Hof 's-Hertogenbosch, 06-07-2010, nr. HD 200.029.333
ECLI:NL:GHSHE:2010:2513
- Instantie
Hof 's-Hertogenbosch
- Datum
06-07-2010
- Magistraten
Mrs. Gründemann, Huijbers- Koopman, Van der Putt- Lauwers
- Zaaknummer
HD 200.029.333
- Roepnaam
De Jonge/Cardif Schadeverzekering
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Verzekeringsrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHSHE:2010:2513, Uitspraak, Hof 's-Hertogenbosch, 06‑07‑2010
Uitspraak 06‑07‑2010
Mrs. Gründemann, Huijbers- Koopman, Van der Putt- Lauwers
Partij(en)
arrest van de vierde kamer van 6 juli 2010
in de zaak van
[appellant],
wonende te [woonplaats],
appellant in principaal appel,
geïntimeerde in incidenteel appel,
advocaat: mr. K.P.T.G. Flos,
tegen
de naamloze vennootschap CARDIF SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,
gevestigd te Oosterhout (N.B.),
geïntimeerde in principaal appel,
appellante in incidenteel appel,
advocaat: mr. V. Kortenbach,
op het bij exploot van dagvaarding van 25 februari 2009 (op 23 maart 2009 is een herstelexploit uitgereikt) ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Breda gewezen vonnis van 3 december 2008 tussen principaal appellant — [appellant] — als eiser en principaal geïntimeerde — Cardif — als gedaagde.
1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 179994/HA ZA 07-1520)
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en naar het tussenvonnis van 5 december 2007.
2. Het geding in hoger beroep
2.1.
Bij memorie van grieven heeft [appellant] één grief aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep voor zover zijn vordering is afgewezen en, kort gezegd, — na vermindering van eis — tot veroordeling van Cardif tot betaling van € 143.000,00 met wettelijke rente vanaf 15 augustus 2007.
2.2.
Bij memorie van antwoord heeft Cardif de grief bestreden. Voorts heeft Cardif incidenteel appel ingesteld, daarin één grief aangevoerd en geconcludeerd, het vonnis waarvan beroep te vernietigen voor zover Cardif is veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [appellant], althans in die ter zake van het griffierecht en, kort gezegd, [appellant] te veroordelen in de proceskosten aan de zijde van Cardif in de eerste instantie, althans in de door [appellant] nodeloos veroorzaakte proceskosten, zijnde een bedrag aan griffierecht van € 8.864,00, althans dat bedrag te matigen tot een bedrag van € 300,00, met verdere bekrachtiging van het vonnis waarvan beroep en met veroordeling van [appellant] in de proceskosten van Cardif.
2.3.
[appellant] heeft in incidenteel appel geantwoord.
2.4.
Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.
3. De gronden van het hoger beroep
Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memories van grieven.
4. De beoordeling
in het principaal en incidenteel appel
4.1.
Tussen partijen staat, op grond van onbestreden feitenvaststellingen door de rechtbank en op grond van hetgeen enerzijds is gesteld en anderzijds niet of onvoldoende gemotiveerd is weersproken, het volgende vast.
- a.
[appellant] heeft bij Cardif in 2000 een verzekering, ingaande 5 september 2000, afgesloten genaamd ‘Hypotheekopvangpolis’ ter dekking van inkomensverlies in het geval van arbeidsongeschiktheid. Verzekerd was een bedrag van fl. 4.000,00 per maand met een eigen risico van 365 dagen.
- b.
Op 21 december 2000 heeft [appellant] zich bij Cardif ziek gemeld. Bij brief van 11 februari 2002 heeft Cardif [appellant] bericht dat zij de claim niet kan honoreren in verband met het bekend zijn met soortgelijke klachten voorafgaand aan het aangaan van de verzekering.
- c.
[appellant] heeft in 2002 in kort geding een voorlopige voorziening gevraagd. De voorzieningen rechter heeft deze afgewezen, omdat voorshands niet voldoende aannemelijk is dat de vordering in de bodemprocedure zonder meer zal worden toegewezen en een nader onderzoek zal zijn vereist.
- d.
Bij brief van 22 september 2003 heeft Stater Nederland B.V., bij wie [appellant] een hypothecaire geldlening had afgesloten, de geldlening opgezegd wegens achterstand in de betalingen van [appellant], waarna [appellant] op 16 februari 2004 zijn woning onderhands heeft verkocht voor een bedrag van € 310.000,00 kosten koper. Op grond van een door makelaarskantoor Aerssens & Pateer gemaakte schatting van de verkoopopbrengst van € 453.000,00 heeft [appellant] een vraagprijs van € 520.000,00 gehanteerd.
[appellant] heeft vervolgens enige tijd een woning gehuurd en op 5 oktober 2006 een woning gekocht.
- e.
Bij vonnis van 21 september 2005 heeft Rechtbank Breda voor recht verklaard dat Cardif op grond van de polisvoorwaarden is gehouden [appellant] voor de duur van diens arbeidsongeschiktheid gedurende maximaal de looptijd van de verzekering een bedrag van € 1815,12 per maand te betalen. Cardif heeft in het vonnis berust.
- f.
Ter comparitie van partijen voor de rechtbank op 28 januari 2008 zijn partijen opmerkzaam gemaakt op artikel 6:119 BW. Cardif heeft vervolgens ter zake van wettelijke rente over de te laat betaalde bedragen een bedrag van € 8.848,79 aan [appellant] betaald.
4.2.
[appellant] heeft in eerste aanleg een schadevergoeding van € 238.770,92 gevorderd van Cardif wegens wanprestatie bij het ten uitvoerleggen van de arbeidsongeschiktheids-verzekering. Hij heeft gesteld door het uitblijven van de verzekeringsuitkeringen ter zake van zijn arbeidsongeschiktheid op enig moment niet meer in staat te zijn geweest zijn verplichtingen uit de hypothecaire geldlening te voldoen, waardoor hij zijn woning heeft moeten verkopen en kosten heeft moeten maken bij de aanschaf van een andere woning. Ook stelt hij belastingschade te hebben geleden.
De schade heeft hij als volgt berekend:
verlies op de woning (€ 453.000,00 − € 310.000,00) | € | 143.000,00 |
kosten (€ 386.394,16 − € 310.327,30) | € | 76.066,86 |
belastingschade (€ 4.309,00 + kosten € 309,40) | € | 4.618,40 |
overdrachtbelasting e.o. | € | 13.740,55 |
notarishonorarium e.o. | € | 822,70 |
taxatienota makelaar | € | 522,41. |
4.3.
De rechtbank heeft de vordering toegewezen tot een bedrag van € 4.618,40 voor belastingschade en voor het overige afgewezen. Zij heeft daartoe, samengevat weergegeven, als volgt overwogen.
Bij vertraging in de voldoening van een geldsom is de schadevergoeding gefixeerd op de wettelijke rente (artikel 6:119 BW). De rechtbank verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 14 januari 2005, LJN AR0220. De enkele omstandigheid dat Cardif in het vonnis van 21 september 2005 in het ongelijk is gesteld wat betreft haar verplichting over te gaan tot uitkering brengt niet mee dat haar een verwijt valt te maken dat uitstijgt boven hetgeen een verzekeringsmaatschappij in het algemeen verweten kan worden die achteraf op onterechte gronden weigert uit te keren. Voor de onderhandse verkoop van de woning is een ruime tijd genomen. Dat een makelaar een hogere waarde heeft getaxeerd is onvoldoende om de gestelde schade aan te nemen. De aankoopkosten voor de nieuwe woning staan niet in een voldoende causaal verband met de tekortkoming om die kosten als schade te kunnen aanvaarden. Noch de mate van verwijtbaarheid van het handelen van Cardif, noch de omvang van de gestelde schade kan tot de conclusie leiden dat het op grond van de redelijkheid en de billijkheid onaanvaardbaar zou zijn indien slechts de gefixeerde schadevergoeding van de wettelijk rente aan [appellant] toekomt.
De belastingschade komt wel voor vergoeding in aanmerking. Deze schade is te zien als een gevolg van het ineens betalen. Een bedrag van € 4.618,40 zal worden toegewezen.
Cardif zal worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Voor het salaris van de advocaat gaat de rechtbank uit van het liquidatietarief II en I. Gezien de hoogte van de bij dagvaarding gevorderde geldsom, waarvan maar een klein gedeelte is toegewezen, is een aanzienlijk griffierecht verschuldigd geweest. Gezien hetgeen tot de procedure heeft geleid is het redelijk dat Cardif het door [appellant] verschuldigde griffierecht vergoedt.
In het principaal appel
4.4.
De grief bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat het beroep van Cardif op artikel 6:119 BW gelet op de redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is.
De grief voert aan dat op grond van de volgende — nader in de grief toegelichte — omstandigheden de rechtbank ten onrechte tot haar oordeel is gekomen:
- a.
de ongelijkheid in de financiële positie tussen Cardif enerzijds en [appellant] anderzijds;
- b.
de wetenschap van de verzekeraar dat haar weigering om aan [appellant] dekking te verlenen met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid in rechte niet zou worden gesauveerd;
- c.
het niet reageren op de mededeling van [appellant] dat hij schade lijdt door de houding van de verzekeraar, en het door Cardif achterwege laten van maatregelen om de schade te beperken;
- d.
het onderscheid dat het BW sinds december 2002 maakt in de artikelen 6:119 en 6:119a tussen schade ontstaan door handelen van natuurlijke personen en handelen van natuurlijke personen in de uitoefening van een beroep of bedrijf of rechtspersoon, levert een ongelijke behandeling van burgers op zonder geldige reden;
- e.
de omvang van het verlies van de woning ad € 143.000,00.
4.5.
Het hof oordeelt als volgt. De schadevergoeding die is verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom is krachtens artikel 6:119 BW gefixeerd op de wettelijke rente. Dit is vaste rechtspraak; zie onder meer: HR 11-02-2000, LJN AA4777, HR 14-01-2005, LJN AR0220 en HR 14-01-2005, LJN AR2760. Zoals ook de rechtbank heeft overwogen is deze fixatie geschied omwille van de rechtszekerheid en de hanteerbaarheid van het recht. Slechts onder uitzonderlijke omstandigheden kan geoordeeld worden dat het op grond van de redelijkheid en de billijkheid onaanvaardbaar is aan de in artikel 6:119 BW geregelde schadevergoeding vast te houden.
4.5.1.
De door [appellant] aangevoerde, aan zijn kant liggende omstandigheden hebben betrekking op de noodgedwongen verkoop van zijn woonhuis omdat hij door gebrek aan inkomen niet meer aan zijn hypothecaire verplichtingen kon voldoen. De aan Cardif verweten houding heeft betrekking op het aanvankelijk niet willen betalen van de overeengekomen uitkering door Cardif omdat [appellant] al klachten zou hebben gehad vóór het aangaan van de verzekering, maar daarover niets zou hebben meegedeeld. Omtrent de weging van de desbetreffende omstandigheden en belangen overweegt het hof als volgt.
4.5.2.
Een verzekeraar die de verplichting op zich heeft genomen maandelijks uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid te doen, zal er rekening mee moeten houden dat de verzekering door de verzekerde mede is aangegaan om zijn woonlasten te kunnen blijven voldoen. Een gedwongen verkoop van de woning, executoriaal of onderhands, kan een schadepost opleveren. Indien de verzekeraar in hoge mate lichtvaardig te werk gaat en daardoor op onterechte gronden niet uitkeert, of de betaling stopt of opschort en daarmee een noodgedwongen verkoop van de woning van de verzekerde veroorzaakt, zal zulks tot het oordeel kunnen leiden dat het onaanvaardbaar is de schade van de te late betaling te beperken tot de wettelijke rente.
4.5.3.
Met betrekking tot de handelwijze van Cardif heeft [appellant] — in hoger beroep niet weersproken — het volgende gesteld.
Cardif heeft geweigerd uitkeringen te doen omdat [appellant] bij het aangaan van de verzekering in de zin van artikel 251 K verzwegen zou hebben dat hij aan een chronische zeeziekte leed waarvoor hij het middel Primatour (dat zonder recept verkrijgbaar is) gebruikte. Voorts heeft Cardif zich op het standpunt gesteld dat was gebleken dat de klachten in augustus 2000, dus voor het aangaan van de verzekering, zouden zijn veranderd of verergerd. Op grond van artikel 6 lid 1 van de toepasselijke algemene verzekeringsvoorwaarden van Cardif zou [appellant] dit haar hebben moeten melden. Ook heeft Cardif het standpunt ingenomen dat volgens artikel 1 lid f van haar algemene voorwaarden geen recht op uitkering bestond omdat de klachten die hebben geleid tot de diagnose labyrinthaire stoornis — de stoornis die tot arbeidsongeschiktheid heeft geleid — zich reeds voor het aangaan van de verzekering hadden voorgedaan. In kort geding is het verweer van Cardif dat sprake zou zijn geweest van verzwijging verworpen, doch is overwogen dat nader onderzoek nodig zou zijn met betrekking tot het tijdstip waarop de aandoening labyrinthaire stoornis zich voor het eerst heeft geopenbaard. In de bodemprocedure is Cardif toegelaten te bewijzen dat de klachten die geleid hebben tot de arbeidsongeschiktheid zich al hadden geopenbaard vóór het aangaan van de verzekering. Dit bewijs heeft Cardif niet kunnen leveren.
Het kort gedingvonnis en het vonnis in de bodemprocedure zijn niet overgelegd.
4.5.4.
De beschreven gang van zaken ligt naar het oordeel van het hof binnen hetgeen als acceptabel gedrag van een arbeidsongeschiktheidsverzekeraar kan worden beschouwd. Dat de rechter anders over een verplichting tot uitkering heeft geoordeeld dan de verzekeraar, is op zich zelf onvoldoende reden tot onzorgvuldig gedrag van de verzekeraar te concluderen. Het hof volgt [appellant] niet in zijn stelling dat Cardif de wetenschap had dat haar weigering om aan [appellant] dekking te verlenen met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid in rechte niet zou worden gesauveerd. Over het tijdstip waarop de labyrinthaire stoornis voor het eerst was opgetreden bestond niet van meet af aan duidelijkheid. Ook is het leggen van een verband met de chronische zeeziekte — ook al is dat niet juist geweest — niet onbegrijpelijk. [appellant] heeft dan ook niet waargemaakt dat Cardif in hoge mate lichtvaardig of onzorgvuldig heeft gehandeld door aanvankelijk te weigeren uit te keren.
4.5.5.
[appellant] heeft voorts gesteld dat hij Cardif op enig moment na 5 september 2000 ervoor heeft gewaarschuwd dat hij schade zou leiden omdat hij zijn hypotheek niet meer zou kunnen betalen. Nu het hof heeft geoordeeld dat Cardif niet op onacceptabele wijze heeft besloten niet uit te keren, heeft die stelling geen betekenis meer. Ook de stelling dat Cardif ten opzichte van [appellant] in een financiële machtspositie verkeert speelt, wat verder van die stelling zij, geen rol nu Cardif geen onacceptabel gedrag valt te verwijten.
4.5.6.
Uit het voorgaande volgt dat zich niet het geval voordoet dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn vast te houden aan de gefixeerde schadevergoeding van artikel 6:119 BW.
4.5.7.
Tenslotte heeft [appellant] nog gesteld dat sprake is van ongelijke behandeling zonder geldige reden doordat op 1 december 2002 artikel 6:119a BW in werking is getreden, waardoor een verschil van behandeling is ontstaan — zo begrijpt het hof — van enerzijds natuurlijke personen niet handelend in de uitoefening van een beroep of bedrijf die schade hebben geleden door het te laat betalen door personen in de uitoefening van een beroep of bedrijf of door rechtspersonen en anderzijds natuurlijke personen wél handelend in de uitoefening van een beroep of bedrijf die zo een schade hebben geleden. Slechts deze laatst genoemden kunnen immers voor de omvang van hun schade een beroep doen op artikel 6:119a BW.
4.5.8.
Dit beroep gaat niet op. Artikel 6:119a is in de wet opgenomen ter uitvoering van de EG- richtlijn betreffende de bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties (Richtlijn 2000/35/EG, Pb EG L 200/35 d.d. 8 augustus 2000). Deze regeling ziet op transacties waarbij tegen afgifte van een factuur goederen en/of diensten worden geleverd. Een verzekering tegen arbeidsongeschiktheid valt daar niet onder. Overigens is de regeling bedoeld om de zware lasten die ontstaan door betalingsachterstanden voor met name het midden- en kleinbedrijf te verminderen. De regeling voorziet niet in een consumenten-bescherming. Het is aan de wetgever deze keuze te maken.
4.5.9.
Het principale beroep slaagt derhalve niet.
In het incidenteel appel
4.6.
Cardif stelt dat [appellant] door in deze procedure betaling van een schadevergoeding van € 238.770,92 te vorderen terwijl daarvan maar een klein gedeelte is toegewezen, Cardif onnodig heeft verplicht tot betaling van het hoge griffierecht van € 4.732,00. Cardif maakt bezwaar tegen haar veroordeling in het door [appellant] betaalde griffierecht omdat maar een klein deel van de vordering is toegewezen, maar ook omdat [appellant] is verzekerd tegen de kosten van rechtsbijstand bij DAS Rechtsbijstand. Cardif acht het onbegrijpelijk dat de rechtbank bij haar oordeel heeft betrokken de door Cardif betaalde wettelijke rente, nu de rechtbank eigener beweging de gefixeerde rente van artikel 6:119 BW ter sprake heeft gebracht doch [appellant] die rentevergoeding niet gevorderd heeft. De rechtbank is, aldus Cardif, buiten de rechtsstrijd van partijen getreden door dit punt op te werpen en heeft dan ook op het onderdeel griffierecht ten onrechte de onderhavige gunstige beslissing voor [appellant] genomen.
Cardif vordert primair veroordeling van [appellant] tot vergoeding van de proceskosten van Cardif in de eerste instantie; subsidiair veroordeling van [appellant] in de nodeloos veroorzaakte proceskosten van € 8.864,00 (€ 4.732,00 × 2 − € 300 × 2) wegens griffierechten die Cardif heeft moeten voldoen, althans de verschuldigde proceskosten te compenseren, dan wel de verschuldigde griffierechten te compenseren; meer subsidiair het aan [appellant] te vergoeden griffierecht te matigen tot een bedrag van € 300,00, met verder bekrachtiging van het vonnis in eerste instantie en met veroordeling van [appellant] in de proceskosten van Cardif in het incidenteel hoger beroep.
4.6.1.
Dat [appellant] een rechtsbijstandverzekering heeft, laat het hof niet meewegen in dit geschil betreffende de proceskostenveroordeling. Dit is een omstandigheid aan de zijde van [appellant] waar Cardif buiten staat.
De primaire vordering komt niet voor toewijzing in aanmerking. Cardif had voorafgaand aan de procedure nog in het geheel geen schadevergoeding betaald aan [appellant], hoewel in rechte vaststond dat zij te laat was geweest met doen van de uitkeringen.
De subsidiaire en meer subsidiaire vordering komt als volgt voor toewijzing in aanmerking. Hoewel het toegewezen deel van de gevorderde schadevergoeding slechts een betrekkelijk gering deel van de vordering betrof, is het nodig gebleken de vordering in te stellen om die schade vergoed te krijgen, ook de wettelijke schadevergoeding van artikel 6:119 BW was voorafgaande aan de procedure niet vergoed. Onder deze omstandigheden acht het Hof een compensatie van proceskosten niet aan de orde. Wel is er reden — wegens de grote discrepantie tussen de gevorderde en de toegewezen schadevergoeding — de veroordeling van Cardif tot vergoeding van het door [appellant] betaalde griffierecht te matigen tot de helft van het verschuldigde griffierecht, zijnde een vergoeding aan griffierecht van € 2.366,00. Cardif zal derhalve wegens proceskosten van [appellant] in eerste instantie hebben te voldoen € 6.154,85 − € 2.366,00 = € 3.788,85.
In het principaal en in het incidenteel appel
4.7.
Het principaal beroep slaagt niet; het incidenteel beroep slaagt ten dele. Het vonnis waarvan beroep zal in zoverre worden vernietigd.
[appellant] zal worden veroordeeld in de kosten van het principaal beroep. Het hof acht termen aanwezig de kosten in het incidenteel beroep te compenseren nu ieder van partijen deels in het gelijk en deels in het ongelijk is gesteld.
5. De uitspraak
Het hof:
op het principaal en incidenteel appel
vernietigt het vonnis waarvan beroep, doch slechts voor zover Cardif is veroordeeld tot betaling van proceskosten aan de zijde van [appellant] tot een bedrag van € 6.154,85; en in zoverre opnieuw rechtdoende:
veroordeelt Cardif tot betaling van proceskosten aan de zijde van [appellant] tot op heden begroot op € 3.788,85, waarvan € 1.352,00 aan salaris advocaat;
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige;
veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het principaal beroep, welke kosten aan de zijde van Cardif tot op de dag van deze uitspraak worden begroot op worden begroot op € 6.174,00 aan verschotten en € 2.632,00 aan salaris advocaat en verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de proceskosten van het incidenteel beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit arrest is gewezen door mrs. Gründemann, Huijbers- Koopman en Van der Putt- Lauwers en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 6 juli 2010.
griffier
rolraadsheer