Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen
Einde inhoudsopgave
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/13.4.3:13.4.3 Holding- en kasgeldconstructies
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/13.4.3
13.4.3 Holding- en kasgeldconstructies
Documentgegevens:
E.J.W. Heithuis, datum 01-12-1999
- Datum
01-12-1999
- Auteur
E.J.W. Heithuis
- JCDI
JCDI:ADS450606:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook mijn: 49 vragen en antwoorden over het aanmerkelijk belang. Fiscaal Actueel, blz. 146-147, Kluwer, Deventer, 1998.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ter afsluiting van dit onderdeel dienen nog enkele woorden te worden gewijd aan de holding- en kasgeldconstructies in de sfeer van de bron 'inkomsten uit vermogen'. Aangezien de bron 'inkomsten uit vermogen' met ingang van 1 januari 1997 inhoudelijk nauwelijks is gewijzigd - behoudens enkele stroomlijningen met de vernieuwde bron 'winst uit aanmerkelijk belang' (zie onderdeel 13.2) - is de holding- en kasgeldjurisprudentie van de Hoge Raad mijns inziens onverkort van toepassing gebleven in de sfeer van de bron 'inkomsten uit vermogen' (zie hoofdstuk 3, onderdeel 3.4.3). Vanuit de achtergrond van de holding- en kasgeldjurisprudentie is het in de bron 'inkomsten uit vermogen' immers nog steeds mogelijk om progressief belaste inkomsten (dividenduitkeringen) om te zetten in onbelaste baten (vermogenswinsten). Ook de staatssecretaris van Financiën is in zijn Besluit van 29 september 1997, nr. DB97/2742M, V-N 1997, blz. 4101 e.v. (vraag H.5) van mening dat de holding- en kasgeldjurisprudentie van toepassing is gebleven ten aanzien van aandeelhouders die geen aanmerkelijk belang in de vennootschap bezitten. Overigens zal naar mijn inschatting in de sfeer van de bron 'inkomsten uit vermogen' niet zo snel tot toepassing van de holding- en kasgeldjurisprudentie worden gekomen, aangezien in dergelijke situaties veelal niet zal zijn voldaan aan het zgn. 'put'-criterium (zie hoofdstuk 3, onderdeel 3.4.3.2). Ingevolge dit criterium dient de aandeelhouder, eventueel deel uitmakend van een samenwerkende groep van aandeelhouders, uiteindelijk de (feitelijke) zeggenschap te bezitten in de vennootschap, aangezien alleen dan de koopsom voor de aandelen (belastingvrij) kan worden geput uit het vermogen en de daarin begrepen (winst)reserves van de vennootschap. Vanwege het geringe belang in de vennootschap zal buiten het aanmerkelijk belang veelal niet aan dit zeggenschapsvereiste zijn voldaan.1
Ik wijs er nog op dat het vervallen van de bijzondere tariefsfaciliteit van 45% voor inkoop van eigen aandelen door de vennootschap (zie onderdeel 13.4.1) betekent dat kasgeldconstructies die met een inkoop van eigen aandelen door de vennootschap moeten worden gelijkgesteld ^- dit is het geval als niet alle aandelen in de vennootschap worden verkocht (zie bijvoorbeeld HR 11 juli 1990, BNB 1990/292, zie hoofdstuk 3, onderdeel 3.4.3) - niet langer worden belast naar het bijzondere tarief van 45% doch naar het normale tabeltarief van maximaal 60%o. Dient de kasgeldconstructie daarentegen als een liquidatie van de vennootschap te worden beschouwd - dit is het geval als wel alle aandelen in de vennootschap worden verkocht (zie bijvoorbeeld HR 11 juli 1990, BNB 1990/290-291, zie hoofdstuk 3, onderdeel 3.4.3) - dan is het bijzondere tarief van 45%o wel van toepassing (art. 57, eerste lid, onderdeel f, Wet IB). Een dergelijk verschil in tariefstoepassing tussen twee - ook in de jurisprudentie van de Hoge Raad - min of meer gelijkwaardige structuren, laat zich mijns inziens moeilijk verklaren.