Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/6.3.2.4
3.2.4 Lastbevoordeling
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS948142:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie F.W.J.M. Schols, in: Handboek Erfrecht 2020, p. 158 en 207. Zie tevens Asser/Perrick 4 2021/210.
Zie F.W.J.M. Schols, in: Handboek Erfrecht 2020, p. 209. Hij wijst onder meer op de last op het museum om de aan het museum gelegateerde kunstobjecten op een bepaalde wijze tentoon te stellen (algemeen belang), de last aan de erfgenamen om regelmatig een Heilige Mis ter nagedachtenis aan de erflater te laten lezen (belang erflater), of de last om het geërfde op een bepaalde manier te besteden (belang erflater/erfgenaam of legataris).
Zie F.W.J.M. Schols, in: Handboek Erfrecht 2020, p. 210. Zie tevens Asser/Perrick 4 2021/216.
Zie F.J.W.M. Schols, in: Handboek Erfrecht 2020, p. 211-212 en Asser/Perrick 4 2021/217.
Vgl. Verstappen & Burgerhart, Nederlands vermogensrecht bij scheiding, Algemeen deel A 2020, p. 137.
293. De verkrijgingen krachtens erfopvolging bij versterf en de verkrijgingen krachtens making zijn de eerste twee van de in artikel 1:94 lid 2 sub a BW genoemde erfrechtelijke uitzonderingen op de werking van boedelmenging. Als laatste erfrechtelijke uitzondering noemt artikel 1:94 lid 2 sub a BW de lastbevoordeling. Een testamentaire last is volgens artikel 4:130 BW een uiterste wilsbeschikking waarin de erflater aan de gezamenlijke erfgenamen, of aan een van hen, een verplichting oplegt die niet bestaat in de uitvoering van een legaat (artikel 4:130 BW). Aangezien een legaat een uiterste wilsbeschikking is waarin de erflater aan één of meer personen een vorderingsrecht toekent, kenmerkt de lastbevoordeling zich hierdoor dat tegenover de verplichting van degene(n) op wie de last rust, géén vorderingsrecht staat. De lastbevoordeelde heeft geen vorderingsrecht, en kan daardoor ook geen nakoming vorderen.1 Over het algemeen zal een testamentaire last dan ook niet vaak voorkomen in het belang van een derde, maar zal deze zich vooral manifesteren in het algemeen belang, in het belang van de erflater of in het belang van de erfgenaam of (sub)legataris.2 Omdat een vorderingsrecht ontbreekt, bepaalt artikel 4:131 BW dat degene die een onmiddellijk belang heeft bij het verval van het erfgenaamschap of legaat van de lastplichtige de rechter kan verzoeken het recht van de ‘wanpresterende’ lastplichtige ‘vervallen’ te verklaren. Hiermee verkrijgt de erfgenaam of legataris op wie een last rust zijn recht per saldo onder ontbindende voorwaarde. De ontbindende voorwaarde is de vervallenverklaring uitgesproken door de rechter wegens het niet uitvoering geven aan de last.3 Daarbij is het wel van belang dat de lastbevoordeelde niet een ‘onmiddellijk belanghebbende’ is in de zin van artikel 4:131 BW. Als onmiddellijk belanghebbende zal wél kwalificeren hij die erfgenaam zal zijn indien het erfgenaamschap van de lastplichtige vervalt. Datzelfde geldt voor degene die van een legaat wordt bevrijd, indien aan de legataris een last is opgelegd.4
294. Uit het voorgaande volgt dat het niet snel zal voorkomen dat een in de wettelijke gemeenschap van goederen gehuwde echtgenoot goederen krachtens een lastbevoordeling verkrijgt. Voor de verkrijging van specifieke goederen is het legaat het geëigende instrument. De vraag is dan ook wat voor zin het heeft dat artikel 1:94 lid 2 sub a BW goederen die krachtens lastbevoordeling zijn verkregen buiten de beperkte huwelijksgemeenschap doet vallen. Desalniettemin bepaalt artikel 1:94 lid 2 sub a BW het voor de volledigheid wel. Aldus staat buiten kijf dat in het geval dat goederen krachtens lastbevoordeling worden verkregen, deze goederen op grond van artikel 1:94 lid 2 sub a BW eveneens van de beperkte huwelijksgemeenschap zijn uitgezonderd. Datzelfde geldt wanneer de last zou bestaan uit een andere bevoordeling dan de verkrijging van een goed, zoals de kwijtschelding van een schuld. Ook in dat geval valt de bevoordeling niet in de beperkte huwelijksgemeenschap waarin de betreffende persoon mocht zijn gehuwd.5 Gaat het om de kwijtschelding van een schuld die in de huwelijksgemeenschap is gevallen, dan verkrijgt de betreffende echtgenoot op grond van artikel 1:96 lid 4 BW dus een vergoedingsrecht op zijn huwelijksgemeenschap.