Hof 's-Hertogenbosch, 22-05-2018, nr. 200.149.141, 02
ECLI:NL:GHSHE:2018:2203
- Instantie
Hof 's-Hertogenbosch
- Datum
22-05-2018
- Zaaknummer
200.149.141_02
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHSHE:2018:2203, Uitspraak, Hof 's-Hertogenbosch, 22‑05‑2018; (Hoger beroep)
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2016:2432
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2018:4770
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2020:1416
ECLI:NL:GHSHE:2016:2432, Uitspraak, Hof 's-Hertogenbosch, 21‑06‑2016; (Hoger beroep)
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2018:4770
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2018:2203
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2016:2433
- Wetingang
art. 661 Burgerlijk Wetboek Boek 7
art. 661 Burgerlijk Wetboek Boek 7
- Vindplaatsen
AR-Updates.nl 2018-0600
VAAN-AR-Updates.nl 2018-0600
AR 2016/1748
JA 2016/196
AR-Updates.nl 2016-0675
VAAN-AR-Updates.nl 2016-0675
Uitspraak 22‑05‑2018
Inhoudsindicatie
Artikel 7:661 BW. Aansprakelijkheid van de werknemer voor schade die is ontstaan bij de uitvoering van de werkzaamheden. Vervolg op ECLI:NL:GHSHE:2016:2432.
Partij(en)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Afdeling civiel recht
zaaknummer 200.149.141/02
arrest van 22 mei 2018
in de zaak van
[appellant] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellant in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. P.J.M. Brouwers te Maastricht,
tegen
NV Waterleiding Maatschappij Limburg,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellante in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. S.G.J. Habets te Kerkrade,
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 21 juni 2016 in het hoger beroep van het door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht onder zaaknummer C/03/163575/HAZA 11-645 gewezen vonnis van 29 januari 2014.
5. Het verloop van de procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het tussenarrest van 21 juni 2016;
- -
12 producties, genummerd 12 tot en met 23, ten behoeve van het getuigenverhoor overgelegd door WML;
- -
1 productie, genummerd 42, ten behoeve van het getuigenverhoor overgelegd door [appellant] ;
- -
het proces-verbaal van de enquête aan de zijde van WML van 21 november 2016;
- -
het proces-verbaal van de voortzetting van de enquête aan de zijde van WML van 21 februari 2017;
- -
het proces-verbaal van de voortzetting van de enquête aan de zijde van WML van 9 mei 2017;
- -
de memorie na enquête van WML van 25 juli 2017 met drie producties, genummerd 24, 25 en 26;
- -
de memorie na enquête van [appellant] van 19 september 2017 met dertien producties, genummerd 42 tot en met 54;
- -
de antwoord-akte aan de zijde van WML met één productie.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.
6. De verdere beoordeling
in principaal hoger beroep
6.1.
Bij genoemd tussenarrest heeft het hof – zakelijk weergegeven – geoordeeld dat [appellant] slechts aansprakelijk kan worden gehouden voor de gestelde schade, wanneer de schade het gevolg is van zijn opzet of bewuste roekeloosheid, dat die opzet of bewuste roekeloosheid vooralsnog niet was komen vast te staan en dat het aan WML is om het bewijs daarvan te leveren. WML is vervolgens toegelaten om te bewijzen dat [appellant] met zijn handelen heeft beoogd WML te benadelen, dan wel heeft gehandeld wetende dat zijn handelen met zekerheid zou leiden tot schade voor WML, althans dat hij zich er daadwerkelijk van bewust was dat zijn handelen onjuist was en hij niettemin de bewuste keuze heeft gemaakt om te handelen zoals hij heeft gedaan, en dat [appellant] onmiddellijk voorafgaand aan zijn handelen daadwerkelijk besefte dat hij zich daarvan in verband met de aanmerkelijke kans op schade had behoren te weerhouden.
6.2.
WML heeft tijdens de gehouden getuigenverhoren in totaal zes getuigen doen horen en [appellant] als partijgetuige. Geen van de zes getuigen heeft verklaard dat [appellant] heeft gehandeld met het oogmerk om WML schade te berokkenen. Geen van deze zes getuigen heeft verklaard dat zij, althans één van hen, [appellant] heeft/hebben gewaarschuwd voor het feit dat hij als prijs voor het aangeboden pakket percelen een (veel) te laag bedrag had vastgesteld. Uit geen van de verklaringen blijkt dat [appellant] bij het sluiten van de koopovereenkomst wist dat hij, handelend als hij deed, WML zou benadelen.
6.3.1.
Meer in het bijzonder overweegt het hof ten aanzien van de getuigen als volgt.
De getuige [getuige 1] verklaart dat hij herhaaldelijk met [appellant] contact heeft opgenomen om te spreken over zijn wens om een perceel van WML te kopen. Hij bevestigt wat [appellant] zelf heeft verklaard, namelijk dat is gesproken over het opsplitsen van het desbetreffende perceel. [appellant] heeft hierover verklaard dat [getuige 1] slechts een deel van het perceel wilde kopen, dat hij, [appellant] , niet bereid was om het perceel te splitsen en dat daarom de verkoop niet is doorgegaan. Verder verklaart [appellant] over dit perceel dat hij, om de incourante percelen te kunnen verkopen, ook aantrekkelijke percelen aan het pakket moest toevoegen.
6.3.2.
[getuige 1] verklaart dat in 2003, toen [appellant] hem namens WML het perceel ten zuiden van [plaats 1] , aanbood is gesproken over een prijs van € 65.000,= . Nadat [getuige 1] eerst was afgehaakt heeft hij dat perceel van [koper] gekocht voor € 99.000,=. Dat levert echter op zich geen aanwijzing op voor wetenschap aan de zijde van [appellant] dat de totaalsom voor de verkochte percelen als pakket (veel) te laag was. De rechtbank heeft bij vonnis van 4 april 2012, r.o.3.8. geoordeeld dat de waarde van de verkochte percelen moest worden bepaald aan de hand van de waarde als pakket. In r.o. 3.7.8 van het tussenarrest heeft het hof de grief tegen dit oordeel al verworpen. Tot het pakket behoorden ook incourante percelen. De getuige [getuige 2] heeft dienaangaande opgemerkt dat er percelen bij zaten waarvan de waarde mogelijk nihil of zelfs negatief zou kunnen zijn. De enkele omstandigheid dat ten aanzien van één van de percelen ooit is gesproken over een prijs van € 65.000,= en de omstandigheid dat dit voor € 99.000,= zou zijn verkocht zegt op zich niets met betrekking tot de waarde van de percelen als pakket.
6.4.
De getuige [getuige 3] verklaart over een perceel grond in [plaats 2] , gemeente Simpelveld. Voor zijn verklaring geldt in grote lijnen hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de verklaring van [getuige 1] : uit zijn verklaring kunnen geen conclusies worden getrokken ten aanzien van de prijs van de percelen als pakket.
6.5.
De getuige [getuige 4] verklaart niet meer dan dat zij in 2008 een perceel akkergrond in [plaats 3] aan de [adres 1] heeft gekocht van WML. Zij verklaart dat zij [appellant] niet kent. Met betrekking tot het probandum heeft zij verder niets verklaard dat relevant is.
6.6.
Dat laatste geldt ook voor wat betreft de getuige [getuige 5] . Wat hij, als directeur van de Nederlandse Vereniging van Rentmeesters (NVR), gevestigd te [vestigingsplaats] , verklaart met betrekking tot een gedragscode voor rentmeesters zegt niets over het oogmerk of de kennis die [appellant] heeft gehad ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst met [koper] .
6.7.1.
Uit de verklaring van de getuige [getuige 2] volgt niet dat [appellant] met hem een samenwerkingsverband is aangegaan met het oogmerk om zichzelf ten koste van WML te verrijken. [getuige 2] verklaart ook niet dat hij bij de totstandkoming van de overeenkomst met betrekking tot het pakket percelen een bijzonder voordelige koop sloot, omdat het pakket in werkelijkheid veel meer waard was dan de prijs die [appellant] ervoor vroeg. Hij verklaart dat hij het pakket heeft gekocht omdat er ook incourante percelen in zaten. Hij verklaart daarbij gedacht te hebben dat hij met een kleine investering kans zou maken op rendement bij herbestemming, waarbij hij echter ook bedreigingen zag.
Hij verklaart ten aanzien van het perceel [plaats 4] dat asbest aanwezig was en er zich diepe kelders bevonden en dat hij na aankoop op termijn wel had moeten gaan slopen. Hij verklaart dat in de portefeuille percelen zaten waarvan de waarde nihil of zelfs behoorlijk negatief was of had kunnen zijn. Hij verklaart voorts dat hij twee taxaties heeft laten uitvoeren en dat één van die taxateurs de percelen betitelde als “rommel”.
6.7.2.
Ten aanzien van de kwestie van een mogelijke samenwerking met [appellant] of een financiering van [koper] door de echtgenote van [appellant] verklaart hij dat deze niet is doorgegaan en dat volgens hem [appellant] al vóór de totstandkoming van de koopovereenkomst met betrekking tot het pakket percelen had afgezien van financiering van zijn onderneming. [getuige 2] verklaart voorts dat [appellant] geen voordeel heeft genoten uit de gesloten overeenkomst.
6.7.3.
De slotsom ten aanzien van de verklaring van de getuige [getuige 2] is dat ook deze verklaring geen bevestiging biedt van hetgeen te bewijzen is opgedragen. Niet volgt hieruit dat [appellant] heeft gehandeld met het oogmerk om WML te benadelen, al dan niet ten bate van zichzelf of anderen. Niet volgt hieruit dat [appellant] bij het aangaan van de overeenkomst op de hoogte was van het feit dat de pakketprijs voor de percelen, zoals dat pakket was samengesteld, onder de gegeven omstandigheden te laag was en dat WML dus bij het nakomen van de overeenkomst schade zou lijden.
6.8.1.
De getuige [getuige 6] verklaart over een gevoelen dat heerste dat er iets niet pluis was met de verkoop van 21 percelen voor € 115.000,=. Hij verklaart allereerst dat hij geen functie had in het project optimalisatie grondbezit. Hij was in dat verband niet degene aan wie [appellant] zo nodig toestemming moest vragen of met wie [appellant] overleg had moeten plegen. Dat was de heer [getuige 7] .
[getuige 6] schetst het beeld van een solistisch opererende rentmeester die een ongebruikelijke transactie heeft opgezet zonder daarover overleg te plegen met en de daartoe volgens een procuratie- of autorisatiematrix benodigde toestemming te vragen aan zijn opdrachtgever en het managementteam. Zie het proces-verbaal van diens verhoor d.d. 9 mei 2017, pagina 4, alinea 3.
[getuige 6] verklaart voorts dat hij niets kan zeggen over de waarde van vastgoed als de watertoren Rimburg of de waarde van een pompstation.
6.8.2.
De verklaring die [getuige 6] heeft afgelegd geeft wellicht aanleiding om vraagtekens te zetten bij het functioneren van [appellant] . Maar ook al zou sprake zijn van disfunctioneren, dan levert dat op zich geen grond op om een werknemer aansprakelijk te houden voor als gevolg daarvan door de werkgever geleden schade. Daarvoor moet sprake zijn van opzet of bewust roekeloos handelen. Gronden om te oordelen dat daarvan bij de totstandkoming van de koopovereenkomst betreffende het pakket percelen sprake is geweest, kan het hof aan de verklaring van de getuige [getuige 6] niet ontlenen.
6.8.3.
Het door [getuige 6] geschetste beeld van de werkwijze van [appellant] vindt bevestiging in de verklaring van [getuige 7] (prod. 23 ten behoeve van de getuigenverhoren), waarvan de authenticiteit blijkens een akte verleden door notaris mr. [notaris] te [standplaats] op 9 oktober 2017 onder ede door [getuige 7] is bevestigd. Uit deze verklaring blijkt echter niet dat [getuige 7] als eindverantwoordelijke voor het Project Optimalisatie Grondbezit [appellant] expliciet heeft geïnstrueerd of op de hoogte heeft gesteld van het beleid om percelen die in het kader van het project niet verkocht konden worden uit het project te halen. Evenmin volgt uit de verklaring dat [getuige 7] geregeld overleg heeft gevoerd met of verantwoording heeft gevraagd aan [appellant] over de stand van zaken ten aanzien van de te verkopen percelen. De conclusie die [getuige 7] trekt (samengevat: [appellant] verhulde dingen omdat hij wist dat hij verkeerd bezig is) berust op een eigen interpretatie van een aantal feiten, maar daarmee is niet gegeven dat die interpretatie juist is.
6.9.
Rest de verklaring van [appellant] zelf. Ook hieraan kan het bewijs, zoals dat aan WML is opgedragen, niet worden ontleend. Voor wat betreft de samenwerking met [getuige 2] spoort zijn verklaring met die van de getuige [getuige 2] : een voorstel in die richting is door [appellant] beoordeeld, maar hij is er uiteindelijk niet op ingegaan. Dat [appellant] bewust het pakket percelen voor een te laag bedrag heeft verkocht, volgt evenmin uit deze verklaring.
6.10.1.
WML maakt in haar memorie na enquête bezwaar tegen een aantal overwegingen van het hof in het tussen partijen gewezen tussenarrest. Het betreft bezwaren tegen r.o. 3.7.5.3 (MnE 1.4), r.o. 3.7.8 (MnE 3.1 en 3.6) en de overwegingen in r.o. 3.7.5.2 en 3.7.5.3 ten aanzien van de te hanteren maatstaf voor het aannemen van aansprakelijkheid (MnE 9.1 tot en met 9.7). Het hof ziet in hetgeen WML in haar memorie na enquête aanvoert met betrekking tot deze overwegingen uit het tussenarrest geen aanleiding om op die overwegingen terug te komen.
6.10.2.
Meer in het bijzonder verwijst het hof met betrekking tot de te hanteren maatstaf voor aansprakelijkheid van een werknemer naar r.o. 3.7.5.3 van het tussenarrest. Het hof is van oordeel dat WML in onvoldoende mate heeft onderbouwd waarom in de omstandigheden van dit geval, mede gelet op de aard van de overeenkomst, van een andere schuldgraad zou moeten worden uitgegaan dan opzet of bewuste roekeloosheid.
Uit de bepaling in artikel 7:661 BW volgt dat het aannemen van aansprakelijkheid van een werknemer voor schade die in de uitoefening van de werkzaamheden is ontstaan is beperkt tot het uitzonderlijke geval waarin de schade opzettelijk is toegebracht of voortvloeit uit handelen waarvan de werknemer zich bewust was dat het schade voor de werkgever tot gevolg zou hebben. Uitbreiding van de aansprakelijkheid van een werknemer tot schades die het gevolg zijn van “ernstige verwijtbaarheid” betekent dat afbreuk wordt gedaan aan deze bepaling, omdat dit de weg opent voor het aannemen van aansprakelijkheid voor schades die in de uitoefening van overeengekomen werkzaamheden zijn ontstaan zonder dat een werknemer zich er direct bewust van was dat zijn of haar handelen tot die schade zou leiden en zonder dat er sprake is van opzet, zoals schades als gevolg van (ernstig) verwijtbare beroepsfouten.
6.11.
In haar memorie na enquête gaat WML nog eens uitvoerig in op de verwijten die zij [appellant] maakt, uitgesplitst in navolgende negen punten:
[appellant] heeft gehandeld zonder de vereiste voorafgaande goedkeuring;
[appellant] is in afwijking van de gebruikelijke individuele verkoop van percelen, zonder redelijke uitleg overgegaan tot een pakketverkoop;
[appellant] heeft ten onrechte nagelaten contact te zoeken met geïnteresseerde potentiële kopers om te bezien of een meer marktconforme prijs kon worden gerealiseerd;
[appellant] heeft ten onrechte geen marktconforme prijs gerealiseerd;
[appellant] heeft geen redelijke uitleg gegeven voor de door hem gerealiseerde prijs, nu is gebleken dat noch over de prijs noch over de samenstelling van het pakket is onderhandeld;
[appellant] geeft geen redelijke verklaring voor de omstandigheid dat op het laatste moment nog een perceel aan het pakket is toegevoegd, wetende dat noch over de prijs voor noch over de omvang van het pakket was onderhandeld;
[appellant] heeft een samenwerking met [koper] beoogd en een financieel belang in deze onderneming nagestreefd;
[appellant] geeft geen redelijke uitleg voor het feit dat hij in 2007 en 2008, anders dan daarvóór en daarna, nauwelijks contante opnames heeft gehad noch pinbetalingen heeft verricht;
[appellant] heeft zonder enige aanleiding een zeer grote hoeveelheid documenten van WML thuis bewaard.
6.12.
Het hof verwijst naar hetgeen is overwogen in de rechtsoverwegingen 3.7.5.1 en 3.7.5.2 van het tussenarrest. Uit hetgeen WML in deze procedure naar voren heeft gebracht volgt niet dat [appellant] heeft gehandeld met het oogmerk om WML te benadelen. WML heeft ook niet gesteld dat het verweten handelen van [appellant] heeft plaatsgevonden, omdat hij WML wilde benadelen of dat [appellant] wist dat hij WML zou benadelen. Het hof is dan ook van oordeel dat het bewijs van opzet op het toebrengen van schade in de zin van artikel 7:661 BW niet is geleverd.
6.13.
Met betrekking tot de bewuste roekeloosheid heeft het hof in het tussenarrest overwogen dat voor het aannemen daarvan vast moet komen te staan dat [appellant] zich er daadwerkelijk van bewust was dat zijn handelen onjuist was, dat hij niettemin desbewust de keuze heeft gemaakt om te handelen zoals hij heeft gedaan, en dat [appellant] onmiddellijk voorafgaand aan zijn handelen daadwerkelijk besefte dat hij zich daarvan in verband met de aanmerkelijke kans op schade voor WML had behoren te onthouden. Uit geen van de door WML bij memorie na enquête opgesomde verwijten blijkt van een bewustzijn bij [appellant] als hiervoor vermeld.
6.14.1.
Meer in het bijzonder merkt het hof dienaangaande het navolgende op. Indien al uitgegaan moet worden van de juistheid van de onder a., b., d., e., f. en i. genoemde omstandigheden, dan volgt daaruit nog niet dat [appellant] zich er ook bewust van moet zijn geweest dat WML bij het effectueren van de verkoop onder de bedongen condities schade zou lijden.
6.14.2.
Ten aanzien van het handelen zonder de vereiste toestemming (a.) heeft [appellant] (geparafraseerd samengevat) aangevoerd dat hij handelde binnen de hem gegeven taak, op een wijze die voor hem gebruikelijk was en zonder dat hij er door zijn leidinggevende(n) ooit op is aangesproken, zodat hij meende tot het aangaan van de overeenkomst bevoegd te zijn. Als producties 17, 18 en 19 bij repliek heeft WML respectievelijk de functietypering voor de functie van rentmeester, haar paraferingsmatrix en haar procuratieregeling in het geding gebracht. Op pagina 2 van de functieomschrijving staat vermeld dat de rentmeester hiërarchisch verantwoording schuldig is aan het hoofd van de afdeling, maar volledig bevoegd zou zijn tot het afsluiten van overeenkomsten waaronder overeenkomsten met betrekking tot de aan- en verkoop. De paraferingsmatrix bevat geen categorie “aangaan overeenkomsten verkoop registergoederen” of iets dergelijks. De procuratieregeling vermeldt dat de rentmeester bevoegd is om WML te vertegenwoordigen bij het passeren van notariële akten tot een bedrag van € 250.000,=. Verder vermeldt de procuratieregeling niets ten aanzien van bevoegdheden voor de rentmeester in het kader van de verkoop van registergoederen. Uit de verklaring van [getuige 7] blijkt niet dat deze [appellant] ooit heeft gevraagd om updates over de voortgang van het project of anderszins heeft gecontroleerd wat [appellant] deed. Dit voert het hof tot het oordeel dat WML het verweer van [appellant] dat hij meende bevoegd te zijn onvoldoende heeft ontzenuwd. De aangehaalde regelingen zijn niet duidelijk of vermelden niets ten aanzien van zijn bevoegdheid.
6.14.3.
[appellant] heeft, anders dan WML onder b. aanvoert, wel een redelijke verklaring gegeven voor het verkopen van de percelen in één pakket: hij stelt dit te hebben gedaan vanuit de noodzaak om ook incourante percelen te verkopen. WML heeft bij memorie na enquête op dit punt verwezen naar de schriftelijke verklaring van [getuige 7] en de verklaring van de getuige [getuige 6] . Op grond daarvan heeft WML aangevoerd dat er voor [appellant] geen noodzaak bestond om de percelen als pakket te verkopen, omdat de incourante percelen die niet voor een marktconforme prijs verkocht konden worden uit het project Optimalisatie Grondbezit werden gehaald en teruggingen naar de verantwoordelijke afdeling. Zelfs indien het hof van de juistheid van die stellingname uitgaat, volgt daaruit nog niet dat [appellant] heeft gehandeld met het oogmerk om WML schade te berokkenen of in het bewustzijn zoals omschreven in het probandum.
6.14.4.
Voor het nalaten om contact te zoeken met potentiële kopers (c.), het niet realiseren van een marktconforme prijs (d.) en het achterwege blijven van onderhandelingen (e.) heeft [appellant] als verklaring gegeven dat hij courante percelen nodig had om het pakket als totaal interessant te maken voor investeerders.
6.14.5.
WML heeft (punt f.) aangevoerd dat [appellant] op het laatste moment nog een perceel aan het pakket heeft toegevoegd, wetende dat noch over de prijs voor noch over de omvang van het pakket was onderhandeld. Ook als dit feit als vaststaand wordt aangenomen, volgt daaruit naar het oordeel van het hof nog niet dat [appellant] dit heeft gedaan met het oogmerk om WML schade te berokkenen of in het bewustzijn dat WML hierdoor schade zou lijden.
6.14.6.
Het onder g. gemaakte verwijt is door [appellant] betwist en aan de getuigenverklaringen, meer in het bijzonder ook die van [getuige 2] , kan de juistheid van dit verwijt niet worden ontleend. Deze omstandigheid is dus niet komen vast te staan.
6.14.7.
Ten aanzien van het onder h. gemaakte verwijt merkt het hof op dat bij het onderzoek van [bedrijfsrecherche] Bedrijfsrecherche niet is vastgesteld dat [appellant] persoonlijk voordeel heeft genoten uit de grondtransactie, zodat ook niet is gebleken dat hij daaruit of anderszins als resultaat daarvan over een aanzienlijk bedrag aan contanten heeft kunnen beschikken.
6.14.8.
Ten aanzien van het onder i. gemaakte verwijt (veel van de administratie in huis hebben liggen) heeft [appellant] betwist dat dit is gebeurd om zaken buiten het zicht van WML te houden. Hij heeft gewezen op de omstandigheid dat hij veel vanuit huis werkte. Gelet op die verklaring kan het hof ook aan de omstandigheid dat [appellant] veel administratie in zijn woning had liggen niet zonder meer afleiden dat dit is gebeurd om voor WML te verhullen dat [appellant] van plan was om een overeenkomst aan te gaan die ten nadele van WML zou strekken.
6.15.1.
WML heeft er bij memorie na enquête nog op gewezen dat uit het in eerste aanleg geproduceerde deskundigenbericht blijkt dat de gerealiseerde prijs ver beneden de marktwaarde van de percelen lag. Het hof merkt dienaangaande op dat de deskundigen de waarde van het pakket hebben vastgesteld op € 495.000,=, waarbij zij tevens hebben opgemerkt dat een bandbreedte aangehouden moet worden van € 350.000,= tot € 950.000,=.
Zonder daarmee hier te oordelen dat dit juist is geweest (zie daaromtrent de beoordeling van grief IV in het incidenteel hoger beroep), merkt het hof op dat de rechtbank deze bandbreedte nog heeft gecorrigeerd tot een bandbreedte van € 859.860,= voor het gunstigste scenario tot € 235.460,= voor het meest ongunstige scenario. Daarbij past de rechtbank nog correcties toe wegens een rendementseis (van 25%) en verwervingskosten voor het meest ongunstige scenario, waarna de rechtbank uitkomt op een pakketprijs in het meest ongunstige geval van € 147.000,= (zie het eindvonnis, r.o. 3.27 - r.o. 3.30 en ook r.o. 3.6.2 van het tussenarrest van 21 juni 2016). Wat daar ook van zij: dit alles is wel illustratief voor het feit dat de waarde van het pakket op verschillende manieren en met een sterk verschillend resultaat kan worden beoordeeld.
6.15.2.
WML heeft bij memorie na enquête met betrekking tot de bedongen prijs ook nog aangevoerd dat het zeer opvallend is dat [appellant] in de periode waarin sprake was van een (uitnodiging tot) samenwerking tussen hem en [koper] de prijs voor het pakket aanzienlijk heeft verlaagd. Volgens WML kan die prijsverlaging niet los worden gezien van de beoogde samenwerking. Die mening vindt echter naar het oordeel van het hof geen bevestiging in de verklaringen van [getuige 2] en [appellant] . Het hof is van oordeel dat uit de gedingstukken en de afgelegde verklaringen niet, althans niet in voldoende mate, volgt dat een causaal verband heeft bestaan tussen de gesignaleerde prijsverlagingen en een uitnodiging van [getuige 2] tot samenwerking in of met [koper] .
6.15.3.
Uit het deskundigenrapport blijkt dat de deskundigen ten aanzien van de verschillende percelen geen onderzoek hebben gedaan naar (bodem)verontreiniging, zodat onbekend is gebleven welke risico’s dienaangaande ten aanzien van de percelen bestonden. Ten aanzien van het perceel aan de [adres 2] te [plaats 4] hebben de deskundigen in elk geval wel vastgesteld dat daarin asbest aanwezig was en dat er vermoedelijk nog meer asbest in aanwezig kon zijn.
Uit de verantwoording van hun waardeberekening blijkt dat ook de deskundigen ervan uit zijn gegaan dat in het pakket een aantal objecten zat met een (mogelijk) negatieve waarde. Voorts merken de deskundigen expliciet op dat zij zich bij de vaststelling van de waarde hebben laten leiden door een op hun marktkennis en ervaring gestoeld intuïtief inzicht, waarbij met name dit intuïtief inzicht een grote invloed heeft gehad op de finale waarde. Het voorgaande betekent dat geen absolute waarde aan het pakket kan worden toegekend.
6.15.4.
Vergeleken met de waardebepaling door de deskundigen kan een inschatting van de waarde zoals door [appellant] gemaakt wellicht als te laag worden aangemerkt. Daarbij moet echter in aanmerking worden genomen dat niet evident was en is wat een redelijke pakketprijs voor de portefeuille was. Het hof baseert dat oordeel op de navolgende omstandigheden:
- -
de vele onzekerheden voortvloeiend uit de verschillende mate van courantheid van delen van de portefeuille;
- -
mogelijk bestaande besparingen aan (sloop)kosten;
- -
de niet bij de taxatie betrokken milieuaspecten (asbestsanering);
- -
de omstandigheid dat ook de rechtbank (r.o. 3.27 van het bestreden eindvonnis) al komt tot een correctie met meer dan 30% ten opzichte van de door de deskundigen vastgestelde waarde in het meest ongunstige geval;
- -
onduidelijkheid ten aanzien van de omvang van een redelijkerwijs in acht te nemen rendementseis.
Het verschil tussen de door de rechtbank na correctie van de ondergrens vastgestelde waarde en de door [appellant] vastgestelde prijs is, gelet op de geschetste omstandigheden, niet van dien aard dat enkel aan dat verschil de conclusie moet of kan worden verbonden dat [appellant] zich ervan bewust is geweest dat hij WML schade zou berokkenen bij een verkoop en levering van het pakket tegen de door hem bepaalde pakketprijs en dat hij daarom had moeten afzien van deze transactie.
6.15.5.
Dat [appellant] op de hoogte is geweest van de marktwaarde van individuele tot het pakket behorende percelen, maakt dit niet anders, omdat de prijs van het pakket als geheel beoordeeld moet worden en deze sterk bepaald wordt door een inschatting van kansen en risico’s die zijn verbonden aan de verschillende percelen, de mate van risico die een potentiële koper dienaangaande bereid is te nemen en een inschatting van voordelen die WML zou kunnen genieten bij een snelle verkoop. Mocht [appellant] al fouten hebben gemaakt bij deze inschattingen, dan levert dat wellicht beroepsfouten op, maar het maken van een fout in de uitoefening van opgedragen werkzaamheden levert op zich geen grond op voor het aannemen van aansprakelijkheid voor nadeel dat een werkgever daardoor lijdt.
6.16.
WML concludeert in haar memorie na enquête dat [appellant] de verdenking op zich heeft geladen c.q. aanleiding heeft gegeven tot het feitelijk vermoeden dat hij ten koste van WML het belang van [koper] diende. Maar om aansprakelijkheid op grond van artikel 7:661 BW aan te kunnen nemen is enkel het bestaan van een verdenking niet voldoende. Om aansprakelijkheid van [appellant] voor de gevorderde schade aan te nemen dient WML te bewijzen dat haar vermoeden ook feitelijk juist is. Het hof komt tot de slotsom dat WML het bewijs dat [appellant] heeft gehandeld met de opzet om haar schade te berokkenen of in het bewustzijn dat hij, handelend als hij heeft gedaan, WML schade zou berokkenen niet heeft geleverd. Voor het door haar gestelde gedrag van [appellant] , voor zover in rechte vastgesteld, geeft [appellant] niet onaannemelijke verklaringen, die verder gaan dan verwijzingen naar theoretische bestaande mogelijkheden. Met inachtneming van die verklaringen en gegeven de hiervoor in r.o. 6.15.4 aangehaalde omstandigheden, kan het hof naar objectieve maatstaven uit de door WML aangevoerde feiten en omstandigheden, noch elk voor zich, noch in onderling verband beschouwd, niet, althans niet in voldoende mate, afleiden dat [appellant] zich bij de totstandkoming van de grondtransactie en de daaropvolgende levering van het pakket percelen daadwerkelijk bewust was van het roekeloze karakter van zijn handelen, dan wel in het zekerheidsbewustzijn dat de transactie tot schade voor WML zou leiden (vgl. HR 2 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3261).
Het voorgaande wordt ook niet anders door het volgende. Bij vaststelling van een onderhandse verkoopwaarde in het slechtste scenario van € 147.000,=, zoals door de rechtbank in het eindvonnis berekend, kan van de gerealiseerde prijs van € 115.000,= weliswaar worden vastgesteld dat die te laag is. Het verschil is naar het oordeel van het hof niet dermate groot dat dit prijsverschil de conclusie rechtvaardigt dat het niet anders kan zijn geweest dan dat [appellant] moet hebben geweten dat hij WML schade zou berokkenen door het pakket voor deze prijs te verkopen.
In dit geval is niet gebleken dat [appellant] aansprakelijk kan worden gehouden voor de primaire schade die WML zou hebben geleden en bestaat ook geen grond voor aansprakelijkheid met betrekking tot een gevolgschade zoals die in de onderhavige procedure aan de orde is. Voor zover de grieven van [appellant] zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat hij zo niet opzettelijk, dan in elk geval bewust roekeloos heeft gehandeld slagen de grieven. Nu aansprakelijkheid van [appellant] niet is komen vast te staan en het vonnis om die reden niet in stand kan blijven, behoeven de overige grieven tegen dat vonnis geen bespreking meer.
In het incidenteel hoger beroep
6.17.
WML heeft tegen het vonnis van de rechtbank in incidenteel hoger beroep één onvoorwaardelijke en drie voorwaardelijke grieven aangevoerd. De eerste grief is gericht tegen de beperking van de rechtbank van het door [appellant] te betalen bedrag tot een bedrag van € 215.000,=. Uit de beslissing in het principaal hoger beroep volgt dat WML geen belang heeft bij een beoordeling van deze grief, omdat het hof van oordeel is dat haar vorderingen integraal afgewezen moeten worden.
6.18.
Nu het hof van oordeel is dat het vonnis waarvan beroep niet in stand kan blijven, wordt voldaan aan de voorwaarde waaronder de voorwaardelijke grieven zijn aangevoerd.
Grief II is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de deskundigen dienden te onderzoeken wat de waarde was van het pakket percelen tezamen, als package deal. Het hof verwijst op dit punt naar hetgeen hij heeft overwogen in r.o. 3.7.8 van het tussenarrest. Het hof ziet geen aanleiding om op dit aldaar nog “vooralsnog” aangenomen oordeel terug te komen. Grief II kan niet slagen.
6.19.
De grieven III en IV lenen zich voor een gezamenlijke behandeling. Zij zijn gericht tegen de overweging van de rechtbank dat partijen het (in grote lijnen) eens zijn over de waardering van de bos- en landbouwpercelen en de correctie die de rechtbank om die reden heeft toegepast op de waardebepaling van de deskundigen.
Het hof stelt bij een vergelijking van de tabel op pagina 116 van het deskundigenrapport met de tabel in r.o. 3.27 van het bestreden vonnis vast dat de rechtbank alleen met betrekking tot de objecten 5, 15, 16, 17 en 18 andere bedragen heeft gehanteerd dan de deskundigen. Het verschil bij de berekening van het slechtste scenario bedraagt € 41.480,=. Zou de rechtbank deze correctie buiten beschouwing hebben gelaten, dan zou zij zijn uitgegaan van een waarde in het slechtste geval van € 276.940,= (€ 235.460,= plus € 41.480,=), ook nog lager dan door de deskundigen vastgesteld. Rekening houdend met de correcties die de rechtbank heeft gehanteerd (25% rendementseis en € 30.000,= verkoopkosten), zou de rechtbank dan zijn uitgekomen op een onderhandse verkoopwaarde van ongeveer € 177.700,=. Zou het hof al moeten uitgaan van dit bedrag als de onderhandse verkoopwaarde in het slechtst mogelijke geval, dan geeft dat het hof geen aanleiding om anders te oordelen dan hiervoor in het principaal hoger beroep gedaan. Feit blijft dan immers dat de rechtbank (beredeneerd) op een andere waarde uitkomt dan de deskundigen. Het hof neemt die waarde niet als juist over, maar verwijst daarnaar omdat het feit van de prijscorrectie voor de objecten met de nummers 5, 15, 16, 17 en 18 illustratief is voor het feit dat verschillende personen tot verschillende waarderingen komen voor de minimaal realiseerbare prijs. Overigens komt het hof bij inachtneming van de door de deskundigen aangehouden waarden voor de desbetreffende percelen niet tot een ander oordeel dan hiervoor onder 6.15.3 tot en met 6.15.5 gegeven. De grieven III en IV kunnen er daarom niet toe leiden dat het bestreden vonnis in stand moet blijven.
6.20.
Het voorgaande betekent dat het vonnis van de rechtbank niet in stand kan blijven. De vorderingen van WML komen niet voor toewijzing in aanmerking. Het hof zal daarom beslissen als na te melden. Daarbij heeft WML zowel in eerste aanleg als in hoger beroep als de in het ongelijk gestelde partij te gelden. Om die reden zal zij worden veroordeeld in de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep. Daarbij merkt het hof op dat het voorschot op de kosten voor het rapport van de deskundigen in eerste aanleg ten laste zijn gebracht van WML. Mocht [appellant] deze kosten inmiddels ter voldoening aan de veroordeling in de proceskosten in eerste aanleg hebben voldaan, dan merkt het hof op dat met de beslissing in hoger beroep de titel aan die betaling komt te ontvallen en WML gehouden is dat bedrag als onverschuldigd betaald terug te betalen. De deskundigenkosten blijven voor rekening van WML.
7. De uitspraak
Het hof:
op het principaal en incidenteel hoger beroep
vernietigt het vonnis waarvan beroep;
wijst de vorderingen van WML af;
veroordeelt WML in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [appellant] voor wat betreft de eerste aanleg op € 800,= aan griffierecht en op € 20.640,= aan salaris advocaat en voor wat betreft het hoger beroep op € 104,80 aan dagvaardingskosten, op € 1.649,= aan griffierecht en op € 23.390,= aan salaris advocaat voor het principaal hoger beroep en op € 2.339,= aan salaris advocaat voor het incidenteel hoger beroep en voor wat betreft de nakosten op € 157,= indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 246,= vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. Y.L.L.A.M. Delfos-Roy, R.J.M. Cremers en D.J.B. de Wolff en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 22 mei 2018.
griffier rolraadsheer
Uitspraak 21‑06‑2016
Inhoudsindicatie
Artikel 7:661 BW. Aansprakelijkheid voor schade die is ontstaan bij de uitvoering van de arbeidsovereenkomst. Opzet of bewuste roekeloosheid? Aansprakelijkheid voor gevolgschade (waaronder onderzoekskosten), wanneer het verweten handelen zelf uiteindelijk ongedaan is gemaakt en de werkgever in haar oude rechtspositie is hersteld.
Partij(en)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Afdeling civiel recht
zaaknummer HD 200.149.141/02
arrest van 21 juni 2016
in de zaak van
[appellant] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellant in het principaal hoger beroep,
geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,
hierna aan te duiden als “ [appellant] ”,
advocaat: mr. P.J.M. Brouwers te Maastricht,
tegen
NV Waterleiding Maatschappij Limburg,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde in het principaal hoger beroep,
appellante in het incidenteel hoger beroep,
hierna aan te duiden als “WML”,
advocaat: mr. S.G.J. Habets te Kerkrade,
op het bij exploot van dagvaarding van 25 april 2014 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 29 januari 2014, door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen tussen [appellant] als gedaagde en WML als eiseres.
1. Het geding in eerste aanleg (zaaknummer C/03/163575/HAZA 11-645)
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en naar de vonnissen van de kantonrechter te Maastricht onder nummer 316668 CV EXPL 08-5195 van 17 juni 2009, 31 maart 2010, 27 juli 2011 en van de rechtbank Maastricht van 12 oktober 2011, 4 april 2012, 12 september 2012 en 5 december 2012. In eerste aanleg is dit geding gevoegd behandeld met de zaak onder nummer C/03/160065 / HA ZA 11-304 tussen [appellant] als eiser en WML en [geïntimeerde 2] als gedaagden. Ook tegen de beslissing in die zaak is hoger beroep ingesteld, welk hoger beroep is behandeld onder zaaksnummer 200.149.153/02.
2. Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
de dagvaarding in hoger beroep;
- -
de memorie van grieven d.d. 18 november 2014 met 34 producties, genummerd 0 tot en met 33;
- -
een erratum bij de memorie van grieven d.d. 18 november 2014;
- -
de memorie van antwoord in principaal hoger beroep, tevens memorie van grieven in het incidenteel hoger beroep, d.d. 27 januari 2015 met elf producties, waarbij WML haar eis heeft vermeerderd;
- -
de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep d.d. 7 april 2015 met de producties 37 tot en met 41;
- -
het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
3. De beoordeling
3.1
De feiten
In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de navolgende feiten:
[appellant] is op 1 januari 1992 bij WML in dienst getreden. In 2002 is zijn functie gewijzigd in die van rentmeester, welke functiebenaming op 21 januari 2008 met terugwerkende kracht tot 1 januari 2008 is gewijzigd in die van Manager Registergoederen.
Met als grondslag een projectformulier d.d. 20 december 2002 is WML gestart met het “project Optimalisatie Grondbezit”. Doel van dit project was om in een termijn van vier jaar alle niet voor WML relevante gronden te verkopen en de netto-opbrengst te gebruiken voor aankopen binnen de duurzaam te handhaven waterwingebieden.
WML was in het kader van een uitwisselingsproject een raamovereenkomst aangegaan met “Taxatie en adviesburo [taxatie en adviesburo] ” (verder te noemen: [taxatie en adviesburo] ). [voormalig medewerker van taxatie en adviesburo] was werkzaam voor [taxatie en adviesburo] en werkte in het kader van de raamovereenkomst met WML tevens gedeeltelijk voor WML. [appellant] was in het kader van het uitwisselingsproject één dag per week werkzaam in de vestiging van [taxatie en adviesburo] te [vestigingsplaats] . De heer [voormalig medewerker van taxatie en adviesburo] (verder te noemen: [voormalig medewerker van taxatie en adviesburo] ) werkte samen met [appellant] .
[appellant] heeft in het kader van dit “project Optimalisatie Grondbezit” bij overeenkomst van 24 december 2007 namens WML 21 percelen (in totaal 58 ha groot) verkocht aan de heer [koper 1] (verder te noemen: [koper 1] ) - of een door deze nader te noemen meester - zulks voor een bedrag van € 115.003,=. Voor [koper 1] is in de plaats getreden [Beleggingen] Beleggingen B.V. (verder te noemen: [Beleggingen] ). De hiervoor bedoelde percelen zijn op 25 februari 2008 door WML, daartoe vertegenwoordigd door [appellant] , geleverd aan [Beleggingen] . [Beleggingen] heeft tussen 27 mei 2008 en 15 augustus 2008 vijf van de 21 percelen doorverkocht voor een totaalbedrag van € 239.500,=.
[Beleggingen] is op 4 januari 2008 opgericht door [beheer] Beheer B.V. en mevrouw [partner van voormalig medewerker van taxatie en adviesburo] , partner van [voormalig medewerker van taxatie en adviesburo] . [beheer] Beheer B.V. is diezelfde dag opgericht door [voormalig medewerker van taxatie en adviesburo] en [partner van voormalig medewerker van taxatie en adviesburo] . Van 4 januari 2008 tot 25 februari 2008 was Rentmeesterskantoor [rentmeesterkantoor] B.V. (verder te noemen: Rentmeesterskantoor [rentmeesterkantoor] ) bestuurder van [Beleggingen] en vanaf 25 februari 2008 was dat [koper 1] . [beheer] Beheer B.V. was enig aandeelhouder van Rentmeesterskantoor [rentmeesterkantoor] B.V. [voormalig medewerker van taxatie en adviesburo] en zijn echtgenote zijn aandeelhouders van [Beleggingen] .
In de loop van de eerste maanden van 2008 heeft een fretteur contact opgenomen met WML (in de persoon van de heer [medewerker van WML] ) met de vraag of een bepaald perceel nog eigendom was van WML. [medewerker van WML] is nagegaan of het desbetreffende perceel nog eigendom was van WML. Daarbij is hem gebleken dat het betreffende perceel, samen met nog 20 andere percelen, op 24 december 2007 door [appellant] , handelende op naam van WML, voor een bedrag van € 115.003,= was verkocht en op 25 februari 2008 was geleverd aan [Beleggingen] .
WML heeft aan [bedrijfsrecherche] Bedrijfsrecherche B.V. (verder te noemen: [bedrijfsrecherche] ) opdracht gegeven een onderzoek in te stellen naar [appellant] en het handelen van [appellant] in het kader van bedoelde verkoop. [bedrijfsrecherche] heeft op 8 oktober 2008 gerapporteerd aan WML. [bedrijfsrecherche] concludeert – zakelijk weergegeven – dat is vastgesteld dat WML is benadeeld door de wijze waarop [appellant] namens WML de 21 percelen heeft verkocht. Volgens [bedrijfsrecherche] heeft zij ook vastgesteld dat [appellant] zeer waarschijnlijk betrokken was bij de doorverkoop van percelen door [Beleggingen] aan derden. Vooralsnog was volgens [bedrijfsrecherche] niet vastgesteld dat [appellant] direct dan wel indirect voordeel heeft genoten van deze transactie.
Op 27 oktober 2008 heeft WML, na daartoe verkregen verlof, ex art. 843a Rv bewijsbeslag laten leggen op de gehele administratie van [appellant] . Bij schrijven van 4 november 2008 heeft zij [appellant] verzocht haar uiterlijk op 7 november 2008 te berichten of hij bereid was om medewerking te verlenen aan inzage in en afgifte van de administratie waarop WML beslag had gelegd, bij gebreke waarvan WML een kort geding aanhangig zou maken.
Bij vonnis in kort geding d.d. 23 december 2008 heeft de kantonrechter in de voormalige rechtbank Maastricht aan de zijde van ieder der partijen een vertrouwenspersoon benoemd.
Bij vonnis in kort geding van 10 april 2009 heeft de kantonrechter [appellant] veroordeeld om te gehengen en te gedogen dat een door WML aan te wijzen deskundige volledige inzage krijgt in de in beslag genomen administratieve bescheiden van [appellant] en dat deze deskundige zal onderzoeken en bepalen van welke bescheiden inzage en/of afgifte van een kopie of uittreksel aan WML dient te worden gegeven.
Naar aanleiding van dit vonnis heeft WML [Forensic & Dispute Services] (verder te noemen: [Forensic & Dispute Services] ) opdracht gegeven een onderzoek in stellen ter beantwoording van een drietal (sub)vragen:
1. Is [appellant] willens en wetens betrokken geweest bij de verkoop van de 21 percelen aan [Beleggingen] ?
2. Is [appellant] betrokken geweest of was hij op de hoogte van doorverkoop door [Beleggingen] van enkele van deze percelen aan derden voor een substantieel hogere prijs?
3. Heeft [appellant] direct of indirect een (financieel) belang gehad of nagestreefd met de betrokkenheid bij en/of de meeropbrengst van (enkele van) deze percelen bij doorverkoop door [Beleggingen] aan derden?
In haar rapport van 26 november 2009 beantwoordt [Forensic & Dispute Services] de eerste vraag positief. Ten aanzien van de tweede vraag stelt [Forensic & Dispute Services] vast dat [appellant] bij alle doorverkochte percelen vooraf de namen van geïnteresseerde kopers aan [voormalig medewerker van taxatie en adviesburo] en [koper 1] heeft doorgegeven, dat hij in het geval van één der doorverkochte percelen de koper heeft bijgestaan en dat [appellant] op de hoogte is geweest van het feit dat de doorverkochte percelen voor een substantieel hoger bedrag werden doorverkocht. Ten aanzien van de derde vraag merkt [Forensic & Dispute Services] op dat aan [appellant] een voorstel was gedaan om te participeren in [Beleggingen] in de vorm van een optie op aandelen van [Beleggingen] , dat zijn echtgenote is verzocht om te investeren in [Beleggingen] en dat [appellant] [voormalig medewerker van taxatie en adviesburo] heeft medegedeeld dat hij voornemens was om gebruik te maken van een te verlenen optierecht. Daarbij merkt [Forensic & Dispute Services] op dat [appellant] heeft verklaard dat zowel de optieovereenkomst als ook de geldlening door zijn echtgenote nimmer zijn geëffectueerd.
Bij beschikking van de kantonrechter te Maastricht van 8 maart 2010 is de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 15 maart 2010 ontbonden zonder toekenning van enige vergoeding aan [appellant] . De kantonrechter heeft hier, zakelijk weergegeven, geoordeeld dat [appellant] niet transparant en integer had gehandeld en mede daardoor de ernstige verdenking op zich had geladen zijn werkgever moedwillig te hebben benadeeld ten gunste van [Beleggingen] .
WML heeft bij dagvaarding van 1 maart 2010 [Beleggingen] voor de toenmalige rechtbank Roermond gedagvaard. In die procedure heeft de rechtbank op 28 januari 2011 een comparitie gehouden, bij gelegenheid waarvan onder meer [voormalig medewerker van taxatie en adviesburo] uitvoerig over de totstandkoming van de onderhavige transactie heeft verklaard.
Bij vonnis van 28 maart 2012 heeft de rechtbank Roermond in voormelde procedure voor recht verklaard dat de koopovereenkomst van 24 december 2007 en de notariële akte tussen WML en [Beleggingen] van 25 februari 2008 nietig zijn, met machtiging van WML om over te gaan tot (terug)levering van de in het vonnis genoemde percelen en met veroordeling van [Beleggingen] om aan WML een bedrag te betalen van € 124.497,= vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 februari 2008. Dit vonnis is bekrachtigd bij arrest van het hof te 's‑Hertogenbosch van 22 oktober 2013. Tegen dit arrest is geen cassatie ingesteld.
Na het arrest van 22 oktober 2013 hebben WML en [Beleggingen] een regeling getroffen waarbij in elk geval de levering van alle bij de door bemiddeling van [appellant] tot stand gekomen transactie betrokken percelen die nog niet waren doorverkocht ongedaan is gemaakt en de opbrengst van de door [Beleggingen] doorverkochte percelen is vergoed aan WML, waardoor WML is hersteld in haar vermogenspositie zoals die was vóór de totstandkoming van de gewraakte overeenkomst.
3.2.
Het geschil in eerste aanleg
3.2.1.
In de onderhavige procedure heeft WML, na herhaalde vermeerdering van eis, naast bevelen aan [appellant] om een onderzoek naar zijn administratie respectievelijk dat WML inzage neemt en een kopie en/of uittreksel ontvangt van de na onderzoek aangewezen bescheiden te gehengen en gedogen, een verklaring voor recht gevorderd dat [appellant] aansprakelijk is voor de door WML geleden en nog te lijden schade als gevolg van de verkooptransactie tussen WML en [Beleggingen] van 25 februari 2008, met veroordeling van [appellant] voor wat betreft de kosten van onderzoek tot betaling van € 431.151,= vermeerderd met btw ter compensatie van de door WML reeds geleden schade en tot betaling van € 16.831,69, althans € 6.587,98 wegens buitengerechtelijke incassokosten en met veroordeling van [appellant] tot betaling van de nog te lijden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, alles vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 februari 2008, althans vanaf 27 oktober 2008, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening en met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding, alles voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
3.2.2.
Aan deze vordering heeft WML, kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. [appellant] heeft voor het pakket van 21 percelen een prijs bedongen die veel te laag is vastgesteld, waardoor WML is benadeeld. [appellant] was hiervan op de hoogte en hij heeft gehandeld in samenspraak met, kort gezegd, (betrokkenen bij de oprichting van) [Beleggingen] . Hem waren optierechten op aandelen in deze laatstgenoemde vennootschap aangeboden en [Beleggingen] heeft een voorstel gedaan om de echtgenote van [appellant] te laten investeren in haar bedrijf. Uit in de administratie van [appellant] aangetroffen bescheiden en aantekeningen blijkt dat hij bij de vaststelling van het pakket van 21 percelen op de hoogte was van belangstelling van andere kopers voor een aantal percelen in het pakket, dat hij op de hoogte was van de werkelijke waarde van de percelen, die veel hoger was dan de waarde waarvoor ze in het pakket waren opgenomen, en dat hij, na verkoop en levering aan [Beleggingen] , betrokken is geweest bij het doorverkopen van vijf van de 21 percelen door [Beleggingen] . Primair voert WML aan dat [appellant] aldus bij de uitvoering van de arbeidsovereenkomst met WML schade heeft toegebracht aan WML, welke schade het gevolg is van zijn opzet of bewuste roekeloosheid. Subsidiair voert zij – zo begrijpt het hof - aan dat uit de omstandigheden van het onderhavige geval voortvloeit dat [appellant] aansprakelijk kan worden gehouden voor de door haar als gevolg van de verkooptransactie geleden en te lijden schade, omdat zijn handelen verregaand onzorgvuldig dan wel ernstig verwijtbaar is, hetgeen volgens WML voldoende is voor aansprakelijkheid op grond van artikel 7: 661 BW. Het hof zal in het vervolg de door WML bedoelde verkooptransactie van 25 februari 2008, zijnde de datum van levering, aanduiden als de transactie.
3.2.3.
[appellant] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. In hoofdlijnen komt dit erop neer dat hij betwist dat WML schade heeft geleden en, voorts, dat hij aansprakelijk kan worden gehouden voor een eventuele schade, omdat die niet aan zijn opzet of bewuste roekeloosheid is te wijten. Voor zover in hoger beroep van belang, zal in het navolgende nader op het verweer worden ingegaan.
3.2.4.
Na verwijzing door de kantonrechter naar de meervoudige kamer voor de behandeling van civiele zaken van de rechtbank Maastricht bij vonnis van 27 juli 2011 heeft de rechtbank bij vonnis van 4 april 2012 een onderzoek gelast door drie deskundigen ter beantwoording van een drietal vragen, die er – zakelijk weergegeven - op neerkomen dat de deskundigen dienden te rapporteren omtrent de bandbreedte waarbinnen de waarde van het pakket van 21 percelen dat was verkocht kon worden vastgesteld met inachtneming van de door de rechtbank genoemde condities. Na rapportage door de deskundigen heeft de rechtbank bij het in dit geding bestreden eindvonnis van 29 januari 2014 voor recht verklaard dat [appellant] aansprakelijk is voor de door WML geleden en nog te lijden schade als gevolg van de transactie tussen WML en [Beleggingen] op 25 februari 2008. Voorts heeft de rechtbank [appellant] veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 215.000,= aan onderzoekskosten, tot betaling van de wettelijke rente over het schadebedrag vanaf 25 februari 2008, tot betaling van de door WML nog te lijden schade, op te maken bij staat en tot betaling van een bedrag van € 115.924,95 aan proceskosten, waaronder € 3.584,= als kosten van de diverse beslagen. Het door WML meer of anders gevorderde heeft de rechtbank afgewezen.
3.3.
Het geschil in hoger beroep
3.3.1.
[appellant] is tijdig in beroep gekomen tegen het eindvonnis van de rechtbank Maastricht d.d. 29 januari 2014. In de memorie van grieven heeft [appellant] een aantal bezwaren tegen dit vonnis aangevoerd, onderverdeeld in zes groepen welke groepen (groeps)grieven bevatten. Blijkens de toelichting hierop stelt [appellant] hiermee de navolgende onderwerpen ter discussie:
I. de vastgestelde feiten (groepsgrief 1, mvg);
II. de rechtsstrijd van partijen (groepsgrief 2, mvg);
III. de waarde en de verkoopprijs van het pakket percelen (groepsgrieven 3 en 4, mvg);
IV. de opzet of bewuste roekeloosheid (groepsgrieven genummerd 5, 6 eerste, 6 tweede, 7, en 8, mvg);
V. de (omvang van de) schade (groepsgrief genummerd 10 eerste, mvg)
VI. het bewijs (groepsgrief genummerd 10 tweede, mvg).
Uit voormelde opsomming blijkt dat [appellant] niet consequent is geweest in de nummering van zijn (groeps)grieven. Nummer zes komt twee maal voor, nummer 9 ontbreekt, terwijl nummer 10 juist weer twee keer voorkomt. Teneinde verwarring te voorkomen zal het hof zo nodig de hiervoor achter de opsomming gehanteerde aanduiding aanhouden.
3.3.2.
WML heeft in het principaal hoger beroep verweer gevoerd. Het hof zal daar zo nodig bij de beoordeling van de grieven op terugkomen. Zij heeft in het principaal hoger beroep geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis waarvan beroep.
3.3.3.
WML heeft in incidenteel hoger beroep tegen het eindvonnis van 29 januari 2014 één onvoorwaardelijke grief aangevoerd. De onvoorwaardelijke grief (grief I) betreft het oordeel van de rechtbank dat de gevorderde vergoeding voor onderzoekskosten slechts tot een bedrag van € 215.000,= toewijsbaar is. Op grond van deze grief concludeert WML tot vernietiging van het eindvonnis van 29 januari 2014 voor zover de door haar gevorderde vergoeding voor onderzoekskosten deels is afgewezen en om [appellant] dienaangaande, na vermeerdering van eis, te veroordelen om aan haar een bedrag te betalen van € 501.866,25.
In het incidenteel hoger beroep heeft WML voorwaardelijk, voor het geval dat het hof op enig onderdeel mocht beslissen tot vernietiging van het bestreden eindvonnis, een drietal grieven aangevoerd, waarvan één (grief II) tegen het tussenvonnis van 4 april 2012. Grief II strekt ten betoge dat de rechtbank de deskundigen had moeten opdragen om te onderzoeken wat de som van de waarden bij verkoop per individueel perceel zou zijn geweest. De grieven III en IV zijn gericht tegen de overwegingen in r.o. 3.13 en 3.14 van het eindvonnis dat tussen partijen overeenstemming zou bestaan over de waardering van bos- en landbouwpercelen en dat de door de rechtbankdeskundigen vermelde bedragen op pagina 116 van hun rapport dienen te worden vervangen door de waarde waarover partijen het kennelijk eens zijn. In het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep concludeert WML dat het hof bij gehele of gedeeltelijke vernietiging van het eindvonnis de oorspronkelijke vorderingen van WML alsnog zal toewijzen.
3.3.4.
[appellant] heeft in het incidenteel hoger beroep verweer gevoerd. Het hof zal daar zo nodig bij de beoordeling van de grieven op terugkomen.
3.4.
Ten aanzien van de grieven in het principaal en incidenteel hoger beroep
3.4.1.
Het hof stelt bij de beoordeling van de grieven het navolgende voorop. Inmiddels is de gewraakte transactie waar [appellant] op wordt aangesproken ongedaan gemaakt. Zoals namens WML bij gelegenheid van het op 26 augustus 2015 in hoger beroep gehouden pleidooi op een vraag van het hof is geantwoord, is WML door het treffen van een regeling met [Beleggingen] naar aanleiding van het arrest van dit hof van 22 oktober 2013 hersteld in haar vermogenspositie zoals die was vóórdat de door [appellant] met [Beleggingen] gemaakte afspraken tot stand waren gekomen. Dat betekent dat nu, achteraf, kan worden aangenomen dat WML geen directe schade (in de vorm van een verschil tussen de bedongen koopsom en de werkelijke waarde van het pakket percelen) heeft geleden als gevolg van de transactie op 25 februari 2008. Voor zover WML beoogt te betogen dat er ondanks voornoemd herstel in haar vermogenspositie nog nader op te maken schade kan bestaan zal het hof later over de gevorderde verwijzing naar de schadestaat oordelen.
3.4.2.
WML vordert voorts nog schade bestaande uit onderzoekskosten en overige buitengerechtelijke incassokosten, alsmede “nog te lijden schade”. De buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn in beginsel beperkt tot die werkzaamheden die vóór aanvang van de onderhavige procedure zijn uitgevoerd, zodat dienaangaande geen schade meer kan ontstaan. Niet valt uit te sluiten dat WML als gevolg van het handelen van [appellant] in de toekomst nog schade zal lijden. Of daartoe verwijzing naar een schadestaatprocedure moet volgen, zal het hof beoordelen nadat zal zijn beslist op de vraag of [appellant] aansprakelijk is voor de door WML gestelde schade.
3.4.3.
Het hof merkt op dat, indien zou worden vastgesteld dat WML geen schade heeft geleden als gevolg van de verkoop van het onderhavige pakket percelen, dit niet aan zijn aansprakelijkheid voor onderzoekskosten in de weg hoeft te staan.
3.4.4.
De werknemer die op grond van het bepaalde in artikel 7:661, lid 1 BW aansprakelijk is voor door hem in de uitoefening van zijn arbeidsovereenkomst veroorzaakte schade is in beginsel binnen de grenzen van art. 6:98 BW aansprakelijk voor alle schade die de benadeelde als gevolg van aansprakelijkheid scheppende gebeurtenis lijdt, dus ook de (redelijke) kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid. Die kunnen ook voor vergoeding in aanmerking komen wanneer uiteindelijk niet komt vast te staan dat schade is geleden ten gevolge van de verkoop onderhavige percelen. Wel moet dan komen vast te staan dat de werknemer aansprakelijk is voor de gevolgen van het verweten handelen. De kosten dienen voorts als gevolg van het aansprakelijkheid scheppende handelen te zijn gemaakt (sine-qua-non-verband) en zij dienen tevens in een zodanig verband met dit handelen te staan dat zij mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als gevolg van deze gebeurtenis aan de aansprakelijke persoon kunnen worden toegerekend (vgl. HR 11 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7423, vgl. ook HR 13 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:586). Aan aansprakelijkheid voor de gevolgen van het verweten handelen kan niet afdoen dat, zoals hiervoor is overwogen in r.o. 3.4.1., WML is hersteld in haar vermogenspositie zoals die was vóórdat de verweten handelingen hadden plaatsgevonden.
Ten aanzien van de grieven in het principaal hoger beroep
I. Grieven terzake de vastgestelde feiten.
3.5.1.
Het hof heeft, met inachtneming van grief 1 en hetgeen WML daartegen heeft aangevoerd, hiervoor zelfstandig vastgesteld welke feiten en omstandigheden voor de beoordeling relevant zijn en als vaststaand kunnen worden aangenomen, zodat [appellant] geen belang heeft bij een nadere opname van de feiten. Grief 1 behoeft geen (verdere) beoordeling.
II. Grieven terzake de rechtsstrijd tussen partijen.
3.6.1.
In (groeps)grief 2 betoogt [appellant] dat de rechtbank buiten de rechtsstrijd tussen partijen is getreden door zelf onderzoek te verrichten naar de vraag wat de minimale verkoopprijs voor het pakket percelen was en daarbij een eigen redenering te ontwikkelen ten aanzien van het rapport van de deskundigen om tot de conclusie te komen dat de verkoopprijs een relatief klein bedrag te laag was. Hierdoor heeft de rechtbank volgens [appellant] over een ander dispuut geoordeeld dan aan haar was voorgelegd, want WML heeft een geschil voorgelegd over een groot verschil tussen de bedongen verkoopprijs en de werkelijke waarde (een bedrag van 1,2 à 1,3 miljoen euro), terwijl de rechtbank volgens [appellant] oordeelt over een relatief beperkt waardeverschil van € 30.000,=.
3.6.2.
Groepsgrief 2 kan niet slagen. In de eerste plaats miskent de grief dat de rechtbank heeft geoordeeld dat het waarde ergens is gelegen tussen een bedrag van € 147.000= en een bedrag van € 615.000,= en in het meest waarschijnlijke scenario een bedrag van € 264.000,=. [appellant] had, zo oordeelt de rechtbank, in het meest ongunstige (en minst realistische) geval een opbrengst van € 30.000,- meer kunnen realiseren dan hij heeft gedaan. In zoverre berust de grief op een verkeerde lezing van het vonnis.
3.6.3.
In de tweede plaats merkt het hof op dat WML aan haar vorderingen ten grondslag heeft gelegd dat [appellant] haar door opzet of daaraan grenzende roekeloosheid schade heeft berokkend in de uitoefening van zijn functie als rentmeester. De kern van het aan [appellant] gemaakte verwijt was dat hij een te lage koopsom had bedongen voor een pakket percelen. Na betwisting daarvan heeft de rechtbank opdracht gegeven aan deskundigen om de waarde van het pakket binnen een door hen nader aan te geven bandbreedte vast te stellen, zulks om het verschil tussen de waarde en de bedongen koopsom (en daarmee de juistheid of onjuistheid van het door WML ingenomen standpunt) te kunnen beoordelen. Het is vervolgens aan de rechtbank om het door de deskundigen uitgebrachte rapport op zijn merites te beoordelen. Zij kan daarbij de conclusies van de deskundige overnemen. Maar voor zover zij die niet kan delen, staat het haar vrij om, mits deugdelijk gemotiveerd, van die conclusies af te wijken. Voor zover de rechtbank dan vervolgens tot de slotsom komt dat die waarde anders is dan door WML gesteld, brengt dat niet mee dat het onderwerp van het geschil een ander wordt. De omvang van het financieel belang is immers niet het primair strijdpunt dat ter discussie staat. De rechtsstrijd betreft de vraag of [appellant] in de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst schade heeft veroorzaakt voor WML en, zo ja, of is voldaan aan de wettelijke voorwaarde voor aansprakelijkheid daarvoor van [appellant] . De rechtbank heeft dit niet miskend en is, oordelend als zij heeft gedaan niet buiten die rechtsstrijd getreden.
3.6.4.
Met de grieven 3 en 4 betoogt [appellant] dat de transactie de onderhavige 21 percelen betreffende op zijn merites had moeten worden beoordeeld. Naar het hof begrijpt had de rechtbank volgens [appellant] moeten onderzoeken of hij met inachtneming van alle omstandigheden van het geval in redelijkheid tot de door hem vastgestelde verkoopprijs had kunnen komen. De transactie dient, aldus [appellant] , niet zuiver te worden beoordeeld op grond van de hoogte van de waarde van de percelen.
3.6.5.
Dienaangaande overweegt het hof dat de grieven falen voor zover [appellant] betoogt dat voor WML geen schade kan bestaan indien [appellant] in redelijkheid tot de door hem vastgestelde koopsom kon besluiten. Voor zover [appellant] heeft betoogd dat voor de beoordeling van zijn eventuele aansprakelijkheid de door hem vastgestelde koopsom op zijn merites dient te worden beoordeeld, slagen de grieven 3 en 4. Het in zoverre slagen van de grieven kan evenwel vooralsnog niet leiden tot vernietiging van het bestreden vonnis, nu het oordeel over de aansprakelijkheid van [appellant] , zoals hierna wordt overwogen wordt aangehouden.
IV. Grieven terzake de opzet of bewuste roekeloosheid.
3.7.1.
Voor het antwoord op de vraag of WML aanspraak heeft op schadevergoeding, waaronder vergoeding van de gevorderde kosten ex artikel 6:96 lid 2 aanhef en sub b BW, dient allereerst vastgesteld te worden of [appellant] aansprakelijk is voor de gevolgen van zijn handelen. Ten aanzien van de gevolgen van het handelen van [appellant] als werknemer van WML in de uitoefening van zijn functie bepaalt artikel 7:661, lid 1 BW dat [appellant] aansprakelijk is wanneer de schade een gevolg is van zijn opzet of bewuste roekeloosheid. Het hof zal, alvorens in te gaan op de discussie over het bestaan van schade, eerst de grieven behandelen die zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank op dit punt.
3.7.2.
De rechtbank heeft in eerste aanleg ten aanzien van de vereiste opzet of bewuste roekeloosheid in de r.o. 3.58 en 3.59 het navolgende overwogen:
3.58.
Uit hetgeen hierboven is vastgesteld, trekt de rechtbank de conclusie dat de schade die door de rechtbank is vastgesteld, door [appellant] zo niet opzettelijk, dan toch in ieder geval bewust roekeloos is veroorzaakt. Dat [appellant] grote delen van de administratie betreffende de percelen van WML in fysieke vorm thuis aanwezig had, terwijl hij daartoe ook toegang zou hebben kunnen krijgen via het netwerk waarop hij via zijn werkplek thuis kon inloggen, rechtvaardigt in het licht van de hierna vermelde omstandigheden de conclusie dat [appellant] handelingen met betrekking tot die percelen buiten het zicht van WML wilde houden. Hetzelfde geldt voor het feit dat [appellant] geen toestemming heeft gevraagd aan de sectormanager voor de omstreden verkoop. Het moge zo zijn dat het bij WML praktisch gebruikelijk was dat [appellant] percelen verkocht zonder toestemming van zijn sectormanager, maar in het licht van de hierboven genoemde omstandigheden ligt het meer voor de hand dat [appellant] bij dit omvangrijke en voor de toekomst van WML belangrijke “project” die toestemming niet heeft gevraagd omdat hij zaken wilde verbergen.
3.59.
Gebleken is ook van een innige samenwerking tussen [appellant] en [voormalig medewerker van taxatie en adviesburo] en [koper 1] , die als aandeelhouder respectievelijk bestuurder betrokken waren bij [Beleggingen] , zonder dat daarvan enig relevant voordeel voor WML te verwachten viel. Integendeel: [appellant] heeft [Beleggingen] ten laste van WML bevoordeeld door enkele percelen voor veel te lage prijzen aan [Beleggingen] te verkopen. Zulks blijkt uit de aanwijzingen die [appellant] heeft gegeven in zijn per e-mail van 27 maart 2008 aan [koper 1] gezonden bericht. Daarnaast heeft [appellant] , terwijl hij wist dan wel had moeten weten dat bepaalde percelen op (zeer) korte termijn verkocht zouden worden, deze te verkopen objecten verpacht of verhuurd, waardoor die in waarde zouden dalen. [appellant] wist dat [Beleggingen] door die waardedaling financieel voordeel zou behalen omdat daarmee de aankoopprijs verminderde, terwijl er gelijktijdig voor WML een daarmee corresponderend nadeel ontstond. Aannemelijk is voorts dat [appellant] , door middel van financiering door zijn echtgenote, zijdelings belang had bij ieder voordeel dat [Beleggingen] zou toevallen.
Blijkens de inleiding op groepsgrief 5 zijn de hieronder geformuleerde grieven gericht tegen de hiervoor aangehaalde conclusie van de rechtbank. De grieven richten zich in het bijzonder tegen de overwegingen die de rechtbank tot die conclusie hebben gebracht en het hof zal alle grieven, voor zover bedoeld om de aangehaalde conclusie aan te vechten, gezamenlijk behandelen.
3.7.3.
Bij die behandeling stelt het hof voorop dat de werknemer ingevolge artikel 7:661 BW niet aansprakelijk is voor de door hem aan de werkgever toegebrachte schade, tenzij de schade een gevolg is van zijn opzet of bewuste roekeloosheid. Uit de omstandigheden van het geval kan, mede gelet op de aard van de overeenkomst, evenwel anders voortvloeien.
3.7.4.
Onder r.o 3.8 heeft de rechtbank geoordeeld dat [appellant] de door de rechtbank vastgestelde schade van WML zo niet opzettelijk dan toch in ieder geval bewust roekeloos heeft veroorzaakt. Of sprake is geweest van opzet heeft de rechtbank niet nader onderzocht.
3.7.5.1. Nu WML ook “opzet” aan haar vordering ten grondslag legt, dient in verband met de devolutieve werking van het appel, indien een van de grieven van [appellant] slaagt, tevens onderzocht te worden of een benadeling van WML het gevolg is van opzet van [appellant] . Om proces-economische reden zal het hof dit element als volgt in zijn beoordeling betrekken.Voor opzet is vereist dat [appellant] met zijn handelen heeft beoogd WML te benadelen (oogmerk), dan wel heeft gehandeld wetende dat zijn handelen met zekerheid zou leiden tot schade voor WML (zekerheidsbewustzijn).
3.7.5.2. Voor een bewust roekeloos handelen in de zin van artikel 7:661 lid 1 BW is vereist dat de werknemer zich onmiddellijk voorafgaand aan het hem verweten handelen daadwerkelijk bewust was van het roekeloze karakter van zijn gedraging (zie HR 20 september 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2142, Pollemans/Hoondert, en HR 14 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU2235, Citytax/De Boer). Geconcretiseerd naar het onderhavige geval betekent dit dat voor het aannemen van bewuste roekeloosheid vast moet komen te staan dat [appellant] zich er daadwerkelijk van bewust was dat zijn handelen onjuist was, dat hij niettemin desbewust de keuze heeft gemaakt om te handelen zoals hij heeft gedaan, en dat [appellant] onmiddellijk voorafgaand aan zijn handelen daadwerkelijk besefte dat hij zich daarvan in verband met de aanmerkelijke kans op schade had behoren te weerhouden.
3.7.5.3. Voor zover WML met haar stelling dat in het onderhavige geval voor aansprakelijkheid van [appellant] voldoende is dat hem verregaand onzorgvuldig handelen kan worden verweten dan wel een ernstig verwijt kan worden gemaakt heeft beoogd te stellen dat een andere, lichtere, schuldgraad dan hiervoor omschreven voldoende is voor aansprakelijkheid van [appellant] gaat dit betoog niet op. WML heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan dient te worden aangenomen dat, mede gelet op de aard van de overeenkomst, een andere schuldgraad geldt dan opzet of bewuste roekeloosheid.
3.7.6.1. De rechtbank heeft het bestaan van ten minste de bewuste roekeloosheid in voormelde zin aangenomen op grond van een aantal door haar in de rechtsoverwegingen 3.32 tot en met 3.57 genoemde omstandigheden. Het hof onderscheidt:
- 1.
[appellant] was op grond van de procuratieregeling niet bevoegd om namens WML een (ver)koopovereenkomst aan te gaan (r.o. 3.33);
- 2.
[appellant] had een groot deel van de administratie, waaronder die met betrekking tot de onderhavige 21 percelen, mee naar huis genomen (r.o. 3.34);
- 3.
[appellant] heeft voor de transactie geen toestemming verkregen van de verantwoordelijke sectormanager [sectormanager] , welke toestemming op grond van de zogenoemde paraferingsmatrix vereist was (r.o. 3.35), en;
- 4.
[appellant] heeft voor de verkoop een prijs bedongen die niet marktconform was, zonder dit te melden of daarover overleg te plegen met [sectormanager] (r.o. 3.36 t/m r.o. 3.41);
- 5.
[appellant] heeft contacten onderhouden met [koper 2] over een perceel te [plaats 4] vanuit de bewuste intentie om [Beleggingen] behulpzaam te zijn bij het doorverkopen van dat perceel en heeft daarover onjuist verklaard (r.o. 3.42, 3.43);
- 6.
[appellant] heeft kennelijk leugenachtig verklaard over de betrokkenheid bij het doorverkopen van percelen door [Beleggingen] aan [koper 3] en [koper 4] (r.o. 3.44 t/m 3.46), omdat uit een e-mail van [appellant] aan [koper 1] d.d. 27 maart 2008 blijkt dat hij dienaangaande adviezen heeft gegeven die verder strekken dan enkel het doorgeven van de namen van geïnteresseerde personen;
- 7.
[appellant] heeft een voorstel ontvangen van [voormalig medewerker van taxatie en adviesburo] voor een deelneming op termijn (via optierechten op aandelen) in [Beleggingen] en financiering van [Beleggingen] vanuit het vermogen van zijn echtgenote, waar hij bij e-mail van 11 november 2007 positief op heeft gereageerd (r.o. 3.47 t/m 3.50) en waarvan de rechtbank niet geloofwaardig acht dat hij daarvan zou hebben afgezien;
- 8.
[appellant] heeft ten onrechte tegenover [Forensic & Dispute Services] verklaard niet te hebben geweten dat de onderneming [Beleggingen] B.V. i.o. een vennootschap van [voormalig medewerker van taxatie en adviesburo] was (r.o. 3.51);
- 9.
bij onderzoek van de computer van [appellant] door [bedrijfsrecherche] is een digitale versie aangetroffen van een koopovereenkomst tussen [Beleggingen] en [koper 5] betreffende een perceel te [plaats 2] , gemeente Simpelveld (r.o. 3.52, 3.53), zodat [appellant] ook bij de doorverkoop van dit perceel betrokken is geweest;
- 10.
[appellant] heeft een deel van een perceel waarvan de pachtovereenkomsten waren geëindigd voor korte duur (drie jaar) verpacht aan [pachter] , waardoor de prijs van het perceel is gedrukt, WML is benadeeld en [Beleggingen] is bevoordeeld (r.o. 3.54 en 3.55);
- 11.
[appellant] heeft een woning op het perceel aan de [perceel] te [plaats 1] voor bepaalde tijd (30 maanden) verhuurd aan twee studenten, wetende dat het perceel en de woning op korte termijn zouden worden verkocht en zonder dat WML belang had bij de verhuur, zodat aannemelijk is dat de verhuur alleen is aangegaan om de prijs van het perceel te drukken ten nadele van WML en ten voordele van [Beleggingen] (3.56 en 3.57).
3.7.6.2. [appellant] heeft op al deze punten betwist dat daaruit de conclusie zou kunnen worden getrokken dat schade is ontstaan voor WML als gevolg van bewust roekeloos handelen zijnerzijds. Primair voert [appellant] aan dat het causaal verband tussen de gemaakte verwijten (onbevoegdheid, niet transparant handelen, betrokkenheid bij de doorverkoop van percelen of zakelijke relaties met de koper) en de gestelde schade ontbreekt. Voorts voert [appellant] grieven aan tegen de overwegingen die de rechtbank aan haar conclusie ten grondslag heeft gelegd. Het hof onderscheidt daarbij meer in het bijzonder de navolgende bezwaren van [appellant] in de memorie van grieven, waarbij wordt verwezen naar de hiervoor gehanteerde nummering:
A. ten aanzien van 1., 2., 3. en 4.:
[appellant] diende zijn opdracht zelfstandig, naar eigen inzicht uit te voeren, met inachtneming van referentietransacties die bij WML bekend waren en de cijfers met betrekking tot exploitatie- en sloopkosten zoals die vanuit de organisatie werden aangeleverd. Bij de totstandkoming van de (ver)koopovereenkomst met [Beleggingen] heeft hij overeenkomstig de gebruikelijke gedragslijn gehandeld, niet anders dan hij ook in het verleden had gedaan, in de veronderstelling verkerende dat hij voor de transactie geen toestemming hoefde te vragen. Anders dan WML stelt, volgt uit de paraferingsmatrix niet dat hij verplicht was om voor elke grondtransactie toestemming te vragen aan zijn leidinggevende. De grondtransacties binnen het “Project tot Optimalisatie van Grondbezit” verliepen via eigen verantwoordingsregels en een eigen verantwoordingssysteem. In dat kader heeft hij nimmer om een paraaf gevraagd en is hij nimmer op het ontbreken van een paraaf aangesproken. Desgevraagd heeft een bedrijfsjurist van WML, mr. [bedrijfsjurist van WML] , hem medegedeeld dat niet duidelijk was of hij binnen het project een paraaf moest vragen en dat dat voor transacties buiten het project alleen nodig was bij aankopen, niet bij verkopen. Door [appellant] zijn gang te laten gaan zonder hem op zijn handelen aan te spreken heeft WML in elk geval bij [appellant] het vertrouwen gewekt dat hij bevoegdelijk handelde.
Het werk van [appellant] was transparant, controleerbaar, en het resultaat werd ook gecontroleerd. Dat hij stukken en administratie thuis had liggen kwam vanwege het feit dat hij drie werkplekken had (bij WML, bij [taxatie en adviesburo] en thuis) en dagelijks op pad moest door de hele provincie, waardoor hij noodgedwongen dossiers van werkplek naar werkplek mee moest nemen. Alle aan- en verkopen werden in een digitaal systeem van WML geregistreerd. De te verkopen percelen en de daaraan gekoppelde prijs waren al op 27 november 2007 op het computernetwerk van de afdeling van [appellant] geplaatst, terwijl na het aangaan van de verkoop maar vóór het transport de bij de transactie gehanteerde prijzen in een aan [sectormanager] gericht statusoverzicht zijn vermeld. De prijs die hij had bepaald was een faire prijs. Een mix van percelen was nodig om van de incourante percelen af te komen.
ten aanzien van 5., 6. en 9.:
Ten onrechte heeft de rechtbank aangenomen dat een perceel is doorverkocht aan [koper 3] . [koper 2] en [koper 4] hebben zich na de verkoop bij WML gemeld als belangstellenden en [appellant] heeft hen toen doorverwezen naar [Beleggingen] . [Beleggingen] heeft vooral met geluk en zonder enige inbreng van [appellant] winst kunnen maken bij het doorverkopen van de percelen. Het doorgeven van informatie ten aanzien van belangstellenden voor een aantal percelen, zoals bijvoorbeeld gedaan bij e-mail van 27 maart 2008, bijlage 21 in hert rapport van [Forensic & Dispute Services] , heeft plaatsgevonden uit fatsoen en welwillendheid tegenover [voormalig medewerker van taxatie en adviesburo] , met wie nog contacten liepen omdat zaken afgewikkeld moesten worden ten aanzien van een aantal van de betrokken percelen. Het contract betreffende de verkoop van een perceel te [plaats 2] is ongevraagd en onaangekondigd door [koper 1] op 28 maart 2008 aan [appellant] gestuurd.
De feiten waarnaar de rechtbank verwijst dateren van na de totstandkoming van de koopovereenkomst, kunnen geen verband houden met die verkoop en vormen geen zelfstandig schadeveroorzakende feiten.
ten aanzien van 7. en 8.:
Ten onrechte hecht de rechtbank belang aan de relatie tussen [appellant] en [voormalig medewerker van taxatie en adviesburo] . [appellant] heeft korte tijd overwogen om met [voormalig medewerker van taxatie en adviesburo] samen te werken, maar tot die samenwerking is het niet gekomen en WML kan dat ook niet bewijzen. Het initiatief tot die samenwerking was afkomstig van [voormalig medewerker van taxatie en adviesburo] . De contacten daarover zijn niet van invloed geweest op de totstandkoming van de vraagprijs voor het pakket percelen en [Forensic & Dispute Services] heeft in haar onderzoek geen spoor van bevoordeling van [voormalig medewerker van taxatie en adviesburo] of [appellant] kunnen vaststellen. Ten onrechte legt de rechtbank in r.o. 3.49, voorlaatste volzin, een verband met de inhoud van de e-mail van 27 maart 2008 van [appellant] aan [koper 1] ter onderbouwing van haar oordeel dat de betwisting van het bestaan van een samenwerking tussen [appellant] en [voormalig medewerker van taxatie en adviesburo] / [Beleggingen] niet geloofwaardig zou zijn. In dit verband heeft de rechtbank ook in r.o. 2.7 ten onrechte als vaststaand aangenomen dat [appellant] en zijn echtgenote stille vennooten zouden zijn in de C.V. [vastgoedbeleggingen] Vastgoedbeleggingen. Voor het aannemen van aansprakelijkheid op grond van artikel 7:661 BW diende de rechtbank over bewijs te beschikken dat [appellant] en [voormalig medewerker van taxatie en adviesburo] gemene zaak hadden gemaakt ten nadele van WML. Dat bewijs is er niet. En zelfs als er een nauwe band zou hebben bestaan tussen [appellant] en [voormalig medewerker van taxatie en adviesburo] , dan is daarmee het bewijs van opzet tot het toebrengen van schade niet gegeven.
ten aanzien van 10. en 11.:
Ten onrechte neemt de rechtbank aan dat de verpachting aan [pachter] voor de duur van drie jaar is bedoeld om [Beleggingen] te bevoordelen. De nieuwe pachtovereenkomst met [pachter] is aangegaan op 30 juni 2007. [Beleggingen] bestond toen nog niet en [voormalig medewerker van taxatie en adviesburo] had toen nog geen voorstellen tot samenwerking gedaan. Bevoordeling van [Beleggingen] kan niet ten grondslag hebben gelegen aan de beslissing om een deel van het perceel in [plaats 3] aan [pachter] te verpachten. Die beslissing was ingegeven door de omstandigheid dat [pachter] dit bedong in ruil voor het doen van afstand van zijn pachtrechten.
De verhuur van de woning op het perceel in [plaats 1] was met ingang van 15 december 2007. De koopovereenkomst met [Beleggingen] was toen nog niet gesloten. [Beleggingen] was akkoord met de verhuur. Het belang van WML was daarmee gediend, omdat daardoor vernielingen werden voorkomen. Verhuur lag in de lijn van de historie van het gebouw en heeft nauwelijks een relevante invloed gehad op de totale waarde van het aangeboden pakket percelen.
3.7.7.
Het hof is van oordeel dat [appellant] met het voorgaande vooralsnog voldoende heeft betwist dat sprake is van bewuste roekeloosheid zijnerzijds. Gezien het voorgaande kan vooralsnog evenmin worden geoordeeld dat sprake is van opzet aan de zijde van [appellant] .
3.7.8.
Het hof overweegt meer in het bijzonder het navolgende.
In de aanloop naar de transactie is de eerste van belang zijnde beslissing van [appellant] diens besluit geweest om de 21 percelen in één pakket te verkopen. Hoewel WML bij memorie van antwoord en memorie van grieven in het incidenteel hoger beroep, grief 2, heeft aangevoerd dat daartoe geen noodzaak bestond, geldt vooralsnog dat - zoals hierna zal worden geoordeeld - [appellant] een grote mate van vrijheid werd geboden bij de uitvoering van het project Optimalisatie Grondbezit. Voorts is onweersproken dat 11 van de percelen in het pakket niet of weinig interessant waren voor kopers van vastgoed. Het betrof de laatste percelen die in het kader van het door WML gestarte project nog verkocht moesten worden. In een dergelijk geval is het niet onredelijk om de resterende percelen tezamen, dus met een aantal percelen die wel aantrekkelijk waren, in één pakket te verkopen, hetgeen te meer geldt nu [appellant] onbetwist heeft gesteld dat hij niet bepaalde welke terreinen verkocht moesten worden. Dit werd intern door WML bepaald. Evenmin is betwist dat op een aantal van de te verkopen terreinen technische gebouwen stonden die onderhoudskosten en/of sloopkosten voor WML meebrachten. Door, zo begrijpt het hof het betoog van [appellant] , de bebouwde terreinen als onderdeel van een pakket, te combineren met voor een koper aantrekkelijkere terreinen, heeft hij verkoop voor WML kunnen realiseren. De beslissing om tot een verkoop in één pakket over te gaan hoeft dus op zichzelf genomen nog niet direct te duiden op een voornemen om deze of gene partij te bevoordelen of te benadelen en evenmin op opzet of bewust roekeloos handelen.
Gezien het voorgaande is het hof vooralsnog van oordeel dat grief 2 in voorwaardelijk incidenteel appel, met welke grief WML betoogt dat de waarde van de verkochte percelen aan de hand van de afzonderlijke percelen moet worden vastgesteld en niet aan de hand van de waarde als pakket, faalt.
3.7.9.
Ten aanzien van de bevoegdheden van [appellant] overweegt het hof als volgt. De aan [appellant] door de directeur van WML verleende volmacht d.d. 22 januari 2007 vermeldt niet de bevoegdheid tot het aangaan van aan- en verkoopovereenkomsten. Evenmin kan [appellant] deze bevoegdheid ontlenen aan de interne procuratieregeling. Beide regelingen geven [appellant] (nagenoeg) identieke bevoegdheden ten aanzien van levering, kort gezegd bevoegdheid om mee te werken aan/voor het passeren van notariële akten tot € 250.000,=.
De functieomschrijving voor de functie “Rentmeester” (versie 5 februari 2002) vermeldt de navolgende tekst:
“Overige verantwoordelijkheden en bevoegdheden/aard en omvang van het functiegebied
De functionaris is hiërarchisch verantwoording schuldig aan het hoofd van de afdeling, maar is volledige bevoegdheid tot het afsluiten van overeenkomsten van aan- en verkoop, vestigen van rechten van opstal, erfdienstbaarheden, kwalitatieve verplichtingen, erfpacht en het afsluiten van huur- en pachtovereenkomsten of het bezwaren van registertegoeden van WML.”
De interne paraferingsmatrix, naar WML stelt geldig sinds 22 juni 2006, vermeldt dat de rentmeester voor notariële aktes tot een bedrag van € 250.000,= interne toestemming van de sectormanager nodig had.
De door WML overgelegde functietypering versie 13 december 2007 (productie 1 bij inleidende dagvaarding) beperkt de bevoegdheid van [appellant] tot het sluiten van ver- en aankoopovereenkomsten in die zin dat toestemming van de afdeling Corporate Control is vereist. [appellant] heeft evenwel betoogd (memorie van antwoord in incidenteel appel) dat deze versie op 24 december 2007 niet gold.
Ook wanneer er van uit zou moeten worden gegaan dat de functietypering versie 13-12-2007 op 24 december 2007 gold, en [appellant] onbevoegd heeft gehandeld hoeft dat op zich nog niet te betekenen dat [appellant] opzettelijk dan wel bewust roekeloos in het nadeel van WML heeft gehandeld. WML liet [appellant] in de praktijk zelfstandig handelen. De hiervoor in r.o. 3.7.6.1. onder 1 en 3 genoemde omstandigheden kunnen wellicht leiden tot het oordeel dat [appellant] heeft gehandeld in strijd met bevoedheidsregelingen, maar ook enkel dat feit geeft op zich vooralsnog geen aanleiding om te veronderstellen dat [appellant] WML opzettelijk dan wel bewust roekeloos heeft benadeeld als bedoeld in r.o. 3.7.5.1. en 3.7.5.2.
3.7.10.
Uit de omstandigheid dat [appellant] een groot deel van de administratie bij zich zelf in huis aanwezig had kan, gelet op de hiervoor onder A. aangehaalde uitleg van [appellant] , vooralsnog niet worden afgeleid dat sprake is geweest van een opzettelijke of bewust roekeloze benadeling van WML bij de onderhavige transactie.
3.7.11.
De belangrijkste factor in het geheel betreft de discussie over de prijs van het pakket percelen. Het hof merkt op dat de waarde van het pakket door meerdere deskundigen, waaronder de door de rechtbank benoemde deskundigen, op (zeer) uiteenlopende bedragen is geschat. De rechtbank heeft de conclusie van de door haar benoemde deskundigen niet overgenomen, maar heeft zelf nog een correctie op hun waardering toegepast.
De omstandigheid dat de waarde van de percelen/het pakket percelen hoger is ingeschat dan de koopsom waarvoor [appellant] het pakket aan [Beleggingen] heeft verkocht betekent evenwel nog niet dat [appellant] jegens WML aansprakelijk is. Als gezegd is voor aansprakelijkheid vereist dat [appellant] opzettelijk dan wel bewust roekeloos heeft gehandeld als bedoeld in r.o. 3.7.5.1 en 3.7.5.2. Gezien het voorgaande en mede in het licht van het betoog van [appellant] dat hij de verkoopprijs van het pakket percelen op € 500.000 minder dan de waarde van het pakket heeft gesteld, omdat hij de sloopkosten van bebouwing, welke met de verkoop van het pakket op [Beleggingen] zijn komen te rusten, daarop in mindering heeft gebracht, terwijl WML de sloopkosten intern op € 600.000 had begroot, en het betoog van [appellant] dat hij de bos- en landbouwpercelen niet te hoog heeft gewaardeerd om [Beleggingen] tot koop van het pakket inclusief de bebouwde percelen met de daaraan verbonden sloopkosten te bewegen, kan vooralsnog niet worden aangenomen dat sprake is van opzettelijke dan wel bewust roekeloze benadeling van WML door [appellant] .
3.7.12.
In r.o. 3.7.6.1. onder 7. en 8. verwijst de rechtbank naar omstandigheden die erop zouden wijzen dat [appellant] persoonlijk een belang zou hebben gehad bij de totstandkoming van de overeenkomst. Onmiskenbaar is dat de contacten van [appellant] met [voormalig medewerker van taxatie en adviesburo] ertoe hebben geleid dat [voormalig medewerker van taxatie en adviesburo] aan [appellant] heeft voorgesteld om deel te nemen in de op te richten besloten vennootschap [Beleggingen] en dat [appellant] daar in eerste instantie enthousiast op heeft gereageerd. [appellant] heeft in eerste aanleg en in hoger beroep evenwel betoogd dat genoemde samenwerking niet tot stand is gekomen.
Bij gelegenheid van het in hoger beroep gehouden pleidooi heeft het hof WML de vraag gesteld of zij in staat is te bewijzen dat [appellant] direct of indirect enig voordeel heeft genoten uit de gesloten overeenkomst. Zij heeft daarop geantwoord dat zij dat niet kan bewijzen.
Het hof stelt vast dat het door WML gestelde motief voor het handelen van [appellant] door [appellant] wordt betwist en dat niet kan worden vastgesteld dat het handelen van [appellant] tot bevoordeling van hem heeft (of zou hebben) geleid. Ook aan de onder 7. en 8. genoemde omstandigheden kan daarom vooralsnog niet de conclusie worden verbonden dat sprake is van opzet dan wel bewuste roekeloosheid aan de zijde van [appellant] als bedoeld in r.o. 3.5.7.1. en 3.5.7.2.
3.7.13.
Dat [appellant] betrokken is geweest bij het doorverkopen van een aantal percelen door [Beleggingen] is voldoende komen vast te staan. Die betrokkenheid brengt in het licht van hetgeen [appellant] heeft betoogd (weergegeven onder r.o. 3.7.6.2 onder B) echter nog niet met zich mee dat [appellant] opzettelijk dan wel bewust roekeloos schade heeft toegebracht aan WML
3.7.14.
WML heeft nog aangevoerd dat [appellant] voordeel heeft genoten uit zijn betrokkenheid bij de doorverkoop van percelen door [Beleggingen] . Desgevraagd bij gelegenheid van het gehouden pleidooi bleek dat voordeel te hebben bestaan uit het verzorgen van een beperkte onderhoudsbeurt aan de auto van [appellant] . Dat voordeel is van een dermate geringe omvang dat het hof daar verder geen acht op zal slaan, teminder nu is gesteld of gebleken dat [appellant] zich dat voordeel had bedongen voor medewerking aan de totstandkoming van de transactie met [koper 1] / [Beleggingen] . De in r.o. 3.7.5 onder 5., 6. en 9. aangehaalde betrokkenheid bij latere transacties met de verkochte percelen levert vooralsnog geen grond op om aan te kunnen nemen dat [appellant] zich op 24 december 2007 bewust was van het feit dat hij WML schade berokkende door de verkoop van het pakket percelen tegen de daarvoor overeengekomen prijs.
3.7.15.
Ook ten aanzien van het verpachten van een perceel aan [pachter] en het verhuren van een woning op een perceel in [plaats 1] (zie hiervoor onder 3.7.6.1. onder 10 en 11) heeft [appellant] verklaringen gegeven. Daarmee weerspreekt [appellant] het standpunt van WML dat hij de pacht- en huurovereenkomst zou zijn aangegaan om de prijs van de percelen in het pakket ten nadele van WML en ten voordele van de koper te beïnvloeden. Vooralsnog kan daarom niet worden geoordeeld dat hetgeen onder 3.7.6.1. onder 10 en 11 is aangehaald wijst op opzet dan wel bewust roekeloos handelen door [appellant] als bedoeld in r.o. 3.5.7.1. en 3.5.7.2.
3.8.
WML heeft [appellant] bij conclusie van repliek nog een aantal andere verwijten gemaakt, meer in het bijzonder met betrekking tot vergoedingen die hij van [taxatie en adviesburo] zou hebben ontvangen en niet zou hebben verantwoord tegenover WML. Het hof gaat aan die verwijten voorbij, omdat de vordering van WML is gericht op de vergoeding van schade die zij stelt te hebben geleden als gevolg van de transactie met [Beleggingen] en schade die zij als gevolg daarvan in de vorm van onderzoekskosten heeft geleden en mogelijk nog zal lijden. Gesteld noch gebleken is dat één van deze schadeposten voortvloeit uit verwijten ten aanzien van vergoedingen die [appellant] van [taxatie en adviesburo] heeft ontvangen. Hetgeen WML dienaangaande bij conclusie van repliek heeft opgemerkt behoeft dan verder geen beoordeling.
3.9.
Het hof komt tot de slotsom dat [appellant] het standpunt van WML dat hij door opzet dan wel bewust roekeloos handelen schade heeft veroorzaakt voldoende gemotiveerd heeft betwist en dat, gelet op die betwisting, hetgeen WML heeft aangevoerd voorshands niet voldoende is om opzet dan wel bewuste roekeloosheid van [appellant] aan te nemen. Nu WML in hoger beroep heeft aangeboden om al haar stellingen te bewijzen, zal het hof WML toelaten te bewijzen dat [appellant] met zijn handelen heeft beoogd WML te benadelen, dan wel heeft gehandeld wetende dat zijn handelen met zekerheid zou leiden tot schade voor WML, althans dat hij zich er daadwerkelijk van bewust was dat zijn handelen onjuist was en hij niettemin de bewuste keuze heeft gemaakt om te handelen zoals hij heeft gedaan, en dat [appellant] onmiddellijk voorafgaand aan zijn handelen daadwerkelijk besefte dat hij zich daarvan in verband met de aanmerkelijke kans op schade had behoren te weerhouden.
3.10.
Het voorgaande leidt dan tot na te melden beslissing. Elke verdere beoordeling en beslissing wordt aangehouden.
4. De uitspraak
Het hof:
laat WML toe te bewijzen dat [appellant] met zijn handelen heeft beoogd WML te benadelen, dan wel heeft gehandeld wetende dat zijn handelen met zekerheid zou leiden tot schade voor WML, althans dat hij zich er daadwerkelijk van bewust was dat zijn handelen onjuist was en hij niettemin de bewuste keuze heeft gemaakt om te handelen zoals hij heeft gedaan, en dat [appellant] onmiddellijk voorafgaand aan zijn handelen daadwerkelijk besefte dat hij zich daarvan in verband met de aanmerkelijke kans op schade had behoren te weerhouden.
bepaalt, voor het geval dat WML bewijs door getuigen wil leveren, dat de getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van mr. Y.L.L.A.M. Delfos-Roy als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;
verwijst de zaak naar de rol van 5 juli 2016 voor opgave van het aantal getuigen en van de verhinderdata van partijen zelf, hun advocaten en de getuige(n) in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;
bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde roldatum dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;
bepaalt dat de advocaat van WML tenminste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zal opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;
houdt elke verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. Y.L.L.A.M. Delfos-Roy, R.J.M. Cremers en D.J.B. de Wolff en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 21 juni 2016.
griffier rolraadsheer