HR, 17-10-2025, nr. 22/03633
22/03633
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
17-10-2025
- Zaaknummer
22/03633
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1571, Uitspraak, Hoge Raad, 17‑10‑2025; (Cassatie)
Beroepschrift, Hoge Raad, 17‑10‑2025
Beroepschrift, Hoge Raad, 17‑10‑2025
- Vindplaatsen
CFN 2025/94 met annotatie van -
NDFR Nieuws 2025/1621
Sdu Nieuws Belastingzaken 2025/1135
NTFR 2025/1689 met annotatie van L.J.V. Wall LLM MSc
V-N 2025/46.21 met annotatie van Redactie
NLF 2025/2244 met annotatie van Julian Lopez Ramirez
BNB 2026/9 met annotatie van E.B. Pechler
Uitspraak 17‑10‑2025
Inhoudsindicatie
Artikel 11, lid 4, van de Algemene landsverordening belastingen. Aanslagtermijn. Blijft de voorlopige aanslag gehandhaafd als de definitieve aanslag is vernietigd? Noodzaak tot instellen hoger beroep.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 22/03633
Datum 17 oktober 2025
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
de MINISTER VAN FINANCIËN EN CULTUUR VAN ARUBA (hierna: de Minister)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 3 juni 2022, nr. AUA2021H000061., op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (nr. AUA201904477) betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 2010.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door R. Tromp, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.
De Minister, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft ook incidenteel beroep in cassatie ingesteld.
Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft schriftelijk zijn zienswijze over het incidentele beroep naar voren gebracht.
De Minister heeft in het incidentele beroep een conclusie van repliek ingediend.
2. Uitgangspunten in cassatie
2.1
Aan belanghebbende is voor het jaar 2010 een voorlopige aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd. De Raad van Beroep voor Belastingzaken (hierna: de Raad van Beroep) heeft die aanslag bij zijn onherroepelijk vaststaande uitspraak van 24 maart 2014, ECLI:NL:ORBBACM:2014:1, verminderd tot een voorlopige aanslag naar een belastbaar inkomen van Afl. 14.033.250, belast naar een tarief van 25 procent.
2.2
Aan belanghebbende is voor het jaar 2010 met dagtekening 20 december 2016 een definitieve aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd in overeenstemming met de uitspraak van de Raad van Beroep, dus eveneens naar een belastbaar inkomen van Afl. 14.033.250, belast naar een tarief van 25 procent. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen deze aanslag en vervolgens beroep ingesteld.
2.3
Voor het Gerecht in eerste aanleg (hierna: het Gerecht) betoogde belanghebbende onder meer dat de definitieve aanslag vanwege overschrijding van de aanslagtermijn moet worden vernietigd. Die vernietiging brengt volgens hem mee dat ook de voorlopige aanslag dient te worden vernietigd.
2.4
Het Gerecht heeft geoordeeld dat de definitieve aanslag niet is vastgesteld binnen de voorgeschreven termijn, die vijf jaar bedraagt, zodat deze aanslag dient te worden vernietigd.
2.5
Het heeft verder geoordeeld dat de vernietiging van de definitieve aanslag niet zonder meer meebrengt dat de (verminderde) voorlopige aanslag behoort te worden vernietigd. De voorlopige aanslag blijft gehandhaafd voor zover deze niet hoger is dan de materiële belastingschuld, aldus het Gerecht.
2.6
Op grond van zijn oordeel over de omvang van de materiële belastingschuld heeft het Gerecht de voorlopige aanslag gehandhaafd, zoals deze luidde na vermindering door de Raad van Beroep.
3. De oordelen van het Hof
3.1
Belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van het Gerecht. Ook in hoger beroep voerde hij aan dat de definitieve aanslag niet tijdig is opgelegd en de voorlopige aanslag en de definitieve aanslag daarom dienen te worden vernietigd.
3.2
De Inspecteur heeft geen (incidenteel) hoger beroep ingesteld. Hij concludeert in zijn verweerschrift in hoger beroep tot handhaving van de voorlopige aanslag en tot bevestiging van de uitspraak van het Gerecht.
3.3
Het Hof heeft in de eerste plaats onderzocht binnen welke termijn de Inspecteur de definitieve aanslag diende op te leggen. Met het Gerecht is het Hof van oordeel dat de definitieve aanslag niet is vastgesteld binnen de voorgeschreven termijn van vijf jaar, zodat deze moet worden vernietigd.
3.4
Wat betreft het lot van de voorlopige aanslag heeft het Hof overwogen dat de materiële belastingschuld, in afwijking van het Nederlandse systeem, op grond van artikel 11, lid 4, van de Algemene landsverordening belastingen van Aruba (hierna: de ALB) zowel kan zijn belichaamd in de voorlopige aanslag als in de definitieve aanslag. Daarom brengt vernietiging van de definitieve aanslag naar het oordeel van het Hof niet mee dat de voorlopige aanslag eveneens dient te worden vernietigd. De voorlopige aanslag blijft gehandhaafd indien en voor zover deze niet hoger is dan de materiële belastingschuld, aldus het Hof.
3.5
Ook het Hof heeft daarom de hoogte van de materiële belastingschuld beoordeeld, en heeft op basis daarvan de uitspraak van het Gerecht bevestigd.
4. Beoordeling van het middel in het incidentele beroep
4.1
Het middel richt zich tegen het hiervoor in 3.3 vermelde oordeel van het Hof dat de definitieve aanslag niet is vastgesteld binnen de voorgeschreven termijn van vijf jaar. Het middel betoogt dat de aanslagtermijn in dit geval tien jaar dient te zijn in plaats van vijf jaar, en dat de definitieve aanslag daarom rechtsgeldig is.
4.2
Gelet op de hiervoor in 3.1 en 3.2 beschreven gang van zaken, bestond in hoger beroep geen geschil over het oordeel van het Gerecht dat de definitieve aanslag moet worden vernietigd omdat de aanslagtermijn in dit geval vijf jaar bedraagt, en ten tijde van het opleggen van de definitieve aanslag was overschreden. Zelfs indien de aanslagtermijn in dit geval tien jaar zou zijn, zoals het middel betoogt, lieten de grenzen van het geschil in hoger beroep het Hof daarom geen ruimte om de uitspraak van het Gerecht op die grond te vernietigen. Ook indien de klachten van het middel terecht zouden zijn voorgesteld, kunnen zij daardoor niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van het Hof. Het middel faalt daarom bij gebrek aan belang.
5. Beoordeling van het middel in het principale beroep
5.1
Hetgeen hiervoor in 4.2 is overwogen, brengt mee dat in cassatie ervan moet worden uitgegaan dat de aanslagtermijn in dit geval is overschreden. Daarom komt de Hoge Raad toe aan behandeling van het principale beroep in cassatie, dat de gevolgen van een overschrijding van de aanslagtermijn aan de orde stelt.
5.2
Het middel richt zich tegen het hiervoor in 3.4 bedoelde oordeel van het Hof dat de voorlopige aanslag na de vernietiging van de definitieve aanslag blijft gehandhaafd indien en voor zover deze niet hoger is dan de materiële belastingschuld. Het oordeel dat de voorlopige aanslag niet hoger is dan de materiële belastingschuld is in cassatie niet bestreden.
5.3
Het middel faalt, aangezien het hiervoor in 3.4 bedoelde oordeel van het Hof juist is. Anders dan volgens belanghebbende zou kunnen worden afgeleid uit het arrest van de Hoge Raad van 23 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1130, rechtsoverweging 2.4.2, kan de gedachtegang van het arrest van de Hoge Raad van 16 oktober 1991, ECLI:NL:HR:1991:BH7959, niet worden gevolgd als het gaat om voorlopige aanslagen als bedoeld in artikel 11, lid 4, van de ALB. Het bestreden oordeel is in overeenstemming met de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat tot de ALB heeft geleid. Daarin staat namelijk: “Blijft (…) de definitieve aanslag door een fout uit of moet deze wegens termijnoverschrijding worden vernietigd, dan blijft de voorlopige aanslag gehandhaafd, voor zover hij niet hoger is dan de materiële belastingschuld.”2.
6. Proceskosten
Wat betreft het principale beroep in cassatie ziet de Hoge Raad geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.Wat betreft het incidentele beroep in cassatie zal de Minister worden veroordeeld tot vergoeding van de kosten die belanghebbende voor het geding in cassatie heeft moeten maken.
7. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart zowel het principale beroep in cassatie van belanghebbende als het incidentele beroep in cassatie van de Minister van Financiën en Cultuur van Aruba ongegrond, en
- veroordeelt de Minister van Financiën en Cultuur van Aruba in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 1.814 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.A.J. Lafleur, en in het openbaar uitgesproken op 17 oktober 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 17‑10‑2025
Memorie van Toelichting, Staten van Aruba, 2003-2004-495, blz. 24.
Beroepschrift 17‑10‑2025
Onderwerp
Motivering beroep in cassatie tegen de uitspraak d.d. 3 juni 2022 op het
hoger beroep (AUA2021H00006) tegen de uitspraak van het Gerecht in
eerste aanleg van Aruba d.d. 5 november 2020 in de zaak BBZ nr.
AUA201904477 in het geding tussen [X] en de Inspecteur de belastingen
Edelhoogachtbare heer/vrouwe,
Namens belanghebbende, [X], persoonsnummer […], doen wij u hierbij toekomen de nadere motivering van het op 29 juli 2022 ingediende beroep in cassatie tegen de Hof uitspraak gedateerd 3 juni 2022 van het Gemeenschappelijke Hof van Justie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba met kenmerk AUA2021H00006, op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba gedateerd 5 november 2020 in de zaak BBZ nr. AUA201904477.
Geschil in cassatie
Het geschil is of de door de Inspecteur opgelegde voorlopige aanslag inkomstenbelasting 2010 ten name van belanghebbende in stand kan blijven, na vernietiging van de definitieve aanslag inkomstenbelasting welke aanslag niet binnen de daartoe wettelijk gestelde termijn is opgelegd.
Grieven
Belanghebbende stelt zich in op het standpunt dat de voorlopige aanslag inkomstenbelasting niet in stand kan blijven na vernietiging van de definitieve aanslag inkomstenbelasting.
Het Hof is evenals het Gerecht van oordeel dat ondanks het feit dat de definitieve aanslag buiten termijn is opgelegd en daarom vernietigd wordt, de voorlopige aanslag in stand dient te blijven.
Het oordeel van het Hof in rechtsoverwegingen 5.11 en 5.12 is onzes inziens onjuist.
Ter onderbouwing van belanghebbendes standpunt dat de voorlopige aanslag vernietigd dient te worden, verwijzen wij naar de motivering van dit standpunt in de beroepsprocedure en hoger beroepsprocedure. De schriftelijke stukken ingediend door belanghebbende in de voorgaande procedures, welke de onderbouwing van dit standpunt bevatten, vormen een integraal onderdeel van het beroep in cassatie.
Ter nadere motivering dient het volgende.
Wettelijk kader
Ingevolge artikel 11 Algemene landsverordening belastingen (hierna: ‘ALB’) kan een voorlopige
aanslag worden opgelegd ‘… tot het bedrag waarop de aanslag vermoedelijk zal worden vastgesteld.’ Dit bevestigd het gebruik en de inhoud van het woord ‘voorlopig’: het bedrag van de aanslag dient nog definitief te worden vastgesteld door de Inspecteur.
Voor het opleggen van de definitieve aanslag is de Inspecteur aan een termijn gebonden. Daarna is de Inspecteur niet meer bevoegd deze definitief vast te stellen.
Het strookt immers niet met het heffingssysteem van een aanslagbelasting, indien instructies bestemd voor de invordering (verrekening of buiten invordering laten), worden gehanteerd om te bepalen of de Inspecteur de inkomstenbelasting volgens de voor haar geldende regels formeel correct heeft geheven.
Immers, de Inspecteur zou dan voorlopige aanslagen (in afwijking van de aangifte kunnen opleggen), zonder een definitieve aanslag op te leggen, ter verzekering van de invordering van (een deel) van de geheven belasting. Hiermee zou het in de wet verankerde heffingssysteem voor de definitieve aanslag, teniet worden gedaan.
Het destijds door de Raad van Beroep voor belastingzaken ingenomen standpunt dat de voorlopige aanslag winstbelasting, die conform de aangifte is opgelegd, zelfstandig kan blijven voortbestaan, delen wij niet. Nog minder kunnen wij ons vinden in de zienswijze om een in afwijking van de aangifte opgelegde voorlopige aanslag in stand te houden.
Ons standpunt wordt tevens bevestigd in eerdere uitspraken van uw Raad — in het bijzonder uw uitspraak d.d. 23 juni 2017 r.o. 2.4.2 — waarin u heeft geoordeeld over de verhouding tussen de voorlopige aanslag en de definitieve aanslag: de voorlopige aanslag kan niet in stand blijven na vernietiging van de definitieve aanslag.
Conclusie
Uw Raad wordt verzocht om het cassatieberoep gegrond te verklaren en de uitspraak van het Hof te vernietigen, alsmede de voorlopige aanslag inkomstenbelasting 2010 te vernietigen.
Hoogachtend
Beroepschrift 17‑10‑2025
Uit het verweerschrift van de Minister van Financiën en Cultuur van Aruba, waarin opgenomen een incidenteel beroep in cassatie:
Datum: Donderdag 12 januari 2023
Onderwerp: Vertoogschrift, inzake [X], Inkomstenbelasting (Aruba) 2010,
zaaknummer 22/03633
Vertoogschrift
Naar aanleiding van het beroepschrift in cassatie ingesteld door [X] (hierna eiser), tegen de uitspraak, van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, gedateerd 3 juni 2022, met kenmerk AUA2021H00006.
Reactie inspecteur
De inspecteur zal hieronder kort ingaan op de grieven van eiser, niet alle grieven afzonderlijk, aangezien de beoordeling van de feiten reeds is besproken, zowel in de bezwaarfase, tijdens de hoorzitting op 15 oktober 2020 als tijdens de behandeling van de zaak in het hoger beroep van 18 januari 2022. Derhalve kunnen naar het oordeel van de inspecteur in cassatie geen nieuwe feiten en omstandigheden worden aangevoerd.
Cassatiemiddel: het hof oordeelt dat de vernietiging van de definitieve aanslag niet meebrengt dat ook de voorlopige aanslag moet worden vernietigd. Eiser stelt zich op het standpunt dat de voorlopige aanslag moet worden vernietigd, verwezen wordt naar de onderbouwing van dit standpunt in beroep en hoger beroep en de nadere onderbouwing, voor dit laatste verwijs ik naar het cassatieberoep van eiser.
Alvorens op het aangevoerde cassatiemiddel in te gaan, wenst de Inspecteur hierbij een cassatieberoep in te stellen.
Incidenteel beroep in cassatie.
In tegenstelling tot wat het Hof heeft geoordeeld in rechtsoverwegingen 5.6 en 5.7 is de Inspecteur van oordeel dat de aanslagtermijn ingevolge art. 10 in casu 10 jaar dient te zijn in plaats van 5 jaar.
Rechtsgeldigheid aanslag/ Aanslagtermijn
Art.10, leden 4 en 5 van de ALB bepalen:
- ‘4.
De bevoegdheid tot het vaststellen van de aanslag vervalt door verloop van tien jaar na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan.
- 5.
Indien overeenkomstig deze landsverordening of belastingverordening aangifte is gedaan, vervalt de bevoegdheid tot het vaststellen van de aanslag door verloop van vijf jaar na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan.’
In het onderhavige geval is de inspecteur het met het Hof eens (r.o. 5.6) dat geen aangifte is gedaan overeenkomstig het ALB. Het is niet voldoende dat aangifte wordt gedaan; van belang is dat de aangifte wordt gedaan met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 6, 7 en 9 van het ALB.
In het onderhavige geval is hieraan niet voldaan, zodat de aangifte niet overeenkomstig deze landsverordening is gedaan, met als gevolg dat de termijn voor het vaststellen van de aanslag 10 jaar bedraagt vanaf het ontstaan van de belastingschuld.
Artikelen 6, 7 en 9 van de ALB
Ingevolge artikel 6, lid 4 van de ALB is een ieder die uitgenodigd is tot het doen van aangifte, gehouden de in de uitnodiging gevraagde gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud in te vullen, te ondertekenen en, met de daarin gevraagde bescheiden in te leveren bij de Inspecteur.
In artikel 7, lid 1 van de ALB is bepaald dat de aangifte met betrekking tot de aanslagbelastingen binnen een termijn van 2 maanden na het uitnodigen tot het doen van aangifte bij de Inspecteur moet worden gedaan.
Ingevolge het tweede lid van artikel 7 van de ALB, maant de Inspecteur, na verloop van de in het eerste lid bedoelde termijn, de belastingplichtige aan binnen een door hem te stellen termijn van ten minste 5 werkdagen aangifte te doen, tenzij hij betrokkene uitstel voor het doen van aangifte heeft verleend.
In artikel 9 van de ALB staat bepaald:
- 1.
De Inspecteur kan onder door hem te stellen voorwaarden uitstel verlenen voor het indienen van het aangiftebiljet en kan daarbij voorwaarden stellen, die kunnen inhouden dat vóór een door hem te bepalen datum op een daartoe bestemd biljet gegevens voor het opleggen van een voorlopige aanslag worden verstrekt. Uitstel wordt maximaal verleend voor een periode van twaalf maanden.
- 2.
Indien voor het doen van aangifte uitstel is verleend, wordt elke termijn die met de aangifte of het opleggen van een aanslag verband houdt, met de duur van het verleende uitstel verlengd.
In het onderhavige geval heeft de eiser niet voldaan aan de bepalingen van artikel 6, lid 4, van de ALB, aangezien hij een nihil-aangifte heeft ingediend. De vereiste aangifte is niet ingediend indien (i) helemaal geen aangifte is ingediend (quad -non), of (ii) een aangifteformulier is ingediend dat zo onvolledig is dat niet kan worden gezegd dat de vereiste aangifte is ingediend.
In het onderhavige geval heeft eiser verzuimd aan te geven dat de aandelen [A] waren verkocht, heeft hij nihil aangifte gedaan, zodat wel aangifte is gedaan maar niet in overeenstemming met het bepaalde in artikel 6 ALB.
In het onderhavige geval is aan eiser voor het doen van de aangifte IB 2010 negen maanden uitstel verleend, tot 3 september 2012. Eiser heeft buiten de termijn, op 22 juni 2013 aangifte gedaan. Eiser heeft niet aan de aangifteverplichting van artikelen 7, lid 1 van de ALB juncto artikel 9 van de ALB voldaan.
- —
Het aangiftebiljet is afgegeven op 3 oktober 2011.
- —
Volgens zijn belastingaangifte was de vervaldatum 5 december 2011.
- —
Eiser kreeg uitstel voor het doen van aangifte tot 03.09.2012, dus 9 maanden uitstel.
- —
De aangifte is ingediend op 22 juli 2013.
Er is immers geen aangifte gedaan binnen de wettelijke termijn van artikel 7 juncto artikel 9 van de ALB. Derhalve is naar het oordeel van de Inspecteur, in tegenstelling van het Hof, sprake van het niet overeenkomstig de ALB doen van aangifte.
De aanmaning zoals artikel 7, tweede lid ALB gebiedt is niet aan de orde ingeval uitstel voor het doen van aangifte wordt verleend.
De Inspecteur is van mening dat de uitleg die het Hof hieraan geeft (r.o. 5.6 en 5.7) geen recht doet aan de zinsnede ‘tenzij hij de betrokkene uitstel heeft verleend voor het doen van aangifte’.
Zodra uitstel is verleend op grond van artikel 9, lid 1, van de ALB, is de belastingplichtige derhalve ook verplicht zich daaraan te houden. In dit geval is daaraan niet voldaan.
De inspecteur is derhalve van mening dat geen aangifte is gedaan overeenkomstig deze landsverordening, zodat de bevoegdheid tot vaststelling van de aanslag vervalt met het verstrijken van tien jaar na het ontstaan van de belastingschuld.
In het onderhavige geval heeft de inspecteur eiser negen maanden uitstel verleend voor het indienen van de aangifte inkomstenbelasting 2010. Dit brengt mee dat de termijn waarbinnen de aanslag kan worden vastgesteld ook met negen maanden wordt verlengd, tot eind september 2021. De definitieve aanslag inkomstenbelasting 2010 is dus op 20 december 2016 binnen de gestelde termijn opgelegd en is rechtsgeldig.
Beschouwing inspecteur
De voorlopige aanslag
Artikel 11 ALB geeft de Inspecteur de bevoegdheid een voorlopige aanslag op te leggen. De voorlopige aanslag heeft op basis van de Arubaanse wetgeving zelfstandige rechtskracht in Aruba. Het is een afzonderlijke beschikking, die samen met de definitieve aanslag ertoe strekken, elk voor een gedeelte, de materiele belastingschuld rijp te maken voor de invordering.
Rechtsmiddelen
Tegen een voorlopige aanslag kan in beginsel op dezelfde wijze in bezwaar of beroep worden gekomen als tegen elke andere belastingaanslag. In Art. 17 ALB staat geregeld ‘belastingaanslag’ en daar valt de voorlopige aanslag ook onder.
Wet
Art. 11 ALB Voorlopige aanslag
In artikel 11 ALB is bepaald dat van de definitieve aanslag buiten invordering blijft een bedrag gelijk aan dat van de voorlopige aanslag. Is de definitieve aanslag lager dan de voorlopige aanslag dan blijft hij geheel buiten invordering en wordt de voorlopige aanslag verminderd met het verschil.
Lid 4:
‘Van de aanslag blijft een bedrag buiten invordering, gelijk aan dat van de voorlopige aanslag of de voorheffingen. Is de aanslag lager dan de voorlopige aanslag of de voorheffingen, dan blijft hij geheel buiten invordering en wordt de voorlopige aanslag verminderd met het verschil of vindt restitutie plaats van hetgeen te veel is ingehouden. Restitutie …Afl. 25,-.’
Wetsgeschiedenis (MvT ALB, blz 23–24).
Indien een voorlopige aanslag is opgelegd, dan zal deze met de definitieve aanslag worden verrekend, slechts het saldo van de definitieve aanslag zal worden ingevorderd naast de voorlopige aanslag zelf. Dat betekent dat er twee afzonderlijke beschikkingen zullen zijn, die tezamen ertoe strekken, elk voor een gedeelte, de materiele belastingschuld rijp te maken voor invordering. Daarmee strookt dat voor het geval de definitieve aanslag lager zou uitkomen dan de voorlopige aanslag, enerzijds de, definitieve aanslag geheel buiten invordering blijft en anderzijds de voorlopige aanslag met het verschil wordt verminderd. Zou er bij de regeling geen materiele belastingschuld zijn (quad-non) en op die grond de definitieve aanslag uitblijven, dan is het consequent ook de voorlopige aanslag te vernietigen.
Blijft evenwel de definitieve aanslag door een fout uit of moet deze wegens termijnoverschrijding (standpunt eiser) worden vernietigd, dan blijft de voorlopige aanslag gehandhaafd, voor zover hij niet hoger is dan de materiele belastingschuld. Indien de definitieve aanslag gelijk is aan, of lager dan de voorlopige aanslag, dan wordt de belastingplichtige hiervan op de hoogte gesteld. Dit is hetgeen de inspecteur ook heeft gedaan bij brief van 23 september 2016.
Het is in Nederland vaste jurisprudentie dat indien een definitieve aanslag te laat wordt opgelegd, de voorlopige aanslag nietig is aangezien de voorlopige aanslag geen zelfstandige rechtskracht heeft. Op Aruba is dit echter anders, aangezien de wetgeving spreekt over ‘buiten invordering laten’ en niet, zoals in Nederland, over ‘verrekening van een aanslag met de andere.’
Ondanks het feit dat de AWR op veel punten vergelijkbaar is met de ALB, heeft de Arubaanse wetgever er bewust voor gekozen om er met betrekking tot de voorlopige aanslag van af te wijken.
Mocht uw Raad van oordeel zijn dat de definitieve aanslag buiten termijn is opgelegd dan noch is de Inspecteur van mening dat de voorlopige aanslag in stand dient te blijven.
Immers de voorlopige aanslag behoord te worden gehandhaafd voor zover hij niet hoger is dan de materiele belastingschuld. In het onderhavig geval is de wettekst duidelijk.
Zulks strookt ook met de strekking van de Raad in rov 2.2. geformuleerde aanslagtermijn. Deze wil zekerheid brengen dat de fiscus niet na geruime tijd de (materieel) belastingplichtige zal overvallen met betalingsverplichtingen. Die waarborg behoeft de belastingplichtige echter niet voor betalingsverplichtingen waaraan hij al heeft voldaan, althans die hem al tijdig kenbaar waren gemaakt.
‘De Raad is van oordeel dat het uitblijven van een definitieve aanslag wegens de overschrijding van de aanslagtermijn niet meebrengt dat de voorlopige aanslag behoort te worden vernietigd (RvBB, 2 december 2002, nr. 2001/344-345).’
Conclusie
Gelet op de hiervoor genoemde rechtspraak en de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat tot de ALB heeft geleid, brengt de vernietiging van de definitieve aanslag niet automatisch mee dat de voorlopige aanslag moet worden vernietigd.
Eiser verwijst in zijn middel naar de jurisprudentie van de Hoge Raad over het lot van de voorlopige aanslag bij een te laat opgelegde definitieve aanslag. De Inspecteur is het met het Hof eens dat het bepaalde in artikel 11, vierde lid, van het ALB afwijkt van het in Nederland geldende systeem.
De Inspecteur is het met het Hof eens dat in afwijking van het Nederlandse systeem de materiële belastingschuld ingevolge artikel 11, vierde lid, van het ALB dus zowel in de voorlopige aanslag als in de definitieve aanslag kan worden belichaamd.
Van een onjuiste rechtstoepassing is er naar de mening van de Inspecteur geen sprake en ook is het oordeel van de rechters, niet onbegrijpelijk.
Hoogachtend,
De Inspecteur der Belastingen