NJ 1931, p. 378
Borgtocht. Beroep van den niet tot betaling aangesproken medeborg op Schuldvergelijking, nadat de andere hoofdelijk verbonden borg reeds tot betaling was aangesproken. Aanbod, gevolgd door consignatie betreffende het overblijvend gedeelte. Vordering van den schnldeischer niet-ontv. verklaard.
HR 09-01-1931, ECLI:NL:HR:1931:7, m.nt. Prof. E. M. Meijers
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
9 januari 1931
- Magistraten
(Mrs. Fentener van Vlissingen, Kosters, van Gelein Vitringa, Polak, Kranenburg.)
- Zaaknummer
[09011931/NJ_1931,_p._378]
- Conclusie
Mr. Besier
- Noot
Prof. E. M. Meijers
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS123581:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:1931:7, Uitspraak, Hoge Raad, 09‑01‑1931
- Wetingang
(BW art. 1319, 1440,1466, 1857-1887.)
Essentie
Borgtocht. Beroep van den niet tot betaling aangesproken medeborg op Schuldvergelijking, nadat de andere hoofdelijk verbonden borg reeds tot betaling was aangesproken. Aanbod, gevolgd door consignatie betreffende het overblijvend gedeelte. Vordering van den schnldeischer niet-ontv. verklaard.
Samenvatting
De gegeven beslissing is juist. De stelling dat, zoo lang de borg nog niet is aangesproken, op hem nog geen eigen verbintenis tot voldoening der schuld rust, gaat niet op. Die verbintenis bestaat zoodra de voldoening der schuld van den borg gevorderd kan worden.
De uitsluiting van schuldvergelijking in de twee gevallen in art. 1466 B. W. genoemd, staat aan ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.