Einde inhoudsopgave
Vertrouwen op informatie bij bestuurlijke taakvervulling (IVOR nr. 83) 2011/6.2.1
6.2.1 Functioneel daderschap van de eigenaar van een eenmanszaak
mr. M. Mussche, datum 30-05-2011
- Datum
30-05-2011
- Auteur
mr. M. Mussche
- JCDI
JCDI:ADS611008:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Opgenomen in Schmidt 1891, p. 450.
Kamerstukken II 1975/76, 13 655, nr. 3, p. 9-10.
Kelk 2010, p. 411.
HR 27 januari 1948, NJ 1948, 197 (V&D-ameublement).
HR 23 februari 1954, NJ 1954, 378 (IJzerdraad).
'Een economisch delict wordt onder meer begaan door of vanwege een rechtspersoon, een vennootschap, een vereniging van personen of een doelvermogen, indien het begaan wordt door personen, die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit andere hoofde handelen in de sfeer van de rechtspersoon, de vennootschap, de vereniging of het doelvermogen, ongeacht of deze personen ieder afzonderlijk het economische delict hebben begaan dan wel bij hen gezamenlijk de elementen van dat delict aanwezig zijn.'
Bij de invoering van het Wetboek van Strafrecht in 1886 werd slechts rekening gehouden met de strafbaarheid van natuurlijke personen. 'Een strafbaar feit kan alléén worden gepleegd door den natuurlijken persoon. De fictie der rechtspersoonlijkheid geldt niet op het gebied van het strafrecht', zo is te lezen in de memorie van toelichting.1 Alleen delicten in fiscale en andere bijzondere strafwetgeving, bijvoorbeeld de Wet op de economische delicten (WED), konden destijds door een rechtspersoon worden begaan.2 In 1976 werd art. 51 Sr gewijzigd: strafbare feiten kunnen vanaf dat moment ook in het commune strafrecht door rechtspersonen worden begaan. Er is dan sprake van zogenaamd functioneel daderschap van de rechtspersoon. Functioneel daderschap houdt in dat een ander dan degene die fysiek handelt, op grond van zijn maatschappelijke functie als dader geldt. Door functioneel daderschap valt de strafbaarheid van de feitelijke pleger niet weg.3
De wetgever heeft geen duidelijke criteria aangelegd voor het strafrechtelijk daderschap van rechtspersonen. De jurisprudentie heeft daarom moeten invullen wanneer het gedrag van een natuurlijke persoon aan een rechtspersoon moet worden toegerekend. Daartoe was voor de wijziging van art. 51 Sr al een poging ondernomen. In het V&D-ameublement-arrest uit 1948 werd het feit dat een rechtspersoon baat heeft gehad bij een verboden gedraging beschouwd als een sterke indicatie voor daderschap van die rechtspersoon.4 Na de introductie van art. 15 WED werd spoedig een ander criterium aangelegd. Dat gebeurde in eerste instantie ten aanzien van de eenmanszaak. In het ijzerdraadarrest stond de eigenaar van een eenmanszaak terecht omdat de exportmanager van het bedrijf ijzerdraad had uitgevoerd in strijd met het Deviezenbesluit 1945.5 De Hoge Raad overwoog allereerst dat (het in 1976 vervallen) art. 15 lid 2 WED niet van toepassing was op ondernemers-natuurlijke personen.6 Hij onderbouwde zijn beslissing met het argument dat 'opzet t.a.v. enig delict of delictsbestanddeel door het Nederlandse strafrecht nergens wordt toegerekend aan een natuurlijk persoon, indien die geestesgesteldheid bij hem of haar niet persoonlijk aanwezig is geweest' Handelingen zijn, aldus nog steeds de Hoge Raad, slechts dan aan te merken als gedragingen van de verdachte 'indien verd. erover vermocht te beschikken, of die handelingen al dan niet plaatsvonden, en deze behoorden tot de zodanige, welker plaatsvinden blijkens den loop van zaken door verd. werd aanvaard of placht te worden aanvaard.' Deze voorwaarden staan bekend als de ijzerdraadcriteria.