Rechtsgevolgen van stille cessie
Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/5.6.3.1:5.6.3.1 Bestaande hoofdelijkheid
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/5.6.3.1
5.6.3.1 Bestaande hoofdelijkheid
Documentgegevens:
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS584837:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Dit is een kwestie van uitleg. Zie Vranken 1999, p. 269-270 t.a.v. verpanding. Vgl. in het kader van een 403-vordering HR 28 juni 2002, NJ 2002, 447 (Akzo Nobel/IN G), m.nt. Ma; en Hof 's-Gravenhage 6 februari 2007, JOR 2007/103, m.nt. N.E.D. Faber.
Zie Vranken 1999, p. 269-270.
Zie Pors 2002, p. 148.
Vergelijk voor de uitoefening van het gemeenschappelijk hypotheekrecht, hiervoor nr. 253.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
295. Wordt hoofdelijke aansprakelijkheid beschouwd als een vordering met twee of meer schuldenaren, en wordt deze vordering stil gecedeerd, dan wordt de stille cedent ten aanzien van een vordering inningsbevoegd. Hij kan in dezelfde hoedanigheid als inningsbevoegde stille cedent de hoofdelijk verbonden schuldenaren aanspreken. In het geval van verpanding, onderbewindstelling, beslag (enz.) zal ook een en dezelfde persoon tot inning van de vordering bevoegd zijn.
Als hoofdelijke aansprakelijkheid daarentegen wordt beschouwd als twee of meer zelfstandige vorderingen met even zoveel schuldenaren, is dat het de vraag op welke gronden de stille cedent tot inning van de vorderingen bevoegd is.
Bestaan bij hoofdelijke aansprakelijkheid twee of meer zelfstandige vorderingen met even zoveel schuldenaren, dan lenen de vorderingen zich voor afzonderlijke volmachtverlening, bezwaring, onderbewindstelling en beslaglegging. Tenzij de derde zeggenschap heeft over een vermogen, zoals een faillissementsvermogen of een nalatenschap, kan de derde inningsbevoegd worden ten aanzien van een afzonderlijke vordering. Is hij inningsbevoegd ten aanzien van een vordering jegens een hoofdelijk schuldenaar, dan wordt hij daardoor niet van rechtswege ook inningsbevoegd ten aanzien van de vordering op de andere hoofdelijke schuldenaar, tenzij deze vordering ook onder de volmacht, het beslag, de bezwaring of de onderbewindstelling is begrepen.1
Doordat de derde inningsbevoegd wordt, ontvalt het rechtskarakter niet aan de hoofdelijke aansprakelijkheid. Is de derde ten aanzien van een vordering inningsbevoegd geworden, maar niet ten aanzien van de andere vordering, dan is naar mijn mening goed verdedigbaar dat de inningsbevoegde derde en de schuldeiser gezamenlijk tot inning bevoegd zijn (vgl. art. 6:16 jo 3:170 lid 2 BW). Wilde beperkt gerechtigde, de bewindvoerder of de beslaglegger ten aanzien van beide vorderingen exclusief inningsbevoegd zijn, dan dienen beide vorderingen te worden bezwaard, onder bewind te worden gesteld of te worden beslagen. Een andere mogelijkheid is dat de inningsbevoegde derde en de schuldeiser overeenkomen dat de derde ten aanzien van beide vorderingen exclusief inningsbevoegd is (vgl. art. 6:16 jo 3:168 BW).
De zienswijze van Vranken dat als aan een ( openbaar) pandhouder een van beide hoofdelijke vorderingen verpand is, alleen de pandhouder deze vordering mag innen en de schuldeiser zich van inning van de andere vordering dient te onthouden, spreekt mij om dezelfde redenen als hiervoor vermeld bij de overgang van de vordering niet aan.2 Het grootste bezwaar van deze benadering is dat niet beide schuldenaren kunnen worden aangesproken. Het is bovendien onduidelijk op grond waarvan de openbaar pandhouder een betaling door de hoofdelijke schuldenaar aan de schuldeiser (de pandgever) als niet-bevrijdend aan de schuldenaar van de verpande vordering zou kunnen tegenwerpen, zoals Vranken betoogt.3 De pandhouder dient ook de andere vordering aan zich te laten verpanden. Doet hij dat niet, dan dient hij te aanvaarden dat in beginsel de pandgever met hem bevoegd blijft om de vorderingen te innen.
Wordt een van beide vorderingen stil gecedeerd, dan is de Stille cedent ten aanzien van deze vordering inningsbevoegd als lasthebber. Ten aanzien van de andere vordering blijft hij inningsbevoegd als schuldeiser. Hij is ten aanzien van beide vorderingen inningsbevoegd. Uit art. 6:16 jo 3:170 lid 2 BW volgt dat de stille cedent met uitsluiting van de stille cessionaris beide hoofdelijk schuldenaren kan aanspreken. Deze exclusieve inningsbevoegdheid kan worden gegrond op de gezamenlijke inningsbevoegdheid ex art. 3:170 lid 2 BW die bij de stille cedent in twee hoedanigheden in een persoon is verenigd, dan wei op een beheersregeling die de stille cedent en de stille cessionaris zijn overeengekomen (art. 6:16 jo 3:168 jo 3:170 lid 2 BW) op grand waarvan de stille cedent exclusief bevoegd is.4