HR, 12-04-2024, nr. 23/01679
ECLI:NL:HR:2024:572
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
12-04-2024
- Zaaknummer
23/01679
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
Beroepschrift, Hoge Raad, 12‑04‑2024
ECLI:NL:HR:2024:572, Uitspraak, Hoge Raad, 12‑04‑2024; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2023:685
- Vindplaatsen
NDFR Nieuws 2024/656
V-N 2024/18.15 met annotatie van Redactie
NTFR 2024/695 met annotatie van mr. I. van Wijk
NLF 2024/0957 met annotatie van Heroen Roose
Viditax (FutD) 2024041213
FutD 2024-0881
Beroepschrift 12‑04‑2024
Onderwerp: Beroep in cassatie
Geachte heer, mevrouw,
Bij deze dien ik beroep in cassatie in tegen de uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 16-03-2023 met kenmerk BK-22/00397, waarvan u een kopie aan in bijlage 1.
1. Feiten en procesverloop
Op 21-01-2019 deed belanghebbende aangifte ter registratie in het kentekenregister van de onderstaande auto:
Merk: | Mercedes-Benz | |
- | Type: | AMG C 43 |
- | VIN: | […] |
Belanghebbende deed aangifte met gebruikmaking van een taxatierapport, opgesteld door de firma [A].
In opdracht van de inspecteur werd op 25-01-2019 een hertaxatie verricht door de Dienst Domeinen.
Bij besluit van 28-06-2019 legde de inspecteur de naheffingsaanslag op.
Bij brief van 02-08-2019 diende ik bezwaar in tegen de naheffingsaanslag.
Op 06-11-2019 vond een hoorgesprek plaats te [Q].
Bij besluit van 14-11-2019 verklaart de inspecteur het bezwaar ongegrond.
Op 25-11-2019 diende ik beroep in tegen de uitspraak op bezwaar.
Op 16-02-2022 vond de mondelinge behandeling ter zitting plaats.
Bij uitspraak van 02-03-2022 verklaarde de Rechtbank het beroep ongegrond.
Bij brief van 15-04-2022 diende ik hoger beroep in.
Op 02-02-2023 vond de mondelinge behandeling ter zitting plaats.
Bij uitspraak van 16-03-2023 verklaarde het hof het hoger beroep gegrond.
2. Geschil
In geschil is de vraag of het hof de proceskostenvergoeding in de hoger beroepsfase juist heeft vastgesteld.
3. Overwegingen
3.1. De proceskosten in de hoger beroepsfase
Het hoger beroepschrift is gegrond verklaard omdat de rechtbank het bedrag van de immateriële schadevergoeding en de proceskosten foutief heeft vastgesteld.
Vanwege de gegrondverklaring van het hoger beroep stelt het hof de proceskostenvergoeding in de hoger beroepsfase vast met inachtneming van de wegingsfactor 0,5. In dit oordeel ligt besloten dat het hoger beroep uitsluitend gegrond verklaard is omdat de rechtbank het bedrag van de proceskosten onjuist heeft vastgesteld. In zo'n geval is de wegingsfactor inderdaad 0,5.
Echter het hoger beroep is niet uitsluitend op dit punt gegrond verklaard. Het hoger beroep is ook gegrond verklaard omdat de rechtbank de immateriële schadevergoeding onjuist heeft vastgesteld. In dit geval, waarbij de rechtbank dus 2 fouten heeft gemaakt, dient de wegingsfactor voor de proceskosten in de hoger beroepsfase op 1 te worden gesteld. Door anders te oordelen heeft het hof naar mijn mening het recht geschonden.
Gelet op het voorgaande verzoek ik uw college dit beroep in cassatie gegrond te verklaren, de uitspraak van het hof partieel te vernietigen, de proceskosten in de hoger beroepsfase vast te stellen op € 1.674 (2 punten, wegingsfactor 1) en de inspecteur, althans de Minister voor rechtsbescherming, te veroordelen in de proceskosten in de cassatiefase (wegingsfactor 0,5, want in deze fase van het geding gaat het wel uitsluitend om de proceskosten.)
Uitspraak 12‑04‑2024
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 23/01679
Datum 12 april 2024
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAAT (de MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 16 maart 2023, nr. BK-22/003971., op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 21/1137) betreffende een veroordeling van de Staat om op de voet van artikel 8:75 Awb aan belanghebbende proceskosten te vergoeden.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door S.M. Bothof, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Minister, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
2. Beoordeling van de klacht
2.1
Het Hof heeft op het hoger beroep van belanghebbende geoordeeld dat de Rechtbank (i) de vergoeding van immateriële schade wegens aan de Rechtbank toe te rekenen overschrijding van de redelijke termijn voor de fase van eerste aanleg te laag heeft vastgesteld, en (ii) de proceskostenvergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand te laag heeft vastgesteld. Het Hof heeft daarom de uitspraak van de Rechtbank in zoverre vernietigd en de Staat veroordeeld tot vergoeding van de in hoger beroep gemaakte kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Bij de vaststelling daarvan heeft het Hof wegingsfactor 0,5 (licht) als bedoeld in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) in aanmerking genomen.
2.2
De klacht richt zich tegen de beslissing van het Hof om wegingsfactor 0,5 te hanteren bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding. De klacht betoogt dat het Hof wegingsfactor 1 (gemiddeld) had moeten toepassen aangezien het slagen van het hoger beroep niet alleen berustte op een verkeerde vaststelling van de hoogte van de proceskostenvergoeding, maar ook op een verkeerde vaststelling van de hoogte van de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
2.3
Het bepalen van het gewicht van de zaak met het oog op het toepassen van artikel 8:75 Awb in samenhang gelezen met artikel 2, lid 1, letter a, van het Besluit is voorbehouden aan de rechter die op het beroep beslist, in dit geval het Hof, en een oordeel daarover is, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie slechts beperkt toetsbaar.2.Het hiervoor in 2.2 weergegeven betoog vindt geen steun in het recht.
2.4
Het oordeel van het Hof over het gewicht van de zaak geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige door de Hoge Raad in de cassatieprocedure niet op juistheid worden onderzocht. Het is ook niet onbegrijpelijk. De klacht faalt daarom.
3. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 12 april 2024.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 12‑04‑2024
Vgl. HR 23 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2293, rechtsoverweging 3.3.6, en HR 9 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1162, rechtsoverweging 3.3.