AB 2022/59
Post-KOTA? Klare Taal Bokaal 2021? Bindt begrijpelijke taal op de website de Belastingdienst/Toeslagen?
Rb. Oost-Brabant 17-12-2021, ECLI:NL:RBOBR:2021:6516, m.nt. L.J.A. Damen
- Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
- Datum
17 december 2021
- Magistraten
Mr. M.J.H.M. Verhoeven
- Zaaknummer
20/1357
- Noot
L.J.A. Damen
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS632337:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
- Brondocumenten
ECLI:NL:RBOBR:2021:6516, Uitspraak, Rechtbank Oost-Brabant, 17‑12‑2021
- Wetingang
Essentie
Post-KOTA? Klare Taal Bokaal 2021? Bindt begrijpelijke taal op de website de Belastingdienst/Toeslagen?
Samenvatting
Inleiding: Deze uitspraak gaat over klare taal in wetten. Wetten zijn opgesteld voor ons allemaal. Maar niet iedereen begrijpt wat er in een wet staat. Soms is een wet zelfs voor de rechtbank ingewikkeld. De overheid heeft de werking en betekenis van een wet uitgelegd op een website in begrijpelijk Nederlands. Eiseres mocht in dit geval afgaan op de uitleg over de wettelijke bepaling op de website van de Belastingdienst/Toeslagen. Daar staat dat een ouder ook een recht op een kindgebonden budget heeft als een kind in belangrijke mate wordt onderhouden. De Belastingdienst/Toeslagen had in de bezwaarfase moeten onderzoeken of dat hier het geval was en heeft dat ten onrechte niet gedaan.
Uitwerking: De rechtbank heeft ook zelf enige moeite om te begrijpen wat er nu in de Wet op het kindgebonden budget (Wkgb) staat. Wat wordt er nu bedoeld met de passage dat je aanspraak hebt op een kindgebonden budget als kinderbijslag zou worden betaald als artikel 7 tweede lid van de Algemene Kinderbijslagwet (Akw) niet van toepassing zou zijn? De rechtbank heeft hetzelfde gedaan als eiseres: gekeken naar de uitleg op de website van de Belastingdienst/Toeslagen (www.belastingdienst.nl). Hierin worden de voorwaarden genoemd voor een recht op het kindgebonden budget.
Dit zo lezend, begrijpt de rechtbank goed waarom eiseres er van uitgaat dat ze ook recht heeft op een kindgebonden budget in 2019 als ze toen meer dan € 425,00 heeft bijgedragen aan het levensonderhoud van haar oudste dochter. Dat staat immers op de website van de Belastingdienst/Toeslagen. Staat het ook in de wet zelf? Artikel 7, tweede lid van de Akw stelt voorwaarden voor het recht op kinderbijslag voor kinderen van 16 en 17 jaar. Als niet wordt voldaan aan die voorwaarden, krijg je geen kinderbijslag. Maar volgens de rechtbank wordt in artikel 2, eerste lid van de Wkgb een uitzondering gemaakt en wordt het recht op kindgebonden budget aangenomen als je geen recht hebt op kinderbijslag maar dit recht wel zou hebben als de voorwaarden in artikel 7 tweede lid, niet van toepassing zouden zijn. Dat kan dan alleen als je jouw kind in belangrijke mate onderhoudt. Deze uitleg wordt bevestigd door de tekst op de website van de Belastingdienst/Toeslagen. Als dit niet de bedoeling was van de wetgever, dan had de wetgever het maar duidelijker moeten opschrijven in de wet. Deze wetgeving heeft gevolgen voor de financiële positie van veel Nederlanders. De wetgever zou zich moeten inspannen om wetten te maken die iedereen begrijpt. Daarnaast mag eiseres erop vertrouwen dat de Belastingdienst/Toeslagen op zijn eigen website de juiste informatie verschaft. Een gemiddelde burger zal niet een half uur gaan speuren in de parlementaire stukken bij een wetswijziging om te begrijpen wat er in de wet staat en wat er wordt bedoeld. Die kijkt op de website van de overheid waar het wettelijke systeem wordt uitgelegd. De rechtbank concludeert dus als volgt: ‘Als je geen recht hebt op kinderbijslag maar wel in belangrijke mate bijdraagt aan het levensonderhoud van je kind, heb je aanspraak op een kindgebonden budget.’
De Belastingdienst/Toeslagen gaat er van uit dat hij pas hoeft aan te nemen dat een kind in belangrijke mate wordt onderhouden als de SVB dit aangeeft. In dit geval heeft de SVB niets aangegeven. De Belastingdienst/Toeslagen is van mening dat hij daarmee ook klaar was in deze zaak. Hij verwijst hiervoor naar de wetsgeschiedenis.
De Belastingdienst/Toeslagen verwijst hierbij naar de Memorie van Toelichting op de Wet op de kindertoeslag (Kamerstukken II 2006/07, 30912, nr. 3) waarin op pag. 4 is aangegeven dat de Belastingdienst/Toeslagen in alle gevallen met toepassing van de Awir een beschikking neemt over de aanspraak op kindertoeslag waarbij in de uitvoering wordt aangesloten bij de gegevens van de SVB over het recht op en uitbetaling van de AKW.
Partij(en)
Uitspraak in de zaak tussen:
Eiseres,
en
De Belastingdienst/Toeslagen, verweerder.
Uitspraak
Procesverloop
Eiseres had een voorschot kindgebonden budget 2019 gekregen. Op 28 december 2019 heeft de Belastingdienst/Toeslagen dit voorschot naar beneden aangepast. Eiseres kreeg niet langer een kindgebonden budget voor de periode van 1 oktober 2019 t/m 31 december 2019 voor haar oudste dochter.
Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt. De Belastingdienst/Toeslagen heeft in het besluit van 28 april 2020 (het bestreden besluit) dit bezwaar ongegrond verklaard zonder hoorzitting.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De Belastingdienst/Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep behandeld op de zitting van 8 oktober 2021. Eiseres en haar gemachtigde hebben (op hun verzoek) online deelgenomen. De gemachtigden van de Belastingdienst/Toeslagen waren in de zittingszaal aanwezig. Na de zitting heeft de Belastingdienst/Toeslagen zijn standpunt verder toegelicht. Eiseres heeft hier niet meer op gereageerd.
Overwegingen
Inleiding
1.
De rechtbank zet eerst alle relevante feiten op een rij. Daarna vat de rechtbank de standpunten van eiseres en de Belastingdienst/Toeslagen samen. Dan geeft de rechtbank haar oordeel en legt de rechtbank uit wat de gevolgen zijn. In de bijlage bij deze uitspraak staat de letterlijke tekst van de genoemde wetsartikelen op het moment dat het besluit werd genomen.
Feiten
2.
De rechtbank gaat uit van de hieronder genoemde feiten.
- —
Eiseres heeft twee kinderen. Zij kreeg in 2018 voor beide kinderen kinderbijslag.
- —
Op 27 december 2018 heeft de Belastingdienst/Toeslagen aan eiseres een voorschot kindgebonden budget voor het jaar 2019 verleend van € 2.925.
- —
De oudste dochter is in september 2019 HBO-onderwijs gaan volgen.
- —
Op 28 november 2019 heeft de Sociale Verzekeringsbank (SVB) aan de Belastingdienst/ Toeslagen gemeld dat eiseres vanaf 1 oktober 2019 geen recht op kinderbijslag meer heeft voor haar oudste dochter.
- —
Daarna heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kindgebonden budget van eiseres voor het vierde kwartaal van 2019 aangepast en geen budget meer toegekend voor de oudste dochter.
- —
De oudste dochter is in februari 2020 18 jaar oud geworden. Eiseres heeft voor haar oudste dochter over het eerste kwartaal van 2020 weer wel kinderbijslag gekregen.
Standpunten
3.1
Eiseres is het niet eens met het besluit van de Belastingdienst/Toeslagen om geen kindgebonden budget toe te kennen voor het vierde kwartaal van 2019. Ze beseft dat ze geen kinderbijslag meer kreeg voor haar oudste dochter. Zij is van mening dat zij ook aanspraak kan maken op een kindgebonden budget als zij haar oudste dochter in die periode in belangrijke mate heeft onderhouden (met andere woorden, dat eiseres voor het grootste deel de kosten van levensonderhoud en studie van haar oudste dochter voor haar rekening heeft genomen). Dat staat op de website van de Belastingdienst/Toeslagen en van de SVB. Haar dochter woonde in die periode thuis bij eiseres en heeft geen studiebeurs of studielening gehad en had ook geen eigen inkomen. Eiseres vindt dat zij haar dochter in die periode in belangrijke mate heeft onderhouden.
3.2
De Belastingdienst/Toeslagen heeft van de SVB vernomen dat eiseres geen kinderbijslag heeft gekregen voor haar oudste dochter in het vierde kwartaal van 2019. De SVB heeft niet aan de Belastingdienst/Toeslagen verteld dat eiseres haar oudste dochter in belangrijke mate onderhoudt. De Belastingdienst/Toeslagen vindt dat hij dit niet zelf hoeft te beoordelen maar dat dit de taak is van de SVB. Daarom krijgt eiseres voor dit kind geen kindgebonden budget meer. Omdat de Belastingdienst/Toeslagen niets van de SVB heeft gehoord, heeft hij ook geen hoorzitting gehouden of eiseres de kans gegeven om haar bezwaarschrift verder toe te lichten.
Het oordeel van de rechtbank
4.
In deze zaak spelen twee vragen:
- —
Wanneer heb je een recht op een kindgebonden budget?
- —
Wie moet dit onderzoeken, de Belastingdienst/Toeslagen of de SVB?
5.1
Heeft eiseres een recht op een kindgebonden budget voor haar oudste dochter omdat zij haar in belangrijke mate heeft onderhouden in het vierde kwartaal? Het antwoord op deze vraag zou in de wet op het kindgebonden budget (Wkgb) moeten staan. Deze wet is vanaf 1 januari 2019 meerdere keren gewijzigd. Artikel 2, eerste lid, van de Wkgb geeft twee mogelijkheden. Je hebt aanspraak op een kindgebonden budget als kinderbijslag wordt betaald of zou worden betaald als artikel 7 tweede lid van de Algemene Kinderbijslagwet (Akw) niet van toepassing zou zijn. De Akw is ook veel gewijzigd in de afgelopen jaren. Tussen 1 juli 2019 en 31 december 2019 was in artikel 7, eerste lid van de Akw bepaald dat je recht kinderbijslag hebt als een kind tot je huishouden behoort of door jou wordt onderhouden. In artikel 7 tweede lid van de Akw is bepaald wanneer recht op kinderbijslag bestaat voor een kind van 16 of 17 jaar oud.
5.2
De rechtbank heeft ook zelf enige moeite om te begrijpen wat er nu in de wet (de Wkgb) staat. Wat wordt er nu bedoeld met de passage dat je aanspraak hebt op een kindgebonden budget als kinderbijslag zou worden betaald als artikel 7 tweede lid van de Algemene Kinderbijslagwet (Akw) niet van toepassing zou zijn? De rechtbank heeft hetzelfde gedaan als eiseres: gekeken naar de uitleg op de website van de Belastingdienst/Toeslagen (www.belastingdienst.nl). Hierin worden de voorwaarden genoemd voor een recht op het kindgebonden budget. Letterlijk staat er het volgende:
“Om kindgebonden budget te krijgen, moeten u en uw eventuele toeslagpartner aan de volgende voorwaarden voldoen:
U hebt 1 of meer kinderen die jonger zijn dan 18 jaar.
U krijgt kinderbijslag van de Sociale Verzekeringsbank (SVB). Of u onderhoudt uw kind in belangrijke mate.
Uw (gezamenlijke) inkomen is niet te hoog. Hoe hoog uw inkomen mag zijn, hangt af van de samenstelling van uw gezin. Maak een proefberekening om te zien of u kindgebonden budget kunt krijgen.
U hebt de Nederlandse nationaliteit of bent legaal in Nederland.
Uw (gezamenlijke) vermogen is niet te hoog.”
Met even doorklikken kom je bij de uitleg over het begrip “in belangrijke mate onderhouden”. Op de website staat:
“Uw kind in belangrijke mate onderhouden betekent dat u meebetaalt aan het levensonderhoud van uw kind zoals voor zijn eten en kleding. De Sociale verzekeringsbank controleert of u uw kind in belangrijke mate onderhoudt en geeft dit aan ons door.”
Daarna wordt aangegeven wat het normbedrag is:
“U onderhoudt uw kind in belangrijke mate als u per kwartaal minimaal € 433 (norm in 2021) bijdraagt aan het levensonderhoud.”
In 2019 was dit bedrag € 425.
5.3
Dit zo lezend, begrijpt de rechtbank goed waarom eiseres er van uitgaat dat ze ook recht heeft op een kindgebonden budget in 2019 als ze toen meer dan € 425 heeft bijgedragen aan het levensonderhoud van haar oudste dochter. Dat staat immers op de website van de Belastingdienst/Toeslagen. Staat het ook in de wet zelf? Artikel 7, tweede lid van de Akw stelt voorwaarden voor het recht op kinderbijslag voor kinderen van 16 en 17 jaar. Als niet wordt voldaan aan die voorwaarden, krijg je geen kinderbijslag. Maar volgens de rechtbank wordt in artikel 2, eerste lid van de Wkgb een uitzondering gemaakt en wordt het recht op kindgebonden budget aangenomen als je geen recht hebt op kinderbijslag maar dit recht wel zou hebben als de voorwaarden in artikel 7 tweede lid, niet van toepassing zouden zijn. Dat kan dan alleen als je jouw kind in belangrijke mate onderhoudt. Deze uitleg wordt bevestigd door de tekst op de website van de Belastingdienst/Toeslagen. Als dit niet de bedoeling was van de wetgever, dan had de wetgever het maar duidelijker moeten opschrijven in de wet. Deze wetgeving heeft gevolgen voor de financiële positie van veel Nederlanders. De wetgever zou zich moeten inspannen om wetten te maken die iedereen begrijpt. Daarnaast mag eiseres erop vertrouwen dat de Belastingdienst/Toeslagen op zijn eigen website de juiste informatie verschaft. Een gemiddelde burger zal niet een half uur gaan speuren in de parlementaire stukken bij een wetswijziging om te begrijpen wat er in de wet staat en wat er wordt bedoeld. Die kijkt op de website van de overheid waar het wettelijke systeem wordt uitgelegd. De rechtbank concludeert dus als volgt:
“Als je geen recht hebt op kinderbijslag maar wel in belangrijke mate bijdraagt aan het levensonderhoud van je kind, heb je aanspraak op een kindgebonden budget.”
6.1
Wie moet nu vaststellen of sprake is van ‘in belangrijke mate onderhouden’, de Belastingdienst/Toeslagen of de SVB? De rechtbank is van oordeel dat de Belastingdienst/Toeslagen in beginsel uit mag gaan van de informatie van de SVB voor wat betreft het recht op kinderbijslag. Eiseres heeft bevestigd op de zitting dat ze per 1 oktober 2019 geen kinderbijslag kreeg voor haar oudste dochter en heeft geen bezwaar gemaakt tegen de stopzetting van de kinderbijslag. Maar dit is hier niet het probleem. Hier moet worden bepaald of eiseres na 1 oktober 2019 in belangrijke mate heeft bijdragen aan het levensonderhoud van haar oudste dochter.
6.2
De Belastingdienst/Toeslagen gaat er van uit dat hij pas hoeft aan te nemen dat een kind in belangrijke mate wordt onderhouden als de SVB dit aangeeft. In dit geval heeft de SVB niets aangegeven. De Belastingdienst/Toeslagen is van mening dat hij daarmee ook klaar was in deze zaak. Hij verwijst hiervoor naar de wetsgeschiedenis.1.
6.3
Daar denkt de rechtbank anders over. Allereerst ziet de rechtbank niet in waarom de SVB hierover iets uit eigen beweging zou gaan melden bij de Belastingdienst/Toeslagen. De taak van de SVB was na 1 oktober 2019 klaar (althans tot de wijziging van de Akw per 1 januari 2020 waarna weer een recht op kinderbijslag voor de oudste dochter ontstond). De SVB hoefde namelijk geen kinderbijslag meer te verstrekken. Waarom zou de SVB dan nog iets doorgeven? Daarnaast moet de Belastingdienst/Toeslagen een beslissing op bezwaar goed voorbereiden en onderzoeken of de stellingen van eiseres in het bezwaarschrift juist waren. De gemachtigde van eiseres heeft in het bezwaarschrift gesteld dat de oudste dochter in belangrijke mate werd onderhouden door eiseres. Volgens de rechtbank kon de Belastingdienst/Toeslagen in de bezwaarfase niet volstaan met de constatering dat er niets was vernomen van de SVB. Hij had zelf (of zo nodig met hulp van de SVB) moeten onderzoeken of eiseres inderdaad in belangrijke mate heeft bijgedragen aan het levensonderhoud van de oudste dochter. De Belastingdienst/Toeslagen had hiervoor een hoorzitting moeten houden en eiseres moeten vragen wat haar bijdrage in het levensonderhoud van haar oudste dochter is geweest. Zo nodig had hij om bewijs kunnen vragen. Hij had ook kunnen uitrekenen of het verschil zou maken als de oudste dochter een studiefinanciering of studielening zou hebben ontvangen. De Belastingdienst/Toeslagen kon de zaak niet zonder hoorzitting afdoen. Hij was dus niet klaar met de zaak en heeft het bestreden besluit niet goed voorbereid.
Conclusie
7.
Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De Belastingdienst/Toeslagen zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. Hij zal moeten onderzoeken of eiseres in belangrijke mate heeft bijgedragen aan het levensonderhoud van haar oudste dochter. Hierbij mag de Belastingdienst/Toeslagen nagaan of de oudste dochter in aanmerking kon komen voor studiefinanciering of een studielening en of zij daarna nog afhankelijk zou zijn geweest van haar moeder. Als hij tot de conclusie komt dat eiseres wel in belangrijke mate heeft bijgedragen aan het levensonderhoud van de oudste dochter in het vierde kwartaal van 2019, dan zal de Belastingdienst/Toeslagen niets anders kunnen doen dan het besluit van 28 december 2019 intrekken en het recht van eiseres op kindgebonden budget over het vierde kwartaal van 2019 opnieuw moeten vaststellen (en vervolgens dat budget ook uitkeren). Heel moeilijk kan dit niet zijn, dus de rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.
8.
De rechtbank veroordeelt de Belastingdienst/Toeslagen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.496 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor hetonline verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 748 en een wegingsfactor 1). Omdat de rechtbank het beroep van eiseres gegrond verklaart, moet de Belastingdienst/Toeslagen het griffierecht aan eiseres vergoeden.
Beslissing
De rechtbank,
- —
verklaart het beroep gegrond;
- —
vernietigt het bestreden besluit;
- —
draagt de Belastingdienst/Toeslagen op binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- —
draagt de Belastingdienst/Toeslagen op het betaalde griffierecht van € 48 aan eiseres te vergoeden;
- —
veroordeelt de Belastingdienst/Toeslagen in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.496.
Bijlage
Wet op het kindgebonden budget (tussen 1 september 2019 en 31 december 2019)
Artikel 2, eerste lid
Aanspraak op een kindgebonden budget heeft de ouder voor een kind voor wie aan die ouder op grond van artikel 18 van de Algemene Kinderbijslagwet kinderbijslag wordt betaald of zou worden betaald indien artikel 7, tweede lid van die wet niet van toepassing zou zijn, met dien verstande dat de aanspraak op een kindgebonden budget bestaat met ingang van de kalendermaand na de maand waarin het kind is geboren dan wel tot het huishouden is gaan behoren tot en met de kalendermaand waarin het kind de leeftijd van 18 jaar bereikt.
Algemene Kinderbijslagwet (tussen 1 september 2019 en 31 december 2019)
Artikel 7
- 1.
De verzekerde heeft overeenkomstig de bepalingen van deze wet recht op kinderbijslag voor een kind dat jonger is dan 18 jaar en dat:
- a.
tot zijn huishouden behoort, of
- b.
door hem wordt onderhouden.
- 2.
De verzekerde heeft voor een kind van 16 of 17 jaar slechts recht op kinderbijslag indien:
- a.
de verzekerde heeft voldaan aan de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 2, eerste lid, en 4a, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969, dan wel daarvan op grond van die wet is vrijgesteld;
- b.
het kind als leerling, vavo-student of student als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs van een met een school of instelling als bedoeld in artikel 4a van de Leerplichtwet 1969 vergelijkbare inrichting van onderwijs buiten Nederland staat ingeschreven en deze inrichting geregeld bezoekt, dan wel met overeenkomstige toepassing van de vrijstellingsgronden van die wet van die verplichting is vrijgesteld;
- c.
het kind een startkwalificatie als bedoeld in artikel 1, onderdeel f, van de Leerplichtwet 1969 heeft behaald; of
- d.
het kind een school of instelling als bedoeld in onderdeel b heeft afgerond op vergelijkbare wijze als bedoeld in onderdeel c.
Artikel 14
- 1.
De Sociale verzekeringsbank stelt op aanvraag vast of een recht op kinderbijslag bestaat. De aanvraag om het extra bedrag aan kinderbijslag, bedoeld in artikel 7a, tweede lid, wordt ingediend voor 1 december van het kalenderjaar na het kalenderjaar waarover recht op het extra bedrag aan kinderbijslag bestaat.
- 2.
Een aanvraag wordt ingediend door middel van een door de Sociale verzekeringsbank beschikbaar gesteld aanvraagformulier. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de verder bij de aanvraag te verstrekken gegevens.
- 3. t/m 6.
(…).
Noot
Auteur: L.J.A. Damen
1.
Deze uitspraak verdient aandacht in de AB omdat zij getuigt van de frisse wind die Post-KOTA (kinderopvangtoeslagenaffaire) in de rechtspraak is gaan waaien. Zie ook het arrest van de Hoge Raad van 5 november 2021, AB 2022/53. Daarbij valt op dat de rechtbank ervan uitgaat dat (begrijpelijke) algemene informatie op een website al snel een bestuursorgaan kan binden. Verder valt op dat de rechtbank het probleem van de afstemming tussen verschillende ‘ketenpartners’ vrij gemakkelijk neerlegt bij het bevoegde bestuursorgaan: eenheid van bestuur als norm dus. Daarbij past in elk geval niet een gemakzuchtig afdoen van het bezwaarschrift zonder eiseres te horen. Ten slotte solliciteert de uitspraak op de valreep duidelijk nog naar de Klare Taal Bokaal 2021.
2.
Dat (begrijpelijke) algemene informatie op een website een bestuursorgaan kan binden, werd in de rechtspraak bepaald niet snel aangenomen. Integendeel, dat werd vrij systematisch van de hand gewezen.
In mijn VAR-preadvies uit 2018, Is de burger triple A: alert, argwanend, assertief, of raakt hijlost in translation?, VAR-reeks 160, p. 7-103, hier p. 22-24, 75-79, heb ik met een aantal stories en jurisprudentieverwijzingen laten zien dat de burger juist niet kan vertrouwen op algemene informatie, hoe begrijpelijk die ook is.
3.
Zo kon volgens de Afdeling bestuursrechtspraak een burger in een procedure over huurtoeslag ‘aan de foutieve informatie over het maximaal toegelaten vermogen die in december 2010 enige tijd op de website (van de Belastingdienst/Toeslagen) heeft gestaan, geen te honoreren vertrouwen (kon) ontlenen dat zij over 2011 aanspraak heeft op huurtoeslag, reeds omdat die website slechts algemene informatie bevat en het bestaan van de aanspraak steeds afhankelijk is van de individuele omstandigheden van het geval’. (cursivering toegevoegd) Ik schreef daarom:
‘Het moge zo zijn dat uiteindelijk de individuele omstandigheden beslissend zijn. De Afdeling motiveert niet waarom “reeds” daarom geen vertrouwen kan worden ontleend aan algemene informatie. Waarom zou die informatie niet correct kunnen en dus moeten zijn?’
De jurisprudentie van de Hoge Raad als belastingrechter en van de Centrale Raad van Beroep was in vergelijkbare mate bestuursvriendelijk. Zie de op de vermelde pagina’s van mijn preadvies vermelde uitspraken.
4.
Volgens de rechtbank Oost-Brabant mag een gemiddelde burger vertrouwen op wat er op de website van de Belastingdienst staat. De tekst waarnaar de rechtbank verwijst, stond er ook op 8 januari 2022 nog. Inclusief de zin:
‘De Sociale Verzekeringsbank (SVB) controleert of u uw kind in belangrijke mate onderhoudt en geeft dit aan ons door.’
5.
Hoe zit het nu met de verhouding tussen de SVB en de Belastingdienst/Toeslagen (B/T)? De B/T had blijkens noot 1 bij bovenstaande uitspraak met een beroep op de wetsgeschiedenis gesteld dat hij voor het antwoord op de vraag of een kind in belangrijke mate wordt onderhouden, de SVB blindelings mag volgen. Omdat in dit geval de SVB nu eenmaal niets had aangegeven om blindelings te volgen, ‘was’ de B/T ‘daarmee ook klaar in deze zaak’.
‘Klaar zijn’ is hier kennelijk niet bedoeld in de zin van: ‘ik ben helemaal klaar met corona’, maar in de zin van: ‘de beschikking kon worden genomen, het dossier kon worden gesloten’.
6.
De rechtbank stelt terecht:
‘Een gemiddelde burger zal niet een half uur gaan speuren in de parlementaire stukken bij een wetswijziging om te begrijpen wat er in de wet staat en wat er wordt bedoeld.’
De rechtbank heeft dat ongetwijfeld wel gedaan, en een annotator doet dat ook. Wat zijn mijn bevindingen?
7.
Blijkens noot 1 bij de uitspraak beroept de B/T zich op de memorie van toelichting:
‘Verweerder verwijst naar de Memorie van Toelichting op de Wet op de kindertoeslag (TK, vergaderjaar 2006-2007, 30 912, nr. 3) waarin op pag. 4 is aangegeven dat de Belastingdienst/Toeslagen in alle gevallen met toepassing van de Awir een beschikking neemt over de aanspraak op kindertoeslag waarbij in de uitvoering wordt aangesloten bij de gegevens van de SVB over het recht op en uitbetaling van de AKW.’
Er staat daar in de memorie van toelichting: ‘aangesloten op de gegevens’, maar verder is het citaat correct. (NB: Inmiddels is de kindertoeslag omgezet in het kindgebonden budget.)
8.
Toch maar even verder gezocht. Op p. 3 van de memorie van toelichting lezen we voorafgaand aan de geciteerde passage:
‘De Belastingdienst/Toeslagen heeft aangegeven, dat het voorstel alleen kan worden uitgevoerd als uitgegaan wordt van de gegevens die de SVB registreert ten behoeve van de vaststelling van het recht op kinderbijslag. Daartoe zal de registratie van kindgegevens bij de SVB zodanig moeten worden omgevormd dat alle gegevens met betrekking tot ouder en kind zonder verdere controle door de Belastingdienst kunnen worden gebruikt. De Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet SUWI) in combinatie met de Awir biedt hiervoor de basis. De SVB wordt verantwoordelijk voor de juistheid van deze gegevens, en wordt het loket voor de ouder voor het doorgeven van mutaties op deze gegevens.’ (cursivering toegevoegd)
Er is dus een uitvoeringstoets verricht die indiceert dat het voorstel alleen uitvoerbaar is als de B/T blindelings kan afgaan op de gegevens van de SVB. Er wordt de laatste tijd vaak op gewezen dat bij nieuwe wetgeving serieus naar de uitvoerbaarheid moet worden gekeken. In casu heeft de B/T uitdrukkelijk aangegeven dat hij ter wille van de uitvoerbaarheid wel blindelings de SVB moet gaan volgen.
9.
We zien hier een van de consequenties van massale ketenbesluitvorming. Beschikkingenfabrieken spuwen miljoenen beschikkingen uit en moeten daarbij uitgaan van gegevens die andere organisaties aanleveren. Soms zelfs zonder dat de burger het initiatief hoeft te nemen voor zo’n beschikking.
Voor confectiebesluitvorming is blindelings volgen nodig, zoals de B/T ook bij de uitvoeringstoets had aangegeven. Voor de primaire fase heeft dat gevolgen voor de mogelijkheden van maatwerk. Dat is bij digitale massale besluitvorming onmogelijk. Maatwerk moet al in de wettelijke en beleidsregels zelf tot uitdrukking worden gebracht. Het ontbreken van maatwerk kan en moet natuurlijk wel in de bezwaarfase worden gecompenseerd.
10.
De rechtbank vindt blijkens r.o. 6.3 dat de B/T er rekening mee moest houden dat de SVB bepaalde gegevens misschien wel niet uit eigen beweging aanleverde. In casu hoefde de SVB in het vierde kwartaal van 2019 geen kinderbijslag meer te verstrekken. (In het eerste kwartaal van 2020 overigens weer wel: niets zo volatiel als de sociale zekerheid!)
Welnu, zegt de rechtbank: ‘Waarom zou de SVB dan nog iets doorgeven?’
11.
Mijns inziens zou een antwoord kunnen zijn: omdat de SVB niet alleen een functie heeft als verstrekker van kinderbijslag, maar ook een functie als verstrekker van gegevens aan de B/T ten behoeve van diens taak als verstrekker van kindertoeslag/kindgebonden budget. Bovendien heeft de B/T uitdrukkelijk aangegeven dat hij blindelings de SVB gaat volgen. Dat is tot op zekere hoogte een rechtvaardiging voor een beperkte onderzoekstaak/-plicht van de B/T.
12.
De rechtbank maakt er echter zeer terecht een punt van dat de B/T het bezwaar zonder hoorzitting heeft afgedaan. In de bezwaarfase had de B/T wel maatwerk kunnen en moeten leveren, en in elk geval eiseres moeten horen. Dat is zo vanzelfsprekend dat de gang van zaken mij zeer zou hebben verbaasd als ik inmiddels niet wist hoe het er bij de B/T aan toe kan gaan. In elk geval op 28 april 2020 was de nieuwe frisse Post-KOTA-wind binnen de B/T nog niet overal doorgedrongen. Zelfs op 8 oktober 2021 zijn twee gemachtigden van de B/T monter naar Den Bosch gereisd om daar het volkomen onhoudbare standpunt van de B/T te verdedigen in plaats van die tijd te benutten om het dossier opnieuw, maar dan inhoudelijk te beoordelen.
13.
Als de nieuwe frisse Post-KOTA-wind inmiddels wel is gaan waaien, zal er wel geen hoger beroep worden ingesteld. Als dat wel gebeurt, ben ik toch wel benieuwd of de Afdeling ook zal oordelen dat een burger al snel mag vertrouwen op (begrijpelijke) algemene informatie die zij vindt op een website van een bestuursorgaan.
14.
In de Amsterdamse dakopbouw (ABRvS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694, AB 2019/302 m.nt. Damen) overweegt de Afdeling ‘dat, om een toezegging aan te nemen, de uitlating en/of gedraging in ieder geval toegesneden dient te zijn op de concrete situatie. Algemene voorlichting of uitlatingen over een ander geval of jegens derden zijn niet aan te merken als een toezegging.’
Daarmee is natuurlijk nog niet gezegd dat in geval van algemene voorlichting stap 1 van het stappenplan nooit succesvol doorlopen kan worden, en dus in zoverre sprake kan zijn van gerechtvaardigd vertrouwen. Het tegendeel is echter ook niet gezegd.
15.
Dat tegendeel is inmiddels wel gezegd door de Hoge Raad in HR 5 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1654, AB 2022/53 m.nt. Damen. In die uitspraak wordt de Belastingdienst gebonden geacht door (begrijpelijke) algemene informatie op de website. Omdat uit die uitspraak niet blijkt dat zij de weerslag vormt van het overleg tussen de hoogste bestuursrechters, ben ik benieuwd of bij de Afdeling en de andere hoogste bestuursrechters de frisse Post-KOTA-wind inzake vertrouwen op algemene informatie ook is gaan waaien.
Voetnoten
Voetnoten
Verweerder verwijst naar de Memorie van Toelichting op de Wet op de kindertoeslag (TK, vergaderjaar 2006-2007, 30 912, nr. 3) waarin op pag. 4 is aangegeven dat de Belastingdienst/Toeslagen in alle gevallen met toepassing van de Awir een beschikking neemt over de aanspraak op kindertoeslag waarbij in de uitvoering wordt aangesloten bij de gegevens van de SVB over het recht op en uitbetaling van de AKW.