Einde inhoudsopgave
Bestuurdersaansprakelijkheid in theorie (IVOR nr. 108) 2017/2.3.3
2.3.3 Rechtsvinding en rechtsvorming: een semantische discussie?
mr. W.A. Westenbroek, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. W.A. Westenbroek
- JCDI
JCDI:ADS350938:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Tak 1994, p. 173-174.
G. Corstens, De rechtsstaat moet je leren. De President van de Hoge Raad over de rol van de rechter, Amsterdam: Prometheus 2015, p. 61.
Franken e.a. 1999, p. 173.
L. Timmerman, ‘Hoe kan uitvoering worden gegeven aan rechtsvorming door de rechter’, in: G.J.M Corstens e.a. (red.), De Positie van de Hoge Raad, Den Haag: Boom Juridische Uitgevers 2009, p. 28.
Franken e.a. 1999, p. 174 en Tak 1994, p. 174.
Tak 1994, p. 173-174.
Tak 1994, p. 199 en Van Veen 2016, par. 4.1: “Daar waar de rechter door de wetgever is geroepen om uitspraak te doen, doet zich wel eens de situatie voor dat de wetgever geen adequaat toetsingskader biedt. In dat geval kan worden aanvaard dat de rechterlijke macht zelf voor zover noodzakelijk nadere invulling geeft en (expliciet of impliciet) de wetgever op zijn verantwoordelijkheden aanspreekt.”
C.A.J.M. Kortmann, Staatsrecht en raison d’Etat, Deventer: Kluwer 2009, p. 12 betoogt in dit verband dat de rechter de afgelopen jaren de trias politica onvoldoende in acht heeft genomen, waardoor een onontwarbare kluwen aan uitspraken, rechterlijke regels en subregels zijn ontstaan waarin de wetgever hoognodig orde moet scheppen.
Franken e.a. 1999, p. 181.
Tak 1994, p. 199.
Naar aanleiding van Rb. ’s-Gravenhage 24 juni 2015, AB 2015/336 m.nt. Ch.W. Backes (Urgenda) verscheen R. van Gestel & M.A. Loth, ‘Urgenda: roekeloze rechtspraak of rechtsvinding 3.0?’, NJB 2015/1849. Deze bijdrage werd bekritiseerd door L. Bergkamp, ‘Rechtsvinding in de moderne rechtsstaat’, NJB 2016/140 waarop een naschrift volgde van R. van Gestel & M.A. Loth, ‘Rechtsvorming in een meerlagige rechtsorde’, NJB 2016/ 141. Deze bijdragen in de NJB illustreren dat in de literatuur de nodige discussie bestaat over hoe ver de rechter mag gaan in rechtsvorming.
Van Gestel & Loth 2016.
Tak 1994, p. 199.
W.D.H. Asser, ‘Rechtsvorming door de Hoge Raad: Enkele inleidende opmerkingen’, in: W.M.T. Keukens en M.C.A. van den Nieuwenhuijzen (red.), Raad & Daad, Over de rechts- vormende taak van de Hoge Raad, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2008, p. 11.
C.A.J.M. Kortmann, ‘De rechtsvormende taak van de Hoge Raad’, in: W.M.T. Keukens en M.C.A. van den Nieuwenhuijzen (red.), Raad & Daad, Over de rechtsvormende taak van de Hoge Raad, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2008, p. 31-37 bevat in feite een herhaling van zijn betoog in C.A.J.M. Kortmann, ‘De rechtsvormende taak van de Hoge Raad’, Trema 2005/6, p. 250-252.
Kortmann 2009a, p. 11 die een rechtsvormende taak van de Hoge Raad afwijst.
A. Hammerstein, ‘Rechtsvorming door de rechter is onvermijdelijk’, AA 2009, afl. 10, p. 672.
C. Schutte, ‘De Rechtsvormende taak van de rechter? Een kritische noot’, AA 2009, afl. 10, p. 676-680.
G. Boogaard en J. Uzman, ‘Rode Draad Rechtsvorming door de Hoge Raad. Tussen Montesquieu en Judge Dredd. Over rechter, politiek en rechtsvorming’, AA 2015, afl. 1, p. 53.
M.A. Loth, ‘Oordelen op tegenspraak. Over de rationaliteit van het rechterlijk oordeel’, R&R 2005/1, p. 60 stelt zelfs dat rechtspraak politiek is en dat de rechter, met zijn rechtshandhavende en geschillenbeslechtende taak, bijdraagt aan de rechtsvorming en het zelfbestuur van een politieke gemeenschap. Dit in tegenstelling tot Hammerstein die in bovenstaand citaat juist uitdrukkelijk opmerkte: “De rechter is niet gekozen en heeft geen politieke opdracht”.
J.B.M. Vranken spreekt in Asser/Vranken Algemeen deel**** 2014/55 en 2014/79 over een nogal abstract-theoretische discussie over de rechtsvormende taak van de rechtspraak en met name van de Hoge Raad, waarin tegenstanders stellen dat rechtsvorming niet mag, maar rechtsontwikkeling wel. Hij noemt dat terecht een louter semantisch onderscheid dat niets verheldert.
De reactie van C.A.J.M. Kortmann, ‘De taak van de rechter. Reactie op ‘Rechtsvorming door de rechter is onvermijdelijk’ van A. Hammerstein en ‘Een “rechtsvormende taak” van de rechter? Een kritische noot’ van C. Schutte’, in AA 2009, afl. 11, p. 765-766 lijkt mij dan ook volkomen terecht.
Zie bijvoorbeeld ook: Timmerman 2009c, p. 27 die de rechtsvormende taak van de rechter als uitgangspunt neemt en de door Kortmann ‘aangezwengelde discussie onzinnig vindt’.
W. Davids, ‘Rode Draad Rechtsvorming door de Hoge Raad. Woorden achteraf in een aggrerende bijdrage’, AA 2015, afl. 12, p. 1009-1019.
Hetgeen aansluit bij de opmerkingen van oud-President van de Hoge Raad S.K. Martens, ‘De grenzen van de rechtsvormende taak van de rechter’, NJB 2000, afl. 14, p. 747-758.
De rechter zal hiertoe ex artt. 12 en 13 Wet AB ook gehouden zijn indien er geen wettelijke bepalingen voorhanden zijn. Men blijft echter twijfels hebben over hoe ver de rechter daarin mag gaan. In zijn noot bij Rb. ’s-Gravenhage 24 juni 2015, AB 2015/336 m.nt.Ch.W. Backes (Urgenda) schrijft Backes bijvoorbeeld dat hoewel hij de politieke boodschap die de rechtbank heeft gegeven en de politieke gevolgen die het vonnis al heeft gehad positief vindt, hij sterke twijfels heeft of dit vonnis juridisch juist is, waarmee Backes doelt op de scheiding der machten.
Tak 1994 maakt dit onderscheid bijvoorbeeld wel op p. 199, maar behandelt de interpretatie van rechtsregels (op grond van bijvoorbeeld een grammaticale, wetshistorische of rechtshistorische methode) onder het hoofdstuk genaamd “Inhoudelijke aspecten van de rechterlijke rechtsvorming”. In Franken e.a. 1999, p. 171 e.v. wordt onder het hoofdstuk ‘Rechtsvorming door de rechter’ zowel rechtsvinding als rechtsvorming behandeld, waarbij ook van rechtsvorming wordt gesproken wanneer de rechter een regel moet toepassen die door de wetgever bewust vaag is geformuleerd.
Hammerstein 2009, p. 674.
Davids 2015, p. 1011.
Corstens 2015, p. 62.
Martens 2000, p. 750.
Hoewel de codificatiegedachte ervan uitgaat dat al het recht steeds in de wet te vinden zou moeten zijn (‘rechtsvinding’),1 is dat de facto niet altijd het geval. Wetteksten zijn niet altijd duidelijk of bevatten bewust open normen en begrippen (de ‘maatschappelijke betamelijkheid’ van art. 6:162 BW, de ‘redelijkheid en billijkheid’, maar ook de ‘behoorlijke taakvervulling’ van art. 2:9 BW), die bedoeld zijn om geïnterpreteerd te worden. De wetgever speelt daarmee in op het feit dat hij niet alles kan voorzien2 en zorgt op deze manier ervoor dat ook niet-voorziene gevallen onder die wettelijke bepalingen kunnen vallen.3 De rechter moet het recht invullen, (open) wetsbepalingen uitleggen en daarbij kunnen maatschappelijke ontwikkelingen een rol spelen.4 Dit doet zich bijvoorbeeld ook voor wanneer wetten zijn verouderd. De wet is namelijk het resultaat van tijd-, plaats- en cultuurgebonden inzichten. In de literatuur wordt deze zingeving, althans deze rechtstoepassing, door de rechter ook als rechtsvorming in plaats van rechtsvinding aangemerkt.5 Gelet op het voorgaande wordt in de literatuur gesteld dat de leer van de machtenscheiding, de trias politica, in de praktijk niet in al zijn scherpte houdbaar is. Rechtsvorming is daarom niet steeds exclusief aan de wetgever voorbehouden en de rechter levert daar soms een noodzakelijke bijdrage aan.6
Tegelijkertijd wordt in de literatuur gesteld dat niet de indruk dient te ontstaan dat rechtsvorming een essentieel onderdeel is van de taak van de rechter. Het ‘rechtsvormend’ aspect bij de totstandkoming van beslissingen zou hoofdzakelijk een rol spelen bij a-typische gevallen die in geen enkel patroon vallen en waarin de wetgever niet heeft voorzien.7 Er blijven namelijk staatsrechtelijke bedenkingen bij rechtsvorming door de rechter (in strikte zin), omdat het evenwicht tussen de staatsmachten – de verdeling op basis van de trias politica – ernstig erdoor zou worden verstoord.8 Rechtsvorming (in strikte zin), de creatie van rechtsregels, is in de eerste plaats een taak van de wetgever.9 De rechtsvorming (in strikte zin) van de rechter als wetgever-plaatsvervanger behoeft daarom een bijzondere legitimatie. Deze legitimatie lijkt alleen gegeven in de gevallen waarin de behoefte aan het stellen van een regel algemeen erkend wordt, de wetgever in gebreke is gebleven en duidelijk is in welke richting de oplossing gezocht moet worden zonder dat de rechter daardoor verzeild raakt in maatschappelijke en politieke controverses.10 Zo kan worden voorgesteld dat in een specifieke zaak de rechter ook buiten de landsgrenzen dient te kijken om te beoordelen wat rechtens is. Nederland maakt nu eenmaal deel uit van een internationale (‘meerlagige’) rechtsorde, zodat de rechter niet alleen de Nederlandse wet dient toe te passen, maar ook in Nederland recht dient te vormen dat niet op de Nederlandse wet is gebaseerd. Van Gestel en Loth stellen in dit verband dat wij onze opvattingen over rechterlijke rechtsvinding moeten herijken in het licht van de rechter in een meerlagige rechtsorde.11 Rechterlijk activisme (in de zin van rechtsvorming door het stellen van regels) is volgens hen verdedigbaar zolang en voor zover democratische kanalen niet goed functioneren.12
Bij de niet a-typische gevallen, en dat is de overgrote meerderheid van de door de rechter te behandelen zaken, vindt de rechter in de wet voldoende aanknopingspunten voor een oplossing. Ook dan is van een automatische toepassing van de wet, waarbij de rechter slechts spreekbuis is van de wetgever, meestal echter geen sprake. Door de wet te interpreteren en door de feiten in de hem voorliggende zaak toe te spitsen op de wettelijke regel, doet de rechter in feite namelijk ook aan rechtsvorming en ligt zijn bijdrage in het verlengde van de rechtsvorming door de wetgever.13
Uit het voorgaande kan een semantische discussie worden afgeleid. Wat betekent ‘rechtsvorming’ eigenlijk? Toen Asser nog raadsheer was bij de Hoge Raad schreef hij daarover:
“De rechter, en zeker de Hoge Raad, is ook steeds actiever geworden in de rechtsvorming. Het gaat al lang niet meer om wat ‘leemten in de wet’ waarin moet worden voorzien. De wet zelf laat meer dan eens de rechter zijn gang gaan (denk aan het nieuwe BW) en de wetgever spreekt meer dan eens uit dat een bepaald onderwerp moet worden overgelaten aan de rechter om daaraan verder gestalte te geven. Dat de wetgever het primaat van rechtsvorming zou hebben is dus een grotendeels achterhaald idee. Dat wordt eigenlijk alleen maar bevestigd als de Hoge Raad zo nu en dan meent dat de rechtsvorming die van hem in een bepaalde zaak wordt gevraagd ‘de rechtsvormende taak van de rechter te buiten gaat’ en hij daarmee tot uitdrukking brengt dat de wetgever er eventueel in moet voorzien.”14
Kortmann meende in dezelfde bijdrage dat de rechter beter op zijn traditionele plaats had kunnen blijven15 en betoogde in zijn afscheidscollege dat rechters niet rechtsvormend bezig mogen zijn, omdat zij daarmee op de stoel van de wetgever plaatsnemen.16
Hammerstein, eveneens oud-raadsheer bij de Hoge Raad, schreef het volgende:
“Bij rechtsvorming formuleert de rechter weliswaar nieuwe normen, doch hij doet dat altijd op basis van reeds bestaand recht en erkende rechtsbeginselen en binnen de grenzen van de rechtsorde en het rechtstelsel waarin hij opereert. Met ander woorden, bij rechtsvorming moeten we niet denken dat de rechter opeens met geheel naar eigen inzicht ontworpen nieuwe regels op de proppen komt. Mijn ervaring in de rechtspraak (van de laatste ruim dertig jaar) is dat de rechter zeer behoedzaam is bij het vormen van nieuw recht, omdat hij zich altijd ervan bewust is dat hij niet op de stoel van de wetgever mag gaan zitten”. (…) In wezen is de vraag die Kortmann naar mijn indruk aan de orde heeft willen stellen, in hoeverre de rechter bij het geven van een beslissing mag uitgaan van door hem zelf ontwikkelde algemene regels en normen. Hij is kennelijk van mening dat de rechter daarin uiterst terughoudend moet zijn. Voor die opvatting valt ook wel iets te zeggen. Wetgeving is bij ons in beginsel gebaseerd op een besluitvorming van de democratisch gekozen leden van een wetgevend orgaan, al kennen wij ook regels die door het bestuur worden uitgevaardigd. Bij wetgeving behoort het maken van politieke keuzen. De rechter is niet gekozen en heeft geen politieke opdracht. De rechter heeft ook niet de expertise om uit een wirwar van belangen en technische mogelijkheden een afgewogen regel te destilleren. Daarmee is evenwel niet gezegd dat de rechter niet soms nieuw recht vormt. Dat doet hij voortdurend en dat kan hij ook niet vermijden, omdat in een snel veranderende en complexe samenleving zich voortdurend nieuwe rechtsvragen aandienen waarop antwoord moet worden gegeven. De rechtspraak is ook zo omvangrijk en ingewikkeld geworden, mede door de invloed van Europeesrechtelijke ontwikkelingen, dat de rechter wel oog moet hebben voor coördinatie en samenhang van beslissingen, en soms geheel nieuwe paden moet inslaan.”17
Schutte schreef in reactie hierop – in lijn met de visie van Kortmann – dat hij onder rechtsvorming niet begrijpt:
“het invullen van open wettelijke normen door de rechter. Als de wetgever een open norm stelt, al dan niet verkapt met formules als ‘maatstaven van redelijkheid en billijkheid’ en verwijzingen naar algemene rechtsbeginselen, dan verleent de wetgever daarmee een bevoegdheid aan de rechter om het individuele geval zo te beschikken als de rechter dat onder de omstandigheden, dat wil zeggen: gelet op alle bewezen stellingen die aan hem worden voorgelegd, rechtens voorkomt.”
Schutte concludeerde vervolgens:
“Kortom, de discussie wordt mijns inziens erg vertroebeld doordat de ‘rechtsvormende-taak’-denkers – niet geheel ten onrechte – ‘rechtsvorming’ zien wanneer de rechter open wettelijke voorschriften invult, en vervolgens– wél ten onrechte – daaruit afleiden dat de rechter ‘een rechtsvormende taak’ heeft.”18
Boogaard en Uzman constateerden voorts dat de kritiek van Kortmann op rechtsvorming door de rechter wordt veroorzaakt door de betekenis die Kortmann aan de term ‘rechtsvorming’ geeft:
“Op diverse plaatsen spreekt Kortmann zijn steun uit aan relatief vergaande of politieke gevoelige rechtsvinding. Hij noemt dat echter rechtsontwikkeling of interpretatie. Het gaat Kortmann bij ‘rechtsvorming’ om de vorming van geheel nieuw recht zonder enige geschreven wettelijke grondslag.”19
Uit het voorgaande kan worden opgemaakt dat wat er ook zij van de betekenis van rechtsvorming, zowel de ‘voorstanders’ als de ‘tegenstanders’ van ‘rechtsvorming’ de mening zijn toegedaan dat de rechter de bevoegdheid heeft in wetten vastgelegde open normen uit te leggen en in te vullen. De ene noemt dit rechtsvorming, de ander niet.20 Het belang van deze discussie zie ik niet.21 Het is niet zo zwart-wit als men soms doet voorkomen.22 Davids, oud-President van de Hoge Raad, merkte dan ook op dat het betoog van Kortmann reacties van voor- en tegenstanders van rechtsvorming losmaakte,23 maar ook dat dit misschien eerder een debat van semantische aard was.24 Hij constateerde in dat verband dat (i) Hammerstein rechtsvorming zag als het zoeken naar antwoorden op rechtsvragen die niet volledig worden bepaald door geldend recht25, (ii) Kortmann rechtsvorming zag als vorming van geheel nieuw recht zonder wettelijke grondslag en (iii) Boogaard en Uzman tot de conclusie kwamen dat het erop lijkt dat de Hoge Raad, waar hij spreekt over zijn ‘rechtsvormende taak’, uitsluitend doelt op het invullen van open normen, de ontwikkeling van beginselen en van bestaand geschreven recht.
Wellicht zouden we gelet op al het voorgaande, ter beslechting van de discussie over rechtsvorming, als middenweg kunnen spreken van ‘rechtsvormende rechtsvinding’ wanneer de rechter recht spreekt door het toepassen, interpreteren en uitleggen van open normen. De term ‘rechtsvorming’ zou dan gehanteerd kunnen worden voor het geval waarin sprake is van het creëren van een nieuwe norm door de rechter die niet terug te voeren is op een wettelijke bepaling en waarbij de rechter derhalve op een rechtspolitieke wijze tot zijn beslissing is gekomen.26 De term ‘rechtsvormende rechtsvinding’ zou dan gebruikt kunnen worden voor alle gevallen waarin een rechtswetenschappelijk proces van het toepassen van interpretatie- en redeneermethoden heeft plaatsgevonden, waarbij een door de wetgever reeds gecreëerde (open) norm, vastgelegd in een wettelijke regel, voor de rechter als basis heeft gediend. Het recht wordt daarbij namelijk nog steeds ‘gevonden’ in de wettelijke regel die geïnterpreteerd wordt en die op basis van een bepaalde redeneerwijze op de onderliggende feiten wordt toegepast. In sommige gevallen van dat ‘rechtsvormende rechtsvindings’-proces zullen nieuwe maatschappelijke inzichten en/of ontwikkelingen aanleiding geven het recht te verfijnen en/of een bepaalde regel naar analogie toe te passen op een geval dat voorheen niet door die regel werd bestreken. De Hoge Raad speelt bij dit alles uiteraard een belangrijke rol. Zijn uitspraken hebben soms een betekenis die boven het concrete geschil uitstijgt waardoor deze uitspraken kunnen doorwerken in vele honderden, zo niet duizenden zaken in feitelijke instanties.27 In de literatuur wordt begrijpelijk gesteld dat deze uitspraken rechtsvormende meerwaarde hebben en dat het feit dat rechters rechtsvormend bezig zijn, niet ter discussie staat.28
In de literatuur wordt het door mij gemaakte onderscheid tussen rechtsvorming en rechtsvormende rechtsvinding overigens ook onderkend, doch niet expliciet gemaakt.29 Dat is ook begrijpelijk. Het interpreteren en toepassen van (vage) wettelijke regels kan begrijpelijk als ‘rechtsvorming’ worden aangemerkt, omdat de rechter in een specifieke zaak, die geen gelijkenissen heeft met eerdere zaken, een vage wettelijke term invulling geeft en daarmee het recht nader vorm geeft. Iedere rechter (dus ook de lagere rechter) heeft te maken met gevallen waarin hij niet alleen de zaak zelf beslist, maar ook door zijn beslissing en motivering ervan een meer algemene norm formuleert en daarmee dus iets nieuws toevoegt aan ons recht.30 Wanneer een rechter in feitelijke instantie uitleg geeft aan een wettelijke bepaling, zou daarom gesproken kunnen worden van rechtsvorming of rechtsontwikkeling. Davids merkte op:
“Rechtspreken zonder in voorkomende gevallen een beslissing te geven die kan worden geduid als rechtsontwikkeling, is niet mogelijk. Het aloude artikel 13 Wet Algemene Bepalingen, dat rechtsweigering ‘onder voorwendsel van het stilzwijgen, de duisterheid of de onvolledigheid der wet’ verbiedt, zou anders niet kunnen worden nageleefd.”31
De laatste oud-President van de Hoge Raad Corstens merkte in dit verband op:
“Voor veel rechtsregels geldt echter dat hun precieze betekenis pas echt duidelijk wordt in de rechtspraak. Door de toepassing van die regels in concrete gevallen wordt de exacte inhoud van het recht kenbaar.”32
Het recht wordt dan dus ‘kenbaar’, aldus Corstens (of anders gezegd, het recht wordt zo ‘gevonden’). Maar omdat het recht alleen ‘gevonden’ kan worden door toepassing van (wettelijke) regels in concrete gevallen wordt tegelijkertijd recht ‘gevormd’. Het ‘vinden’ en het ‘vormen’ van het recht gaan dus hand in hand. Ik denk dat de term ‘rechtsvormende rechtsvinding’ hier dan ook goed op zijn plaats is.
Waar het gaat om rechtsvorming in de hiervoor bedoelde strikte zin bestaat mijns inziens weinig discussie in de literatuur. Dat is iets waarmee de rechter zich in beginsel niet bezig dient te houden. Kortmann heeft dat redelijk onomwonden betoogd, maar het is ook op te maken uit de meerderheid van de andere literatuur, waaronder de hiervoor behandelde literatuur afkomstig van (oud-) raadsheren van de Hoge Raad. Ik zeg dat de rechter zich ‘in beginsel’ niet bezig dient te houden met rechtsvorming in strikte zin, omdat er vanzelfsprekend gevallen zijn wanneer de rechter dat wel moet doen. Soms kan de politiek niet of niet tijdig tot oplossingen komen voor lastige kwesties. Dat is bijvoorbeeld het geval bij technische ontwikkelingen waar de wet nog geen rekening mee heeft gehouden, of wanneer nationaal recht in strijd wordt geacht met internationaal recht. Als de rechter dan met een zaak wordt geconfronteerd waarin die kwestie speelt, zal hij een antwoord moeten geven gelet op zijn verplichting ex art. 13 Wet AB.Corstens 2015, p. 63.In dat geval zal de rechter dus in zekere zin aan rechtspolitiek doen.
Daarbij dient de rechter echter nog immer de nodige terughoudendheid te betrachten, zoals blijkt uit de door oud-President van de Hoge Raad Martens in 2000 uiteengezette uitgangspunten die daarbij in acht dienen te worden genomen.33 Ik zal daar nu niet verder op ingaan en wil mij beperken tot de conclusie dat rechtsvorming in strikte zin door de Hoge Raad nog steeds eerder uitzondering dan regel is. In dat verband is het goed om stil te staan bij art. 81 lid 1 Wet RO.