Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht
Einde inhoudsopgave
Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht (FM nr. 151) 2018/2.4.2:2.4.2 De bestuurlijke boetebepalingen, het karakter van de boeten
Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht (FM nr. 151) 2018/2.4.2
2.4.2 De bestuurlijke boetebepalingen, het karakter van de boeten
Documentgegevens:
mr. I.J. Krukkert, datum 01-02-2018
- Datum
01-02-2018
- Auteur
mr. I.J. Krukkert
- JCDI
JCDI:ADS463240:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Fiscaal strafrecht
Fiscaal bestuursrecht / Boete
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Althans, zoals die gold van 1 januari 1998 tot en met 31 december 2010. In die periode was artikel 67n AWR zo vormgegeven dat een rechtmatige vrijwillige verbetering algeheel vergrijpboeteverval met zich bracht.
Memorie van Beantwoording van het Voorloopig Verslag der Commissie van Rapporteurs (TK, vergaderjaar 1857-1858, Bijlagen 89ste vel, nr. XVI.4, p. 352/353.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De Successiewet van 1 juli 1859 (hierna: SW 1859) kent verschillende variabele boeten. De variabele boeten zijn onder meer afhankelijk van het verschuldigde recht en de periode dat men in verzuim is. Zo bepaalt artikel 21 SW 1859 dat een variabele boete van een vierde van het verschuldigde recht wordt belopen in geval van een aangifteverzuim. Wanneer geen recht verschuldigd is en er toch sprake is van verzuim, dan wordt een boete van vijf gulden opgelegd voor iedere week dat men in verzuim is. Ook in artikel 34 SW 1859 is sprake van een tijdsafhankelijke boete, namelijk vijfentwintig gulden voor iedere week dat men verzuimt om de eed af te leggen.
Volgens artikel 36 SW 1859 wordt dezelfde boete als die van artikel 21 SW 1859 opgelegd, wanneer achteraf blijkt dat er een onjuiste of onvolledige aangifte is gedaan. Ook wordt in artikel 36 SW 1859 geregeld dat degene die zijn onschuld kan bewijzen zich kan vrijwaren van die boete.
In sommige gevallen wilde de inspecteur een nadere taxatie van de aangegeven onroerende goederen. Als bleek dat de getaxeerde waarde tenminste een achtste meer bedroeg dan de aangegeven waarde, dan werd het nageheven recht verdubbeld met ‘eene daarmee gelijkstaande som, als boete’ (artikel 38 SW 1859).
In artikel 39 SW 1859 wordt bepaald dat het vrijwillig verbeteren door de belastingplichtige niet met zich brengt dat geen boete wordt opgelegd; ook al leidt de vrijwillige verbetering tot een na te heffen bedrag dat minder bedraagt dat een achtste van de aangegeven waarde, dan wordt toch een boete opgelegd van een vierde van de naheffing.
Indien de verschuldigde belasting niet op tijd werd betaald, dan werd een boete opgelegd van tien procent van het verschuldigde recht (artikel 55 SW 1859).
Artikel 65 SW 1859 bepaalt dat de boeten niet kunnen worden verhaald op de erfgenamen van degene aan wie de boeten zijn opgelegd.
De termen ‘boete’ en ‘verhooging’ worden in de Successiewet van 1859 door elkaar gebruikt, maar onder meer artikel 21 SW 1859 maakt duidelijk hoe de ene term zich tot de andere verhoudt: “Het bedrag van de verschuldigde regten wordt, na de beteekening van het dwangschrift, met een vierde daarvan, als boete, verhoogd.” Kortom, een ‘verhooging’ is in deze context een ander woord voor ‘boete’; de term ‘verhooging’ zegt slechts iets over de systematiek waarmee de boete wordt opgelegd.
Strafuitsluitende omstandigheid: vrijwillig verbeteren, inkeren (artikel 36 SW 1859)
In artikel 36 SW 1859 onderken ik een regeling die ik vergelijkbaar acht met de inkeerbepaling van artikel 67n AWR (oud).1 De betreffende regeling komt er op neer dat belastingplichtigen die er achter komen dat sprake is van ‘eenige andere verkeerde opgave of verzwijging’, slechts worden beboet indien zij ‘geene nadere aangifte hebben gedaan’. Met andere woorden, wanneer wél een nadere, verbeterde aangifte wordt gedaan, wordt geen boete opgelegd.
De regering zegt het volgende over deze ‘inkeerregeling’:
“Het staat den aangever ten allen tijde vrij om, tegen betaling van het gewone regt, zonder eenige poenaliteit de waarde te verhogen, zodra hij […] mogt bespeuren, dat hij te laag heeft aangegeven. Tegenover dat regt, kan het niet onbillijk wezen, dat, bijaldien hij blijft stilzitten in de hoop dat de simulatie (de verkeerde voorstelling van zaken, IK) niet zal worden ontdekt, hij eene boete betale wanneer de poging tot ontduiking aan het licht komt. Maar, bovendien, zoo hij ook dan nog, zonder poenaliteit te beloopen, kan verhoogen, dan zou dit uitloopen op eene aanmoediging om altijd en in elk geval te laag aan te geven; dan zouden de aangevers gaan speculeren op de mogelijkheid, dat hunne te lage aangifte niet binnen de termijn van drie jaren werd ontdekt; want, in geval van ontdekking zou hun toestand toch niet nadeeliger wezen, dan die in geval van deugdelijke aangifte zou geweest zijn; dan zou er geen band, geen reden hoegenaamd bestaan, die tot het aangeven, zelfs niet van de vermoedelijke waarde zou nopen, en zou dus de gansche zaak eenig en alleen en uitsluitend aan het toezigt en het dikwijls moeielijk te doene onderzoek der ambtenaren zijn overgelaten. Dit zou noodwendig op de rigtige inning der belasting uiterst schadelijk terugwerken. De Regering hoopt dat het nut, ja de onvermijdelijkheid dier bepaling bij nader inzien niet zal worden ontkend. Die eerlijk en deugdelijk heeft aangegeven, kan de waardering (aangenomen dat zij ook in een dergelijke geval eens wierd gevraagd) met gerustheid afwachten en heeft noch boeten noch kosten te vreezen, zodat de weglating der bepaling zich in eene bescherming van den minder eerlijken aangever zou oplossen.”2
Uit bovenstaande passage kan mijns inziens worden afgeleid dat de regering voornemens is om verbetergedrag te belonen door in een dergelijk geval geen boete op te leggen. Ook volgt mijns inziens uit de bewoordingen ‘zonder eenige poenaliteit’ enerzijds dat de boeten op grond van de SW 1859 wel degelijk straffen waren en anderzijds dat die straffen (boeten) in bepaalde gevallen achterwege werden gelaten, namelijk wanneer sprake was van ‘inkeer’.