Zie ter vergelijking de zaak die aanleiding gaf tot HR 16 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1054, NJ 2020/383, m.nt. Jörg, waarin de verdachte zonder aarzeling meerdere kogels afschoot richting een man die een bivakmuts droeg en een vuurwapen voorhanden had. Het hof overwoog dat e.e.a. plaatsvond in een milieu waarin het niet ongebruikelijk was dat betrokkenen wapens bij zich droegen en dat de verdachte er niet zonder meer van uit mocht gaan dat bij het tevoorschijn komen van vuurwapens meteen geschoten zou worden. De Hoge Raad vond het oordeel van het hof dat de verdachte geen geslaagd beroep op noodweer toekwam, niet getuigen van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk.
HR, 05-11-2024, nr. 23/00269
ECLI:NL:HR:2024:1559
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
05-11-2024
- Zaaknummer
23/00269
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:1559, Uitspraak, Hoge Raad, 05‑11‑2024; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2023:2936
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:880
ECLI:NL:PHR:2024:880, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 03‑09‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1559
- Vindplaatsen
Uitspraak 05‑11‑2024
Inhoudsindicatie
Schietpartij n.a.v. drugsdeal in 2020 in Den Haag. Poging tot doodslag op beoogde wietleverancier en op medewerkster van eethuis (art. 287 Sr) en vernieling van ruit en televisie (art. 350.1 Sr). 1. Noodweer, proportionaliteitseis. Kon hof oordelen dat het schieten door verdachte buitenproportioneel is geweest gelet op dreiging die ongewapend slachtoffer voor verdachte vormde en omstandigheid dat er minder extreme alternatieven voorhanden waren? 2. Noodweerexces, art. 41.2 Sr. Kon hof oordelen dat het niet aannemelijk is geworden dat het schieten door verdachte het gevolg was van hevige gemoedsbeweging, op de grond dat verdachte tijdens schieten weliswaar opgewonden en gestrest was maar dat dit onvoldoende is om aan te nemen dat hevige gemoedsbeweging bestond? HR: art. 81.1 RO.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/00269
Datum 5 november 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 12 januari 2023, nummer 22-003766-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Kuijper, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch alleen wat betreft de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van zes jaren.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze vijf jaren en negen maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 november 2024.
Conclusie 03‑09‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Tweemaal poging doodslag (onder meer). Schietpartij Den Haag. Middel komt op tegen verwerping beroep noodweer en noodweerexces. Oordeel hof dat niet voldaan is aan eisen proportionaliteit en subsidiariteit en beroep op noodweer derhalve faalt niet onbegrijpelijk. Slachtoffer was ongewapend en verdachte heeft meteen geschoten zonder te proberen het slachtoffer op andere manier zijn aanval te laten doen afbreken. Ook oordeel dat verdachte geen beroep op noodweerexces toekomt niet onbegrijpelijk. Enkele 'bang zijn' onvoldoende om hevige gemoedsbeweging aan te nemen. Ambtshalve opmerking overschrijding redelijke (behandel)termijn in cassatiefase. Conclusie strekt tot vernietiging bestreden uitspraak, doch alleen wat betreft opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping beroep voor het overige.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/00269
Zitting 3 september 2024
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000,
hierna: de verdachte.
Inleiding
1. Het gerechtshof Den Haag heeft de verdachte bij arrest van 12 januari 2023 wegens onder 1 en 2 “telkens: poging doodslag”, onder 3 “opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen”, onder 4 “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C gegeven verbod, meermalen gepleegd” en onder 5 “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof de verdachte twee schadevergoedingsmaatregelen opgelegd.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J. Kuijper, advocaat in Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
3. De klachten komen op tegen de verwerping van het beroep op (1) noodweer en (2) noodweerexces.
De zaak
4. In deze zaak gaat het om een schietpartij die plaatsvond op 27 oktober 2020 te Den Haag. De verdachte heeft tijdens die schietpartij een drietal kogels afgevuurd. [slachtoffer 1] is daarbij door één kogel rechts in zijn bovenbeen geraakt. Verder is één kogel door de ruit van een vlakbij gelegen afhaalrestaurant geschoten terwijl [slachtoffer 2] zich daar op dat moment bevond. Het glas brak, viel over haar heen en in haar oog. De verdachte heeft telkens verklaard dat hij heeft geschoten uit zelfverdediging.
Het middel
5. Het middel valt in twee deelklachten uiteen. Ten eerste zijn de redenen die het hof ten grondslag heeft gelegd aan de verwerping van het beroep op noodweer volgens de steller van het middel onbegrijpelijk. Ten tweede is het oordeel dat bij de verdachte geen hevige gemoedsbeweging bestond en dat het beroep op noodweerexces daarom moet worden verworpen, onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd.
De motivering van het hof
6. Het hof heeft met betrekking tot het beroep op noodweer en noodweerexces als volgt overwogen:
“Feiten en omstandigheden
Met het oog op het beantwoorden van de vraag of de verdachte een beroep op noodweer(exces) toekomt, stelt het hof het volgende vast. Daarbij stelt het hof voorop dat op grond van de stukken in het dossier geen eenduidig beeld naar voren komt over de volgende delen van de feiten. Met name kan het hof niet vaststellen of de verdachte zelf het wapen meegenomen heeft naar de ontmoeting met [slachtoffer 1]; evenmin kan het hof vaststellen of [slachtoffer 1] bij de verdachte vandaan liep of op de verdachte af kwam lopen. Om die reden zal het hof voor wat betreft de vaststelling van de feiten en omstandigheden die relevant zijn voor de vraag of er sprake is van noodweer(exces) uitgaan van de lezing van de verdachte daaromtrent.
Uit de verklaringen van de verdachte volgt dat hij met [slachtoffer 1] in een worsteling was geraakt, omdat laatstgenoemde hem op straat met een wapen had bedreigd. Tijdens die worsteling was de verdachte op de grond gevallen waarbij zijn linkerarm uit de kom was geraakt. Op dat moment hadden de verdachte en [slachtoffer 1] het wapen vast. Terwijl hij op de grond lag, begonnen [slachtoffer 1] en zijn broer op de verdachte in te slaan. De verdachte hield het wapen vast. [slachtoffer 1] probeerde het wapen uit de hand van de verdachte trekken. Omdat de verdachte het wapen niet losliet, werd hij aan het wapen over straat gesleept. [betrokkene 1], een vriend van de verdachte, sloeg [slachtoffer 1] van de verdachte af.
Op enig moment hoorde de verdachte [betrokkene 1] roepen: "Kijk uit". De verdachte zag dat [slachtoffer 1] opnieuw op hem af kwam rennen. Terwijl hij op de grond zat, schoot de verdachte met zijn ogen dicht in de richting van [slachtoffer 1] die op dat moment op korte afstand van de verdachte stond.
Oordeel van het hof
Het hof acht op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet onaannemelijk geworden dat sprake kan zijn geweest van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van verdachte's lijf door [slachtoffer 1], nu - volgens verdachte - [slachtoffer 1] wederom op de verdachte af kwam; daartegen mocht hij zich verdedigen.
De vraag die vervolgens dient te worden beantwoord is of de verdediging die de verdachte heeft gekozen, door in de richting van [slachtoffer 1] te schieten voldoet aan de normen van een noodzakelijke verdediging.
Door te handelen als hierboven is vastgesteld, heeft de verdachte de grenzen van noodzakelijke verdediging naar het oordeel van het hof overschreden. Immers, [slachtoffer 1] was op dat moment ongewapend. De verdachte heeft met scherp in de richting van [slachtoffer 1] geschoten. De bedreiging die [slachtoffer 1] vormde was geenszins van dien aard dat dit een dergelijk schieten rechtvaardigde. De reactie van de verdachte is derhalve buitenproportioneel geweest. Er is geen twijfel dat er minder extreme alternatieven voorhanden waren die de verdachte zonder meer had kunnen inzetten tegen de dreigende aanval. Te denken valt aan het richten van het vuurwapen naar [slachtoffer 1] en vervolgens roepend dreigen met schieten, of het lossen van een waarschuwingsschot in de lucht gepaard gaande met schreeuwende (schiet)dreigementen.
Het is aannemelijk dat een gemiddeld persoon, zo ook [slachtoffer 1], dan vervolgens was gevlucht of in elk geval diens toenadering richting de verdachte had gestaakt. De door de verdachte gekozen verdediging voldoet derhalve evenmin aan de vereisten van subsidiariteit.
Nu het hof van oordeel is dat de verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden, komt hem geen beroep op noodweer toe. Verwerping van deze rechtvaardigingsgrond maakt dat het bewezenverklaarde feit 1 - en in het logische verlengde daarvan ook feit 2 - strafbaar is.
Dat bij de verdachte sprake was van een hevige gemoedsbeweging als hierboven bedoeld is, gelet op de verklaringen van de verdachte daaromtrent, niet aannemelijk geworden. Uit met name de verklaring die de verdachte op de terechtzitting in eerste aanleg van 8 december 2021 heeft afgelegd, volgt veeleer dat de verdachte welbewust heeft gehandeld. Hij heeft immers verklaard:
"Op een gegeven moment zag ik geen andere optie meer. (...) Ik wou hem gewoon van mij afschieten".
Op de terechtzitting in hoger beroep van 29 december 2022 heeft de verdachte verklaard dat hij "adrenaline voelde" en dat hij "dacht dat hij zich moest verdedigen".
Gelet op hetgeen de verdachte heeft verklaard, ook bezien in de context van het incident, acht het hof aannemelijk dat hij ten tijde van het schieten behoorlijk opgewonden en gestrest was. Die gemoedstoestand is echter onvoldoende om aan te mogen nemen dat bij de verdachte sprake was van een "hevige gemoedsbeweging" als bedoeld in artikel 41, tweede lid, Sr. De verdediging heeft bij pleidooi in de kern volstaan met de enkele stelling dat bij de verdachte sprake was van een hevige gemoedsbeweging. Die stelling is, behoudens een verwijzing naar hetgeen de verdachte daarover heeft verklaard en het aanhalen van jurisprudentie, vervolgens niet nader feitelijk uitgewerkt of geconcretiseerd.
Dit alles maakt dat ook het beroep op noodweerexces wordt verworpen. Verwerping van deze schulduitsluitingsgrond maakt dat de verdachte strafbaar is daar waar het gaat om de bewezenverklaarde en - zoals reeds vastgesteld - strafbare feiten 1 en 2.
Ook overigens zijn geen andere omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten en de strafbaarheid van de verdachte ter zake van genoemde feiten uitsluiten. Deze feiten zijn strafbaar en de verdachte is ten aanzien daarvan strafbaar.”
De toelichting op het middel
7. Ten aanzien van de eerste deelklacht (noodweer) wordt in de toelichting op het middel, kort gezegd, aangevoerd dat het oordeel van het hof dat de reactie van de verdachte op de bedreiging van de aanvaller buitenproportioneel was – in het licht van de feitelijke toedracht – onbegrijpelijk is.
8. Wat betreft de tweede deelklacht (noodweerexces) voert de steller van het middel aan dat het hof voorbij is gegaan aan verklaringen van de verdachte waaruit kan volgen dat bij de verdachte een hevige gemoedsbeweging bestond die mogelijk tot gevolg heeft gehad dat hij de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden. In de toelichting wordt in dit verband gewezen op de verklaringen van de verdachte inhoudende dat hij “in shock” was en dat hij “bang” was.
De beoordeling van het middel
De eerste deelklacht: noodweer
9. Het hof heeft ten aanzien van de feitelijke toedracht van het geweldsincident het volgende vastgesteld:
- betrokken bij het incident waren: de verdachte, [betrokkene 1] (een vriend van de verdachte), [slachtoffer 1] en de broer van [slachtoffer 1];
- [slachtoffer 1] heeft de verdachte op straat met een (vuur)wapen bedreigd;
- de verdachte en [slachtoffer 1] zijn daarop in een worsteling terechtgekomen;
- tijdens de worsteling is de verdachte op de grond gevallen en daardoor is zijn arm uit de kom geraakt;
- de verdachte krijgt bij die worsteling het wapen in handen;
- [slachtoffer 1] en zijn broer beginnen daarop op de verdachte in te slaan;
- [betrokkene 1] trekt de mannen op een gegeven moment van de verdachte af;
- kort daarna ziet de verdachte [slachtoffer 1] weer op hem af komen rennen;
- de verdachte zit op dat moment nog op de grond;
- hij schiet dan, met zijn ogen dicht, in de richting van [slachtoffer 1] die zich dan nog op ongeveer één meter afstand van de verdachte bevindt.
10. Op basis van deze feiten en omstandigheden heeft het hof geoordeeld dat de verdachte zich in een noodweersituatie bevond waarin hij zich mocht verdedigen. Dit oordeel wordt in cassatie niet bestreden, zodat daarvan in het vervolg moet worden uitgegaan. De wijze waarop de verdachte zich heeft verdedigd was naar het oordeel van het hof evenwel niet geboden door de noodzakelijke verdediging.
11. Het oordeel van het hof dat de reactie van de verdachte niet in verhouding stond tot de mate van bedreiging die uitging van [slachtoffer 1] en dat de verdachte minder ingrijpende alternatieven ter beschikking stonden, is mijns inziens niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat uit de vaststellingen van het hof volgt dat [slachtoffer 1] op het moment waarop de verdachte schoot ongewapend was.1.Van belang is daarnaast dat de verdachte vrijwel meteen richting [slachtoffer 1] schoot en dat hij dus niet eerst geprobeerd heeft om [slachtoffer 1] op een andere manier zijn aanval te doen afbreken, bijvoorbeeld door een dreigende, verbale waarschuwing te geven of door een waarschuwingsschot te lossen.2.
12. De eerste deelklacht faalt.
De tweede deelklacht: noodweerexces
13. Ten aanzien van het (subsidiaire) beroep op noodweerexces heeft het hof overwogen dat het niet aannemelijk is geworden dat bij de verdachte een hevige gemoedsbeweging bestond die tot onmiddellijk gevolg had dat de verdachte de grenzen geboden door de noodzakelijke verdediging heeft overschreden. Het hof baseert dat oordeel onder meer op de volgende verklaring van de verdachte: “Op een gegeven moment zag ik geen andere optie meer. (…) Ik wou hem gewoon van mij afschieten”. Verder overweegt het hof dat het op basis van de verklaringen van de verdachte weliswaar aannemelijk is dat de verdachte tijdens het schieten opgewonden en gestrest was, maar dat dat onvoldoende is om aan te nemen dat een hevige gemoedsbeweging bestond.
14. In de toelichting vestigt de steller van het middel de aandacht op een aantal verklaringen van de verdachte waaruit zou volgen dat bij de verdachte wél een hevige gemoedsbeweging bestond. Uit die verklaringen komt naar voren dat de verdachte “bang” en “in shock” was. Het is niet onbegrijpelijk dat het hof ‘bang zijn’ onvoldoende heeft geacht voor het aannemen van een hevige gemoedsbeweging aangezien aan dat enkele ‘bang zijn’ een zekere hevigheid ontbreekt.3.Verder heeft het ‘in shock zijn’ waarover de verdachte verklaart betrekking op de toestand van de verdachte na afloop van het schieten. Gelet op het voorgaande acht ik het oordeel van het hof dat niet aannemelijk is geworden dat het schieten het gevolg was van een hevige gemoedsbeweging, niet onbegrijpelijk. Dat feitelijke oordeel is bovendien toereikend gemotiveerd. Verder reikt de toets in cassatie niet.
15. Ook de tweede deelklacht faalt.
Slotsom
16. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering.
17. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn in cassatie, als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM, is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf.
18. Andere ambtshalve gronden die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven heb ik niet aangetroffen.
19. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch alleen wat betreft de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 03‑09‑2024
In de toelichting doet de steller van het middel een beroep op HR 24 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:773, NJ 2014/277. De verdachte in die zaak werd achtervolgd door een groep van acht á negen mannen die zich agressief gedroegen jegens hem en die messen droegen. Hij heeft toen een vuurwapen op hen gericht om hen op afstand te houden. Daarmee wist hij de mannen niet af te schrikken. De verdachte is daarna vier straten doorgerend om vervolgens in een tram te stappen. Zijn achtervolgers kwamen die tram ook binnen en stormden op hem af. Daarop heeft de verdachte met een vuurwapen in de richting van de voorste achtervolger geschoten. De Hoge Raad achtte het oordeel van het hof dat de verdachte ook een andere uitweg had kunnen vinden niet begrijpelijk. Het verschil met de onderhavige zaak bestaat eruit dat die verdachte eerst gedreigd heeft om met het vuurwapen te schieten, vervolgens nog een vluchtpoging heeft ondernomen en daarna pas heeft geschoten, terwijl de verdachte in onderhavige zaak meteen een schot gelost heeft.
Bij het begrip ‘hevige gemoedsbeweging’ moet het gaan om een door de aanranding veroorzaakte hevige angst (of woede). Zie HR 27 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC6794, NJ 2008/510. In deze zaak sliep de verdachte bij zijn vriendin thuis toen hij wakker werd van een klap op zijn hoofd toegebracht door de ex-vriend van zijn vriendin. Ze raakten in een gevecht waarna de aanvaller (om een onduidelijke reden) van de trap viel. De verdachte heeft de aanvaller daarna nogmaals geslagen en geschopt tegen het hoofd en het lichaam. Hij verklaarde daaromtrent als volgt: “Ik heb flink op hem in staan hengsten, omdat ik zeker wist dat hij mij niks kon doen”, “Toen heb ik geslagen en geschopt, maar dit was gewoon met de bedoeling dat hij bleef liggen, zodat hij niets meer kon doen tegen mij en Petra.” Het hof oordeelde dat de gedragingen van de verdachte en zijn beweegredenen daarvoor veeleer getuigen van een zekere rationaliteit en doelgerichtheid dan van hevige angst en dat het dan ook niet aannemelijk is geworden dat de verdachte handelde als onmiddellijk gevolg van een dusdanig hevige angst, dat deze kan worden aangemerkt als een hevige gemoedsbeweging in de zin van artikel 41 lid 2 Sr. Volgens de Hoge Raad getuigde dit oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting en was dit niet onbegrijpelijk.