AB 2016/124
Ne bis in idem. Te restrictieve interpretatie van het begrip ‘nieuw feit’ in vierde asielprocedure leidt tot schending art. 3 EVRM.
EHRM 19-01-2016, ECLI:CE:ECHR:2016:0119JUD005868912, m.nt. A.M. Reneman
- Instantie
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
- Datum
19 januari 2016
- Magistraten
I. Karakaş, A. Sajó, N. Vučinić, H. Keller, P. Lemmens, R. Spano, J.F. Kjølbro
- Zaaknummer
58689/12
- Noot
A.M. Reneman
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS923153:1
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Vreemdelingenrecht / Algemeen
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Vreemdelingenrecht / Vreemdelingenprocesrecht
Bestuursprocesrecht / Beroep
- Brondocumenten
ECLI:CE:ECHR:2016:0119JUD005868912, Uitspraak, Europees Hof voor de Rechten van de Mens, 19‑01‑2016
- Wetingang
Art. 3 EVRM
Essentie
Het achterwege laten van een herbeoordeling van het risico van refoulement in het licht van de in de opvolgende asielprocedures overgelegde documenten leidt tot een schending van art. 3 EVRM.
Samenvatting
[L]a Cour est d’avis que la démarche opérée en l’espèce qui a consisté tant pour l’OE que pour le CCE à écarter les nouvelles pièces produites par les requérants qui étaient au cœur de leur demande de protection, sans aucune évaluation préalable de leur pertinence, de leur authenticité et de leur caractère probant, ne peut être considérée comme l’examen attentif et rigoureux attendu des autorités ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.