Einde inhoudsopgave
Aftrekbeperkingen van de rente in het internationale belastingrecht (FM nr. 132) 2008/9.5.1
9.5.1 Inleiding
mr. J. Vleggeert, datum 01-11-2008
- Datum
01-11-2008
- Auteur
mr. J. Vleggeert
- JCDI
JCDI:ADS298392:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Deelnemingsvrijstelling
Internationaal belastingrecht (V)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Europees belastingrecht (V)
Europees belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Onbesproken blijft verder of de Hoge Raad de leer van het gedeelte toepast of uitgaat van de absolute zelfstandigheid van de vaste inrichting. Van Raad is van mening dat de Hoge Raad de leer van het gedeelte heeft verlaten. Zie C. van Raad, Beweeglijkheid in het internationaal belastingrecht (oratie RUL), Deventer: Kluwer, p. 13 en C. van Raad, Cursus Belastingrecht (Internationaal belastingrecht), 2.9.2.C.a2. Romyn en Peeters zijn van mening dat de Hoge Raad de leer van het gedeelte toepast op situaties waarin zonder die toepassing een permanente discrepantie tussen de generale totaalwinst en de totaalwinst van de vaste inrichting zou ontstaan. De Hoge Raad zou de leer echter niet toepassen als de jaarwinst van de vaste inrichting elementen bevat die vooralsnog geen deel uitmaken van de generale jaarwinst, maar daar op een later tijdstip wel deel van gaan uitmaken. Romyn geeft het voorbeeld van een Nederlandse vaste inrichting van een Amerikaanse autofabrikant die auto’s fabriceert en doorlevert aan een Belgische vaste inrichting van die autofabrikant die de auto’s vervolgens verkoopt. Op het moment dat de auto’s het vermogen van de Nederlandse vaste inrichting verlaten, verschijnt op haar balans een fictieve vordering op de Belgische vaste inrichting. De Nederlandse vaste inrichting realiseert dan winst voordat de auto’s de generale onderneming hebben verlaten. Zie M. Romyn, Internationaal Belastingrecht, Tilburg: Boekhandel Gianotten 1999, p. 32. Zie ook P.J.J.M. Peeters, ‘De leer van het gedeelte is nog steeds geldend recht!, FED 7 oktober 2004, p. 2775.
In paragraaf 9.5 wordt eerst ingegaan op de opvatting van de Hoge Raad over interne leningen en de kapitalisatie van een vaste inrichting.1 In dit verband wordt de vraag beantwoord hoe deze opvatting zich verhoudt tot de bepaling over winst uit onderneming in de belastingverdragen. Vervolgens wordt ingegaan op de toepassing van de regeling tegen onderkapitalisatie op een Nederlandse vaste inrichting van een buitenlandse belastingplichtige. Ten slotte komt aan de orde hoe de regeling tegen onderkapitalisatie wordt toegepast bij de berekening van de voorkomingswinst die wordt behaald door een buitenlandse vaste inrichting van een Nederlands vennootschapsbelastingplichtig lichaam. Zowel ten aanzien van een buitenlandse belastingplichtige met een vaste inrichting in Nederland als voor een Nederlands lichaam met een buitenlandse vaste inrichting wordt besproken of de regeling tegen onderkapitalisatie in overeenstemming is met de onderzochte internationale regels.