Einde inhoudsopgave
Executele (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2007/III.D.5
III.D.5. Relatie tot ouderlijke boedelverdeling of wettelijke verdeling
Prof.mr. B.M.E.M. Schols, datum 07-12-2007
- Datum
07-12-2007
- Auteur
Prof.mr. B.M.E.M. Schols
- JCDI
JCDI:ADS403784:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeldE.VAN DEN BRINK-BAGGERMAN, preadvies KNB (2006),Verklaring van erfrecht; (beneficiair) aanvaarden en verwerpen, Den Haag: SDU Uitgevers 2006, p. 293 die concludeert: 'Bij de ''standaard''ouderlijke boedelverdeling en wettelijke verdeling speelt de executeur praktisch gezien geen rol, aangezien geen sprake is van een onverdeeldheiddie beheerd moet worden.' Zie ook Hof Arnhem 19 juni 2007, Notafax 2007, 170, zijhet dat dit een casus betrof waar de langstlevende echtgenoot tevens executeur was. Ook van belang in deze is Rechtbank Haarlem 13 september 2006, LJN AY8287 waaruit blijkt: 'Nu partijen de nalatenschap van hun vader beneficiar hebben aanvaard, moet die worden ver-effendmet in achtneming van de bepalingen van titel 6, afdeling van boek 4 BW - dat (grotendeels) een dwingendrechtelijke regeling betreft - en kan de rechtbank niet overgaan tot de door elk van partijen gevorderde verdeling als bedoeld in artikel 4:227 juncto 3:185 BW (verdeling door de rechter).'
De problematiek wordt versterkt als een derde, niet zijnde de langstlevende, tot executeur benoemdis.
M.J.A.VAN MOURIK, Erfrecht, Deventer: Kluwer 2002, p. 217.
Tot executeurbenoemingen met het oog op voorkoming van de vereffeningsproblematiek werd reeds eerder een oproep gedaan, onder meer door W.G. HUIJGEN in JBN 2003nr. 59.
Hof Den Haag 6 december 2006, Rekestnummer 1070-H-05. In deze kwestie oordeelde het hofook over enkele procesrechtelijke vraagstukken inzake dagvaarding ofverzoekschrift.
De vraag1 kan in het kader van een blik op de omgeving van de executeur gesteldworden wat nog de betekenis van een executeurbenoeming zou kunnen zijn in combinatie met een ouderlijke boedelverdeling of een wettelijke verdeling.
Het antwoordop deze vraag zou ik als volgt willen verwoorden:
a. Wellicht heeft de langstlevende nog geen afstand gedaan van de bevoegdheidtot ongedaanmaking van de wettelijke verdeling of nog geen keuze uitgebracht omtrent het al dan niet aanvaarden van de nalatenschap. De langstlevende zou in dat geval in de hoedanigheid van executeur al bepaalde handelingen kunnen verrichten zonder dat deze hem of haar wellicht als erfgenaam aangerekend zouden kunnen worden als daad van aanvaarding of uitgelegd zouden kunnen worden als een afstanddoening van het recht op on-gedaanmaking.
Er kan reeds een verklaring van executele worden afgegeven.
En in het verlengde hiervan het volgende. Het wetsvoorstel erfrecht van de KNB (gedragen door Luijten/Van Mourik en de Commissie Erfrecht), WPNR (1993) 6096 ging in eerste instantie zelfs uit van een benoeming ex lege van de langstlevende echtgenoot als executeur in geval van een wettelijke verdeling. In art. 3 lid 3 van het betreffende wetsvoorstel werd bepaald:
'Gedurende de tijd dat de echtgenoot de bevoegdheid heeft als bedoeld in het eerste lid van dit artikel is de echtgenoot van erflater van rechtswege executeur die het beheer van de nalatenschap heeft, tenzij erflater een ander tot executeur heeft benoemd.' (Curs. BS)
En in de toelichting op het betreffende wetsvoorstel:
'Zolang de langstlevende zich niet verklaard heeft, is de langstlevende echtgenoot van rechtswege executeur-testamentair met beheer. Deze executele eindigt van rechtswege drie maanden na het openvallen der nalatenschap.'
Eveneens mag niet onvermeldblijven dat aan deze executeur van rechtswege, in lid 4 van art. 3 van het betreffende wetsvoorstel onder meer de beschik-kingsbevoegdheidals bedoeld in art. 4:147 lid 1 BW verleend werdalsmede de bevoegdheid om de erfgenamen te vertegenwoordigen als bedoeld in art. 4:145lid2BW,zulks ondanks het feit dat de langstlevende op grond van de wettelijke verdeling reeds enig rechthebbende was. Ook al heeft deze regeling niet de eindstreep gehaald, de gedachte aan een combinatie van hoedanigheden was blijkbaar zo gek nog niet. In ieder geval blijkt hier duidelijk uit dat een executeur ook bestaansrecht heeft als er geen onverdeeldheid is.
b. Voorts wijs ik op art. 72 SW 1956 waarin de executeur de bevoegdheid ver-leendwordt om de aangifte voor het successierecht te verzorgen.
c. In het buitenland heeft men nog al eens moeite met Nederlandse hybride erfrechtelijke fenomenen als wettelijke verdeling en ouderlijke boedelverdeling. Een executeur daarentegen kan in het buitenland veelal als graag geziene gast aan de erfrechtelijke dis aanschuiven.
d. Voor hetgeen hiervoor onder a. tot en met c. werd vermeld zal men wellicht nog niet warm lopen.Waar men wel warm, of koud, van zal worden, zou ik zo denken, is de eventuele beschikkingsonbevoegdheid van de langstlevende, ondanks de werking van een ouderlijke boedelverdeling of een wettelijke verdeling, en wel op grondvan art. 4:145 BWen art. 4:211 lid 2 BW.2
Voorts kan men inspiratie opdoen bij de reeds onder oud erfrecht door Van Mourik3 uitgesproken woorden:
'Boeiendis de vraag op welke wijze een beneficiaire afwikkeling plaatsvindt ingeval van een ouderlijke boedelverdeling. De verdeling van de nalatenschap is dan reeds voltooid. [...] En in de verhouding echtgenoot (ouder-)kinderen brengt dit dan met zich dat de aan de ouder toegedeelde vermogensbestanddelen vooralsnog een afgescheiden vermogen vormen [...].'
Bij een afgescheiden vermogen misstaat de beschikkingsonbevoegdheidsre-gel van art. 4:145 lid1 BWen art. 4:211 lid 2 BW niet. In JBN 2004 nr.71 lees ik echter op p. 14:
'Het komt mij dan ook vreemd voor om de echtgenoot, die van rechtswege eigenaar van alle tot de nalatenschap behorende goederen is geworden, in de akte van levering ook als executeur te laten optreden.' (curs. BS)
En in het schema op p. 15 van de betreffende praktijkhandleiding:
'In testament echtgenoot tot executeur (met bezit) benoemdnaast obv of wettelijke verdeling: echtgenoot hoeft niet in hoedanigheid van executeur te leveren.' (curs. BS)
Een gevaarlijke gedachte? Indien een van de erfgenamen (bij minderjarigen op grondvan de fictie in art. 4:193 lid 2 BW 'van rechtswege') beneficiair aanvaard heeft, zou de langstlevende ondanks de werking van de ouderlijke boedelverdeling beschikkingsonbevoegd kunnen zijn geworden op grond van het bepaalde in art. 4:211 lid 2 BW. Zij kan in dat geval de betreffende (onroerende) zaak slechts overdragen met medewerking van de vereffenaar of machtiging van de kantonrechter.Vereffenaars in een 'groep 1-casus' zijn de langstlevende samen met de kinderen op grond van art. 4:195 BW, waarbij ook het bepaalde in art. 4:198 BW van belang is (gezamenlijk uitoefenen bevoegdheden). Overigens geldt op grond van het bepaalde in art. 4:202 lid 3 BW hetzelfde voor de wettelijke verdeling indien het de langstlevende is die de nalatenschap beneficiair aanvaardheeft.
Van belang is ook dat niemand minder dan de kantonrechters de notariele praktijk reeds gewaarschuwd hebben voor deze problematiek en wel in hun 'Handleiding erfrechtprocedures kantonrechter' (KNB-Intranet, 30 maart 2004), p. 66:
'indien erflater in zijn testament ouderlijke boedelverdeling heeft bepaald en na 1 januari 2003 overlijdt onder achterlating van een of meer minderjarigen als erfgenaam, dan dient hun wettelijk vertegenwoordiger beneficiair te aanvaarden. De wetgever heeft voor dit geval geen uitzondering gemaakt op de verplichting tot vereffening [...] hetgeen gevolg heeft voor de beschikkingsbevoegdheid van de langstlevende.' (curs. BS)
Vanzelfsprekend kan ook beneficiaire aanvaarding aan de orde zijn bij meerderjarigen.
De beschikkingsonbevoegdheid van de langstlevende zou derhalve ondanks de werking van de ouderlijke boedelverdeling een feit kunnen zijn. Zo ook het 'KNB vraag- en antwoordspel nieuw erfrecht', deel 5, nr. 2.
Welke hoedanigheid beschermt de langstlevende echtgenoot echter tegen beschikkingsonbevoegdheid? Inderdaad: de hoedanigheid van 'ruimschootsvol-doende'executeur, als bedoeld in art. 4:202 lid 1 letter a BW, voorkomt de toepassing van het voor de praktijk zo griezelige art. 4:211 lid 2 BW. Mijns inziens ligt het dan ook wel degelijk voor de hand en is het op zijn minst aanbevelenswaardig in de comparitie de functie van executeur te vermelden, ook al is de langstlevende eigenaar.
Reden genoeg overigens om aan alle oude obv's zonder executeurs de langstlevende alsnog als executeur te benoemen.4 Een en ander levert ook genoeg reden op om 'zelfs' bij een wettelijke verdeling de langstlevende tot executeur te benoemen, ook al is het 'kant en klaar-versterferfrecht'. Art. 4:202 lid3 BW redt de zaak slechts als de kinderen beneficiair aanvaarden en niet als de langstlevende de nalatenschap beneficiair aanvaardt. Onder omstandigheden kan ook het ontheffingsverzoek als bedoeld in art. 4:202 lid 2 BW soelaas bieden. Anders gezegd: ook bij een wettelijke verdeling past een executeur.
Mag men stellen dat er geen probleem is omdat de betreffende executeurbenoeming de toepassing van het bepaalde in art. 4:211 lid 2 BW voorkomt? Ik zie ook dan niet in waarom de 'tweeling' van de betreffende bepaling, te weten art. 4:145 lid1 BW, niet van toepassing zou zijn. Het optreden van de langstlevende als executeur is derhalve niet onbelangrijk.
Het is te kort door de bocht te constateren dat met de verdeling alle beheerstaken geëindigd zijn. Ondanks de verdeling kan er nog een vereffeningstaak zijn waar door de executeur rekening en verantwoording voor afgelegd moet worden. Dat vereffening (beheer) en verdeling ('eigendom') twee verschillende grootheden zijn, blijkt ook uit art. 4:203 lid 1 letter b BWen art. 4:204 lid 1 letter b BW waarin bepaald is dat een 'te snelle verdeling' aanleiding kan zijn om een vereffenaar te benoemen. Een ouderlijke boedelverdeling en een wettelijke verdeling zijn in zoverre bijzondere erfrechtelijke rechtsfiguren dat de verdeling aan de vereffening voorafgaat. Op het eerste gezicht de 'verkeerde' volgorde, maar de schuldeisers dienen toch voldaan te worden. En dat is nu net het terrein van executeurs en vereffenaars.
Hetgeen ik hiervoor opgemerkt heb met betrekking tot de ouderlijke boedelverdeling en wettelijke verdeling geldt in beginsel ook voor de rol van de executeur in geval van het ontbreken van een onverdeeldheid tengevolge van een enigerfgenaamschap.
Over het vraagstuk samenloop ouderlijke boedelverdeling en executele heeft Hof Den Haag onlangs5 moeten oordelen. Dat ook bij een ouderlijke boedelverdeling het einde van de taak van de executeur en het einde van diens beheer verschillende grootheden zijn blijkt uit de navolgende overweging van het hof:
'niet alleen de taak van de executeur is geëindigd in april 2003, maar, [...] ook het beheer van de executeur is geëindigd door het afwikkelen van de ouderlijke boedelverdeling' (Curs. BS)
Uit dit arrest blijkt dat er wel degelijk een taak is voor een executeur bij een ouderlijke boedelverdeling. Het betrof overigens een langstlevende echtgenoot die op grond van een ouderlijke boedelverdeling eigenaar van de goederen van de nalatenschap was geworden. In het onderhavige geschil zag het hof wel een taak voor de executeur, doch slechts een beperkte: 'Deze werkzaamheden (BS: boedelbeschrijving opmaken en aangifte voor het recht van successie doen) waren naar het oordeel van het hof in de onderhavige zaak voldoende voor het volbrengen van de taken van de executeur.'
Hier zou ik in andere gevallen aan toe willen voegen: 'de verplichting tot voldoening van de (opeisbare) schulden van de nalatenschap,' ondanks dat de voldoening daarvan in beginsel voor rekening komt van de langstlevende op grond van de ouderlijke boedelverdeling of wettelijke verdeling of enig erfgenaamschap. Denk hierbij met name aan het uitkeren van de legaten. Interessant is te zien hoe volgens het hof de 'Freigabe' ten behoeve van zichzelf, in de vorm van 'vestzak-broekzak' plaatsvindt: 'Ingevolge art. 4:150 BW is derhalve het beheer geëindigd door het aan [de langstlevende echtgenoot] als verkrijger van alle goederen ter beschikking stellen van de goederen.' Ik lees hierin dat de executeur kennis geeft aan zichzelf en de goederen na verkrijging ter beschikking stelt aan zichzelf. Nog interessanter is de vraag aan wie de executeur bij een ouderlijke boedelverdeling rekening en verantwoording dient af te leggen van het door hem gevoerde beheer.Volgens het hof ook aan zichzelf, gelet op art. 4:151 BW (degene die na hem tot het beheer bevoegd is), aangezien de langstlevende als gevolg van de ouderlijke boedelverdeling enig eigenaar is van de goederen welke tot de nalatenschap behoren en derhalve na de afwikkeling als enige tot het beheer daarvan bevoegd is. Een belangrijk arrest waaruit blijkt dat er wel degelijk, hoe klein in een concrete casus dan ook, voor de executeur een rol is weggelegd als door de aard van de rechtsfiguur de onverdeeldheid bij het openvallen van de nalatenschap reeds is opgeheven.