NJB 2024/2678:Onwaardige erfgenaam. Redelijkheid en billijkheid. De strafrechter heeft bewezen verklaard dat een verdachte zijn vrouw opzettelijk van het leven heeft beroofd, maar hem volledig ontoerekeningsvatbaar verklaard en hem de maatregel van tbs met dwangverpleging opgelegd. Het civiele hof verklaart voor recht dat de man onwaardig is om voordeel te trekken uit de nalatenschap van de vrouw. Hoge Raad: Ook indien iemand niet op grond van art. 4:3 lid 1 aanhef en onder a BW van rechtswege onwaardig is om te erven, kunnen zich omstandigheden voordoen op grond waarvan het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat hij aanspraak heeft op een nalatenschap (art. 6:2 lid 2 BW). De door het hof genoemde feiten en omstandigheden kunnen niet tot een ander oordeel leiden dan dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de man aanspraak heeft op de nalatenschap van de vrouw. Aan deze toepassing van art. 6:2 lid 2 BW moeten dezelfde rechtsgevolgen worden toegekend als aan onwaardigheid in de zin van art. 4:3 BW.