HR, 25-01-2013, nr. 11/05333
ECLI:NL:HR:2013:BY3233
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
25-01-2013
- Zaaknummer
11/05333
- Conclusie
Mr. L. Timmerman
- LJN
BY3233
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Verbintenissenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2013:BY3233, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 25‑01‑2013; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:BY3233
ECLI:NL:PHR:2013:BY3233, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 09‑11‑2012
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:BY3233
- Vindplaatsen
Uitspraak 25‑01‑2013
Inhoudsindicatie
Art. 81 lid 1 RO. Overeenkomst tot overdracht vennootschap, misbruik van omstandigheden, overnamesom.
25 januari 2013
Eerste Kamer
11/05333
EE/LZ
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. J. Groen,
t e g e n
1. ESCURA NEDERLAND B.V.
(voorheen genaamd Farmassure B.V.),
gevestigd te Maarssen,
2. BROCACEF HOLDING N.V.,
gevestigd te Maarssen,
VERWEERSTERS in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en Escura c.s.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 212889/HA ZA 06-1267 van de rechtbank Utrecht van 2 augustus 2006 en 7 maart 2007;
b. het arrest in de zaak 104.004.187 van het gerechtshof te Amsterdam van 23 augustus 2011.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen Escura c.s. is verstek verleend.
De zaak is voor [eiser] toegelicht door zijn advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot verwerping met toepassing van art. 81 RO.
De advocaat van [eiser] heeft bij brieven van 14 november 2012, 20 november 2012 en 18 december 2012 op die conclusie gereageerd. Nu laatstgenoemde reactie meer dan twee weken nadat de conclusie was genomen, en derhalve na het verstrijken van de termijn van art. 44 lid 3 Rv, bij de Hoge Raad is ingekomen, heeft de Hoge Raad deze brief terzijde gelegd.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Escura c.s. begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren C.A. Streefkerk, als voorzitter, C.E. Drion en G. Snijders, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 25 januari 2013.
Conclusie 09‑11‑2012
Mr. L. Timmerman
Partij(en)
11/05333
Mr. L. Timmerman
Zitting 9 november 2012
Conclusie inzake:
[Eiser]
eiser tot cassatie,
(hierna: [eiser])
tegen
- 1.
Escura Nederland B.V. (voorheen genaamd: Farmassure B.V.)
- 2.
Brocacef Holding N.V.
verweersters in cassatie,
(hierna resp: Escura en Brocacef en gezamenlijk: Escura c.s.)
Verkorte conclusie
1
Bij arrest van 23 augustus 2011 heeft het Hof Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem, het eindvonnis van de Rechtbank Utrecht van 7 maart 2007, waarbij de rechtbank in conventie de vorderingen van [eiser] en Apotheek [A] B.V. (hierna: de apotheek) - waarvan [eiser] via zijn vennootschap directeur en enig aandeelhouder is - heeft afgewezen, bekrachtigd.1.
2
's Hofs oordeel komt op het volgende neer. Met de door [eiser] ondertekende brief van 29 september 2003 is een overeenkomst tot stand gekomen tot overdracht van de apotheek aan Escura, omdat die brief alle essentialia voor een overnameovereenkomst bevat (rov. 4.13). Dat een tijdelijke overname van de apotheek is overeengekomen is niet komen vast te staan (rov. 4.13). Evenmin is komen vast te staan dat Escura misbruik van omstandigheden zou hebben gemaakt of dat bij totstandkoming van de overeenkomst is gedwaald (rov. 4.14-4.19). Ten slotte ziet het hof geen aanleiding om de overnamesom aan te passen of schadevergoeding toe te wijzen (rov. 4.20).
3
Tegen het arrest heeft [eiser] tijdig2. beroep in cassatie ingesteld. Escura c.s. zijn niet verschenen en tegen hen is verstek verleend. [Eiser] heeft zijn standpunt nog schriftelijk doen toelichten.
4
Het tegen het arrest aangevoerde middel bestaat uit drie onderdelen en komt enkel op tegen 's hofs oordeel dat geen sprake is van misbruik van omstandigheden door Escura (rov. 4.17). Kennelijk wordt ook geklaagd over rov. 4.20 van 's hofs arrest, waar het hof o.m. verwijst naar de aangevallen rov. 4.17 voor zover daar is overwogen dat niet kan worden aangenomen dat de overnamesom niet marktconform is.
5
's Hofs oordeel in de aangevallen rov. 4.17 komt er op neer dat [eiser] en de apotheek onvoldoende feiten en omstandigheden hebben aangevoerd waaruit volgt dat van misbruik van omstandigheden bij het aangaan van de overeenkomst sprake is. Zo is volgens het hof niet gebleken dat (i) Escura op de hoogte was van het feit dat [eiser] zich in september 2003 in een abnormale geestestoestand bevond, (ii) het voor zakelijke relaties als [betrokkene 1] en [betrokkene 2] bij de ontmoetingen met [eiser] kenbaar was of had moeten zijn dat [eiser] zich in een abnormale geestestoestand bevond, zo die nog aanwezig was in september 2003, (iii) Escura reden had om te twijfelen aan het mandaat van zijn advocaat mr. Geerts of de instemming van [eiser] met de overeenkomst neergelegd in de door [eiser] ondertekende brief van 29 september 2003 en (iv) de overeenkomst in de gegeven omstandigheden niet reëel en/of nadelig was voor de apotheek.
6
In de onderdelen wordt gewezen op omstandigheden die het bovenstaande anders zouden maken. Zo zou uit de overgelegde bewijsstukken volgen dat [eiser] in de periode 2003-2005 onvoldoende in staat is zijn geweest de consequenties van zijn besluiten te overzien (onderdeel 1), zouden de wederpartijen op de hoogte zijn van de ziekte van [eiser] (onderdeel 2) en is de verkoop zowel voor de apotheek als voor [eiser] uiterst nadelig geweest (onderdeel 3). Het cassatiemiddel verzuimt echter aan te geven waar in de gedingstukken deze omstandigheden zijn aangevoerd, zodat het niet voldoet aan de eisen die aan een cassatiemiddel gesteld worden.
7
Overigens zie ik niet in dat de in het cassatiemiddel aangevoerde omstandigheden 's hofs oordeel, dat van misbruik van omstandigheden geen sprake is, anders maken. De uitgebreide motivering zoals door het hof gegeven is m.i. meer dan voldoende om dat oordeel te kunnen dragen.
8
Ik concludeer tot verwerping met toepassing van art. 81 RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 09‑11‑2012
De cassatiedagvaarding is op 22 november 2011 uitgebracht.