Vgl. HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2191, NJ 2016/437, r.o. 4.3.3.
HR, 19-10-2021, nr. 20/03051
ECLI:NL:HR:2021:1521
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
19-10-2021
- Zaaknummer
20/03051
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2021:1521, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 19‑10‑2021; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:800
ECLI:NL:PHR:2021:800, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 07‑09‑2021
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:1521
- Vindplaatsen
Uitspraak 19‑10‑2021
Inhoudsindicatie
Rijden tijdens ontzegging rijbevoegdheid (art. 9.1 WVW 1994) en rijden met ongeldig rijbewijs (art. 9.2 WVW 1994). Strafmotivering (gevangenisstraf van 8 weken, waarvan 4 weken voorwaardelijk), art. 359.6 Sv. HR: Op gronden als vermeld in CAG is middel terecht voorgesteld. CAG: In door hof bevestigde strafmotivering van Pr is niet tot uitdrukking gebracht dat straf wordt opgelegd die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt, terwijl hof strafmotivering in die zin niet heeft aangevuld. Daarmee voldoet strafmotivering niet aan art. 359.6 Sv, terwijl dat verzuim o.g.v. art. 359.8 Sv leidt tot nietigheid. Volgt (partiële) vernietiging t.a.v. strafoplegging en terugwijzing.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 20/03051
Datum 19 oktober 2021
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 15 september 2020, nummer 22-005648-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te ' [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft S.W.M. Stevens, advocaat te ’s-Gravenhage, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof in strijd met artikel 359 lid 6 van het Wetboek van Strafvordering in zijn uitspraak niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven die hebben geleid tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf.
3.2
Het cassatiemiddel slaagt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 12 tot en met 15.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 oktober 2021.
Conclusie 07‑09‑2021
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Veroordeling tot gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf wegens besturen ondanks ontzegging en besturen met ongeldig verklaard rijbewijs. 1. Verlaten grondslag tll door in aantekening mondeling arrest niet tekst van de tll in inleidende dagvaarding op te nemen maar van andere feiten? 2. Motiveringsplicht art. 359.6 Sv. Ad 1: Kennelijke misslag. Ad 2: Middel slaagt nu hof geen redenen heeft vermeld die in het bijzonder hebben geleid tot keuze voor vrijheidsbenemende straf. Strekt tot partiële vernietiging en terugwijzing.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer20/03051
Zitting 7 september 2021 (bij vervroeging)
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
hierna: de verdachte.
Inleiding
Bij arrest van 15 september 2020 heeft het gerechtshof Den Haag een vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag bevestigd, waarbij de verdachte wegens 1. “overtreding van artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994” en 2. “overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994” is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht weken, waarvan vier weken voorwaardelijk met een proeftijd voor de duur van twee jaren, en waarbij de tenuitvoerlegging is gelast van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf en tevens de proeftijd is verlengd van twee eerdere voorwaardelijke veroordelingen.
Namens de verdachte heeft mr. S.W.M. Stevens, advocaat te ’s-Gravenhage, twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel
3. Het eerste middel bevat de klacht dat de aantekening van het mondeling arrest van het hof een “pleegdatum en -plaats” vermeldt die “niet overeenkomen met hetgeen in de inleidende dagvaarding is opgenomen en in eerste aanleg is bewezenverklaard, terwijl het hof het vonnis waarvan beroep heeft bevestigd”. Aangevoerd wordt dat het hof daarmee de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten, althans dat het arrest van het hof daarom innerlijk tegenstrijdig is.
4. In aansluiting bij de klacht, geef ik hier achtereenvolgens weer: de inhoud van de tenlastelegging zoals die in de inleidende dagvaarding is opgenomen, de bewezenverklaring van de politierechter en de tenlastelegging zoals die is weergegeven in het arrest van het hof.
5. Aan de verdachte is bij inleidende dagvaarding ten laste gelegd dat:
“1hij op of omstreeks 18 september 2019 te 's-Gravenhage terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat hem bij rechterlijke uitspraak of strafbeschikking de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen was ontzegd, gedurende de tijd dat hem die bevoegdheid was ontzegd, op de weg, de Steijnlaan, een motorrijtuig, (personenauto), heeft bestuurd[…]2 hij op of omstreeks 18 september 2019 te 's-Gravenhage terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de Steijnlaan, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd”.
6. Het proces-verbaal van de terechtzitting van de politierechter in de rechtbank Den Haag, waarin het mondeling vonnis is aangetekend zoals is voorgeschreven in art. 378, tweede lid onder c, Sv, houdt het volgende in:
“Parketnummer: 96/224781-19; 96/061690-17 (tul); 96/160821-18 (tul);
en 96/190712-17 (tul)
[…]1 hij op 18 september 2019 te 's-Gravenhage terwijl hij wist dat hem bij rechterlijke uitspraak de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen was ontzegd, gedurende de tijd dat hem die bevoegdheid was ontzegd, op de weg, de Steijnlaan, een motorrijtuig, (personenauto), heeft bestuurd[…]2 hij op 18 september 2019 te 's-Gravenhage terwijl hij wist dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de Steijnlaan, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd”.
7. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 15 september 2020, waarin het arrest is aangetekend zoals is voorgeschreven in art. 425, derde lid onder c, Sv, houdt het volgende in:
“Rolnummer: 22-005648-19
Parketnummers: 96-224781-19
96-061690-17, 96-190712-17 en
96-160821-18 (TULLEN)
[…]Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:1
hij op of omstreeks 2 april 2017 te 's-Gravenhage terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat hem bij rechterlijke uitspraak of strafbeschikking de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen was ontzegd, gedurende de tijd dat hem die bevoegdheid was ontzegd, op de weg, de Stille Veerkade, een motorrijtuig, (personenauto), heeft bestuurd;2
hij op of omstreeks 2 april 2017 te 's-Gravenhage terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen ongeldig, was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de Stille Veerkade, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd.”
8. Het hof heeft in de aantekening mondeling arrest de inhoud van een tenlastelegging opgenomen die afwijkt van de inhoud van de inleidende tenlastelegging en van de bewezenverklaring door de politierechter. De feiten waarop de inleidende dagvaarding en de door de politierechter bewezenverklaarde feiten betrekking hebben, zijn begaan op de Steijnlaan te ’s-Gravenhage op 18 september 2019, terwijl de feiten waarop de tenlastelegging betrekking heeft die in de aantekening mondeling arrest zijn opgenomen, zijn begaan op (of omstreeks) 2 april 2017 op de Stille Veerkade te ’s-Gravenhage. De juridische kwalificatie van de feiten is gelijkluidend. Het feit onder 1 betreft telkens, kort gezegd, besturen ondanks ontzegging, het feit onder 2 betreft telkens, kort gezegd, besturen met een ongeldig verklaard rijbewijs.
9. De inhoud van de tenlastelegging zoals die is weergegeven in de aantekening mondeling arrest, heeft betrekking op feiten die ten laste van de verdachte bewezen zijn verklaard door de politierechter in de rechtbank Den Haag van 21 februari 2019 met parketnummer 96-061690-17. Dit kan onder meer worden opgemaakt uit de Justitiële Documentatie die zich bevindt bij de stukken die aan de Hoge Raad zijn gezonden zoals is voorgeschreven in art. 434, eerste lid, Sv, en waarvan de korte inhoud mondeling is medegedeeld door de voorzitter ter terechtzitting van het hof van 15 september 2020, zoals blijkt uit het daarvan opgemaakte proces-verbaal. Bij dit vonnis is de verdachte veroordeeld tot drie weken voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van twee jaren. Het hof heeft in de onderhavige zaak de tenuitvoerlegging van deze voorwaardelijk opgelegde straf gelast. Hieruit maak ik op dat de weergave van de tekst van de tenlastelegging in de aantekening mondeling arrest, berust op een kennelijke misslag. Het opnemen van de tekst van deze tenlastelegging betekent niet, zoals wordt aangevoerd, dat het hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten. Uit de aantekening mondeling arrest blijkt namelijk dat het hof het vonnis heeft bevestigd met parketnummer 96-224781-19. Dat parketnummer is immers als eerste genoemd in het proces-verbaal waarin het mondeling arrest is aangetekend, terwijl op de volgende regels de parketnummers zijn vermeld waarop de vorderingen tenuitvoerlegging betrekking hebben.
10. Wanneer de aantekening mondeling arrest wordt gelezen zonder de kennelijke misslag, dan faalt het middel bij gebrek aan feitelijke grondslag.
Het tweede middel
11. Het tweede middel bevat de klacht dat de strafmotivering niet voldoet aan art. 359, zesde lid, Sv omdat het hof “heeft verzuimd de redenen te vermelden die in het bijzonder hebben geleid tot de keuze voor een vrijheidsbenemende straf”.
12. In het door het hof bevestigde vonnis van de politierechter, is met betrekking tot de strafoplegging het volgende opgenomen:
“De strafoplegging
Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
De politierechter neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Verdachte heeft gereden, terwijl hem de bevoegdheid tot het besturen van een motorrijtuig was ontzegd en zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. De verdachte heeft aangevoerd dat hij dit echter heeft gedaan omdat zijn dochtertje in verband met ziekte naar het ziekenhuis moest en er geen familie in de buurt was die verdachte en zijn dochtertje konden brengen. De politierechter acht deze verklaring echter ongeloofwaardig, nu de medische informatie een andere datum dan die van het bewezenverklaarde feit heeft en de verdachte dit niet meteen tegen de politie ter plaatste heeft gezegd. Indien zijn verklaring wel juist is, dan nog had de verdachte anders moeten handelen gelet op de gevolgen die rijden zonder rijbewijs met zich meebrengen als er een ongeval plaatsvindt. De politierechter rekent de verdachte de feiten dan ook aan en heeft gelet op het strafblad van de verdachte geen aanleiding om af te wijken van de eis van de officier van justitie.”
13. Art. 359, zesde lid, eerst volzin, Sv luidt:
“Bij de oplegging van een straf of maatregel die vrijheidsbeneming medebrengt, geeft het vonnis in het bijzonder de redenen op die tot de keuze van deze strafsoort, dan wel tot deze soort maatregel hebben geleid.”
14. Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat in de rechtspraak van de Hoge Raad het vereiste van art. 359, zesde lid, eerste volzin, Sv aldus wordt ingevuld dat uit de strafmotivering expliciet moet blijken dat de rechter onder ogen heeft gezien dat hij een straf of maatregel oplegt die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt door in de strafmotivering tot uitdrukking te brengen dat zo’n sanctie wordt opgelegd en die sanctieoplegging te verbinden met in de strafmotivering opgegeven redenen.1.
15. In de door het hof bevestigde strafmotivering van de politierechter is niet tot uitdrukking gebracht dat een straf wordt opgelegd die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt, terwijl het hof de strafmotivering in die zin niet heeft aangevuld. Daarmee voldoet de strafmotivering niet aan art. 359, zesde lid, Sv, terwijl dat verzuim op grond van art. 359, achtste lid, Sv leidt tot nietigheid.2.
16. Het middel slaagt.
Slotsom
17. Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering. Het tweede middel slaagt.
18. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
19. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 07‑09‑2021
Vgl. HR 9 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:164, r.o. 2.3.