Verrekening door de fiscus
Einde inhoudsopgave
Verrekening door de fiscus (O&R nr. 62) 2011/5.5.3:5.5.3 Rechtbank Breda 30 juli 2008 (Verschueren/Ontvanger): verrekening door de ontvanger ondanks diens instemming met een cessie van de vordering op de fiscus
Verrekening door de fiscus (O&R nr. 62) 2011/5.5.3
5.5.3 Rechtbank Breda 30 juli 2008 (Verschueren/Ontvanger): verrekening door de ontvanger ondanks diens instemming met een cessie van de vordering op de fiscus
Documentgegevens:
Mr. A.J. Tekstra, datum 26-04-2011
- Datum
26-04-2011
- Auteur
Mr. A.J. Tekstra
- JCDI
JCDI:ADS610823:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal ondernemingsrecht (V)
Invordering / Verrekening
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In deze zaak komt de toepasselijkheid van artikel 24 lid 5, onderdeel c, Iw 1990 aan de orde. In deze bepaling, die per 1 juli 1998 is ingevoerd,1 staat dat ook na de instemming met een overdracht of verpanding van een vordering op de fiscus, verrekening mogelijk is van belastingaanslagen die een uit te betalen bedrag behelzen met belastingaanslagen die op dezelfde belasting en hetzelfde tijdvak betrekking hebben.
De zaak Verschueren/Ontvanger handelde over het volgende. Op 7 maart 2003 werd door de fiscus een beschikking vastgesteld tot teruggaaf van omzetbelasting aan Kamerverhuur Zundert B.V. over het tijdvak december 2002, voor een bedrag van € 181.597. Die beschikking vermeldde dat dit bedrag na controle alsnog door de inspecteur kon worden gecorrigeerd. Het duurde ongeveer tweeënhalf jaar voordat voldoening door de fiscus plaats vond. Op dat moment (27 september 2005) bleek dat de fiscus een naheffingsaanslag omzetbelasting over hetzelfde tijdvak aan Kamerverhuur Zundert had opgelegd ter hoogte van € 199.612. De ontvanger beriep zich vervolgens op verrekening van de teruggaaf omzetbelasting. De teruggaafvordering op de fiscus was op 5 augustus 2005 door Kamerverhuur Zundert tot een bedrag van € 157.927 gecedeerd aan M.V.G. Verschueren B.V. Deze cessie werd vervolgens aan de ontvanger gemeld. Die ontving de melding op 8 augustus 2005, met het verzoek op de voet van artikel 24 lid 4 Iw 1990 met deze overdracht in te stemmen. De ontvanger weigerde bij brief van 29 september 2005 zijn instemming te verlenen. Hij stelde dat er op naam van Kamerverhuur Zundert een voor verrekening vatbare schuld open stond, die ook invorderbaar was. Verder stelde hij dat instemmen met de cessie kon leiden tot oninbaarheid of onverhaalbaarheid van de schuld waarmee de teruggaaf verrekend had kunnen worden. Deze redenen bleken niet valide, hetgeen door de ontvanger achteraf werd erkend. De ontvanger is verplicht bij beschikking met de overdracht in te stemmen indien op het tijdstip van de mededeling van de akte van overdracht ten name van de belastingschuldige geen voor verrekening vatbare schuld invorderbaar is.@762@ Deze mededeling kwam op 8 augustus 2005 binnen bij de ontvanger. Toen was de naheffingsaanslag over december 2002, waarmee de ontvanger kennelijk wilde verrekenen, nog niet opgelegd en dus niet invorderbaar. De ontvanger deed echter een beroep op artikel 24 lid 5, onderdeel c, Iw 1990. De ontvanger kwam met de redenering dat, ook al had hij met de cessie ingestemd, hij de onderhavige omzetbelastingschuld en -vordering nog steeds had mogen verrekenen via de genoemde bepaling. De rechtbank sluit zich bij deze redenering aan. Dit lijkt mij juist, hoewel de ontvanger in deze zaak wel erg lang heeft getalmd met de teruggaaf. Daardoor was hij feitelijk nog tot verrekening in staat.
In mijn noot bij deze uitspraak in de JOR wees ik er op dat het opvalt dat de wetgever het criterium van artikel 6:130 BW slechts in een beperkte variant in de Iw 1990 heeft opgenomen. Volgens artikel 6:130 BW is de schuldenaar bevoegd, ondanks een overgang onder bijzondere titel van een vordering, een tegenvordering op de oorspronkelijke schuldeiser in verrekening te brengen, mits de tegenvordering uit dezelfde rechtsverhouding als de overgegane vordering voortvloeit of reeds vóór de overgang aan hem is opgekomen en opeisbaar geworden. In artikel 24 lid 5, onderdeel c, Iw 1990 wordt het begrip 'dezelfde rechtsverhouding' in enge zin toegepast, door daar alleen een tegen vordering die op dezelfde belasting en hetzelfde tijdvak betrekking heeft onder te laten vallen. Het is echter goed voorstelbaar dat in de relatie tussen de fiscus en de belastingplichtige al eerder sprake zal zijn van dezelfde rechtsverhouding. Die hoeft zich niet te beperken tot dezelfde belasting en hetzelfde tijdvak, zoals artikel 24 lid 5, onderdeel c, Iw 1990 dat voorschrijft.2