Einde inhoudsopgave
Besluit activiteiten leefomgeving - Nota van toelichting
§ 4.94 Opslaan van diesel, oxiderende, bijtende of aquatoxische vloeistoffen of oliën, vetten of pekel in bovengrondse opslagtanks
Geldend
Geldend vanaf 31-08-2018
- Bronpublicatie:
03-07-2018, Stb. 2018, 293 (uitgifte: 31-08-2018, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Inwerkingtreding
31-08-2018
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
03-07-2018, Stb. 2018, 293 (uitgifte: 31-08-2018, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Vakgebied(en)
Omgevingsrecht / Algemeen
Omgevingsrecht / Omgevingswet
Artikel 4.926 (toepassingsbereik)
Dit artikel regelt dat het opslaan van gasolie, diesel of huisbrandolie met een vlampunt van 55 °C of hoger, oxiderende, bijtende of aquatoxische vloeistoffen of oliën, vetten of pekel in bovengrondse opslagtanks onder het toepassingsbereik van deze paragraaf valt. Het gaat hier om stoffen die wel gevolgen kunnen hebben voor de bodemkwaliteit maar die beperkte externe veiligheidsrisico's opleveren volgens onderzoek van het RIVM.
Uit bijlage I volgt dat een bovengrondse opslagtank een opslagtank is die niet geheel in de bodem of in een terp ligt. Opslagtank is in bijlage I omschreven als een opslagvoorziening voor vloeistoffen met uitzondering van een tankcontainer, verpakking en ladingtank van een bunkerstation.
Onder de activiteit opslaan in een opslagtank vallen ook de daarbij behorende activiteiten, zoals het vullen of legen van de opslagtank met een tankwagen. Ook valt hier onder het opslaan voor korte tijd en in afwachting van aansluitend vervoer.
Op grond van artikel 3.26 is deze paragraaf alleen van toepassing als de opslagtank een inhoud heeft van ten hoogste 150 m3. Opslagtanks met een grotere inhoud zijn op grond van artikel 3.25 vergunningplichtig. Op opslagtanks met een inhoud van ten hoogste 250 liter is deze paragraaf niet van toepassing. Dat volgt uit artikel 3.24 van dit besluit.
Op het opslaan van gasolie, diesel of huisbrandolie met een vlampunt van 55 °C of hoger, oxiderende, bijtende of aquatoxische vloeistoffen of oliën, vetten of pekel in tankcontainers of verpakkingen die als opslagtank worden gebruikt is paragraaf 4.95 van toepassing. Het opslaan van diesel in bunkerstations is geregeld in paragraaf 4.41.
Tanks die ingebouwd zijn in een installatie vallen niet onder het toepassingsgebied van deze paragraaf. Dergelijke (proces)tanks worden namelijk niet gebruikt voor het opslaan van vloeistoffen.
Artikel 4.927 (melding) [artikel 4.3 in samenhang met artikel 4.4, eerste lid, van de wet]
Artikel 4.927 regelt dat geen gasolie, diesel of huisbrandolie met een vlampunt van 55 °C of hoger, oxiderende, bijtende of aquatoxische vloeistoffen of oliën, vetten of pekel in een bovengrondse opslagtank mogen worden opgeslagen voordat een melding aan het bevoegd gezag is gedaan. Zie over het instrument melding paragraaf 3.5 van het algemeen deel van deze nota van toelichting.
Bij deze melding worden de algemene gegevens en bescheiden uit artikel 2.17 en de aanvullende gegevens in het tweede lid gevoegd.
In het derde lid is geregeld dat de meldingsplicht ook geldt als de activiteit op een andere manier wordt verricht dan in overeenstemming met de gegevens die bij de melding zijn gevoegd. Met deze verplichting wordt bereikt, dat gegevens die het bevoegd gezag heeft actueel blijven, het bevoegd gezag voorafgaand aan de wijziging op de hoogte is en zo nodig actie kan ondernemen.
Uit het vierde lid volgt dat niet hoeft te worden gemeld als de activiteit vergunningplichtig is. Het bevoegd gezag beschikt dan door de aanvraag van de omgevingsvergunning al over de relevante informatie.
Artikel 4.928 (aanwijzing modules: eindonderzoek bodem en bodembeschermende voorzieningen)
Tijdens het verrichten van een activiteit moet bodemverontreiniging zoveel mogelijk worden voorkomen. Bodemverontreiniging wordt voorkomen door de activiteit te verrichten boven een bodembeschermende voorziening en in aanvulling daarop maatregelen te nemen. Regels voor het bijhouden van keuringen, controles en onderhoud aan deze bodembeschermende voorzieningen en het bewaren van gegevens staan in de module bodembeschermende voorzieningen.
Degene die een activiteit heeft verricht moet na het verrichten van de activiteit een bodemonderzoek (laten) verrichten om te kijken of er sprake is van bodemverontreiniging. Als dat het geval is, zal diegene de bodemkwaliteit moeten (laten) herstellen.
Artikel 4.929 (bodem: installatiecertificaat)
Op grond van het eerste lid moeten een bovengrondse opslagtank en de daarop aangesloten leidingen worden geïnstalleerd, onderhouden en gerepareerd door een onderneming die daarvoor is gecertificeerd volgens BRL-K903.
De verplichting geldt alleen als op de bovengrondse opslagtank ondergrondse leidingen zijn aangesloten. Ondergrondse leidingen zijn namelijk niet zichtbaar waardoor het risico bestaat dat bij ondeskundige installatie bodemverontreiniging ontstaat die pas in een heel laat stadium wordt ontdekt. Deze verplichting is dan ook gesteld met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem. Voor de stoffen die vallen onder het toepassingsbereik van deze paragraaf is het, anders dan in paragraaf 4.93, niet nodig om met het oog op de veiligheid gecertificeerde installatie en onderhoud verplicht te stellen.
Het certificaat voor een bovengrondse opslagtank met ondergrondse leidingen moet zijn verstrekt door een certificatie-instantie met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17065 voor de BRL-K903.
De BRL-K903 is de beoordelingsrichtlijn voor het procescertificaat voor de Regeling Erkenning Installateurs tankinstallaties (REIT). Deze beoordelingsrichtlijn, die is uitgegeven door Kiwa, stelt eisen aan het installeren en onderhouden van tankinstallaties.
Op grond van het tweede lid moet een installatiecertificaat aanwezig zijn. Een bovengrondse opslagtank mag daardoor niet eerder in gebruik worden genomen dan dat een installatiecertificaat is afgegeven op grond van BRL-K903. Alleen ondernemingen (tankinstallateurs) die zijn gecertificeerd voor deze BRL mogen een installatiecertificaat afgeven. Als een installatie voorzien is van een installatiecertificaat mag ervan uit worden gegaan dat de installatie voldoet aan BRL-K903.
Artikel 4.930 (bodem: bodembeschermende voorziening en lekdetectie)
De bovengrondse opslagtank moet boven of in een lekbak zijn geplaatst of dubbelwandig zijn uitgevoerd met lekdetectie in de wand. Als een dubbelwandige opslagtank met lekdetectie aanwezig is, moet de lekdetectie zijn aangelegd door een gecertificeerde onderneming. Daarnaast moet de lekdetectie periodiek worden gecontroleerd. Een lekdetectiepotsysteem kan de ondernemer zelf controleren. Dat moet ten minste eenmaal per maand worden gedaan. Van de uitgevoerde controles moet ten minste eenmaal per jaar een aantekening worden gemaakt in het logboek. Als de dubbelwandige opslagtank is uitgevoerd met een elektronisch lekdetectiesysteem dan moet dat systeem jaarlijks worden gecontroleerd door een onderneming met een certificaat voor BRL-K903. Dat certificaat moet zijn afgegeven door een certificatie-instantie die daarvoor is geaccrediteerd.
Artikel 4.931 (bodem: aansluitpunt vulleiding of leegzuigleiding)
Dit artikel bepaalt dat het aansluitpunt van een vul- of leegzuigleiding zich moet bevinden boven een vloeistofdichte bodemvoorziening of boven of in een vulpuntmorsbak. Bij het vullen en legen bestaat immers het risico dat wordt gemorst of dat vloeistof uitstroomt naar de bodem. In het eerste lid, onder b, is bepaald wat de inhoud moet zijn van de vulpuntmorsbak. In tegenstelling tot paragraaf 4.93 is dat hier expliciet voorgeschreven omdat niet alle opslagtanks die onder paragraaf 4.94 vallen zijn geïnstalleerd door een onderneming met een certificaat voor BRL-K903. Onderdeel van de gecertificeerde installatie, verplicht voor alle opslagtanks die vallen onder paragaaf 4.93, is namelijk dat de vulpuntmorsbak een voldoende inhoud heeft.
Als een vloeistofdichte bodemvoorziening is toegepast, moet het deel van het vuilwaterriool dat hierop is aangesloten vloeistofdicht zijn vanaf de aansluiting van de bodemvoorziening tot aan de slibvangput en olieafscheider. Als het afvalwater voldoet aan de emissiegrenswaarde voor olie die is gesteld in artikel 4.941, geldt de eis van vloeistofdichtheid van het vuilwaterriool niet.
De vloeistofdichte bodemvoorziening waarop oxiderende, bijtende of aquatoxische vloeistoffen worden opgeslagen mag op grond van het vierde lid niet zijn aangesloten op een vuilwaterriool. Dat betekent dat het afvalwater en het hemelwater van de vloeistofdichte bodemvoorziening als afval moeten worden afgevoerd.
Artikel 4.932 (bodem: overvullen voorkomen)
Bij het overvullen van een opslagtank bestaat het risico op bodemverontreiniging. Er moeten dan ook maatregelen worden getroffen om overvullen te voorkomen. In het tweede en derde lid zijn erkende maatregelen opgenomen waarmee in ieder geval aan het gestelde doel wordt voldaan. Als voor de opslagtank bijvoorbeeld een installatiecertificaat is afgegeven dan kan worden aangenomen dat er afdoende maatregelen zijn getroffen waarmee overvullen wordt voorkomen.
Artikel 4.933 (bodem: leegstromen opslagtank voorkomen)
Bij een breuk in een leiding of het falen van de installatie bestaat het risico op bodemverontreiniging. Er moeten dan ook maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat een bovengrondse opslagtank kan leegstromen bij een breuk in een leiding of het falen van de installatie. Dat kan bijvoorbeeld door het toepassen van een anti-hevelbeveiliging. In het tweede lid is een erkende maatregel opgenomen waarmee in ieder geval aan het gestelde doel wordt voldaan. Als voor de opslagtank een installatiecertificaat is afgegeven dan kan worden aangenomen dat er afdoende maatregelen zijn getroffen waarmee het leegstromen van een opslagtank wordt voorkomen. Voor een opslagtank waarop ondergrondse leidingen zijn aangesloten is een certificaat altijd verplicht.
Artikel 4.934 (bodem: controle kathodische bescherming stalen leiding)
Onderdeel van het verplichte installatiecertificaat is dat ondergrondse leidingen van staal zijn voorzien van kathodische bescherming. Opgemerkt wordt dat kathodische bescherming alleen is vereist als de noodzaak daarvoor volgt uit een verrichte bodemweerstandsmeting. In dit artikel is bepaald dat de aanwezige kathodische bescherming jaarlijks moet worden beoordeeld en goedgekeurd door een inspectie-instantie met een accreditatie voor AS SIKB 6800.
Artikel 4.935 (bodem: controle water bij opslagtank van staal)
Eerste en tweede lid
Als in de opslagtank vloeibare brandstoffen zijn opgeslagen moet jaarlijks een controle plaatsvinden op de aanwezigheid van water. De controle op en het verwijderen van eventueel (condens-) water bij een bovengrondse opslagtank voor brandstof is van belang om de opslagtank in goede staat te houden, met name het voorkomen van roestvorming in de opslagtank. Bijkomend voordeel is dat dit de conditie van de brandstof ten goede komt.
De controle kan eenmaal per drie jaar plaatsvinden als de opslagtank inwendig is voorzien van een coating. De coating beschermt de opslagtank tegen roestvorming waardoor de risico's op degradatie van de tank worden verminderd.
Derde lid
Soms wordt tijdens een controle geen water aangetroffen. Dat kan zich met name voordoen als deze controle wordt verricht met een waterzoekpasta. De oorzaak is veelal de toevoeging van additieven aan de brandstof. Ook de toevoeging van biociden in biobrandstoffen kan ertoe leiden dat de controle geen aanwezigheid van water laat zien. In deze gevallen is een monstername op bezinksel nodig om een goede beoordeling te kunnen maken.
De controle moet worden verricht door een inspectie-instantie met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17020 voor AS SIKB 6800. De controle kan ook worden verricht door een daarvoor getraind persoon met een waterzoekpasta die wordt aangebracht op een peilstok.
Deze mogelijkheid wordt geboden om de kosten zo laag mogelijk te houden en de uitvoerbaarheid zo laagdrempelig mogelijk. Vanuit de optiek van bodembescherming is daar geen bezwaar tegen omdat een bovengrondse opslagtank boven of in een lekbak is geplaatst of dubbelwandig is uitgevoerd met een lekdetectiesysteem. Bij een lekkage worden de vloeistoffen in de lekbak opgevangen of door de dubbele wand tegengehouden. De tankwagenchauffeur die de brandstof komt brengen, zou de controle kunnen verrichten nadat deze daarvoor is getraind of geïnstrueerd. De eigenaar van de tankinstallatie, die een soortgelijke training of instructie heeft gehad, zou dit ook zelf kunnen doen. Enig bewijs dat een training of instructie genoten is, moet zijn gedocumenteerd. Van de gedane jaarlijkse controle op water wordt in het logboek een aantekening gemaakt volgens artikel 5.20.
Vijfde lid
Het verrichten van een controle op de aanwezigheid van water kan alleen op een goede manier worden verricht als de opslagtank onder afschot is geplaatst. Het water kan daardoor aflopen richting het punt waar gepeild wordt. Een afschot van 1% betekent dat over een afstand van 100 meter het afschot 1 meter bedraagt. Opslagtanks die zijn geïnstalleerd door een gecertificeerde onderneming voldoen aan deze eis. Dat wordt tot uitdrukking gebracht in de tweede zin van het vijfde lid.
Artikel 4.936 (bodem: verwijderen water)
Als tijdens de controle, bedoeld in artikel 4.935, water wordt aangetroffen, wordt dit uit de opslagtank verwijderd. Ook moet de elektrische geleidbaarheid en zuurgraad daarvan worden beoordeeld. In SIKB protocol 6802 zijn eisen opgenomen. Als tijdens een derde opeenvolgende meting blijkt dat het verwijderde water niet aan die eisen voldoet moet een inwendige beoordeling van de tank worden verricht.
Het bepalen van de elektrische geleidbaarheid en zuurgraad van het verwijderde water is niet nodig als de tank is voorzien van een inwendige coating. Deze uitzondering geldt alleen als de coating volledig is aangebracht door een gecertificeerde onderneming en voldoet aan BRL-K779.
Artikel 4.937 (informeren: over inwendige keuring bij aantreffen water)
Het bevoegd gezag wordt geïnformeerd voordat een inwendige keuring wordt verricht. Daarmee is het bevoegd gezag op de hoogte van de inwendige keuring en kan op grond daarvan besluiten om toezicht te houden op de activiteiten.
Artikel 4.938 (bodem: keuring bovengrondse opslagtank)
Bovengrondse opslagtanks waarop ondergrondse leidingen zijn aangesloten moeten periodiek gekeurd worden door een inspectie-instantie met een accreditatie voor AS SIKB 6800. In tabel 4.938 is aangegeven wat de termijn is voor de eerste keuring na installatie van de opslagtank en wat de herkeuringstermijnen zijn. De termijnen zijn afhankelijk van de wijze van uitvoering van de opslagtank (enkelwandig of dubbelwandig en staal of kunststof) en het al dan niet aanwezig zijn van een inwendige coating die is aangebracht door een gecertificeerde onderneming.
Omdat in het eerste lid is aangegeven dat de opslagtank moet zijn goedgekeurd mag het opslaan niet worden voortgezet als de opslagtank is afgekeurd. De aanwezige vloeistof zal dan ook na afkeuring moeten worden verwijderd en de opslagtank zal moeten worden afgevoerd als afvalstof. Volgens artikel 2.11, tweede lid, onder j, moeten afvalstoffen worden afgevoerd binnen acht weken na beëindiging van een activiteit. Dat betekent dat een afgekeurde opslagtank, die als afvalstof kan worden beschouwd, binnen acht weken moet zijn afgevoerd naar een erkende verwerker.
Artikel 4.939 (bodem: visuele keuring mobiele opslagtank)
Voor een mobiele opslagtank gelden extra eisen die zijn opgenomen in dit artikel. Visuele keuring is van belang als de opslagtank is verplaatst waardoor beschadigingen kunnen zijn ontstaan aan de tank zelf of de voorzieningen die daarop zijn aangebracht. Van de visuele keuringen moeten de resultaten worden bewaard op grond van artikel 5.21.
Artikel 4.940 (water: lozingsroute)
Eerste lid
Het eerste lid bepaalt vanwege het risico op vervuiling van het afvalwater met schadelijke stoffen dat het afvalwater afkomstig van de vloeistofdichte bodemvoorziening wordt geloosd in een vuilwaterriool. Er is geen plicht om dit afvalwater te lozen, maar als geloosd wordt moet dat via de voorgeschreven route. Het gaat hier immers alleen om het ‘te lozen’ afvalwater; afvalwater kan ook worden afgevoerd naar een verwerker of worden hergebruikt.
Afvalwater dat stoffen bevat van ADR-klasse 5.1, stoffen van verpakkingsgroep II of III van ADR-klasse 8, of stoffen van ADR-klasse 9 die het aquatisch milieu verontreinigen, wordt niet geloosd. De vloeistofdichte bodemvoorziening mag in dat geval geen aansluiting hebben op het vuilwaterriool.
Tweede lid
Als de specifieke omstandigheden van het geval daar aanleiding toe geven, kan bij maatwerkvoorschrift worden bepaald dat degene die de activiteit verricht via een andere lozingsroute mag lozen. Het bevoegd gezag dat het maatwerkvoorschrift stelt, kan een ander bevoegd gezag zijn dan het bevoegd gezag voor de controle op de naleving op het eerste lid. Lozen op het vuilwaterriool is een milieubelastende activiteit waarvoor de gemeente bevoegd gezag is, maar de waterbeheerder kan bijvoorbeeld bepalen dat lozen in het oppervlaktewater is toegestaan, waardoor het lozen een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam wordt. De waterbeheerder kan het gebod om te lozen in het vuilwaterriool niet opheffen. In het tweede lid is daarom geregeld dat als een alternatieve route via maatwerk is toegestaan, het niet meer verplicht is gebruik te maken van de voorkeursroute, maar er wel nog gebruik van mag worden gemaakt. Dit lid is van overeenkomstige toepassing op vergunningvoorschriften.

Artikel 4.941 (water: emissiegrenswaarde lozing in een vuilwaterriool)
Omdat het afvalwater afkomstig van de vloeistofdichte bodemvoorziening verontreinigd kan zijn met olieachtige producten is een emissiegrenswaarde voor minerale olie opgenomen. Als een olieafscheider wordt toegepast die aan de genoemde NEN-norm voldoet, geldt geen emissiegrenswaarde. Een slibvangput en olieafscheider, die vóór 2 november 2010 zijn geplaatst, hoeven niet te voldoen aan de NEN-EN 858–1 en 2. Op 2 november 2010 is de voorgaande NEN-norm, NEN 7089, ingetrokken, waardoor er niet naar verwezen kan worden, maar olieafscheiders die aan deze norm voldeden zorgen ook voor een adequate bescherming van het milieu. Van olieafscheiders die geplaatst zijn voor 1 november 2010 wordt aangenomen dat deze via toezicht en handhaving adequaat zijn. Van belang is wel dat de olieafscheider voldoende gedimensioneerd is, daarom is de voorwaarde opgenomen dat ze zijn ‘afgestemd op de hoeveelheid water’.
In geval geen of nauwelijks olie wordt gebruikt in het proces of zo zorgvuldig wordt gewerkt dat geen olie in het afvalwater geraakt, kan voldaan worden aan de grenswaarde van 20 mg/l. Er is dan geen voorziening in de vorm van een slibvangput en olieafscheider nodig.