Rb. Amsterdam, 12-09-2017, nr. 13.751849-16
ECLI:NL:RBAMS:2017:7137
- Instantie
Rechtbank Amsterdam
- Datum
12-09-2017
- Zaaknummer
13.751849-16
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Internationaal publiekrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBAMS:2017:7137, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 12‑09‑2017; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:RBAMS:2017:4494, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 25‑04‑2017; (Rekestprocedure)
ECLI:NL:RBAMS:2016:9691, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 23‑12‑2016; (Raadkamer)
Uitspraak 12‑09‑2017
Inhoudsindicatie
overlevering / detentieomstandigheden Roemenië / na uitstelbeslissing geen informatie die leidt tot ander oordeel / OM niet-ontvankelijk wegens overschrijden redelijke termijn
Partij(en)
RECHTBANK AMSTERDAM,
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13.751849-16
RK-nummer: 16/7438
Datum uitspraak: 12 september 2017
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 27 oktober 2016 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 4 oktober 2016 door the Bucharest Tribunal-2nd Criminal Law Division (Roemenië) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren te [geboorteplaats] (Roemenië) op [geboortedatum] 1970,
laatstelijk opgegeven verblijfadres: [verblijfadres],
hierna te noemen “de opgeëiste persoon”.
1. Procesgang
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 1 november 2016. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek.
De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsvrouw, mr. T.E. Korff, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Roemeense taal.
Bij tussenuitspraak van 11 november 2016 heeft de rechtbank het onderzoek heropend, teneinde bij de uitvaardigende justitiële autoriteit aanvullende informatie op te vragen over de detentie-omstandigheden in Roemenië en in welke detentie-instelling de opgeëiste persoon na zijn overlevering geplaatst zal worden, dit alles in het licht van het arrest van het Hof van Justitie inzake Aranyosi en Câldâraru (HvJ 5 april 2016, C-404/15 en C-659/15 PPU, ECLI:EU:C:2016:198 (Aranyosi en Câldâraru) en het arrest van het Europees Hof van de Rechten van de Mens van 20 oktober 2016 (EHRM (Grote Kamer), 7334/13): Muršić/Kroatië.
Op de zitting van 24 november 2016 heeft de rechtbank de behandeling voortgezet in aanwezigheid van de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsvrouw en door een tolk in de Roemeense taal. Op die zitting is een tussenuitspraak gewezen waarbij het onderzoek is geschorst en de beslissing op het verzoek om overlevering is uitgesteld. Bij deze tussenuitspraak is geoordeeld dat de omschrijving van de feiten voldoet aan artikel 2 van de OLW en dat de lijstfeiten in redelijkheid door de uitvaardigende justitiële autoriteit zijn aangekruist, zodat onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten achterwege moet blijven.
De overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon is op de raadkamerzitting van 17 maart 2017 onder voorwaarden geschorst.
Het onderzoek is vervolgens hervat op de zitting van 11 april 2017 in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek. De opgeëiste persoon heeft zich wederom doen bijstaan door zijn raadsvrouw en door een tolk in de Roemeense taal. Bij tussenuitspraak van 25 april 2017 is het onderzoek ter zitting heropend en geschorst en heeft de rechtbank de beslissing tot uitstel gehandhaafd.
Mr. Korff heeft bij brief van 19 juli 2017 meegedeeld dat zij zich als advocaat van de opgeëiste persoon terugtrekt en dat er tot op dat moment geen nieuwe advocaat bekend is.
De rechtbank heeft het onderzoek opnieuw hervat op de zitting van 12 september 2017 in aanwezigheid van de officier van justitie mr. R. Vorrink.
De officier van justitie heeft toegelicht dat getracht is de opgeëiste persoon op te roepen op het adres aan het [verblijfadres]. Daar heeft een bewoner verklaard dat de opgeëiste persoon niet op dat adres verblijft. De officier van justitie heeft tevens meegedeeld dat de opgeëiste persoon zich op 1 en 8 september 2017 niet meer gemeld heeft op het politiebureau, zoals hij zou moeten doen op basis van de schorsingsvoorwaarden.
De rechtbank ziet, gelet op deze procesgang, geen aanleiding de behandeling van de zaak (opnieuw) aan te houden om te trachten een advocaat aan de opgeëiste persoon toe te voegen.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde personalia kloppen en dat hij de Roemeense nationaliteit heeft.
3. Detentieomstandigheden in de uitvaardigende lidstaat
3.1
Huidige stand van zaken
In de eerdergenoemde tussenuitspraak van 25 april 2017 heeft de rechtbank geoordeeld dat met betrekking tot de mogelijke detentie van de opgeëiste persoon in Roemenië – met name gelet op de gevangenis in Jilava – het ernstige vermoeden van een schending van artikel 4 Handvest niet is weerlegd, zodat voor de opgeëiste persoon bij overlevering nog steeds een reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling bestaat.
Thans beschikt de rechtbank over nieuwe informatie van de Roemeense autoriteiten, in de vorm van een brief van de Algemeen Directeur van het Nationale Bestuur van Penitentiaire Instellingen in Roemenië van 7 juli 2017.
3.2
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht de beslissing over de overlevering opnieuw uit te stellen. Naar aanleiding van de brief van de Roemeense autoriteiten van 7 juli 2017 is door de officier van justitie op 21 juli 2017 gevraagd om een individuele garantie dat de opgeëiste persoon over een minimale persoonlijke ruimte van 3 m² zal beschikken in Roemenië. Op 7 september 2017 heeft de officier van justitie deze vraag nogmaals voorgelegd aan de Roemeense autoriteiten. Hoewel hierop geen antwoord is ontvangen, heeft de officier van justitie erop gewezen dat in een andere Roemeense zaak, waarbij sprake is van een educational sentence, wel een individuele garantie is verstrekt. Hoewel die zaak vanwege het karakter van de opgelegde straf niet vergelijkbaar is met onderhavige zaak, bewijst het wel dat een individuele garantie mogelijk is. Nu gebleken is dat een individuele garantie mogelijk is, moet in onderhavige zaak nogmaals getracht worden om een dergelijke garantie te verkrijgen.
3.3
Oordeel van de rechtbank
In de brief van 7 juli 2017 heeft de Algemeen Directeur van het Nationale Bestuur van Penitentiaire Instellingen in Roemenië – kort gezegd – meegedeeld dat een algemene garantie voor over te leveren personen van een minimale persoonlijke ruimte van 3 m² niet kan worden gegeven, maar dat een dergelijke garantie in individuele gevallen eventueel wel zou kunnen worden gegeven (“we express our availability to provide individual assurances as regards the provided imprisonment conditions”).
De officier van justitie heeft op 21 juli 2017 en 29 augustus 2017 verzocht om een individuele garantie. De Roemeense autoriteiten hebben hierop niet gereageerd. Nu van een individuele garantie zoals hiervoor bedoeld, niet is gebleken, is de strong presumption van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden in Roemenië voor de opgeëiste persoon nog altijd niet weerlegd. De conclusie moet dan ook zijn dat de door de Roemeense autoriteiten verstrekte informatie het vastgestelde reële gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling voor de opgeëiste persoon niet uitsluit. Het feit dat in een andere Roemeense overleveringszaak met betrekking tot een educational sentence wel een individuele garantie is verstrekt, geeft geen aanleiding te veronderstellen dat hierop ook in onderhavige zaak concreet zicht is.
4. De redelijke termijn en de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
4.1
Standpunt van de officier van justitie
Zoals hiervoor onder 3.2 weergegeven, heeft de officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de redelijke termijn nog niet is overschreden, nu uit een andere Roemeense zaak, waarbij sprake is van een educational sentence, is gebleken dat een individuele garantie kan worden verstrekt. Dit geeft aanleiding om in onderhavige zaak nogmaals te proberen om een dergelijke garantie te verkrijgen.
4.2
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft op 24 november 2016 de beslissing over de overlevering uitgesteld. Inmiddels zijn ruim negen maanden verstreken en is meermaals – tevergeefs – om een individuele garantie verzocht. Bovendien is er geen concrete aanleiding om te veronderstellen dat een dergelijke garantie in deze zaak alsnog (spoedig) zal worden verstrekt.
Onder verwijzing naar het uitgangspunt dienaangaande van de rechtbank, zoals uiteengezet in haar uitspraak van 26 januari 2017 (ECLI:NL:RBAMS:2017:414) onder 5.3.3 en 5.4.3, is de rechtbank van oordeel dat dit betekent dat de redelijke termijn in het onderhavige geval is overschreden en dat de officier van justitie daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering tot het in behandeling nemen van het EAB.
5. Beslissingen
VERKLAART de officier van justitie niet-ontvankelijk in haar vordering tot het in behandeling nemen van het EAB.
HEFT OP de overleveringsdetentie.
Aldus gedaan door
mr. J.A.A.G. de Vries, voorzitter,
mrs. R.A.J. Hübel en B. Poelert, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.T.P. van Munster, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 12 september 2017.
De jongste rechter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Uitspraak 25‑04‑2017
Inhoudsindicatie
Roemeens EAB, detentieomstandigheden, de rechtbank handhaaft de beslissing tot uitstel van de beslissing over de overlevering.
Partij(en)
RECHTBANK AMSTERDAM,
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13.751849-16
RK-nummer: 16/7438
Datum uitspraak: 25 april 2017
TUSSEN-
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 27 oktober 2016 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 4 oktober 2016 door the Bucharest Tribunal-2nd Criminal Law Division (Roemenië) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (Roemenië) op [geboortedatum] 1970,
thans verblijvende op het adres: [verblijfadres opgeëiste persoon] ,
hierna te noemen “de opgeëiste persoon”.
1. Procesgang
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 1 november 2016. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek.
De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsvrouw, mr. T.E. Korff, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Roemeense taal.
Bij tussenuitspraak van 11 november 2016 heeft de rechtbank het onderzoek heropend, teneinde bij de uitvaardigende justitiële autoriteit aanvullende informatie op te vragen over de detentie-omstandigheden in Roemenië en in welke detentie-instelling de opgeëiste persoon na zijn overlevering geplaatst zal worden, dit alles in het licht van het arrest van het Hof van Justitie inzake Aranyosi en Câldâraru (HvJ 5 april 2016, C-404/15 en C-659/15 PPU, ECLI:EU:C:2016:198 (Aranyosi en Câldâraru) en het arrest van het Europees Hof van de Rechten van de Mens van 20 oktober 2016 (EHRM (Grote Kamer), 7334/13): Muršić/Kroatië.
Op de zitting van 24 november 2016 heeft de rechtbank de behandeling voortgezet in aanwezigheid van de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsvrouw en door een tolk in de Roemeense taal. Op die zitting is een tussenuitspraak gewezen waarbij het onderzoek is geschorst en de beslissing op het verzoek om overlevering is uitgesteld.
Het onderzoek is vervolgens hervat op de zitting van 11 april 2017 in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek. De opgeëiste persoon heeft zich wederom doen bijstaan door zijn raadsvrouw en door een tolk in de Roemeense taal.
De beslistermijn van artikel 22, eerste lid OLW, is op de zitting van 1 november 2016 verlengd. Door de uitstelbeslissing van 24 november 2016 is de beslistermijn geschorst per die datum. De overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon is op de raadkamerzitting van 17 maart 2017 onder voorwaarden geschorst.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Roemeense nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
In het EAB wordt melding gemaakt van een aanhoudingbevel tot voorlopige hechtenis van
20 maart 2013, afgegeven door de Bucharest Tribunal Second Criminal Law Division met nummer 54/UP/20.03.2013.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar het recht van Roemenië strafbare feiten.
De feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB en in Form A van de signalering van het Schengen-informatiesysteem (SIS) van 11 december 2013.
4. Genoegzaamheid
In de tussenuitspraak van 24 november 2016 heeft de rechtbank al geoordeeld dat de omschrijving van de feiten, inclusief de plaats- en tijdsaanduiding, voldoet aan de vereisten van artikel 2 OLW.
5. Strafbaarheid
Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de strafbare feiten aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW, te weten onder de nummers 9 en 20:
witwassen van opbrengsten van misdrijven
en
oplichting
Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op de feiten naar het recht van Roemenië een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.
In de tussenuitspraak van 24 november 2016 heeft de rechtbank al geoordeeld dat de lijstfeiten in redelijkheid door de uitvaardigende justitiële autoriteit zijn aangekruist, zodat onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten achterwege moet blijven.
6. Detentieomstandigheden in Roemenië
De rechtbank heeft de beslissing over de overlevering uitgesteld vanwege een reëel gevaar voor de opgeëiste persoon van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden in de uitvaardigende lidstaat. Afgezien van de detentieomstandigheden in de uitvaardigende lidstaat zijn er geen overleveringsbeletselen.
In het licht van haar uitspraak van 26 januari 2017 (ECLI:NL:RBAMS:2017:414) moet de rechtbank daarom de volgende vragen beantwoorden:
1. sluiten de door de Roemeense autoriteiten verstrekte aanvullende gegevens het geconstateerde reële gevaar voor de opgeëiste persoon uit?;
2. (indien het antwoord op vraag 1 ontkennend luidt) is de redelijke termijn waarbinnen dat reële gevaar moet worden uitgesloten overschreden?;
3. (indien het antwoord op vraag 2 bevestigend luidt) moet die overschrijding leiden tot beëindiging van de overleveringsprocedure en welke beslissing brengt een dergelijke beëindiging mee?
6.2
Sluiten de aanvullende gegevens het reële gevaar voor de opgeëiste persoon uit?
6.2.1
Standpunt van de verdediging
Onder verwijzing naar de tussenuitspraak van 24 november 2016 en de zaak Muršić heeft de raadsvrouw betoogd dat – ondanks de aanvullende Roemeense informatie van 2 februari 2017 en 28 maart 2017 – nog steeds sprake is van een reëel gevaar dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling. Dit geldt voor de laatste fase van de tenuitvoerlegging van een eventueel op te leggen gevangenisstraf (in Jilava Prison). Bovendien is nog altijd onduidelijk hoe de detentieomstandigheden in de vervolgingsfase zijn, waaronder het aantal m2 ‘personal space’ (in Bucharest-Rahova Prison).
6.2.2
Standpunt van de officier van justitie
Op 21 maart 2017 heeft een bespreking met de Roemeense justitiële autoriteiten plaatsgevonden. Dit heeft geresulteerd in een op 28 maart 2017 door de Roemeense autoriteiten opgestelde brief met daarin nadere informatie over semi-open inrichtingen. Hieruit blijkt in aanvulling op de eerder verstrekte informatie, dat gedetineerden tussen circa 19.30 uur en 22.00 uur hun cel kunnen verlaten om allerhande activiteiten te ontplooien. De officier van justitie meent dat deze informatie, gelet op Muršić, genoeg is om tot overlevering te kunnen overgaan. Meer aanvullende informatie zullen de Roemeense autoriteiten niet verstrekken.
De officier van justitie acht ook het volgende van belang. De uitspraak inzake Muršić/Kroatië ziet op een andere situatie dan de onderhavige zaak omdat Muršić in een gesloten regime gedetineerd was. De in Muršić geformuleerde criteria zien dan ook niet op het semi-open regime waarin de opgeëiste persoon na overlevering zal worden gedetineerd. Voorts verwijst de officier van justitie naar een uitspraak van het Hanseatisches Oberlandesgericht Hamburg (Duitsland) van 3 januari 2017 waarin de overlevering aan Roemenië ten behoeve van een vervolgingsoverlevering wel is toegestaan.
Het voorgaande in samenhang bezien moet tot het oordeel leiden dat het geconstateerde reële gevaar voor de opgeëiste persoon thans is uitgesloten en zijn overlevering aan Roemenië kan worden toegestaan, aldus de officier van justitie.
6.2.3
Oordeel van de rechtbank
6.2.3.1 Beoordeling standpunt officier van justitie inzake criteria Muršić
Kort gezegd is door de officier van justitie betoogd dat de in de Muršić vastgestelde criteria niet in de onderhavige zaak van toepassing zijn omdat deze criteria op een gesloten regime in plaats van een semi-open regime zijn toegespitst.
De rechtbank volgt dit verweer niet. Blijkens het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 14 maart 2017 (Muscalu/Roemenië, 80825/13), worden de in Muršić vastgestelde criteria ook in het geval van detentie in semi-open regimes toegepast. Overigens volgt al uit het arrest van dat Hof van 24 november 2015 (Verdeş/Roemenië, 6215/14) dat de omstandigheid dat het gaat om een semi-open regime op zich niet voldoende is om een tekort aan “personal space” te compenseren.
6.2.3.2 Beoordeling uitspraak van het Hanseatisches Oberlandesgericht Hamburg
De officier van justitie heeft verder naar voren gebracht dat het Hanseatisches Oberlandesgericht Hamburg januari jongstleden de overlevering van een opgeëiste persoon aan Roemenië heeft toegestaan.
De rechtbank stelt vast dat er in Duitsland klaarblijkelijk geen sprake is van een vaste lijn binnen de jurisprudentie aangaande Roemeense overleveringsverzoeken, getuige de uitspraak van het Oberlandesgericht Celle van 2 maart 2017 (1 AR (Ausl) 99/16) waarin de overlevering aan Roemenië juist wegens “Unvereinbarkeit der Haftbedingungen im Ausstellungsmitgliedstaat mit Art. 3 EMRK” is geweigerd.
Gelet hierop zal de rechtbank de overgelegde uitspraak van het Hanseatisches Oberlandesgericht Hamburg niet bij haar beoordeling betrekken.
6.2.3.3 Beoordeling reële gevaar voor de opgeëiste persoon in relatie tot de aanvullende gegevens
Ter zitting van 24 november 2016 heeft de rechtbank geoordeeld dat met betrekking tot de mogelijke detentie in de laatste fase van de tenuitvoerlegging in het semi-open regime in de gevangenis in Jilava het ernstige vermoeden van een schending van artikel 4 Handvest niet is weerlegd, zodat voor de opgeëiste persoon bij overlevering nog steeds een reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling bestaat. Tevens was onduidelijk hoe de detentieomstandigheden – waaronder het aantal m2 ‘personal space’ – in de vervolgingsfase (in Bucharest-Rahova Prison) na de ‘quarantine period’ zijn.
Thans beschikt de rechtbank over nieuwe informatie van de Roemeens autoriteiten omdat de Algemeen Directeur van het Nationale Bestuur van Penitentiaire Instellingen bij brief van 28 maart 2017 onder meer de volgende informatie heeft verstrekt:
“Zo kunnen de gevangenen overdag groepsactiviteiten ontplooien in die ruimtes binnen de plaats van detentie waar zij toegang toe hebben: (…), in het tijdsinterval 08.30 - 11.30 (tussen 11.30 - 13.00 is de tijd gereserveerd voor het uitdelen en nuttigen van de lunch) en, na de lunch, tot 18.00 uur (wandelprogramma inbegrepen). Darna wordt het diner geserveerd, en na de avondoproep (die plaatsvindt ongeveer tussen 19.00 - 19.30), tot 22.00 uur, wanneer de lichten uitgaan), houden de gevanganen zich met vrijetijdsactiviteiten bezig; dit doen zij in hun cel of, desgevraagd, buiten de cel in de afdelingsclub of in andere aangewezen ruimtes, tussen 19.45 - 21.45 uur. Het scala aan activiteiten wordt bepaald door de administratie van de detentie-instelling en bevat de mogelijkheden die hieronder worden beschreven.(…)
Bijgevolg wordt de cel door de in open regime opgenomen gevangenen in het algemeen
slechts gebruikt voor rust, het nuttigen van maartijden en korte momenten die nodig zijn voor
huishoudelijke werkzaamheden.”
In geval van ‘multi-occupancy accommodation’ levert een hoeveelheid van minder dan 3 m2 ‘personal space’ een ‘strong presumption’ op dat de detentieomstandigheden vernederend in de zin van artikel 3 EVRM zijn (Muršić/Kroatië, § 124).
Gelet op artikel 52, derde lid, Handvest zijn vernederende detentieomstandigheden in de zin van artikel 3 EVRM tevens vernederend in de zin van artikel 4 Handvest.
Nu uit de informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit blijkt dat de opgeëiste persoon in de gevangenis in Jilava minder dan 3 m2 persoonlijke ruimte ter beschikking zal staan, bestaat op grond van Muršić aldus een ‘strong presumption’ dat de opgeëiste persoon aldaar onder onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden zal verblijven.
Het EHRM heeft in par. 132 van datzelfde arrest overwogen dat dit vermoeden normaal gesproken alleen kan worden weerlegd als de volgende factoren cumulatief aanwezig zijn. Deze factoren betreffen – kort gezegd – de volgende:
1. ‘short, occasional and minor reductions of personal space’;
2. ‘sufficient freedom of movement outside the cell and adequate out-of-cell activities’;
3. ‘confinement in what is, when viewed generally, an appropriate detention facility’.
Deze toetsing geldt, zoals hiervoor is overwogen, ook voor het semi-open regime.
Toetsing aan deze drie factoren leidt in de onderhavige zaak echter niet tot de conclusie dat de ‘strong presumption’ van schending van artikel 4 Handvest is weerlegd.
De eerste factor houdt in dat de beperking van het aantal m2 ‘personal space’ kort van duur, incidenteel en van ondergeschikte betekenis is. Gelet op een mogelijk lange detentieduur in het semi-open regime in de gevangenis in Jilava, kan in elk geval niet worden geconcludeerd dat de beperking van de ‘personal space’ kort van duur en incidenteel is.
Toetsing aan de tweede factor leidt tot de conclusie dat de beperking van het aantal m2 gepaard gaat met voldoende bewegingsvrijheid buiten de cel.
Over de derde factor, kort gezegd dat de detentieomstandigheden voor het overige ‘appropriate’ zijn, biedt de door de Roemeense autoriteiten verstrekte informatie onvoldoende duidelijkheid. De mededelingen in de brieven van respectievelijk 2 februari 2017 en 28 maart 2017 zijn weliswaar uitgebreid, maar te algemeen van aard. Daardoor is bijvoorbeeld niet duidelijk hoeveel toiletten en douches er beschikbaar zijn per gedetineerde per cel.
De overige door de Roemeense autoriteiten verstrekte aanvullende gegevens bieden evenmin duidelijkheid over de derde factor.
De ‘strong presumption’ van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden in de gevangenis in Jilava is dus niet weerlegd. De conclusie moet dan ook zijn dat de door de Roemeense autoriteiten verstrekte informatie het vastgestelde reële gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling niet uitsluit.
Overigens is de op 24 november 2016 onvertaalde brief van de Roemeense autoriteiten van 23 november 2016 nog altijd niet in vertaalde vorm toegevoegd aan het dossier. Gelet op de begeleidende e-mail van 24 november 2016 van de medewerker van het Roemeense ministerie van justitie ziet deze brief op de detentieomstandigheden – waaronder het aantal m2 ‘personal space’ – in de vervolgingsfase (in Bucharest-Rahova Prison) na de ‘quarantine period’. Nu de brief van 23 november 2016 nog niet is vertaald, bestaat ook over deze fase van de detentie nog onduidelijkheid.
6.3
De redelijke termijn en de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
6.3.1
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat de redelijke termijn thans is overschreden. De opgeëiste persoon is al op 17 augustus 2016 aangehouden. Er blijft veel onduidelijkheid bestaan over de detentieomstandigheden, terwijl er geen zicht is op spoedige verbeteringen. Gelet op de overschrijding van de termijn dient de rechtbank de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering, als is overwogen in voornoemde uitspraak van 26 januari 2017.
6.3.2
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de redelijke termijn niet is overschreden. Sinds de uitstelbeslissing in november 2016 heeft het Openbaar Ministerie voortvarend gehandeld en zelfs een meeting met de Roemeense justitiële autoriteiten georganiseerd. Daaruit is nadere informatie voortgekomen en daarom is er nog geen sprake van de overschrijding van de redelijke termijn.
6.3.3
Oordeel van de rechtbank
Onder verwijzing naar hetgeen de rechtbank in haar uitspraak van 26 januari 2017 onder 5.3.3 heeft overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de redelijke termijn in het onderhavige geval nog niet is overschreden, met name nu op dit moment ongeveer 5 maanden zijn verstreken sinds de uitstelbeslissing van 24 november 2016. Naar het oordeel van de rechtbank is nog enig verder uitstel van de beslissing geboden om de Roemeense justitiële autoriteiten in de gelegenheid te stellen verdere nadere informatie te verschaffen. De opmerking van de officier van justitie dat de Roemeense autoriteiten niet meer aanvullende informatie zullen verstrekken leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel.
De beslistermijnen blijven geschorst met ingang van 24 november 2016.
De rechtbank komt tot de volgende beslissingen.
7. Beslissingen
HEROPENT en SCHORST het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd
HANDHAAFT de beslissing tot uitstel van de beslissing over de overlevering.
BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nog vast te stellen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsvrouw.
BEVEELT de oproeping van een tolk voor de Roemeense taal tegen de nog vast te stellen datum en het nog vast te stellen tijdstip.
Aldus gedaan door
mr. H.P. Kijlstra, voorzitter,
mrs. A.K. Glerum en M.M. Helmers, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.T.P. van Munster, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 25 april 2017.
De jongste rechter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Uitspraak 23‑12‑2016
Inhoudsindicatie
Overlevering. Verzoek tot schorsing van de overleveringsdetentie afgewezen. Schorsing van de beslistermijnen a.b.i. art. 22 OLW overeenkomstig ECLI:NL:RBAMS:2016:1995 en ECLI:NL:RBAMS:2016:2630. Toetsing van de handhaving van de overleveringsdetentie aan art. 6 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie overeenkomstig HvJ EU 16 juli 2015, C-237/15 PPU, ECLI:EU:C:2015:474 (Francis Lanigan) en HvJ EU 5 april 2016, C-404/15 en C-659/15 PPU, ECLI:EU:C:2016:198 (Aranyosi en Căldăraru).
1.,.-.
RECHTBANK AMSTERDAM,
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13.751849-16
BESLISSING
De raadkamer van deze rechtbank heeft kennis genomen van het op 16 december 2016 ter
griffie van deze rechtbank ingekomen verzoek tot schorsing van de overleveringsdetentie uit
hoofde van de Overleveringswet (OLW) van:
[naam opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (Roemenië), op [geboortedatum] 1970,
thans gedetineerd in het [detentieplaats] .
De rechtbank heeft acht geslagen op het dossier, waaronder de stukken die op de
overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon betrekking hebben.
Het verzoek is behandeld in raadkamer op 23 december 2016, waar zijn gehoord de officier
van justitie en de opgeëiste persoon.
De raadsvrouw van de opgeëiste persoon, mr. T.E. Korff, heeft op voorhand laten weten niet
ter zitting te zullen verschijnen. Zij heeft verzocht het verzoek wel op 23 december 2016 te
behandelen.
De officier van justitie heeft zich verzet tegen inwilliging van het verzoek.
De rechtbank overweegt als volgt.
Bij tussenuitspraak van 24 november 2016 heeft de rechtbank de overlevering van de
opgeëiste persoon uitgesteld. Daartoe heeft zij het onderzoek voor onbepaalde tijd geschorst.
Zoals de rechtbank bij deze tussenuitspraak reeds heeft overwogen, brengt het hiervoor
bedoelde uitstel een schorsing van de beslistermijnen mee. Dit betekent dat de 90-dagen niet
verstrijkt en de overleveringsdetentie niet op grond van het verstrijken van die termijn kan
worden geschorst. Deze beslissing is in overeenstemming met hetgeen de rechtbank eerder in
soortgelijke zaken heeft beslist. De rechtbank verwijst in dit verband in het bijzonder naar
haar beslissingen van 5 april 2016 (ECLI:NL:RBAMS:2016:1995) en 28 apri1 2016 (ECLI:NL:RBAMS:2016:2630). De rechtbank ziet geen aanleiding op deze beslissingen terug
te komen.
Ook overigens acht de rechtbank geen termen aanwezig voor schorsing van de
overleveringsdetentie. De rechtbank acht het vluchtgevaar onverkort aanwezig.
Parketnummer: 13.751849-16
Wat betreft het door de raadsvrouw naar voren gebrachte punt van de voorzienbaarheid neemt
de rechtbank in aanmerking dat de overleveringsdetentie op grond van artikel 21 lid 9
alsmede artikel 64 OLW te allen tijde ambtshalve of op verzoek van de opgeëiste persoon of
diens raadsman. kan worden opgeheven dan wel geschorst.
In dit verband geldt op grond van artikel 6 van het Handvest van de grondrechten van de
Europese Unie (Handvest), dat de rechtbank de overleveringsdetentie alleen mag laten
voortduren, indien de overleveringsprocedure op voldoende voortvarende wijze is gevoerd en
de hechtenis bijgevolg niet buitensporig lang duurt (HvJ EU 16 juli 2015. C-237/15 PPU,
ECLI:EU:C:2015:474 (Francis Lanigan), punt 58). Om zulks te beoordelen moet de rechtbank
rekening houden "met alle factoren die relevant zijn om te beoordelen of de duur van de
procedure gerechtvaardigd is, met name het eventuele stilzitten van de autoriteiten van de
betrokken lidstaten en, in voorkomend geval, de mate waarin de gezochte persoon aan die
duur heeft bijgedragen. Ook de straf die tegen diezelfde persoon is uitgesproken of die hij kan
oplopen wegens de feiten die ten grondslag lagen aan de uitvaardiging van het tegen hem
gerichte Europees aanhoudingsbevel, alsook het bestaan van vluchtgevaar moeten in
aanmerking worden genomen" (HvJ EU 16 juli 2015, C-237/15 PPU, ECLI:EU:C:2015:474
(Francis Lanigan), punt 59). Bovendien moet de overleveringsdetentie het
evenredigheidsbeginsel eerbiedigen (HvJ EU 5 april 2016, C-404/15 en C-659/15 PPU,
ECLI:EU:C:2016:198 (Aranyosi en Căldăraru), punt 101). Van strijd met het bepaalde in
artikel 6 Handvest is gelet op deze factoren thans (nog) geen sprake.
De rechtbank zal het verzoek dan ook afwijzen.
BESLISSING:
Wijst af het verzoek tot schorsing van de overleveringsdetentie van
[naam opgeëiste persoon] voornoemd.
Deze beslissing is genomen op 23 december 2016 door:
mr. A.K. Glerum, rechter
in tegenwoordigheid van A.E.C. Content, griffier.