet gekeken of scheepvaart naderde. Gesteld noch gebleken is dat vanaf de ‘ [naam schip 3] ’ gebruik is gemaakt van de radar of de marifoon.
Des te meer aanleiding bestond er voor de ‘ [naam schip 3] ’ om (niet de bocht af te snijden, maar) het vaarwater van het toeleidingskanaal open te varen.
3.18.
Doordat het donker was, het toeleidingskanaal een flauwe bocht naar bakboord (gezien vanaf de Oostsluis) maakt en het zicht over de oostelijke zijde van het toeleidingskanaal belemmerd was door de langs de oostelijke oever afgemeerde schepen, diende schipper [naam schipper 1] ingevolge artikel 36 lid 2 SRKGT vóór de bocht als waarschuwingssein één lange stoot te geven.
Gesteld noch gebleken is dat vanaf de ‘ [naam schip 3] ’ dat waarschuwingssignaal is gegeven.
3.19.
Kennelijk heeft de ‘ [naam schip 3] ’ vanaf het uitvaren van de voorhaven bij de Oostsluis een snelheid van omstreeks 10,2 km/u gevaren. Dat was, gezien de hiervoor beschreven onoverzichtelijke situatie, niet een aan de omstandigheden van het belemmerde uitzicht en rekening houdende met de beladen toestand aangepaste snelheid, zoals voorgeschreven in artikel 6 lid 1 SRKGT.
3.20.
Doordat de ‘ [naam schip 3] ’ aldus te veel naar de oostelijke zijde van het vaarwater voer, zonder via radar, AIS of marifoon te hebben geverifieerd dat er geen scheepvaart naderde, kwam de ‘ [naam schip 1] ’ voor haar plotseling vanachter de afgemeerde ‘ [naam schip 4] ’ te voorschijn. Toen was het al te laat om nog naar stuurboord uit te wijken (artikel 14 lid 1 SRKGT). Schipper [naam schipper 1] zei dan ook dadelijk na de aanvaring via de marifoon “ja, ik had u niet gezien, meneer”.
3.21.
De door de ‘ [naam schip 3] ’ gevaren koers en snelheid waren derhalve niet in overeenstemming met de voorschriften. Deze koers en snelheid vormden de oorzaak van de aanvaring met de ‘ [naam schip 1] ’.
De ‘ [naam schip 3] ’ treft schuld aan de aanvaring.
De ‘ [naam schip 1] ’
3.22.
De ‘ [naam schip 1] ’ was het Kanaal van Gent naar Terneuzen af gekomen en voer het toeleidingskanaal binnen. Gelet op de omstandigheden, de duisternis, de nadering van de Oostsluis, de nauwte van het toeleidingskanaal, de flauwe bocht in het toeleidingskanaal, de aan beide zijden van het toeleidingskanaal afgemeerde schepen, het in de richting van de Oostsluis belemmerde uitzicht, de tegemoet komende scheepvaart, diende de ‘ [naam schip 1] ’ om de voorgeschreven veilige vaart aan te houden haar koers en snelheid op die omstandigheden aan te passen.
3.23.
Ook de ‘ [naam schip 1] ’ diende haar stuurboordwal te houden. Gezien de plaats van de aanvaring, ongeveer in het midden van het vaarwater, en de omstandigheid dat de schepen elkaar met de stuurboordboegen hebben geraakt, kan het niet anders zijn dan dat de ‘ [naam schip 1] ’ de flauwe bocht van het toeleidingskanaal (voor haar) naar stuurboord niet behoorlijk heeft gevolgd.
De rechtbank volgt [eiser] c.s. dan ook niet in het standpunt dat de ‘ [naam schip 1] ’ steeds de door [eiser] c.s. genoemde afstand van 20 meter buiten de afgemeerde schepen heeft aangehouden.
3.24.
Uit de hiervoor beschreven toedracht blijkt dat de ‘ [naam schip 1] ’ tot vlak voor de aanvaring met een snelheid van ongeveer 12 km/u gevaren heeft.
Gegeven de duisternis, de nadering van de Oostsluis, de nauwte van het toeleidingskanaal, de flauwe bocht in het toeleidingskanaal, de belemmering van het uitzicht wegens de aan de oostelijke zijde van het toeleidingskanaal afgemeerde schepen, de tegemoet komende scheepvaart – schipper [eiser] heeft aan de politie verklaard dat hij de ‘ [naam schip 3] ’ had zien aankomen – oordeelt de rechtbank zodanige snelheid niet als een veilige vaart. De ‘ [naam schip 1] ’ heeft haar snelheid onvoldoende geminderd.
Schipper [naam schipper 2] heeft bij de politie verklaard dat hij heeft geprobeerd de aanvaring te voorkomen door achteruit te slaan. Aangenomen dat schipper [naam schipper 2] dat inderdaad heeft gedaan – de rechtbank laat dat in het midden – blijft het oordeel dat hij te snel heeft gevaren, omdat hij kennelijk niet in staat was om het schip tijdig af te stoppen (vgl. artikel 6 lid 1 en artikel 8 SRKGT).
3.25.
Doordat het donker was, het toeleidingskanaal een flauwe bocht naar stuurboord (gezien vanaf het Kanaal) maakt en het zicht over de oostelijke zijde van het toeleidingskanaal belemmerd was door de langs de oostelijke oever afgemeerde schepen, diende schipper [naam schipper 2] hetzij via de marifoon contact te zoeken met het door hem waargenomen naderende schip om een behoorlijke passage af te spreken, hetzij vóór de bocht het ingevolge artikel 36 lid 2 SRKGT voorgeschreven waarschuwingssein van één lange stoot te geven. Gesteld noch gebleken is dat vanaf de ‘ [naam schip 1] ’ het een of het ander is gedaan.
Weliswaar heeft schipper [naam schipper 2] aan de politie verklaard dat hij de ‘ [naam schip 3] ’ via de marifoon heeft opgeroepen, maar de politie heeft bij het naluisteren van de via de marifoon gevoerde gesprekken daarvan niets teruggevonden. Aan die verklaring van schipper [naam schipper 2] gaat de rechtbank daarom voorbij.
Indien schipper [naam schipper 2] , zoals hij heeft verklaard bij de politie, meende dat de ‘ [naam schip 3] ’ voor de ‘ [naam schip 1] ’ langs naar de oostelijke oever stuurde om daar aan te meren, lag het in de rede dat hij via de marifoon contact zou opnemen met de ‘ [naam schip 3] ’ om te verifiëren wat dat schip ging doen. Dat heeft schipper [naam schipper 2] niet gedaan.
3.26.
De ‘ [naam schip 1] ’ heeft kort voor de aanvaring haar zoeklicht op de ‘ [naam schip 3] ’ geschenen. In artikel 36 lid 1 SRKGT wordt om de aandacht te trekken van een ander schip toegelaten het laten schijnen van het zoeklicht in de richting van het gevaar “zonder daardoor een ander schip te hinderen of in verwarring te brengen”. Gezien de reactie van schipper [naam schipper 1] via de marifoon “eh, zo zie ik niets meer, hè”, heeft het gebruik van het zoeklicht geen gunstige werking gehad ter vermijding van de aanvaring. Het gebruiken van het zoeklicht disculpeert de ‘ [naam schip 1] ’ daarom niet.
3.27.
De door de ‘ [naam schip 1] ’ gevaren koers en snelheid waren derhalve niet in overeenstemming met de voorschriften. Deze koers en snelheid vormden de oorzaak van de aanvaring met de ‘ [naam schip 3] ’.
Ook de ‘ [naam schip 1] ’ treft daarom schuld aan de aanvaring.
3.28.
De oorzaken en fouten aan boord van elk van de schepen tegen elkaar afwegende komt de rechtbank tot een schuldverdeling van 60% schuld bij de ‘ [naam schip 3] ’ en 40% bij de ‘ [naam schip 1] ’.
3.29.
Gelet op de ter comparitie met partijen gemaakte afspraak, laat de rechtbank de zaak hier voorlopig rusten.
3.30.
Op het vorenstaande stuiten af de in conventie onder 1 en 2 ingestelde vorderingen.
3.31.
Ter beoordeling van de overige vorderingen in conventie en in reconventie dient verder debat tussen partijen te worden gevoerd, hetzij in aktewisseling hetzij bij een comparitie van partijen.
De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen opdat partijen hetzij gezamenlijk om een comparitie verzoeken, hetzij [eiser] c.s. een akte neemt ter nadere onderbouwing van haar overige vorderingen in conventie en nader verweer tegen de vorderingen in reconventie, waarna Zandkreek voor een spiegelbeeldige akte aan de beurt zal zijn.
De rechtbank zal elke beslissing aanhouden.
4. De beslissing
De rechtbank
in conventie en in reconventie
4.1.
verwijst de zaak naar de rol van 17 juli 2019 voor uitlatingen, dan wel aktes zoals beschreven in rov. 3.31;
4.2.
houdt elke beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mrs. W.P. Sprenger, C. Sikkel en I. Koning en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2019.
1928/1573/2950/1885