Rb. Midden-Nederland, 05-01-2024, nr. UTR 22/5736
ECLI:NL:RBMNE:2024:140
- Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
- Datum
05-01-2024
- Zaaknummer
UTR 22/5736
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBMNE:2024:140, Uitspraak, Rechtbank Midden-Nederland, 05‑01‑2024; (Eerste aanleg - enkelvoudig, Mondelinge uitspraak, Proces-verbaal)
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2025:3447, Niet ontvankelijk
ECLI:NL:RBMNE:2023:2824, Uitspraak, Rechtbank Midden-Nederland, 15‑06‑2023; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
Verzetvonnis: ECLI:NL:RBMNE:2023:5383
Uitspraak 05‑01‑2024
Inhoudsindicatie
Verzoek om vergoeding en voorschot rechtsbijstandskosten niet-advocaat, mondelinge uitspraak. Er is geen publiekrechtelijke grondslag; de vraag over de rechtmatigheid van het handelen van de gemeente kan aan de civiele rechter worden voorgelegd.
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 22/5736
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 januari 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort, verweerder
(gemachtigden: G.J.N. Keuper en C.R.C. Bosman).
Zitting
De rechtbank heeft het beroep van eiser behandeld op de zitting van 5 januari 2024. Eiser en de gemachtigden van het college waren aanwezig.
Na afloop van de behandeling van de zaak op de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. Daarbij is gewezen op de mogelijkheid om daartegen in hoger beroep te gaan. Dit proces-verbaal is de schriftelijke uitwerking van de uitspraak van de rechtbank.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Beoordeling door de rechtbank
1. Eiser heeft in een brief van 9 augustus 2022 aan het college gevraagd om aan hem een nader overeen te komen vergoeding toe te kennen – waaronder een voorschot van € 2.500,00 – voor de kosten van de rechtsbijstand die hij verleent en nog zal verlenen aan een inwoner van de gemeente Amersfoort. Het college heeft in een brief van 12 september 2022 geantwoord dat er geen juridische grondslag is voor het toekennen dergelijke kosten. Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt. Met het besluit van 7 december 2022 heeft het college dat bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat de brief van 12 september 2022 niet is gebaseerd op een publiekrechtelijke grondslag en er daarom geen bezwaar tegen open staat. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.
2. De rechtbank overweegt dat eiser op de zitting heeft bevestigd dat hij in deze zaak voor zichzelf procedeert en dat hij vindt dat hij zelf recht heeft op een kostenvergoeding, in zijn hoedanigheid van rechtsbijstandverlener. Die insteek wijkt af van de eerdere procedures die eiser voerde namens zijn cliënte, over het verstrekken van bijzondere bijstand voor rechtsbijstandskosten, waarover de Centrale Raad van Beroep voor het laatst op 24 oktober 2023 uitspraak heeft gedaan (ECLI:NL:CRVB:2023:2178).
3. De rechtbank is het met het college eens dat er geen publiekrechtelijke grondslag is voor het verstrekken van een vergoeding aan iemand die rechtsbijstand verleent, als diegene geen advocaat is. Dat is zo duidelijk dat het college daarover geen hoorzitting hoefde te houden. Het college heeft het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard en eiser kan dit geschil inhoudelijk niet aan de bestuursrechter voorleggen. Als hij een oordeel van de rechter wil over de vraag of het college rechtmatig handelt door hem als niet-advocaat een vergoeding te weigeren, dan moet hij de gemeente dagvaarden voor de civiele rechter.
4. Het college hoeft geen griffierecht of proceskosten te vergoeden.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 5 januari 2024 door mr. K. de Meulder, rechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Pruntel, griffier.
de griffier is verhinderd om het
proces-verbaal te ondertekenen
griffier | rechter |
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Uitspraak 15‑06‑2023
Inhoudsindicatie
griffierecht niet betaald - beroep niet-ontvankelijk
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 22/5736
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juni 2023 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [gemeente] .
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van 7 december 2022.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is omdat het griffierecht niet is betaald en het niet betalen niet verontschuldigbaar is. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Toetsingskader
3. Iemand die beroep instelt, moet griffierecht betalen. Dit staat in artikel 8:41 van de Awb. In een zaak als deze is het griffierecht € 50,-. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Het hele bedrag moet binnen die termijn zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dan zijn betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig is betaald, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is. Dat betekent dat er een ‘goede’ reden moet zijn waarom het griffierecht niet (tijdig) is betaald.
Heeft eiser het griffierecht tijdig betaald?
4. Eiser heeft bij brief van 14 december 2022 verzocht om vrijstelling van het griffierecht. Bij brief van 23 december 2022 heeft hij dit op verzoek van de rechtbank onderbouwd met zijn meest recente inkomensgegevens. Bij brief van 19 januari 2022 heeft de rechtbank het verzoek om vrijstelling van het griffierecht afgewezen. Abusievelijk stond in de brief vermeld dat eiser zijn verzoek om vrijstelling niet had onderbouwd. Na hier door eiser op te zijn gewezen, heeft de rechtbank op 24 januari 2023 een nieuwe brief gestuurd, waarin staat dat het verzoek is afgewezen omdat eiser niet aan de criteria voor betalingsonmacht voldoet. De griffier heeft bij aangetekend verzonden brief van 20 januari 2023 eiser in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen vier weken na dagtekening van die brief. Omdat eiser binnen die termijn niet had betaald, is hem op 18 februari 2023 aangetekend een herinnering verstuurd. Eiser heeft het griffierecht toen weer niet betaald. Er is geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken. De rechtbank ziet in de klacht die eiser heeft ingediend geen reden om eiser nogmaals in de gelegenheid te stellen het griffierecht te betalen. Eiser heeft tweemaal bericht ontvangen dat hij het griffierecht moet betalen. Hier heeft hij na het afhandelen van de klacht voldoende de tijd voor gehad. Er is ook geen andere reden voor dit verzuim gebleken.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Nicholson, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Ruizendaal-van der Veen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2023.
De rechter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.
griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.