HR, 12-04-2013, nr. 10/00568
ECLI:NL:HR:2013:BY8733, Cassatie: (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
12-04-2013
- Zaaknummer
10/00568
- LJN
BY8733
- Roepnaam
Van Megen/VvE
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Huurrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:PHR:2013:BY8733, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 12‑04‑2013
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:BY8733
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSHE:2009:BQ2340
ECLI:NL:HR:2013:BY8733, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 12‑04‑2013; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:BY8733
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2009:BQ2340, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Beroepschrift, Hoge Raad, 13‑01‑2012
Beroepschrift, Hoge Raad, 22‑12‑2009
- Wetingang
art. 4 Burgerlijk Wetboek Boek 2; art. 111 Burgerlijk Wetboek Boek 2; art. 112 Burgerlijk Wetboek Boek 2; art. 124 Burgerlijk Wetboek Boek 2; Overgangswet
- Vindplaatsen
NJ 2013/475 met annotatie van L.C.A. Verstappen
JIN 2013/95 met annotatie van P.C.M. Kemp
NJ 2013/475 met annotatie van L.C.A. Verstappen
JIN 2013/95 met annotatie van P.C.M. Kemp
Conclusie 12‑04‑2013
10/00568
Mr. E.B. Rank-Berenschot
Zitting: 11 januari 2013
CONCLUSIE inzake:
[Eiser],
eiser tot cassatie,
advocaat: mr. J.W. Bogaardt,
tegen:
Vereniging van Eigenaren [a-straat 1-10],
verweerster in cassatie,
niet verschenen
1. Procesverloop
1.1 Bij inleidende dagvaarding van 26 juni 2007 heeft verweerster in cassatie, de Vereniging van Eigenaren [a-straat 1-10] (hierna: de VvE), de veroordeling gevorderd van eiser tot cassatie (hierna: [eiser]) tot betaling van aan haar van
a) een bedrag van € 751,49 (bestaande uit een hoofdsom ad € 572,99 en buitengerechtelijke kosten ad € 178,50) vermeerderd met de wettelijke rente over € 572,99 vanaf 26 juni 2007 tot de dag der algehele voldoening,
b) de na 1 juni 2007 nog te vervallen bijdragen ad € 65,42 per kwartaal, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag dat de betreffende bijdragen vervallen tot de dag der algehele voldoening,
dit alles een bedrag van € 5.000,- niet te boven gaande.
Zij heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat [eiser] als enig erfgenaam en appartementseigenaar(1) van de woning [a-straat 7] ter zake van achterstallige (kwartaal)bijdragen tot en met het tweede kwartaal van 2007 een bedrag van € 572,99 verschuldigd is.
[Eiser] heeft, voor zover in cassatie van belang, als primair verweer aangevoerd dat de VvE geen bestaande rechtspersoon is.
1.2 Bij vonnis van 24 oktober 2007 heeft de kantonrechter het primaire verweer, als zijnde ongemotiveerd, verworpen (rov. 4.1-4.3). De kantonrechter heeft de vordering onder a) toegewezen en de vordering onder b) afgewezen, met veroordeling van [eiser] als grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure.
1.3 Op het hoger beroep van [eiser] heeft het hof bij arrest van 22 september 2009 geoordeeld dat grief V (m.b.t. de gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke incassowerkzaamheden) gedeeltelijk dient te slagen, als gevolg waarvan de toewijzing van het gevorderde onder a) niet in stand kan blijven.
Het hof heeft het vonnis derhalve vernietigd en, opnieuw rechtdoende, [eiser] veroordeeld tot betaling aan de VvE van een bedrag van € 595,69 vermeerderd met de wettelijke rente over € 572,99 vanaf 26 juni 2007 tot de dag der algehele voldoening. Het hof heeft [eiser] voorts veroordeeld in de proceskosten van zowel de eerste aanleg als het hoger beroep.
1.4 [Eiser] heeft tegen dit arrest tijdig(2) cassatieberoep ingesteld. De VvE is in cassatie niet verschenen; tegen haar is verstek verleend. [Eiser] heeft zijn standpunt schriftelijk doen toelichten.
2. Beoordeling van het cassatieberoep
2.1 Het cassatiemiddel valt uiteen in drie onderdelen.
2.2 De eerste twee onderdelen komen op tegen een overweging van het hof in rov. 3.3.2. In deze overweging respondeert het hof op grief I, voor zover [eiser] daarin bij gebrek aan wetenschap betwist dat de VvE is opgericht. De overweging, die ik voor de leesbaarheid integraal citeer, luidt als volgt (met mijn cursivering):
"3.3.2 De vereniging van eigenaars is als onderdeel van de appartementsrechten geregeld in de negende titel van boek 5 BW in de artikelen 124 t/m 135. Deze titel is bij wet van 19 februari 2005, Stb. 160 per 1 mei 2005 ingrijpend gewijzigd. Door de invoering van deze wet per 1 mei 2005 ontstaat een vereniging van eigenaars, een rechtspersoon, door de ondertekening van de akte van splitsing. Een oprichtingshandeling als waarop artikel 2:4 BW ziet, is hiervoor niet nodig (vgl. art. 5:124 BW).
Uit de overgelegde stukken blijkt dat de splitsing van de onroerende zaak [a-straat 1-10] te [plaats] - waarvan het appartementsrecht van [eiser] deel uitmaakt - heeft plaatsgevonden bij akte van splitsing op 18 januari 1957 verleden voor notaris Seelen te Venlo. Hoewel deze splitsing heeft plaatsgevonden (ruim) voor de inwerkingtreding van de wet van 19 februari 2005, is de VvE op grond van het bepaalde in artikel 5:124 BW, welk artikel volgens artikel 68a van de Overgangswet Nieuw BW onmiddellijke werking heeft, in ieder geval per 1 mei 2005 van rechtswege ontstaan. Gelet op de ingestelde vordering, de servicekosten vanaf 2006, is de vraag of de VvE reeds vóór 1 mei 2005 bestond niet relevant. Het verweer van [eiser] dat de VvE niet is opgericht faalt."
De twee onderdelen richten zich tegen het gecursiveerd aangehaalde oordeel dat - kort gezegd - de VvE in ieder geval per 1 mei 2005 van rechtswege is ontstaan.
2.3 Middelonderdeel 1.1 klaagt dat het hof met dit oordeel buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden. Daartoe wordt aangevoerd dat de VvE aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd dat zij op 18 januari 1957 bij notariële akte van splitsing is opgericht (verwezen wordt naar MvA, alinea 2).
2.4 Dit onderdeel, dat, naar ik begrijp, opkomt tegen de door het hof aangenomen datum van ontstaan, faalt. Tegenover het verweer van [eiser] dat de VvE niet is opgericht c.q. geen bestaande rechtspersoon is(3), heeft de VvE zich op het standpunt gesteld dat zij reeds is opgericht bij akte van splitsing van 18 januari 1957.(4) Het hof heeft derhalve zonder overschrijding van de grenzen van de rechtsstrijd tot zijn oordeel kunnen komen dat de VvE in ieder geval per 1 mei 2005 is ontstaan.
2.5 Middelonderdeel 1.2 komt met een rechtsklacht en een subsidiaire motiveringsklacht op tegen het oordeel dat de VvE van rechtswege is ontstaan. Daartoe voert het onderdeel aan dat art. 5:112 lid 1, aanhef en sub e, BW bepaalt dat een vereniging van eigenaars dient te worden opgericht. Voorts verwijst het onderdeel naar het overgangsrecht behorende bij art. 875f BW (de voorganger van art. 5:112 BW), dat er rekening mee houdt dat ingevolge de artikelen 638a e.v. BW splitsingen kunnen hebben plaatsgevonden waarbij geen vereniging van eigenaars in het leven is geroepen. Hoewel de minister denkbaar achtte dat de nieuwe regeling ook voor deze splitsingen ten volle zou werken, onder de verplichting van de appartementseigenaars om op korte termijn alsnog tot de oprichting van een vereniging van eigenaars als bedoeld in art. 875f BW over te gaan, heeft hij voor zo'n oplossing niet gekozen omdat dit betrokkenen onnodig tot het maken van kosten zou verplichten. In plaats daarvan is ervoor gekozen om bij gebreke van een vereniging van eigenaars de tevoren geldende bepalingen betreffende het gebruik, het beheer en het onderhoud van de gemeenschap, de onderlinge verplichting tot bijdragen in de gezamenlijke schulden, kosten en lasten, alsmede de vergadering van eigenaars en de administrateur van toepassing te achten totdat de akte van splitsing zodanig is gewijzigd dat het reglement aan art. 875f, eerste lid onder e en tweede lid BW voldoet.(5) Het middelonderdeel bestrijdt, kortom, de door het hof aangenomen 'automatische omzetting'.(6)
2.6 Het middelonderdeel wordt naar mijn mening terecht voorgesteld. Daartoe diene het volgende.
2.7 Op het moment van verlijden van de onderhavige splitsingsakte d.d. 18 januari 1957(7) was het appartementsrecht geregeld in de artikelen 638a-638t BW (oud), ingevoegd bij Wet van 20 december 1951 houdende voorzieningen betreffende de splitsing van de eigendom van een gebouw in appartementen (Appartementswet 1951, Stb. 1951, 571). Het oorspronkelijk Ontwerp van deze wet ging slechts uit van het bestaan van een vergadering van eigenaren, waaromtrent het reglement een regeling diende te bevatten (art. 638g lid 1, aanhef en onder 3). Bij Gewijzigd Ontwerp van wet werd daarnaast de mogelijkheid gecreëerd tot oprichting - bij reglement - van een rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging van eigenaren (art. 638g lid 2).(8) Daarbij werd opgemerkt dat hoewel de oprichting van de rechtspersoon facultatief is gesteld, de vorm harer organisatie, zo zij wordt opgericht, imperatief is voorgeschreven.(9)
De onderhavige akte van splitsing d.d. 18 januari 1957 bevat, als ik het goed zie, uitsluitend een regeling omtrent de vergadering van eigenaren (art. 20-28) en voorziet niet tevens in de oprichting van een vereniging van eigenaren.
2.8 Bij de wetswijziging van 1972(10) is voornoemd facultatief karakter verlaten en is de oprichting van een vereniging van eigenaren verplicht gesteld: ingevolge art. 875e lid 1, aanhef en onder d, BW (oud) diende de akte van splitsing een reglement te bevatten, welk reglement op grond van art. 875f lid 1, aanhef en onder e, de oprichting van een vereniging van eigenaars moest inhouden, alsmede de statuten van de vereniging. Was deze oprichting achterwege gebleven, dan had dit niet de nietigheid van de splitsing ten gevolge. Wel kon de kantonrechter ingevolge art. 876q een bevel tot wijziging van de akte van splitsing of tot opheffing van de splitsing geven.(11)
Hierin ligt besloten dat onder vigeur van art. 875f lid 1, aanhef en onder e, BW (oud) het enkele ondertekenen van een splitsingsakte niet zonder meer (van rechtswege) een vereniging van eigenaars deed ontstaan. Voorts ging de minister er, als gezegd, vanuit dat de inwerkingtreding van art. 875f lid 1, aanhef en onder e niet meebracht dat waar voordien een splitsing had plaatsgevonden zonder dat tevens een vereniging van eigenaren was opgericht, een dergelijke vereniging alsnog van rechtswege ontstond.
2.9 Bij de invoering van het Nieuw BW in 1992 is art. 875f lid 1, aanhef en onder e, BW (oud) vernummerd tot art 5:112 lid 1, aanhef en onder e, BW, maar heeft het inhoudelijk geen wijziging ondergaan. Wel is de regeling van de vereniging van eigenaars afgestemd op de algemene regels van Boek 2 BW. Daarbij is onder meer bepaald dat art. 4 van Boek 2 niet van toepassing is op de vereniging van eigenaars. In de parlementaire geschiedenis bij art. 5.10.2.0 (het huidige 5:124) wordt daarover het volgende opgemerkt:
"Ook artikel 4 van Boek 2 - als eerste uitdrukkelijk uitgezonderd - kan hier geen toepassing vinden. Een vereniging van eigenaars ontstaat van rechtswege bij de splitsing in appartementsrechten (artikel 5.10.1.2 in verbinding met artikel 5.10.1.5) en wordt door opheffing van rechtswege ontbonden. Een oprichtingshandeling als waarop artikel 4 ziet, komt hieraan niet te pas." (12)
De in deze passage genoemde artikelen bepalen respectievelijk dat de splitsing geschiedt door de inschrijving van een daartoe bestemde notariële akte (art. 5.10.1.2, thans art. 5:109 lid 1 BW) en dat het in die akte op te nemen reglement de oprichting van een vereniging van eigenaars en tevens haar statuten moet inhouden (art. 5.10.1.5, thans art. 112 lid 1, aanhef en onder e BW).(13)
2.10 De aangehaalde opmerking in de parlementaire geschiedenis dient m.i. dan ook aldus te worden begrepen dat een vereniging van eigenaars van rechtswege ontstaat bij de inschrijving van de splitsing in appartementsrechten indien en voor zover (overeenkomstig art. 5:112 lid 1, aanhef en onder e, jo 5:111 aanhef en onder d) het in de akte van splitsing vermelde reglement de oprichting van een vereniging van eigenaars bevat. De in de voornoemde artikelen besloten liggende verplichting tot het oprichten van een vereniging van eigenaars is immers niet te begrijpen als of gelijk te stellen met de (wettelijke) veronderstelling of fictie dat die vereniging (met het ondertekenen en inschrijven van de splitsingsakte) ook is opgericht.
De niet-toepasselijkheid van art. 2:4 BW op de vereniging van eigenaars (art. 5:124 lid 2 BW) rechtvaardigt zodanige veronderstelling evenmin. De omstandigheid dat de oprichtingshandeling waarop art. 2:4 BW ziet niet nodig is voor de oprichting van een vereniging van eigenaars, betekent immers nog niet dat de vereniging in het geheel niet hoeft te worden opgericht of dat het inschrijven van de akte van splitsing, ongeacht wat er in die akte staat, een vereniging van eigenaars doet ontstaan.(14) In het laatste geval zou art. 5:112 lid 1, aanhef en onder e in verbinding met art. 5:111, aanhef en onder d, BW geen goede zin hebben.
2.11 De wijziging van de 9e titel van Boek 5 bij Wet van 19 februari 2005, waarnaar het hof in rov. 3.3.2 verwijst(15), doet aan het voorgaande m.i. niet af. Met die wetswijziging is art. 5:125 lid 3 BW komen te vervallen, waarin bepaald werd dat indien op het tijdstip van de inschrijving van de splitsingsakte alle appartementsrechten nog aan één persoon of dezelfde personen toebehoren, de vereniging van eigenaars eerst ontstaat zodra de appartementsrechten aan verschillende personen toebehoren. Het schrappen van deze bepaling heeft volgens de memorie van toelichting(16) tot gevolg dat
"de vereniging van eigenaars ontstaat door de ondertekening van de akte van splitsing, ook in het geval dat alle appartementsrechten nog in één hand zijn."
Met deze opmerking heeft de wetgever m.i. niet beoogd de verplichting van art. 5:112 lid 1, aanhef en onder e, BW dat het reglement de oprichting van een vereniging van eigenaars bevat, te laten vervallen, maar is slechts bedoeld aan te geven dat door het schrappen van de bepaling een vereniging van eigenaars, voor zover deze is opgericht in het in de splitsingsakte opgenomen reglement, reeds na inschrijving van de splitsingsakte kan functioneren, ongeacht of de appartementsrechten nog in één hand zijn dan wel aan verschillende personen toebehoren.(17)
De omstandigheid dat de wetswijziging van 2005 ingevolge art. 68a Overgangswet NBW onmiddellijke werking heeft, maakt dit niet anders.(18)
2.12 Op grond van het voorgaande kom ik tot de conclusie dat 's hofs oordeel dat de VvE in ieder geval per 1 mei 2005 van rechtswege is ontstaan, ongeacht of de akte van splitsing van 1957 - al dan niet na wijziging - in de oprichting van een vereniging van eigenaars voorziet, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.
2.13 Gelet op het slagen van onderdeel 1.2 behoeft middelonderdeel 2, dat ziet op de proceskostenveroordeling, geen bespreking.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging en verwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 Volgens MvA, p. 2, heeft [eiser] het appartement geërfd van zijn op 12 januari 2005 overleden moeder.
2 De cassatiedagvaarding is op 22 december 2009 uitgebracht.
3 Zie CvA; CvD; MvG, grief I.
4 Zie CvR, 3e bullet; MvA, p. 1 en p. 2, onder 'Weerlegging grief I'.
5 MvT, TK 1970-1971, 10 987, nr. 3, p. 24-25.
6 S.t., onder 1.
7 Overgelegd als prod 1. bij CvR.
8 GO, Handelingen der Staten-Generaal, Bijlagen, 451, nr. 6.
9 MvA, Handelingen der Staten-Generaal, Bijlagen, 451, nr. 5, p. 24.
10 Wet van 7 september 1972 tot herziening van de regeling in het Burgerlijk Wetboek betreffende splitsing in appartementen, Stb. 1972, 467 (hierbij werden de artikelen vernummerd tot art. 875a-876t BW (oud)); zie voorts de MvT, TK 1970-1971, 10 987, nr. 3, p. 9-10.
11 J.H. Beekhuis, Appartementsrecht (losbl.), Hfdst. VI, § 15; hetzelfde geldt voor het huidige, gelijkluidende recht - art. 5:112 en 5:144 lid 1 onder a - waarover onder meer Asser/Mijnssen, Van Velten & Bartels 5* 2008/404 en 528 onder b; R.F.H. Mertens, Zakelijke rechten (losbl.), art. 5:112, aant. 1.
12 MvA II Inv., Parl. Gesch. Boek 5 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1099, onder 4.
13 Zie over deze gelaagdheid van vereisten nader Asser/Mijnssen, Van Velten & Bartels 5* 2008/404 en 422.
14 Zie ook P.H.M. Gerver, die de mogelijkheid erkent dat een splitsingsakte geen oprichting van een vereniging van eigenaars bevat en daaraan het rechtsgevolg verbindt dat die vereniging van eigenaars niet is ontstaan. In zijn optiek kan onder omstandigheden wel sprake zijn van een informele vereniging dan wel een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid overeenkomstig de algemene regels van Boek 2. Zie van zijn hand 'De vereniging van eigenaars: een rechtspersoon van eigen aard', Stichting & Vereniging 1990, p. 67; 'Naar een vernieuwd appartementsrecht', WPNR 1997/6279, p. 502; Zakelijke rechten (losbl.), art. 5:124, aant. 1. Het is niet duidelijk of de VvE in appel ook op deze laatste mogelijkheden zinspeelt (zie MvA, onder 'Weerlegging grief I').
15 Wet van 19 februari 2005 tot wijziging van titel 5.9 (Appartementsrechten) van het Burgerlijk Wetboek, Stb. 2005, 89. Het hof verwijst naar het Besluit tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van die wet, Stb. 2005, 160.
16 MvT, TK 2002-2003, 28 614, nr. 3, p. 6.
17 Zie ook P.H.M. Gerver, Zakelijke rechten (losbl.), art. 5:125, aant. 1; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, Goederenrecht, nr. 727; R.F.H. Mertens, Mon. BW B29 (2006), nr. 21; A.A. van Velten, 'De indiening en voortgang van het wetsvoorstel tot herziening van het appartementsrecht', WPNR 2004/6585, p. 552.
18 Anders, zo lijkt het, B. Wessels in zijn Kroniek Overgangsrecht (NTBR 2011/73, onder 2) m.b.t. het arrest van het hof in onderhavige zaak.
Uitspraak 12‑04‑2013
12 april 2013
Eerste Kamer
10/00568
EE/LZ
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. J.W. Bogaardt,
t e g e n
De rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging VERENIGING VAN EIGENAREN [a-straat 1-10],
gevestigd te [vestigingsplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en de VvE.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak 195127\CV EXPL 07-1841 van de kantonrechter te Venlo van 24 oktober 2007;
b. het arrest in de zaak HD 200.003.174 van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 22 september 2009.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen VvE is verstek verleend.
De zaak is voor [eiser] toegelicht door zijn advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.B. Rank-Berenschot strekt tot vernietiging en verwijzing.
3. Beoordeling van het middel
3.1 In dit geding heeft de VvE de veroordeling gevorderd van [eiser] tot betaling aan haar van (kwartaal)bijdragen op de grond dat [eiser], als enig erfgenaam van zijn inmiddels overleden ouders, eigenaar is van het appartementsrecht op de woning [a-straat 7]. Hij is dus lid van de VvE, die heeft besloten dat haar leden deze bijdragen zijn verschuldigd.
[eiser] heeft als primair verweer aangevoerd dat de VvE geen bestaande rechtspersoon is.
3.2 Zowel de kantonrechter als, in hoger beroep, het hof, heeft het primaire verweer van [eiser] verworpen. Het hof overwoog daartoe:
"3.3.2 De vereniging van eigenaars is als onderdeel van de appartementsrechten geregeld in de negende titel van boek 5 BW in de artikelen 124 t/m 135. Deze titel is bij wet van 19 februari 2005, Stb. 160 per 1 mei 2005 ingrijpend gewijzigd. Door de invoering van deze wet per 1 mei 2005 ontstaat een vereniging van eigenaars, een rechtspersoon, door de ondertekening van de akte van splitsing.
Een oprichtingshandeling als waarop artikel 2:4 BW ziet, is hiervoor niet nodig (vgl. art. 5:124 BW).
Uit de overgelegde stukken blijkt dat de splitsing van de onroerende zaak [a-straat 1-10] te [plaats] - waarvan het appartementsrecht van [eiser] deel uitmaakt - heeft plaatsgevonden bij akte van splitsing op 18 januari 1957 verleden voor notaris Seelen te Venlo. Hoewel deze splitsing heeft plaatsgevonden (ruim) voor de inwerkingtreding van de wet van 19 februari 2005, is de VvE op grond van het bepaalde in artikel 5:124 BW, welk artikel volgens artikel 68a van de Overgangswet Nieuw BW onmiddellijke werking heeft, in ieder geval per 1 mei 2005 van rechtswege ontstaan. Gelet op de ingestelde vordering, de servicekosten vanaf 2006, is de vraag of de VvE reeds vóór 1 mei 2005 bestond niet relevant. Het verweer van [eiser] dat de VvE niet is opgericht faalt."
3.3 Het hof heeft niet vastgesteld, en evenmin is door de VvE gesteld, of uit de overgelegde splitsingsakte gebleken, dat de splitsingsakte - die, zoals tussen partijen vaststaat, notarieel is verleden op 18 januari 1957 - mede de akte van oprichting en de statuten van de VvE inhield. Daarom dient ervan te worden uitgegaan dat dit niet het geval is.
3.4.1 Zoals uiteengezet in de conclusie van de Advocaat-Generaal in 2.7 was op 18 januari 1957 het appartementsrecht geregeld in de art. 638a-638t (oud) BW. Deze bepalingen schreven niet de oprichting van een rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging van eigenaars voor, maar regelden slechts de vorm van haar organisatie voor het geval zij werd opgericht.
3.4.2 Bij wetswijziging van 1972 (Wet van 7 september 1972, Stb. 467) is de oprichting van een vereniging van eigenaars verplicht gesteld in geval van splitsing van een gebouw in appartementen (art. 875e lid 1, aanhef en onder d, (oud) BW). Ingevolge art. 875f lid 1, aanhef en onder e, (oud) BW, deed het ondertekenen van een splitsingsakte echter niet zonder meer een vereniging van eigenaars ontstaan. Dit was pas het geval indien de splitsingsakte mede de akte van oprichting en de statuten van een VvE inhield.
"Ook artikel 4 van Boek 2 - als eerste uitdrukkelijk uitgezonderd - kan hier geen toepassing vinden. Een vereniging van eigenaars ontstaat van rechtswege bij de splitsing in appartementsrechten (artikel 5.10.1.2 in verbinding met artikel 5.10.1.5) en wordt door opheffing van rechtswege ontbonden. Een oprichtingshandeling als waarop artikel 4 ziet, komt hieraan niet te pas" (MvA II Inv., Parl. Gesch. Boek 5 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1099, onder 4).
3.4.4 Bij Wet van 19 februari 2005, in werking getreden op 1 mei 2005, Stb. 160, is art. 5:125 lid 3 BW komen te vervallen. Hierin werd bepaald dat indien op het tijdstip van de inschrijving van de splitsingsakte alle appartementsrechten nog aan één persoon of dezelfde personen toebehoren, de vereniging van eigenaars eerst ontstaat zodra de appartementsrechten aan verschillende personen toebehoren (vgl. Kamerstukken II 2002-2003, 28 614, nr. 3, p. 6).
3.5 De bestreden overweging moet aldus worden verstaan dat het hof zijn oordeel, dat de VvE op grond van het bepaalde in art. 5:124 BW in ieder geval per 1 mei 2005 van rechtswege is ontstaan, heeft gebaseerd op de onmiddellijke werking die de per 1 mei 2005 gewijzigde bepaling had op de verhouding die toen tussen de appartementseigenaren bestond, en mede gelet op de hiervoor in 3.4.3 geciteerde passage uit de wetsgeschiedenis van art. 5:124 BW in samenhang met de onder 3.4.4 aangehaalde wetswijziging. Aldus heeft het hof, mede gelet op de bewoordingen en de daarbij behorende wetsgeschiedenis van de in de tijd aan art. 5:124 BW voorafgegane bepalingen, miskend dat dit artikel, ook in het geval alle appartementsrechten aanvankelijk nog in één hand zijn, aldus moet worden verstaan dat een vereniging van eigenaars van rechtswege ontstaat bij de splitsing van een gebouw in appartementsrechten, mits de splitsingsakte mede de akte van oprichting en de statuten van een VvE inhoudt. Zoals hiervoor in 3.3 is overwogen, heeft het hof dit laatste niet vastgesteld, en is dit evenmin door de VvE gesteld of uit de overgelegde splitsingsakte gebleken.
3.6 De op het vorenstaande gerichte klachten van het middel treffen dus doel. Het bestreden arrest kan niet in stand blijven. Nu de VvE haar vordering uitsluitend heeft gebaseerd op de stelling dat [eiser] lid is van de VvE, zodat de vordering ook niet langs de weg van art. 25 Rv geheel of ten dele toewijsbaar is, kan de Hoge Raad zelf de zaak afdoen op na te melden wijze.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt het arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 22 september 2009 alsmede het vonnis van de rechtbank Roermond van 24 oktober 2007 en, opnieuw rechtdoende:
wijst de vordering van de VvE alsnog af;
veroordeelt de VvE in de kosten van het geding, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op
- in eerste instantie: € 200,--,
- in hoger beroep: € 971,44,
- in cassatie: € 567,14 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren M.A. Loth, C.E. Drion, G. Snijders en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 12 april 2013.
Beroepschrift 13‑01‑2012
Heden, de [dertiende januari] tweeduizendtwaalf;
ten verzoeke van [requirant], wonende te [woonplaats], te dezer zake woonplaats kiezende te Wassenaar aan de Schoolstraat 4, ten kantore van mr J.W. Bogaardt, advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden, die door hem wordt aangewezen om hem te vertegenwoordigen in na te melden geding in cassatie;
Heb ik,
[Jacobus Maria Gerardus Venbruex, als toegevoegd kandidaat gerechtsdeurwaarder werkzaam op het kantoor van Roy Hartemink, als gerechtsdeurwaarder gevestigd te Nijmegen en aldaar kantoorhoudende aan het adres Groenestraat 294]
AAN:
de vereniging Vereniging van Eigenaren [a-straat] [1–10], gevestigd te [vestigingsplaats], laatstelijk woonplaats gekozen ten kantore van gerechtsdeurwaarder E.F.L.M. Vermeulen, voorheen gevestigd te Weert aan de Biest 31, thans gevestigd te Roermond aan de Godsweerdersingel 38, aldaar aan dit kantooradres mijn exploot doende en afschrift dezes latende aan:
[mevr. Selder, aldaar werkzaam;]
AANGEZEGD:
Dat gerekwireerde bij exploot van 22 december 2009 is gedagvaard om op 19 februari 2010 te verschijnen ter zitting van de Hoge Raad;
Dat deze zaak thans wordt aangehouden bij de Hoge Raad;
Dat rekwirante de zaak tegen gerekwireerde weer op de rol plaats van de Hoge Raad;
vervolgens heb ik de gedaagde;
OPGEROEPEN OM OP:
vrijdag 27 januari 2012 des voormiddags te 10.00 uur niet in persoon, doch vertegenwoordigd door een advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden te verschijnen ter civiele terechtzitting van de Hoge Raad der Nederlanden alsdan gehouden worden in het gebouw van de Hoge Raad der Nederlanden te 's‑Gravenhage aan de Kazernestraat 52;
Ten einde daar verder te procederen in de stand waarin de zaak zich thans bevind;
De kosten van dit exploot zijn:
€ 76,17 + kosten verhoging 19% € 14,47;
De verhoging van het tarief van de ambtshandeling met 19% vloeit voort uit het feit dat verzoekende partij de omzetbelasting niet kan verrekenen in de zin van de Wet Omzetbelasting 1968, hetwelk zij uitdrukkelijk aan mij, deurwaarder, heeft verklaard;
Heden, de [tweeëntwintigste] december tweeduizendnegen, ten verzoeke van [requirant], wonende te [woonplaats] aan de [adres], te dezer zake woonplaats kiezende te Wassenaar aan de Schoolstraat 4 ten kantore van mr. J.W. Bogaardt, advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden, die door hem wordt aangewezen om hem te vertegenwoordigen in na te melden geding in cassatie, [(]heb ik, [lees=)]
de rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging Vereniging van Eigenaren [a-straat] [1–10], gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats], laatstelijk woonplaats gekozen hebbende te Weert aan de Biest 31, ten kantore van gerechtsdeurwaarder E.F.L.M. Vermeulen, aldaar aan dit kantooradres mijn exploot doende en afschrift dezes latende aan:
[Mw. H. Smeets, aldaar werkzaam;]
AANGEZEGD
dat mijn requirant beroep in cassatie instelt tegen het arrest van het gerechtshof 's‑Hertogenbosch op 22 september 2009 onder nummer HD 200.003.174 gewezen tussen requirant als appellant en gerequireerde als geïntimeerde;
EN GEDAGVAARD
om op vrijdag de negentiende februari tweeduizendtien des voormiddags te 10:00 uur, niet in persoon doch vertegenwoordigd door een advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden, te verschijnen ter civiele terechtzitting van de Hoge Raad der Nederlanden, alsdan gehouden wordende in het gebouw van de Hoge Raad der Nederlanden te 's‑Gravenhage aan de Kazernestraat 52;
TENEINDE
alsdan namens mijn requirant te horen aanvoeren als
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid tot gevolg heeft, doordat het hof in het bestreden arrest heeft overwogen en op grond daarvan heeft beslist zoals daarin is weergegeven, zulks ten onrechte om één of meer van de navolgende, zo nodig in onderling verband en samenhang te lezen, redenen:
(Partijen worden hierna aangeduid met [requirant] en VvE.)
1.
Het hof overweegt onder 3.3.2.:
‘Hoewel deze splitsing heeft plaatsgevonden (ruim) voor de inwerkingtreding van de wet van 19 februari 2005, is de VvE op grond van het bepaalde in artikel 5:124 BW, welk artikel volgens artikel 68a van de Overgangswet Nieuw BW onmiddellijke werking heeft, in ieder geval per 1 mei 2005 van rechtswege ontstaan.’.
1.1.
Door te overwegen dat, kort gezegd, VvE in ieder geval per 1 mei 2005 van rechtswege is ontstaan, is het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd van partijen getreden. Immers VvE heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat, kort gezegd, zij op 18 januari 1957 bij akte van splitsing is opgericht:
‘Bij akte van splitsing d.d. 18 januari 1957, voor notaris mr F.P.H.M. Seelen verleden, heeft oprichting van geïntimeerde ex art. 5:112 lid 1 sub e plaatsgevonden (destijds de vergadering van eigenaren ex art. 638 g lid 1 sub 5 BW) en is het reglement ex art. 111 sub d BW (voorheen art. 638 f sub 4 BW) opgemaakt.’
(memorie van antwoord, alinea 2).
1.2.
Door te overwegen dat, kort gezegd, VvE van rechtswege is ontstaan, geeft het hof blijk van een onjuiste rechtsopvatting, althans is deze overweging onbegrijpelijk (gemotiveerd). Immers art. 5:112 lid 1 BW bepaalt dat een vereniging van eigenaars dient te worden opgericht:
‘Het reglement moet inhouden:
(…)
- e.
de oprichting van een vereniging van eigenaars, die ten doel heeft het behartigen van gemeenschappelijke belangen van de appartementseigenaars, en de statuten van de vereniging.’.
Zie ook de memorie van toelichting:
‘Het tweede lid [van de overgangsbepaling, adv.] houdt rekening met de omstandigheid dat ingevolge de artikelen 638a e.V. B.W. splitsingen kunnen hebben plaats gevonden, waarbij geen vereniging van eigenaars in het leven is geroepen. Deze figuur doet zich nogal eens voor in geval van splitsing van een klein gebouw, bestemd voor twee of drie appartementseigenaars. Het zou denkbaar zijn de nieuwe regeling ook voor deze splitsingen ten volle te laten werken, onder verplichting van de appartementseigenaars om op korte termijn alsnog tot de oprichting van een vereniging als bedoeld in artikel 875f [thans: 5:112, adv.], eerste lid onder e en tweede lid, over te gaan. De ondergetekende is echter van mening dat dit betrokkenen tot het maken van kosten zou verplichten, die zijns inziens in het gegeven geval niet noodzakelijk zijn. Hij heeft daarom de voorkeur gegeven aan een regel dat bij gebreke van een vereniging van eigenaars de tevoren geldende bepalingen betreffende het gebruik, het beheer en het onderhoud van de gemeenschap, de onderlinge verplichting tot bijdragen in de gezamenlijke schulden, kosten en lasten, alsmede de vergadering van eigenaars en de administrateur, van toepassing blijven totdat de akte van splitsing zodanig is gewijzigd, dat het reglement aan artikel 875f [thans: 5:112, adv.], eerste lid onder e en tweede lid, voldoet.’
(Tweede Kamer 1970–1971, kamerstuknummer 10987, ondernummer 3, p. 24 en 25).
VvE baseert zich uitdrukkelijk op art. 5:112 lid 1 onder e, 5:124 lid 1 en 5:125 lid 2 BW.
Mitsdien staat vast dat VvE zich beschouwt als een vereniging van eigenaars ex boek 5 BW en niet als een vereniging ex boek 2 BW.
2.
Het hof overweegt onder 3.3.9.:
‘(…) [requirant] dient nog altijd te worden aangemerkt als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij (…)’.
Deze overweging is onbegrijpelijk (gemotiveerd), immers van het in de inleidende dagvaarding gevorderde bedrag van € 5.000,00 heeft het hof slechts € 595,69 toegewezen.
Mitsdien
het de Hoge Raad behage op grond van dit cassatiemiddel het bestreden arrest te vernietigen met zodanige verdere voorziening als de Hoge Raad zal vermenen te behoren, kosten rechtens.
[De kosten van dit exploot zijn € 85,98 excl. BTW.]
Beroepschrift 22‑12‑2009
Heden, de [tweeëntwintigste] december tweeduizendnegen, ten verzoeke van [requirant], wonende te [woonplaats] aan de [adres], te dezer zake woonplaats kiezende te Wassenaar aan de Schoolstraat 4 ten kantore van mr. J.W. Bogaardt, advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden, die door hem v wordt aangewezen om hem te vertegenwoordigen in na te melden geding in cassatie,(heb ik, lees)
[Heb ik, mr. Hendrikus Johannes Maria van de Pas, deurwaarder te Weert en aldaar kantoorhoudende aan de Wilhelminasingel 193.]
de rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging Vereniging van Eigenaren [a-straat] [1–10], gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats], laatstelijk woonplaats gekozen hebbende te Weert aan de Biest 31, ten kantore van gerechtsdeurwaarder E.F.L.M. Vermeulen, aldaar aan dit kantooradres mijn exploot doende en afschrift dezes latende aan:
[mw H. Smeets, aldaar werkzaam;]
AANGEZEGD
dat mijn requirant beroep in cassatie instelt tegen het arrest van het gerechtshof 's‑Hertogenbosch op 22 september 2009 onder nummer HD 200.003.174 gewezen tussen requirant als appellant en gerequireerde als geïntimeerde;
EN GEDAGVAARD
om op vrijdag de negentiende februari tweeduizendtien des voormiddags te 10:00 uur, niet in persoon doch vertegenwoordigd door een advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden, te verschijnen ter civiele terechtzitting van de Hoge Raad der Nederlanden, alsdan gehouden wordende in het gebouw van de Hoge Raad der Nederlanden te 's‑Gravenhage aan de Kazernestraat 52;
TENEINDE
alsdan namens mijn requirant te horen aanvoeren als
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid tot gevolg heeft, doordat het hof in het bestreden arrest heeft overwogen en op grond daarvan heeft beslist zoals daarin is weergegeven, zulks ten onrechte om één of meer van de navolgende, zo nodig in onderling verband en samenhang te lezen, redenen:
(Partijen worden hierna aangeduid met [requirant] en VvE.)
1.
Het hof overweegt onder 3.3.2.:
‘Hoewel deze splitsing heeft plaatsgevonden (ruim) voor de inwerkingtreding van de wet van 19 februari 2005, is de VvE op grond van het bepaalde in artikel 5:124 BW, welk artikel volgens artikel 68a van de Overgangswet Nieuw BW onmiddellijke werking heeft, in ieder geval per 1 mei 2005 van rechtswege ontstaan.’.
1.1.
Door te overwegen dat, kort gezegd, VvE in ieder geval per 1 mei 2005 van rechtswege is ontstaan, is het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd van partijen getreden. Immers VvE heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat, kort gezegd, zij op 18 januari 1957 bij akte van splitsing is opgericht:
‘Bij akte van splitsing d.d. 18 januari 1957, voor notaris mr F.P.H.M. Seelen verleden, heeft oprichting van geïntimeerde ex art. 5:112 lid 1 sub e plaatsgevonden (destijds de vergadering van eigenaren ex art. 638 g lid 1 sub 5 BW) en is het reglement ex art. 111 sub d BW (voorheen art. 638 f sub 4 BW) opgemaakt.’
(memorie van antwoord, alinea 2).
1.2.
Door te overwegen dat, kort gezegd, VvE van rechtswege is ontstaan, geeft het hof blijk van een onjuiste rechtsopvatting, althans is deze overweging onbegrijpelijk (gemotiveerd). Immers art. 5:112 lid 1 BW bepaalt dat een vereniging van eigenaars dient te worden opgericht:
‘Het reglement moet inhouden:
- (…) e.
de oprichting van een vereniging van eigenaars, die ten doel heeft het behartigen van gemeenschappelijke belangen van de appartementseigenaars, en de statuten van de vereniging.’.
Zie ook de memorie van toelichting:
‘Het tweede lid [van de overgangsbepaling, adv.] houdt rekening met de omstandigheid dat ingevolge de artikelen 638a e.v. B.W. splitsingen kunnen hebben plaats gevonden, waarbij geen vereniging van eigenaars in het leven is geroepen. Deze figuur doet zich nogal eens voor in geval van splitsing van een klein gebouw, bestemd voor twee of drie appartementseigenaars. Het zou denkbaar zijn de nieuwe regeling ook voor deze splitsingen ten volle te laten werken, onder verplichting van de appartementseigenaars om op korte termijn alsnog tot de oprichting van een vereniging als bedoeld in artikel 875f [thans: 5:112, adv.], eerste lid onder e en tweede lid, over te gaan. De ondergetekende is echter van mening dat dit betrokkenen tot het maken van kosten zou verplichten, die zijns inziens in het gegeven geval niet noodzakelijk zijn. Hij heeft daarom de voorkeur gegeven aan een regel dat bij gebreke van een vereniging van eigenaars de tevoren geldende bepalingen betreffende het gebruik, het beheer en het onderhoud van de gemeenschap, de onderlinge verplichting tot bijdragen in de gezamenlijke schulden, kosten en lasten, alsmede de vergadering van eigenaars en de administrateur, van toepassing blijven totdat de akte van splitsing zodanig is gewijzigd, dat het reglement aan artikel 875f [thans: 5:112, adv.], eerste lid onder e en tweede lid, voldoet.’
(Tweede Kamer 1970–1971, kamerstuknummer 10987, ondernummer 3, p. 24 en 25).
VvE baseert zich uitdrukkelijk op art. 5:112 lid 1 onder e, 5:124 lid 1 en 5:125 lid 2 BW.
Mitsdien staat vast dat VvE zich beschouwt als een vereniging van eigenaars ex boek 5 BW en niet als een vereniging ex boek 2 BW.
2.
Het hof overweegt onder 3.3.9.:
‘(…) [requirant] dient nog altijd te worden aangemerkt als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij (…)’.
Deze overweging is onbegrijpelijk (gemotiveerd), immers van het in de inleidende dagvaarding gevorderde bedrag van € 5.000,00 heeft het hof slechts € 595,69 toegewezen.
Mitsdien
het de Hoge Raad behage op grond van dit cassatiemiddel het bestreden arrest te vernietigen met zodanige verdere voorziening als de Hoge Raad zal vermenen te behoren, kosten rechtens.
[De kosten van dit exploot zijn € 85,98 excl.BTW.]
[De kosten van dit exploot zijn verhoogd met 19% daar mijn opdra… in rekening gebrachte …]