Inhoudsopgave
De rechtsverhouding tussen erfpachter en erfverpachter (R&P nr. VG10) 2019/4.4.3:4.4.3 Samenvatting toestemming voor splitsing
De rechtsverhouding tussen erfpachter en erfverpachter (R&P nr. VG10) 2019/4.4.3
4.4.3 Samenvatting toestemming voor splitsing
Documentgegevens:
Jacqueline Broese van Groenou, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
Jacqueline Broese van Groenou
- JCDI
JCDI:ADS384809:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Genotsrechten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De twee besproken uitspraken over toestemming voor splitsing tonen dat het zinvol is onderscheid te maken tussen de verbintenis die op grond van het recht rust op de erfpachter om toestemming voor splitsing te vragen en de eenzijdige rechtshandeling van de erfverpachter om die toestemming te verlenen of gemotiveerd te weigeren. In de Rotterdamse zaak werd het weigeren van toestemming voor splitsing beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. In de belangafweging woog het algemeen belang van de gemeente, kenbaar uit het gepubliceerde beleid ten aanzien van de herstructurering van het bedrijventerrein, zwaarder dan het belang van de erfpachter bij splitsing, mede omdat de reden van weigering aansloot bij de ratio van de wettelijke regeling. In de Antilliaanse zaak was de erfpachter zijn verplichting om toestemming voor splitsing te vragen aan de erfverpachter niet nagekomen zodat een geëffectueerde splitsing achteraf ongeldig bleek. Of de erfverpachter die toestemming desgevraagd zou hebben verleend of geweigerd kan uit de gepubliceerde uitspraken niet achterhaald worden.
De rechtspraak over toestemming voor appartementensplitsing betreft het verlenen of weigeren van toestemming voor splitsing in appartementsrechten en deze toestemming wordt in beginsel marginaal getoetst. Het wettelijk toestemmingsvereiste voor splitsing van een erfpachtrecht in appartementsrechten faciliteert met name de gemeentelijke grondeigenaar die deze toestemming gebruikt in dienst van het huisvestingsbeleid. Gezien het relatief kleine aantal erfpachtgemeenten dat deze toestemming altijd opneemt in de algemene erfpachtvoorwaarden zou naar mijn mening het afzonderlijke wettelijke toestemmingsvereiste van art. 5:106 lid 7 BW kunnen vervallen. Indien het toestemmingsvereiste van art. 5:91 lid 2 BW ook de appartementensplitsing omvat kan de feitenrechter de redelijkheidstoets van art. 5:91 lid 4 BW analoog toepassen en een voorwaarde of weigering die niet berust op een publiekrechtelijk belang ook inhoudelijk toetsen. Voor beide vormen van toestemming voor splitsing zijn te weinig uitspraken beschikbaar om daaruit algemene regels af te leiden.