Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/2.7.1
2.7.1 De fases van de enquêteprocedure
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS372082:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
“Bijzonder” in de zin dat naast de algemene regeling ten aanzien van verzoekschriftprocedure ook nog de – aan deze algemene regeling derogerende – bijzondere regeling van Afdeling 2 van Titel 8 Boek 2 BW geldt.
HR 20 november 2009, NJ 2011, 212 m.nt. Van Veen, JOR 2010, 8 m.nt. Brink (KPNQwest).
Geerts (Diss.) onderscheidt twee fases (fase 1 en 3 in mijn indeling). In de toelichting op onderdeel 1 van het cassatiemiddel in HR 6 juni 2003, NJ 2003, 486 m.nt. Maeijer, JOR 2003/161 m.nt. Josephus Jitta (Scheipar) wordt uitgelegd dat men ook wel van drie fases spreekt als men het onderzoek als zelfstandige fase beschouwt (derhalve fases 1, 2 en 3 in mijn indeling). Al deze indelingen zijn mijns inziens incompleet, omdat zij miskennen dat de enquêteprocedure niet is beëindigd zo lang (onmiddellijke) voorzieningen van kracht zijn (fase 4 in mijn indeling).
HR 14 december 2007, NJ 2008, 105 m.nt. Maeijer, JOR 2007/11 m.nt Doorman (DSM), zie ook art. 2:349a BW.
Kamerstukken TK 32 887, nr. 3 (MvT), p. 23 en 34.
HR 23 maart 2012, NJ 2012/393 m.nt. Van Schilfgaarde, JOR 2012/141 m.nt. Josephus Jitta (e-Traction II).
Zie over ontkoppeling Geerts (Diss.), par. 5.2.1 en par. 5.3.2.1 en Veenstra (Diss.),par 4.4.1.4, 4.4.2.2 t/m 4.4.3.2.
Kamerstukken TK 32 887, nr. 3 (MvT), p. 23 en 34. Zie verder hierover par. 3.2.
De enquêteprocedure is een bijzondere1 verzoekschriftprocedure met een afwijkend procesverloop.2 Om de verschillende stadia van de enquêteprocedure van elkaar te onderscheiden wordt veelal gesproken over fases. Het aantal fases dat men onderscheidt, wisselt.3 In dit onderzoek onderscheid ik vier fases:
De “eerste fase” vangt aan met het indienen van het verzoek als bedoeld in art. 2:345 BW tot het benoemen van één of meer onderzoekers die een onderzoek instellen naar het beleid en de gang van zaken van de rechtspersoon. Deze fase eindigt met de beslissing op dat verzoek. Om onmiddellijke voorzieningen kan in elke stand van het geding worden verzocht en derhalve ook in de eerste fase, dus voordat beslist is of er een onderzoek komt.4
Met de beslissing op het verzoek om een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken vangt gelijk de “tweede fase” aan. In deze fase vindt het genoemde onderzoek plaats. Als de onderzoekers hun onderzoeksverslag op de voet van art. 2:353 BW deponeren bij de griffie van de ondernemingskamer eindigt de tweede fase. Ook tijdens de tweede fase kan om onmiddellijke voorzieningen worden verzocht. Het heeft blijkens de invoering van art. 2:349a lid 3 BW de voorkeur van de wetgever dat pas wordt beslist op het verzoek om onmiddellijke voorzieningen, nadat is beslist of er een onderzoek komt.5
De “derde fase” vangt aan met het indienen van een verzoek om wanbeleid vast te stellen (en eventueel om voorzieningen te treffen tot) en eindigt met de beslissing op dat verzoek. Ook hier geldt weer dat onmiddellijke voorzieningen kunnen worden getroffen.6
Indien de ondernemingskamer vaststelt dat sprake is van wanbeleid kan zij (onmiddellijke) voorzieningen treffen. In dat geval duurt het geding nog voort totdat de voorzieningen zijn geëindigd.7 Dat is de “vierde fase”.
Niet in iedere enquêteprocedure worden alle fases (geheel) doorlopen. Los van het feit dat partijen het er bij kunnen laten zitten, bijvoorbeeld vanwege een minnelijke schikking, komt het voor dat eerst wordt beslist op het verzoek om onmiddellijke voorzieningen te treffen en dat het verzoek om een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken welbewust wordt aangehouden. Dit noemt men ook wel “ontkoppeling”, omdat daarmee het verband tussen het onderzoek naar het beleid en de gang van zaken en het treffen van onmiddellijke voorzieningen wordt verbroken.8 Beter gezegd, ontduiken de justitiabelen aldus met medewerking van de ondernemingskamer het enquêteonderzoek – de kern van het enquêterecht – omdat zij dit als onnodige ballast ervaren en het hen enkel te doen is om onmiddellijke voorzieningen. De wetgever heeft deze praktijk proberen te ontmoedigen met een aanpassing van art. 2:349a BW.9