In afschrift gevoegd bij de brief van 16 juni 2009 van mr Scheltema aan de Hoge Raad.
HR, 09-10-2009, nr. 08/05181
ECLI:NL:HR:2009:BJ7441
- Instantie
Hoge Raad (Civiele kamer)
- Datum
09-10-2009
- Zaaknummer
08/05181
- Conclusie
Mr. Rank-Berenschot
- LJN
BJ7441
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Insolventierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2009:BJ7441, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 09‑10‑2009; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BJ7441
ECLI:NL:PHR:2009:BJ7441, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 04‑09‑2009
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BJ7441
- Wetingang
art. 27 Faillissementswet
- Vindplaatsen
Uitspraak 09‑10‑2009
Inhoudsindicatie
Procesrecht. Faillissement eisers tot cassatie. Schorsing geding ex art. 27 lid 1 F, opgeroepen curatoren niet verschenen. Ontslag van instantie op de voet van art. 27 lid 2 F.
9 oktober 2009
Eerste Kamer
08/05181
DV/MD
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. GROEN INVEST NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Veldhoven,
2. GIN GRONDEXPLOITATIEMAATSCHAPPIJ B.V.,
3. GIN BOMENEXPLOITATIEMAATSCHAPPIJ B.V.,
beide gevestigd te Utrecht,
EISERESSEN tot cassatie, VERWEERSTERS in het incident,
advocaat: mr. R.S. Meijer.
t e g e n
1. ALTERRA B.V.,
gevestigd te Wageningen,
2. [verweerder 2],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDERS in cassatie, EISERS in het incident,
advocaat: mr. M.W. Scheltema.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als Alterra c.s. en GIN c.s., eiseres onder 1 ook als GIN, eiseres onder 2 ook als GIN Grond en eiseres onder 3 ook als GIN Bomen.
1. Het geding in feitelijke instanties
GIN c.s. hebben bij exploot van 26 maart 2007 Alterra c.s. gedagvaard voor de rechtbank Arnhem en onder meer gevorderd Alterra c.s. te veroordelen om aan GIN c.s. te betalen een schadevergoeding op te maken bij staat, zulks op grond van een aan Alterra c.s. verweten onrechtmatige daad.
De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen.
In het door GIN c.s. ingestelde hoger beroep heeft het gerechtshof te Arnhem bij arrest van 26 augustus 2008 de vonnissen waarvan beroep bekrachtigd.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof hebben GIN c.s beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Bij brief van 19 mei 2009 heeft de advocaat van Alterra c.s. aan de Hoge Raad meegedeeld dat bij vonnis van 11 mei 2009 van de rechtbank 's-Hertogenbosch GIN c.s. in staat van faillissement waren verklaard.
Ter zitting van 29 mei 2009 hebben Alterra c.s. op grond van art. 27 lid 1 F. verzocht het geding tegen GIN c.s. te schorsen, teneinde hen de gelegenheid te geven de curatoren tot overneming van het geding op te roepen. Op diezelfde zitting is het geding tegen GIN Grond en GIN Bomen tot dat doel geschorst en is het geding tegen GIN aangehouden voor beraad.
Bij exploten van 9 juni 2009 hebben Alterra c.s. mr. G. te Biesebeek en mr. S.H.F. Hoppenbrouwers in hun hoedanigheid van curatoren in de faillissementen van GIN c.s. opgeroepen om ter rolle van 26 juni 2009 te verschijnen, teneinde
- ter rolle te verklaren of zij in hun hoedanigheid van curatoren in het faillissement van GIN Grond en GIN Bomen de procedure overnemen en
- ter rolle te bevestigen dat GIN eveneens in staat van faillissement is verklaard bij vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 11 mei 2009, alsmede ter rolle te verklaren of zij in hun hoedanigheid van curatoren in het faillissement van GIN de procedure overnemen.
In een aan de advocaat van Alterra c.s. gerichte brief van 15 juni 2009 heeft mr. te Biesebeek mede namens mr. Hoppenbrouwers meegedeeld dat zij, gedagvaard als curatoren van GIN en een tweetal dochtermaatschappijen tegen de zitting van 26 juni 2009, niet in rechte zouden verschijnen. De advocaat van Alterra c.s. heeft deze brief bij brief van 16 juni 2009 aan de Hoge Raad overgelegd.
Op genoemde zitting zijn de curatoren inderdaad niet verschenen.
Alterra c.s. heeft daarop bij incidentele conclusie ontslag van instantie gevorderd op de voet van art. 27 lid 2 F.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.B. Rank-Berenschot strekt tot verlening van ontslag van instantie.
3. Beoordeling van de incidentele vordering tot ontslag van de instantie
Uit het voorgaande blijkt voldoende dat niet alleen GIN Grond en GIN Bomen in staat van faillissement zijn verklaard maar ook GIN. Aangezien de curatoren in deze faillissementen geen gevolg hebben gegeven aan de oproeping tot overneming van het geding, is de vordering van Alterra c.s. tot ontslag van de instantie, waartegen geen verweer is gevoerd, op grond van art. 27 lid 2 F. voor toewijzing vatbaar.
4. Beslissing
De Hoge Raad ontslaat Alterra c.s. van de instantie;
veroordeelt GIN c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot deze uitspraak aan de zijde van Alterra c.s. begroot op €348,38 aan verschotten en € 1.100,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A. Hammerstein, als voorzitter, F.B. Bakels en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.A.M. van Schendel op 9 oktober 2009.
Conclusie 04‑09‑2009
Mr. Rank-Berenschot
Partij(en)
Conclusie ter zake verzoek tot ontslag van instantie ex art. 27 Fw
inzake:
- 1.
Groen Invest Nederland (GIN) B.V.,
- 2.
GIN Grondexploitatiemaatschappij B.V.,
- 3.
GIN Bomenexploitatiemaatschappij B.V.,
eiseressen tot cassatie,
adv. mr R.S. Meijer,
tegen
- 1.
Alterra B.V.,
- 2.
[verweerder 2],
verweerders in cassatie,
adv. mr M.W. Scheltema.
1. Procesverloop
1.1
Bij cassatiedagvaarding van 26 november 2008 zijn eiseressen tot cassatie in cassatie gekomen van een door het hof Arnhem op 26 augustus 2008 uitgesproken arrest waarbij het hof de vonnissen van de rechtbank Arnhem van 24 mei 2006 en 3 januari 2007 heeft bekrachtigd, gewezen tussen thans eiseressen tot cassatie als eiseressen in eerste aanleg en thans verweerders in cassatie als gedaagden. Verweerders hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
1.2
Bij brief van 19 mei 2009 aan de Hoge Raad heeft mr Scheltema laten weten vernomen te hebben dat eiseressen onder 1, 2 en 3 bij vonnis van 11 mei 2009 van de rechtbank 's‑Hertogen-bosch in staat van faillissement zijn verklaard en heeft hij aangekondigd om schorsing op de voet van art. 27 lid 1 Fw te zullen vragen teneinde de curatoren op te roepen tot overneming van het geding.
1.3
Ter rolle van 29 mei 2009 is op verzoek van verweerders in cassatie de procedure tegen eiseressen tot cassatie onder 2 en 3 geschorst op de voet van art. 27 lid 1 Fw. De zaak tegen eiseres onder 1 is aangehouden.
1.4
Bij exploten van 9 juni 2009 hebben verweerders mr G. te Biesebeek en mr S.H.F. Hoppenbrouwers in hun hoedanigheid van curator in het faillissement van eiseressen onder 1, 2 en 3 opgeroepen om te verschijnen ter zitting van 26 juni 2009, teneinde
- (i)
ter rolle te verklaren of zij in hun hoedanigheid van curatoren in het faillissement van eiseressen sub 2 en 3 de procedure ten aanzien van eiseressen sub 2 en 3 overnemen en
- (ii)
ter rolle te bevestigen dat eiseres sub 1 (eveneens) bij vonnis van de rechtbank 's‑Hertogenbosch van 11 mei 2009 in staat van faillissement is verklaard, alsmede — omwille van de proceseconomie — ter rolle te verklaren of zij in hun hoedanigheid van curatoren in het faillissement de cassatieprocedure ten aanzien van eiseres sub 1 overnemen.
1.5
Bij brief van 15 juni 2009 aan mr Scheltema1. heeft mr G. te Biesebeek mede namens mr Hoppenbrouwers laten weten dat zij, gedagvaard als curatoren van eiseres sub 1 en een tweetal dochtermaatschappijen tegen de zitting van 26 juni 2009, niet in rechte zouden verschijnen.
1.6
De curatoren zijn niet ter zitting van 26 juni 2009 verschenen. Mr Scheltema heeft daarop ten aanzien van alle eiseressen ontslag van instantie gevraagd op de voet van art. 27 lid 2 Fw.
2. Beoordeling van het verzoek
Eiseressen onder 1, 2 en 3 zijn bij vonnis van 11 mei 2009 van de rechtbank 's‑Hertogenbosch in staat van faillissement verklaard met benoeming van mr G. te Biesebeek en mr S.H.F. Hoppenbrouwers tot curatoren. De curatoren hebben, opgeroepen tot overneming van het geding ten aanzien van eiseressen onder 1, 2 en 3, aan die oproeping geen gevolg gegeven. Derhalve hebben verweerders het recht ontslag van instantie te vragen als bedoeld in art. 27 lid 2 Fw. Hieraan doet naar mijn mening niet af dat de procedure ten aanzien van eiseres onder 1 niet geschorst is geweest. Van bezwaren tegen toewijzing van het verzoek is niet gebleken.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot verlening van ontslag van instantie.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 04‑09‑2009